Zoek op

Aan de haal gaan

Spreekwoorden: (1914) Aan den haal gaan,
d.w.z. aan of op den loop gaan; het op een loopen zetten, op de vlucht slaan. Het znw. haal behoort bij het wkw. halen, dat intr. opgevat de beteekenis heeft van: hard loopen. Vgl. trekken en de gewestelijke uitdr. in iets geen haal hebben, geen trek hebben in iets. In de 18<sup...
Gevonden op http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0751.htm
Geen exacte overeenkomst gevonden.