Kopie van `Monumenten en archeologie in Amsterdam`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Monumenten en archeologie in Amsterdam
Categorie: Bouw en Constructie > Monumenten
Datum & Land: 27/01/2014, NL
Woorden: 12


Anker
Een anker is een staaf van smeedijzer, waarmee de balken aan de gevel zijn bevestigd. De vorm van een anker wordt bepaald door de bouwperiode. In de 18de eeuw werden blindankers toegepast: deze zijn in het metselwerk weggewerkt en zijn dus niet te zien.

Attiek
Een attiek is een versierde verhoging aangebracht op een kroonlijst, vaak om het puntdak aan het oog te onttrekken. De attiek wordt vooral in de 18de eeuw toegepast. Er zijn open attieken (vaak een balustrade zoals bij Keizersgracht 244-246) en gesloten attieken (zoals bij Keizersgracht 248 en Keizersgracht 317).

Classicisme
Tussen ±1625 en ±1665 valt de bloeiperiode van het Hollands classicisme van Jacob van Campen (1595-1657) en Philips Vingboons (1607-1678). In het Hollands classicisme, ook wel Classicistische barok genoemd, wordt afgerekend met de maniëristische wijze van bouwen in de traditie van Hendrick de Keyser. Op strenge wijze wordt het klassieke `ordenboek` nageleefd, waarin de afmetingen, proporties en opeenvolging van de vijf bouwkunstorden (toscaanse, dorische, ionische, corinthische en composiet-orde) worden beschreven. Een belangrijke inspiratiebron zijn de voorbeelden van Palladio en Scamozzi in Noord-Italië. Uit historisch onderzoek is gebleken dat de groeiende rijkdom van de heersende elite van de Republiek ten grondslag ligt aan een nieuwe, deftiger levensstijl. Deze uitte zich in een ingetogen en afstandelijk, maar tegelijkertijd imposante architectuur. Het belangrijkste voorbeeld van het Hollands classicisme in Amsterdam is tevens het belangrijkste gebouw van de stad: het vml. stadhuis op de Dam, thans Paleis, van Jacob van Campen (gebouwd in 1648/55). Het vroegste voorbeeld van Hollands classicisme, Keizersgracht 177 (1625), is het enige Amsterdamse woonhuis gebouwd door Jacob van Campen.
Belangrijke voorbeelden bij het dubbele huis (50-60 voet breed) zijn: Kloveniersburgwal 95, het `Poppenhuis` (1642), van Joan Poppen, Kloveniersburgwal 77, het Huis Bambeeck (1650), van Nicolaas van Bambeeck, Oudezijds Voorburgwal 316, de Ladder Jacobs (1655), van Pieter de Mayer, Kloveniersburgwal 29, het Trippenhuis (1662), van de gebroeders Hendrick en Louys Trip, Herengracht 386 (1663/65), van Carel Gerards, Herengracht 412 (1664/67), van Guillaume Belin la Garde.

Dwarshuis
Een dwarshuis is een huis dat met de nok van het dak evenwijdig aan de straat of gracht is gebouwd, in andere woorden: een huis met dwarsdak. Dwarshuizen komen in Amsterdam vrijwel alleen voor bij dubbele huizen, omdat alleen bij deze huizen de brede kavels voorkomen noodzakelijk voor een dwarshuis. Dwarshuizen komen ook vaak voor achter een hoekhuis in de zijstraat. Soms lijkt het dak van het hoekhuis over het dwarshuis daarachter door, zodat sprake is van een hoekhuis met apart bewoond achterhuis.

Festoen
Een festoen is een classicistische versiering aan de voorgevel in de vorm van een slinger, meestal met bloem- of fruitmotieven. Festoenen worden meestal in de 17de eeuw toegepast, alhoewel ze ook voorkomen in de 18de eeuwse Lodewijk XVI-stijl.

Hijsbalk
Een hijsbalk is een balk die door de topgevel steekt en gebruikt wordt voor het takelen van goederen (met touw en blok). De hijsbalk maar ook de techniek van het hijsen van goederen zelf is ontstaan uit de behoefte om handelsgoederen op te kunnen slaan op zolders. Amsterdam was in de 17de eeuw de belangrijkste stapelmarkt van de goederen en dus moesten heel veel goederen worden opgeslagen. In eerste instantie werden kelders en verdiepingen van woonhuizen (`pakzolders`) gebruikt om goederen op te slaan. De meeste koopmanshuizen aan de grachten hebben één of twee pakzolders. Deze zijn nog te herkennen aan het grotere middenraam waar de hijsluiken hebben gezeten. Vaak is boven zo`n raam nog een hijsrol aanwezig, waarlangs tijdens het hijsen het touw werd geleid.
De hijsbalk bij het woonhuis bleef bestaan, ook nadat het opslaan van handelsgoederen nog uitsluitend in pakhuizen plaatsvond. Bij woonhuizen werd het takelen met touw en blok nog uitsluitend gedaan bij verhuizingen.

Klauwstukken
Klauwstukken (of vleugelstukken) zijn zandstenen ornamenten aangebracht in de hoeken van 90° van een halsgevel. Ook trapgevels in Amsterdamse renaissance hebben soms (kleine) klauwstukken. De naam is mogelijk afgeleid van de grote adelaars- of leeuwenpoten die soms in vroege renaissancegevels werden gebruikt als invulling van een trap. In Amsterdam kwam een dergelijke renaissancegevel voor bij het eerste weeshuis, Kalverstraat 71 (1658). Deze trapgevel bestond uit twee trappen, de onderste was afgesloten door een dichte balustrade en de bovenste had grote klauwen in plaats van de toen meer gebruikelijke S- of C-vormige voluten.

Klokgevel
Een klokgevel is een bakstenen voorgevel van een smal huis (drie, soms twee, ramen breed) met zandstenen versieringen aan de top in de vorm van een klok. De klokgevel ontstaat uit de halsgevel door het in baksteen uitvoeren van de klauwstukken die nu één geheel vormen met de hals: de omtrek van vroege klokgevels komt overeen met halsgevels met eenvoudige ingezwenkte zijkanten. Klokgevels worden in Amsterdam gebouwd in de periode ±1660-±1790. Voorbeeld: Keizersgracht 716. 18de eeuwse klokgevels zijn duidelijk te herkennen van 17de eeuwse omdat zij geheel andere ornamenten hebben. In de 17de eeuw wordt de klokgevel versierd met ornamenten als vruchten- en bloemenslingers. In de 18de eeuw wordt de klokgevel weer toegepast in combinatie met Lodewijk XV-ornamenten. Er worden dan meer klokgevels dan halsgevels gebouwd.
In de 17de eeuw zijn de klokgevels lager en eenvoudiger dan in de 18de eeuw. Frontonbekroningen (bijv. Singel 97) en vruchten- en bloemenslingers (bijv. Bloemgracht 13) komen alleen in de 17de eeuw voor (bijv. Leidsegracht 37 uit 1666, Keizersgracht 716 uit 1671, Reguliersgracht 37 uit ±1690 en Reguliersgracht 39 uit ±1690). In de 18de eeuw wordt de zwenking steeds sterker, de aanzetstukken worden steeds speelser en de topbekroning verandert (geen frontons, meer weldadige versieringen, maar geen bloemen en fruitmotieven meer).

Oeils-de-boeuf
Ovale raampjes aangebracht in de top van een gevel, met versierde zandstenen omlijstingen. Vooral toegepast in de 17de eeuw. Ook wel osseogen genoemd.

Overkraagd
Men spreekt van een overkraagde gevel als een deel van de gevel iets naar voren is geplaatst en rust op de uitstekende balkenlaag (de vaak fraai geprofileerde balkkoppen steken uit de muur). Overkraagde gevels treft men vooral aan bij zijgevels van 17de eeuwse hoekhuizen met houtskelet. Bij voorgevels kunnen geen balkkoppen uit de gevel steken, omdat de balken altijd evenwijdig lopen aan de voorgevel. Indien sprake is van een houten onderpui is het mogelijk de stenen voorgevel iets vooruit te laten steken op de puibalk boven de onderpui. Voorbeelden: Herengracht 77, Singel 410 en 412.

Voluut
Een voluut is een zandstenen versiering in de vorm van een spiraal of krul, vooral gebruikt bij gevelbekroningen van tuit-, hals- en klokgevels.

Voorhuis
In de 17de eeuw wordt onder het voorhuis het brede, hoge vertrek aan de voorzijde van het huis, direkt aan de straat, bedoeld. In het voorhuis werd doorgaans een ambacht of winkelbedrijf uitgeoefend. In de 18de eeuw wordt onder het voorhuis het gehele huis bedoeld dat tussen de straat en de binnenplaats ligt. Het voorhuis-vertrek is dan geëvolueerd tot een voorkamer (met ernaast een gang).