Kopie van `Monumenten en archeologie in Amsterdam`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Monumenten en archeologie in Amsterdam
Categorie: Bouw en Constructie > Monumenten
Datum & Land: 27/01/2014, NL
Woorden: 71


Aanzetstukken
Aanzetstukken zijn zandstenen ornamenten bij klokgevels van waaruit de zandstenen banden van de klok ontspringen: ze bestaan meestal uit een klein stukje kroonlijst dat in de bakstenen gevel inspringt (soms heel diep) en waarop een ornament zoals een kuif is geplaatst. Voorbeeld: Keizersgracht 546.

Achterhuis
In de 18de eeuw, maar soms ook al in de 17de eeuw, wordt achter het huis een extra huis gebouwd, meestal dwars geplaatst en verbonden met het voorhuis met een gang met daarnaast een binnenplaats. Dit wordt het achterhuis genoemd. Op de hoofdverdieping van het achterhuis ligt de Zaal, een groot vertrek voor representatieve doeleinden. Onder de Zaal, op de begane grond, ligt de tuinkamer, die doorgaans als eetkamer diende.

Alliantiewapen
Een alliantiewapen is de gecombineerde wapenschilden van families die door een huwelijk met elkaar zijn verbonden. Vaak werden alliantiewapens in de voorgevel van een huis aangebracht. Voorbeeld: Herengracht 543. In het interieur treft men een alliantiewapen vaak aan achterin de gang, boven de toegangsdeur van de Zaal.

Anker
Een anker is een staaf van smeedijzer, waarmee de balken aan de gevel zijn bevestigd. De vorm van een anker wordt bepaald door de bouwperiode. In de 18de eeuw werden blindankers toegepast: deze zijn in het metselwerk weggewerkt en zijn dus niet te zien.

Attiek
Een attiek is een versierde verhoging aangebracht op een kroonlijst, vaak om het puntdak aan het oog te onttrekken. De attiek wordt vooral in de 18de eeuw toegepast. Er zijn open attieken (vaak een balustrade zoals bij Keizersgracht 244-246) en gesloten attieken (zoals bij Keizersgracht 248 en Keizersgracht 317).

Balusters
Een baluster is een spijl van een trapleuning. In de 18de eeuw werden de balusters vaak van fraai houtsnijwerk voorzien. Balusters treft men niet alleen in het interieur aan: ook de stoep op straat heeft balusters.

Barok
De Barok wordt in Amsterdam toegepast in de 18de eeuw. De Classicistische Barok in de 17de eeuw kan in sommige opzichten als anti-Barok worden opgevat; pas in de 18de eeuw komt een meer `echte` Barok, in Franse stijl, tot ontwikkeling. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de Lodewijk XIV (Louis Quatorze) en de Lodewijk XV (Louis Quinze), resp. toegepast in de eerste helft (meer precies: in de periode ±1700-±1740) en het derde kwart van de 18de eeuw (meer precies: de periode ±1740-±1770). De Lodewijk XVI-stijl, toegepast in het laatste kwart van de 18de eeuw, wordt meestal niet meer tot de Barok gerekend, omdat in deze stijl een terugkeer naar de classicistische vormentaal optreedt. De Lodewijk XIV-stijl is zwaar, pompeus en symmetrisch. Een veel gebruikt motief in de Lodewijk XIV-stijl is het acanthusblad. De Lodewijk XV-stijl is speels, licht en asymmetrisch en wordt gekenmerkt door uitbundige en krullerige versieringen
De gehele 18de eeuw ondervindt Amsterdam een sterke Franse invloed. Op de voorgevel, maar uitsluitend de middelste travee en boven de kroonlijst, wordt een weelderige decoratiestijl toegepast. De decoraties groeien uit tot een barok beeldhouwwerk, zelfs met beelden. Een goed voorbeeld is Herengracht 554 (1716). Echter, de rest van de voorgevel blijft gelijk aan die van de tweede helft van de 17de eeuw. Er is dus sprake van Amsterdamse oplossingen. Dit is zeker ook het geval bij smalle gevels, waar de Lodewijk-stijlen uitsluitend zichtbaar zijn in de barokke ornamenten van hals- en klokgevels.

Behangsels
Zie geschilderde behangsels.

Cartouche
Een cartouche is een zandstenen versierde omlijsting, toegepast rond een hijsbalk, een rond raampje of een jaartalsteen.

Cassettenplafond
Een cassettenplafond is een plafond bestaande uit regelmatige vierkante vakken. Een dergelijk plafond wordt vooral toegepast in de 17de eeuw.

Classicisme
Tussen ±1625 en ±1665 valt de bloeiperiode van het Hollands classicisme van Jacob van Campen (1595-1657) en Philips Vingboons (1607-1678). In het Hollands classicisme, ook wel Classicistische barok genoemd, wordt afgerekend met de maniëristische wijze van bouwen in de traditie van Hendrick de Keyser. Op strenge wijze wordt het klassieke `ordenboek` nageleefd, waarin de afmetingen, proporties en opeenvolging van de vijf bouwkunstorden (toscaanse, dorische, ionische, corinthische en composiet-orde) worden beschreven. Een belangrijke inspiratiebron zijn de voorbeelden van Palladio en Scamozzi in Noord-Italië. Uit historisch onderzoek is gebleken dat de groeiende rijkdom van de heersende elite van de Republiek ten grondslag ligt aan een nieuwe, deftiger levensstijl. Deze uitte zich in een ingetogen en afstandelijk, maar tegelijkertijd imposante architectuur. Het belangrijkste voorbeeld van het Hollands classicisme in Amsterdam is tevens het belangrijkste gebouw van de stad: het vml. stadhuis op de Dam, thans Paleis, van Jacob van Campen (gebouwd in 1648-55). Het vroegste voorbeeld van Hollands classicisme, Keizersgracht 177 (1625), is het enige Amsterdamse woonhuis gebouwd door Jacob van Campen.
Belangrijke voorbeelden bij het dubbele huis (50-60 voet breed) zijn: Kloveniersburgwal 95, het `Poppenhuis` (1642), van Joan Poppen, Kloveniersburgwal 77, het Huis Bambeeck (1650), van Nicolaas van Bambeeck, Oudezijds Voorburgwal 316, de Ladder Jacobs (1655), van Pieter de Mayer, Kloveniersburgwal 29, het Trippenhuis (1662), van de gebroeders Hendrick en Louys Trip, Herengracht 386 (1663-65), van Carel Gerards, Herengracht 412 (1664-67), van Guillaume Belin la Garde.

Consoles
Een console is een versierde ondersteuning van een kroonlijst. In de 18de eeuw waarin de kroonlijst als gevelbeëindiging populair wordt, komen consoles in Lodewijk XIV-, XV- en XVI-stijl voor. Consoles in Lodewijk XIV-stijl zijn symmetrisch, terwijl die in Lodewijk XV-stijl assymmetrisch zijn. Consoles in Lodewijk XVI-stijl zijn daarentegen weer symmetrisch, maar nu vaak versierd met een kleine festoen.

Deuromlijsting
Een deuromlijsting is een versiering rond een ingangspartij. Deze is vaak rijk versierd, bijv. met pilasters en een beeldhouwwerk. In de 18de eeuw wordt de deuromlijsting opgenomen in een totale gevelarchitectuur waarin de accentuering van de ingangspartij een belangrijke rol speelt. In de `strakke stijl` blijft de deuromlijsting als één van de weinige versieringen in de gevel over. Fraaie deuromlijstingen zijn te vinden in de gevels van Singel 292, Singel 390, Herengracht 399, Herengracht 433, Herengracht 462, Herengracht 475, Herengracht 520, Herengracht 539, Herengracht 605, Keizersgracht 225 en Nieuwe Herengracht 103.

Dubbele huis
Het gewone smalle stadshuis heeft drie raamtraveëen, tezamen 25-30 voet (7-8,5 m) breed, met de deur aan één zijde (maar in de 17de eeuw vaak in het midden). Het dubbele huis is een huis gebouwd op twee kavels en is dus twee keer zo breed als gewone, smalle huizen. Doorgaans heeft het dubbele huis vijf raamtraveëen, tezamen 50-60 voet (14-17 m) breed, met de voordeur en stoep in het midden. Er zijn echter uitzonderingen. Zo heeft het dubbele huis Keizersgracht 604 drie raamtraveëen.

Dwarshuis
Een dwarshuis is een huis dat met de nok van het dak evenwijdig aan de straat of gracht is gebouwd, in andere woorden: een huis met dwarsdak. Dwarshuizen komen in Amsterdam vrijwel alleen voor bij dubbele huizen, omdat alleen bij deze huizen de brede kavels voorkomen noodzakelijk voor een dwarshuis. Dwarshuizen komen ook vaak voor achter een hoekhuis in de zijstraat. Soms lijkt het dak van het hoekhuis over het dwarshuis daarachter door, zodat sprake is van een hoekhuis met apart bewoond achterhuis.

Festoen
Een festoen is een classicistische versiering aan de voorgevel in de vorm van een slinger, meestal met bloem- of fruitmotieven. Festoenen worden meestal in de 17de eeuw toegepast, alhoewel ze ook voorkomen in de 18de eeuwse Lodewijk XVI-stijl.

Fronton
Een fronton is een meestal driehoekvormige bekroning van een deur, een raam of een topgevel. Ook segmentvormige (gebogen) frontons komen voor. Frontons zijn een typisch classicistisch ornament en worden vooral in de 17de eeuw toegepast. De kroonlijst met een groot driehoekig fronton wordt in de periode van de Lodewijk XVI-stijl opnieuw toegepast.

Geschilderde behangsels
Een belangrijk onderdeel van 18de eeuwse woonhuisinterieurs zijn zgn. geschilderde behangsels. Dit zijn op doek aangebrachte beschilderingen, meestal van landschappen, die in de betimmering van de muren van de Zaal of een kamer in het voorhuis zijn opgenomen (met andere woorden: het zijn geen schilderijen omdat ze aan de muur vastzitten). Geschilderde behangsels zijn vandaag de dag uiterst zeldzaam. Op twee uitzonderingen na (Herengracht 168 en Keizersgracht 269), bevinden de geschilderde behangsels zich in alle huizen, waar ze nog te vinden zijn, slechts in één kamer. De belangrijkste schilders zijn: Dirk Dalens (1688-1758), Isaäc de Moucheron (1670-1744), Jacob de Wit (1695-1754), Anthony Elliger (1701-1781) en Jurriaan Andriessen (1742-1819). Voorbeelden: Herengracht 168 (twee kamers in het voorhuis van Jacob de Wit en Isaäc de Moucheron uit 1728-33), Herengracht 170-172 (Zaal van J.Buttner uit 1756 en tevens voorkamer van Isaäc de Moucheron, geplaatst in 1873 van elders), Herengracht 284 (Zaal van Dirk Dalens uit 1728), Herengracht 475 (rechtervoorkamer van Isaäc de Moucheron uit 1731), Keizersgracht 269 (Zaal van Antonie Elliger uit 1736 en voorkamer en achterkamer voorhuis en tuinzaal van W.Uppink uit 1812-13, in totaal 30 doeken in vier kamers!).

Gevelsteen
Een gevelsteen is een gebeeldhouwde zandstenen plaat, meestal aangebracht op de voorgevel. In de 17de eeuw werden dergelijke stenen gebruikt als `huisteken`, omdat er nog geen huisnummering bestond. Er zijn nog ca. 600 gevelstenen in Amsterdam. Voorbeeld: Sonnenberg (Herengracht 361). Van oorsprong zijn gevelstenen gepolychromeerd (in verschillende kleuren beschilderd). De laatste tijd komt er meer aandacht voor de gevelstenen (mede dankzij het werk van de Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen) en worden er weer velen ingekleurd.

Grisaille
Een grisaille is een klein schilderwerkje waarbij men alleen maar tinten aanbrengt, zoals grijs of bruin. Vaak zijn grisailles boven deuren of in de hoeken van een plafond aangebracht. Een specialist op dit gebied was Jacob de Wit (1695-1754). Vaak wordt dan ook van `witjes` gesproken. In Amsterdam zijn veel `witjes` bewaard gebleven.

Halsgevel
Een halsgevel is een bakstenen gevel van een smal huis (drie, soms twee, ramen breed) met twee hoeken van 90° aan de top die opgevuld zijn met zandstenen ornamenten, zgn. klauwstukken. Bij het enkele huis leidt het Hollands classicisme tot de ontwikkeling van de halsgevel, omdat bij gebruik van de lijstgevel het puntdak boven de lijst zou uitsteken (een classicistische oplossing zou het bedekken van het puntdak met een fronton zijn maar daarmee is de helling van de Hollandse daken niet in overeenstemming). De halsgevel wordt gebouwd in de periode ±1640-±1775, maar de meeste halsgevels zijn gebouwd in de eerste helft van de 18de eeuw. De halsgevel overleeft de periode van het Hollands classicisme, omdat de Lodewijk XIV-stijl heel goed kan worden toegepast op de halsgevel.
Vroege halsgevels zijn Herengracht 168 (1637) en Keizersgracht 319 (1639), beiden van Philips Vingboons. Latere voorbeelden van halsgevels in deze stijl zijn Herengracht 364-370 (1660-62) en Singel 460 (1662), beiden ook van Philips Vingboons. De oudst bekende halsgevels zijn Koestraat 814, gebouwd als huurhuizen (1611). Deze vormen echter een uitzondering. Als eerste halsgevel wordt vaak Herengracht 168 (1638) genoemd, gebouwd naar een ontwerp van Philip Vingboons. De halsgevel is typisch Amsterdams en komt voort uit de trapgevel: in feite bestaat de halsgevel uit een enkele trap (de verhoogde halsgevel heeft nog een extra trapje). 17de en 18de eeuwse halsgevels moeten onderscheiden worden in de ornamenten.

Hijsbalk
Een hijsbalk is een balk die door de topgevel steekt en gebruikt wordt voor het takelen van goederen (met touw en blok). De hijsbalk maar ook de techniek van het hijsen van goederen zelf is ontstaan uit de behoefte om handelsgoederen op te kunnen slaan op zolders. Amsterdam was in de 17de eeuw de belangrijkste stapelmarkt van de goederen en dus moesten heel veel goederen worden opgeslagen. In eerste instantie werden kelders en verdiepingen van woonhuizen (`pakzolders`) gebruikt om goederen op te slaan. De meeste koopmanshuizen aan de grachten hebben één of twee pakzolders. Deze zijn nog te herkennen aan het grotere middenraam waar de hijsluiken hebben gezeten. Vaak is boven zo`n raam nog een hijsrol aanwezig, waarlangs tijdens het hijsen het touw werd geleid.
De hijsbalk bij het woonhuis bleef bestaan, ook nadat het opslaan van handelsgoederen nog uitsluitend in pakhuizen plaatsvond. Bij woonhuizen werd het takelen met touw en blok nog uitsluitend gedaan bij verhuizingen.

Hollands Classicisme
Zie Classicisme.

Houten onderpui
De houten onderpui is het onderste houten gedeelte van een voorgevel van een winkel-woonhuis. Boven de houten onderpui begint de stenen gevel. Vaak rust de stenen gevel op een puibalk. Alhoewel de puibalk vaak fraai is uitgevoerd, heeft zij toch vooral een constructieve functie: de houten onderpui moet een stenen gevel dragen. Vaak wordt bij restauraties in onze tijd de houten onderpui verstevigd met een ijzeren draagbalk. Deze wordt uiteraard achter een houten bekleding weggewerkt. Voorbeelden van huizen met een houten onderpui: Bloemgracht 87-89-91, Korte Prinsengracht 5 en Korte Prinsengracht 9.

Houtskelet
Stenen huizen worden in Amsterdam, stadsbranden ten spijt, vrij laat gebouwd. Tot ±1650 is sprake van een overgangstype tussen het houten en stenen huis waarbij het huis uit een karkas van houten balken en stijlen bestaat, waaraan dunne stenen muurtjes hangen. De muren hebben in zo`n huis geen constructieve functie. Dit karkas wordt het houtskelet genoemd. Veel Amsterdamse huizen, ook huizen met een 18de of 19de eeuws uiterlijk, hebben vaak nog een houtskelet, waaruit blijkt dat zij ouder zijn dan hun uiterlijk doet vermoeden. (In de 18de en 19de eeuw werden 17de eeuwse huizen vaak verbouwd, maar het oude huis bleef dan achter de nieuwe gevels intakt.) Voorbeelden van huizen met een houtskelet: Begijnhof 34, OZ Voorburgwal 14 en Nieuwebrugsteeg 13.

Kariatiden
Kariatiden zijn pilasters in de vorm van een vrouwenbeeld. In Amsterdam worden kariatiden vaak toegepast in een versierde middenpartij, bijv. ter ondersteuning van een balkon boven de ingang. Voorbeelden: Herengracht 475 en Herengracht 539.

Klauwstukken
Klauwstukken (of vleugelstukken) zijn zandstenen ornamenten aangebracht in de hoeken van 90° van een halsgevel. Ook trapgevels in Amsterdamse renaissance hebben soms (kleine) klauwstukken. De naam is mogelijk afgeleid van de grote adelaars- of leeuwenpoten die soms in vroege renaissancegevels werden gebruikt als invulling van een trap. In Amsterdam kwam een dergelijke renaissancegevel voor bij het eerste weeshuis, Kalverstraat 71 (1658). Deze trapgevel bestond uit twee trappen, de onderste was afgesloten door een dichte balustrade en de bovenste had grote klauwen in plaats van de toen meer gebruikelijke S- of C-vormige voluten.

Klokgevel
Een klokgevel is een bakstenen voorgevel van een smal huis (drie, soms twee, ramen breed) met zandstenen versieringen aan de top in de vorm van een klok. De klokgevel ontstaat uit de halsgevel door het in baksteen uitvoeren van de klauwstukken die nu één geheel vormen met de hals: de omtrek van vroege klokgevels komt overeen met halsgevels met eenvoudige ingezwenkte zijkanten. Klokgevels worden in Amsterdam gebouwd in de periode ±1660-±1790. Voorbeeld: Keizersgracht 716. 18de eeuwse klokgevels zijn duidelijk te herkennen van 17de eeuwse omdat zij geheel andere ornamenten hebben. In de 17de eeuw wordt de klokgevel versierd met ornamenten als vruchten- en bloemenslingers. In de 18de eeuw wordt de klokgevel weer toegepast in combinatie met Lodewijk XV-ornamenten. Er worden dan meer klokgevels dan halsgevels gebouwd.
In de 17de eeuw zijn de klokgevels lager en eenvoudiger dan in de 18de eeuw. Frontonbekroningen (bijv. Singel 97) en vruchten- en bloemenslingers (bijv. Bloemgracht 13) komen alleen in de 17de eeuw voor (bijv. Leidsegracht 37 uit 1666, Keizersgracht 716 uit 1671, Reguliersgracht 37 uit ±1690 en Reguliersgracht 39 uit ±1690). In de 18de eeuw wordt de zwenking steeds sterker, de aanzetstukken worden steeds speelser en de topbekroning verandert (geen frontons, meer weldadige versieringen, maar geen bloemen en fruitmotieven meer).

Koetshuis
Koetshuizen zijn huizen met op de begane grond een mogelijkheid tot het (gescheiden) stallen van koetsen en paarden. De meeste koetshuizen zijn te vinden in de Kerkstraat, de Reguliersdwarsstraat en de Langestraat. Deze straten lopen parallel aan een hoofdgracht. Koetshuizen komenechter ook voor aan de Keizersgracht (behorend bij huizen aan de Herengracht). Vaak ligt een koetshuis precies achter een grachtenhuis; vroeger hoorden grachtenhuis en koetshuis vaak kadastraal bij elkaar. Het fraaiste voorbeeld is Kerkstraat 61 (behorend bij Keizersgracht 524). Dit koetshuis heeft aan de tuinzijde een imposante siergevel met twee grote in nissen geplaatste beelden van Ceres en Hercules (vereeuwigd op een schilderij van Hendrik Keun in het Rijksmuseum). Koetshuizen komen ook soms voor in combinatie met bovenwoningen. Een voorbeeld is Kerkstraat 189 (het enige koetshuis in Amsterdam met een halsgevel). Sommige grachtenhuizen hebben een inpandig koetshuis (gehad), waarvoor in of naast de gevel grote deuren zijn aangebracht. Voorbeelden: Keizersgracht 123 en Keizersgracht 127.

Kroonlijst
In de klassieke architectuur is een kroonlijst een geprofileerde horizontale lijst gedragen door pilasters. In de renaissance en het classicisme komt de kroonlijst terug, o.a. als rechte gevelbekroning. In de 19de eeuw wordt de lijstgevel heel populair; de kroonlijst is dan meestal niet meer in zandsteen maar in hout uitgevoerd.

Kruiskozijnen
Kruiskozijnen zijn kozijnen die in het midden verdeeld zijn in vier delen door een houten kruis. Kruiskozijnen worden tot ±1700 toegepast, meestal voorzien van luiken aan de onderzijde en glas-in-lood aan de bovenzijde. Voorbeelden: Kattegat 4-6 en Bloemgracht 87-89-91.

Kuif
Een kuif is een 18de eeuws ornament aan de top van een gevel, vooral toegepast bij klok- en halsgevels. Voorbeeld: Keizersgracht 546. Kleine kuifjes komen ook voor bij stucwerk en houtsnijwerk in het interieur.

Lijstgevel
De lijstgevel komt al vanaf 1660 voor, maar in de periode ±1660±1670 nog overwegend in combinatie met pilastergevels. Deze oplossing werd vooral gekozen voor grote, dubbele herenhuizen. Een mooi voorbeeld van het Classicisme van Jacob van Campen is het Coymans Huis (Keizersgracht 177) uit 1625, waarbij boven de rechte kroonlijst nog een attiek voorkomt. Vingboons gebruikte bij dubbele huizen vaak een insnijdend dak met een topgevel of een driehoekig fronton als bekroning, zoals bij het Huis Joan Poppen (Kloveniersburgwal 95) uit 1642 en het Huis Bambeeck (Kloveniersburgwal 77) uit ±1650. Voor het sluiten van smalle huizen is een topgevel nodig. De oplossing bij de kroonlijstgevel is de verhoogde lijstgevel: de lijst wordt omhoog gebogen om het dak aan het oog te onttrekken. In de 18de eeuw komen pilastergevels niet meer voor; de lijstgevels worden veelal bekroond met een attiek. De attiek heeft vaak een verhoogd middengedeelte om het dak te verbergen, zoals bij de verhoogde lijstgevel. De lijstgevel komt echter vooral in de 19de eeuw voor, vooral de eenvoudige houten kroonlijst. Het was vaak een goedkope oplossing ter vervanging van een versleten trap- of halsgevel.

Liseen
Een liseen is een pilastervormige uitspringende verticale muurbekleding, die over de gehele lengte van de gevel loopt. Lisenen hebben geen constructieve functie maar hebben een uitsluitend decoratieve functie. In Amsterdam worde lisenen doorgaans aan de zijkanten van een voorgevel toegepast (zijlisenen), om de vorm van de gevel beter te benadrukken. Vaak zijn lisenen uitgevoerd in geblokt (gegroefd) zandsteen. Zijlisenen worden vooral eind-17de eeuw en in de 18de eeuw toegepast op een verder sobere vlakke gevel. De enige accentueringen zijn in zo`n gevel vaak een versierde middenpartij (een deur- en raamomlijsting) en zijlisenen.

Lodewijk XIV
De Lodewijk XIV-stijl is een Barok-stijl genoemd naar de Franse koning die regeerde van 1643 tot 1715 (in Frankrijk de Louis Quatorze-stijl). In Nederland wordt de stijl toegepast in de eerste helft van de 18de eeuw, meer precies: in de periode ±1700-±1740. De Lodewijk XIV-stijl is zwaar, pompeus en symmetrisch. Een veel gebruikt motief in de Lodewijk XIV-stijl is het acanthusblad.

Lodewijk XV
De Lodewijk XV-stijl is een Barok-stijl genoemd naar de Franse koning die regeerde van 1715 tot 1774 (in Frankrijk de Louis Quinze-stijl). In Nederland wordt de stijl toegepast in het derde kwartaal van de 18de eeuw, meer precies: de periode ±1740-±1770. De Lodewijk XV-stijl is speels, licht en asymmetrisch en wordt gekenmerkt door uitbundige en krullerige versieringen.

Middenrisaliet
Een middenrisaliet is een risaliet in de middelste travee van de gevel.

Muurdam
Het bakstenen muurgedeelte aan weerszijden van de vensters. In de renaissancegevel worden de vensters soms in nissen geplaatst afgesloten door ontlastingsbogen. De muurdammen tussen de vensters worden op elkaar geplaats waardoor een verticale gevelstrook ontstaat die soms wordt versierd met pilasters. In het classicisme komt dit vaker voor. In de pilastergevel van een smal huis van drie ramen breed worden alle vier muurdammen uitgevoerd als pilasters.

Oeils-de-boeuf
Ovale raampjes aangebracht in de top van een gevel, met versierde zandstenen omlijstingen. Vooral toegepast in de 17de eeuw. Ook wel osseogen genoemd.

Ontlastingsboog
Boog gemetseld boven een deur of raam met het doel het gewicht van het erboven liggende metselwerk op de muurdammen over te brengen. Meestal toegepast bij renaissancegevels uit de 17de eeuw (trapgevels). De ontlastingsbogen worden in baksteen gemetseld met op enkele plaatsen kleine witte zandstenen blokjes (in ieder geval op de uiteinden en in het midden). Aan het aantal en de vorm van deze blokjes kan men zien om welk type renaissancegevel het gaat. De vroege Hollandse renaissance heeft ontlastingsbogen met een groot aantal kleine witte blokjes. Voorbeeld: Nieuwebrugsteeg 13. De Amsterdamse renaissance heeft ontlastingsbogen met slechts drie grote zandstenen blokken: twee aan beide uiteinden en één middensteen, doorgaans drievoudig geleed. Voorbeeld: Herengracht 361. In de Amsterdamse renaissance in de stijl van Hendrick de Keyser krijgen ontlastingsbogen een zeer barokke vorm: ze worden uitgevoerd in de vorm van een accolade (we spreken dan van accoladebogen). Voorbeeld: Oudezijds Voorburgwal 57.

Overkraagd
Men spreekt van een overkraagde gevel als een deel van de gevel iets naar voren is geplaatst en rust op de uitstekende balkenlaag (de vaak fraai geprofileerde balkkoppen steken uit de muur). Overkraagde gevels treft men vooral aan bij zijgevels van 17de eeuwse hoekhuizen met houtskelet. Bij voorgevels kunnen geen balkkoppen uit de gevel steken, omdat de balken altijd evenwijdig lopen aan de voorgevel. Indien sprake is van een houten onderpui is het mogelijk de stenen voorgevel iets vooruit te laten steken op de puibalk boven de onderpui. Voorbeelden: Herengracht 77, Singel 410 en 412.

Pilaster
Een pilaster is een vierkante, platte zuil of halfzuil, die op de gevel is gemetseld. Pilasters hebben een louter decoratieve functie. Ze worden vooral toegepast in het Hollands classicisme. De muurdammen worden dan versierd met pilasters.

Pilastergevel
Een pilastergevel is een gevel versierd met pilasters. In het Hollands classicisme wordt getracht het klassieke `ordenboek` na te leven, waarin de afmetingen, proporties en opeenvolging van de vijf bouwkunstorden (toscaanse, dorische, ionische, corinthische en composiet-orde) worden beschreven. Een belangrijke inspiratiebron daarbij vormt de voorbeelden van Palladio en Scamozzi in Noord-Italië. Het grote probleem is dat de smalle parcelering van het Amsterdamse woonhuis de strenge toepassing van het ordenboek ernstig bemoeilijkt. Om deze reden heeft de strenge classicist Jacob van Campen zich (voor zover bekend) slechts beperkt tot één woonhuisontwerp: de Coymanshuizen, Keizersgracht 177 (1625). Dit huis is dan ook dwars op de gracht gebouwd zodat het een brede voorgevel heeft. De smalle woonhuizen worden door minder strenge classicisten als Philip Vingboons van classicistische pilastergevels voorzien. Voorbeeld: Rokin 145.
Eind-18de eeuw keert de pilastergevel terug in de Lodewijk XVI-stijl, alhoewel daarvan weinig voorbeelden in Amsterdam bestaan. In de 19de eeuw wordt de pilastergevel meer toegepast (in het neo-classicisme).

Plafondstuk
Een plafondstuk is een plafondschildering aangebracht op doek. Een vroeg voorbeeld is de plafondschilderingen van Jacob de Wit (1691-1756) in Herengracht 366 uit 1718. Deze beschilderingen zijn aangebracht in de vakken van een cassetteplafond. In de 18de eeuw wordt het al spoedig gebruikelijk een plafondstuk aan te brengen in een stucplafond. Het mooiste voorbeeld in Amsterdam is misschien het plafondstuk van Jacob de Wit in de linker-achterkamer van Herengracht 475 (1733). In Amsterdam komen ook beschilderingen direkt op het stucwerk voor, maar dat is vrij zeldzaam.

Pothuis
Een pothuis is een uitbouw van de souterrain-keuken, aangebouwd aan het eigenlijke (hoek)huis. Vroeger werden er potten in bewaard. Het pothuis ligt buiten de rooilijn op de openbare straat en werd in de 17de eeuw oogluikend toegelaten.

Raamomlijsting
Een raamomlijsting is een versiering rond een raam, waardoor het raam geaccentueerd wordt. Een raamomlijsting komt doorgaans voor in combinatie met een deuromlijsting, maar hierop bestaan uitzonderingen (zoals wanneer uit overwegingen van symmetrie de raamomlijsting in het middelste travee voorkomt maar de ingangspartij links, zoals bij Herengracht 284). Voorbeelden: Herengracht 284, Herengracht 475 en Keizersgracht 446.

Renaissance
De renaissance is de periode in de kunstgeschiedenis waarin de klassieke ideeën herleefden. De renaissance in ons land wordt ook wel maniërisme genoemd en is geïnspireerd door Pieter Coecke van Aelst (1502-1550). Zijn Vitruvius-vertaling uit 1539, zijn Serlio-vertaling eveneens uit 1539 en een serie gravures van hem uit 1549 hebben een grote invloed in de lage landen. Een andere grondlegger van de renaissance in ons land, Hans Vriedeman de Vries (1527-1606), baseerde zich o.a. op het werk van Pieter Coecke van Aelst. Zijn `Architectura` verscheen tussen 1565 en 1577. In Amsterdam worden in deze periode (±1550-±1650) hoofdzakelijk trapgevels gebouwd. Dit is niet toevallig: de renaissance tracht schuine lijnen zoveel mogelijk te vermijden. Bij de renaissance ligt het accent, in tegenstelling tot de verticaal gerichte gotiek, op de horizontale lijnen. Algemene stijlkenmerken van de renaissance in Nederland zijn speklagen en ontlastingsbogen: de gevels zijn opgetrokken in rode baksteen met lichtkleurige natuursteen in horizontale banden (zgn. speklagen) en hebben ontlastingsbogen boven de ramen. (Maar let op: in de 19de eeuw vindt een herleving van de stijl plaats, de neo-renaissance, en dus kan een trapgevel ook 19de eeuws zijn.)
De renaissance kan in Amsterdam onderscheiden worden in de vroeg-renaissance, de Hollandse renaissance, de Amsterdamse renaissance en de sobere Amsterdamse renaissance. Vanaf ±1570 komen gevels met zgn. rolornamenten in de stijl van Hans Vriedeman de Vries voor.

Risaliet
Een risaliet is een iets vooruitspringend gedeelte van de gevel, minstens één raamtravee breed en over de gehele hoogte doorlopend.

Roedeverdeling
Een roedeverdeling is een verdeling in de ramen door middel van houten latjes. Rond 1700 is het kruiskozijn vervangen door het schuifraam met roedeverdeling. In de loop van de tijd worden de ruitjes steeds groter. In de 18de eeuw was het gebruikelijk om de roedeverdeling wit te verven, waardoor deze sterk opvalt. In de 19de eeuw wordt het houtwerk in donkergroen (`grachtengroen`) geverfd.

Rolornamenten
Een rolornament is een zandstenen versiering met gerolde, meestal S- of C-vormige, motieven langs de geveltop. Dit ornament wordt vooral toegepast tussen ±1550 en ±1610, in de periode van de vroeg-renaissance in de trant van Hans Vriedeman de Vries (1527-1606). Voorbeelden van gevels met rolornamenten zijn het Oost-Indisch Huis, Oude Hoogstraat 24 (1606) en het Bushuis, Singel 423 (1606). De enige nog bestaande woonhuisgevels met rolornamenten zijn Sint Annenstraat 12 (1565) en Singel 140-142, De Dolphijn (±1600).

Schuiframen
Schuiframen zijn ramen waarvan het onderste gedeelte, het onderraam, naar boven geschoven kan worden. Dit gedeelte hangt aan in de betimmering weggewerkte contragewichten, waardoor het in elke gewenste stand blijft staan. Het bovenraam is meestal niet schuifbaar. Rond 1700 wordt voor het eerst het schuifraam toegepast; na 1710 wordt vrijwel overal het kruiskozijn vervangen door het schuifraam. De belangrijkste reden is dat het rijkere 18de eeuwse interieur meer licht nodig heeft.

Souterrain
Het souterrain is de half-ondergrondse kelder. In Amsterdam moet door het hoge grondwaterniveau de kelder gedeeltelijk bovengronds liggen, waardoor de toegang naar de hoofdverdieping (de beletage) boven het straatniveau komt te liggen. In het souterrain wordt in de 17de eeuw meestal gebruikt als pakkelder dan wel als kelderwoning. In de 18de eeuw bevinden zich in het souterrain van het dubbele huis meestal de dienstvertrekken. De keuken is dan meestal in het souterrain aan de binnenplaats gelegen. Onder de stoep zit vaak de ingang naar het souterrain: dit is de dienstingang van het huis.

Stoep
Een stoep is in Amsterdam een stenen opstap voor een huis. In Amsterdam moet door het hoge grondwaterniveau de kelder of het souterrain gedeeltelijk bovengronds liggen, waardoor de toegang naar de hoofdverdieping (de beletage) boven het straatniveau komt te liggen. Om de ingang te bereiken wordt een stenen trap gebouwd. Deze wordt in Amsterdam een stoep genoemd. Meestal worden stoepen dwars tegen het huis gebouwd, maar frontale stoepen komen ook wel voor. Onder de stoep zit vaak een ingang naar het souterrain: de dienstingang.
Stoepen zijn meestal 4 voet diep en 5 voet hoog. In de nieuwe stadsuitleg van 1663 werd het toegestaan hogere stoepen te bouwen. De keur van 7 december 1663 zegt dat een stoep max. 7 voet hoog mag zijn, 2 voet hoger dan elders. Zelfs dit werd soms niet hoog genoeg gevonden, waarop een hoge bordestrap in het huis zelf wordt aangelegd.

Strakke stijl
Zie Classicisme.

Stucwerk
Stucwerk is de afwerking in gips van plafonds en muren, in de 18de eeuw vaak voorzien van rijke versieringen (eveneens in gips). Een 18de eeuws huis heeft meestal een rijk gestucte gang (een stucgang) en stucplafonds in de belangrijkste kamers. Een stucplafond is aangebracht op latten bevestigd aan de balken. De balken worden door het stucplafond aan het oog onttrokken.

Timpaan
Het timpaan is de binnenzijde van een groot driehoekig fronton. Meestal wordt het timpaan rijk versierd.

Trapgevel
Een trapgevel is een topgevel die zich naar boven toe trapsgewijs versmalt. Trapgevels worden gebouwd in de stijl van de renaissance. In deze stijl worden schuine lijnen zoveel mogelijk vermeden (vandaar dat men de schuine zijden van het puntdak aan het oog wil onttrekken). De trapgevel wordt in Amsterdam in de periode ±1600-±1665 gebouwd. (Maar let op: in de 19de eeuw vindt een herleving van de stijl plaats, de neo-renaissance, en dus worden in de 19de eeuw soms ook trapgevels gebouwd.) In de 17de eeuw heeft de stad volgestaan met trapgevels. Er zijn nog maar een honderdtal van over. Voorbeelden: Bloemgracht 87-98-91 (1642), Herengracht 77 (1632) en Herengracht 81 (±1625). De trapgevel was zo populair dat ook dubbele huizen ermee werden uitgerust. De enige nog resterende vroeg-17de eeuwse dubbele huizen (eigenlijk huizen met zijhuis) hebben een rijk versierde trapgevel aan een insnijdend dak, dwars op het dak met de nok evenwijdig aan de gracht. In de Amsterdamse renaissance worden de trappen steeds groter. Uiteindelijk blijven er maar twee trappen over. We spreken dan van de verhoogde halsgevel. De gewone halsgevel heeft maar één trap.

Travee
Formeel is een travee een vlak van een gevel dat door de gevelindeling als een eenheid kan worden beschouwd. Bij Amsterdamse gevels, waarin de vensters naast en boven elkaar zijn geplaatst, wordt meestal gesproken van een raamtravee: het verticale gedeelte van de gevel tussen twee muurdammen. Een enkel huis heeft in Amsterdam een standaardbreedte van drie traveeën, een dubbel huis vijf traveeën.

Triglief
Een triglief is een motief van twee of drie verticale gleuven, vaak toegepast op regelmatige afstanden in een kroonlijst. In de klassieke architectuur wordt het triglief voor het eerst toegepast bij Dorische tempels. In het classicisme keert het triglief terug bij gevelbeëindigingen met een kroonlijst. Voorbeeld: Keizersgracht 604.

Trosversiering
Een trosversiering is een 17de eeuwse zandstenen versiering langs de zijkanten van een een hals- of klokgevel. De versieringen bestaan uit bloem- of fruitmotieven.

Tuinhuis
Een tuinhuis is een klein gebouwtje achterin de tuin, dus op de uiterste grens van het kavel (de achterzijde van een tuinhuis is dan ook blind en vaak worden tuinhuizen van tegenover elkaar liggende kavels met de rug tegen elkaar aangebouwd). In de 17de eeuw is in keuren de maximale omvang van een tuinhuis vastgelegd. In de praktijk neemt het tuinhuis de volledige breedte van het kavel in beslag en is dus even breed als het huis aan de gracht. De keur van 7 december 1663, betrekking hebbende op de nieuwe kavels aan de Herengracht en Keizersgracht (26 voet breed) schrijft voor dat slechts 100 voet bebouwd mag worden. Het `Speel-huys` achterin het kavel mag max. 15 voet diep en 12 voet hoog zijn. De rest dient dus als tuin. Tuinhuizen worden vaak rijk versierd in dezelfde bouwstijl als het huis waar het toe behoort. Voorbeelden: Herengracht 284, Herengracht 412, Herengracht 475 en Herengracht 476.

Tuitgevel
De tuitgevel is een eenvoudige bakstenen gevel van een puntdak met zandstenen versieringen aan de top. De puntgevel eindigt in een vierkant tuitje met versiering. Meestal heeft de tuitgevel kleine aanzetstukken van zandsteen, soms met voluten. De tuitgevel wordt op grote schaal toegepast bij pakhuizen. Bij het woonhuis komt de tuitgevel vooral voor bij de achtergevel.

Vensteromlijsting
Zie raamomlijsting.

Verhoogde halsgevel
Een verhoogde halsgevel is een 17de eeuws geveltype met bakstenen voorgevel dat in plaats van twee hoeken vier hoeken van 90° heeft, opgevuld met klauwstukken. Dit geveltype kan worden gezien als een overgangstype van de trapgevel naar de (gewone) halsgevel. Vaak zijn verhoogde halsgevels tevens pilastergevels, omdat de overgang van de trapgevel naar de halsgevel voortvloeit uit het populair worden van het classicisme in Amsterdam. Voorbeeld: Keizersgracht 319.
In de periode van het Hollands classicisme komt de verhoogde halsgevel voor (±1640-±1670). De verhoogde halsgevel kan worden opgevat als een overgangstype tussen de trap en de halsgevel, maar de gewone halsgevel komt ook al vanaf ±1640 voor. De verhoogde halsgevel heeft twee trappen, zodat aan beide zijden twee hoeken van 90° voorkomen, welke zijn opgevuld met vleugelstukken. (De `gewone` halsgevel heeft aan beide zijden slechts één grote hoek van 90°). Classicistische elementen als pilasters, kroonlijsten en frontons worden op grote schaal toegepast. Verhoogde halsgevels zijn doorgaans zgn. pilastergevels, aangezien deze in de periode ±1640-±1670 in de mode zijn. Pilastergevels worden eveneens toegepast in combinatie met andere geveltypes, zoals gewone halsgevels en lijstbekroningen (zie beneden). Deze periode valt nl. in de bloeiperiode van het classicisme in Amsterdam (±1630-±1675).

Verhoogde lijstgevel
Een verhoogde lijstgevel is een 18de eeuwse gevelbekroning in de vorm van een rechte kroonlijst, onderbroken door een verhoging. In deze verhoging zit vaak het vlieringluik en de hijsbalk. De verhoogde lijst is meestal rijk versierd. Voorbeeld: Keizersgracht 244-246.
De verhoogde lijstgevel komt in de 18de eeuw voor. Het is een typisch Amsterdamse oplossing: de rechte kroonlijst als gevelbeëindiging van een smal woonhuis met een puntdak impliceert dat dit puntdak boven de kroonlijst zichtbaar blijft (tenzij men de kroonlijst heel hoog bevestigd). Door nu de kroonlijst in het midden te verhogen, wordt het puntdak aan het oog onttrokken. De verhoogde lijstgevel wordt pas in de 18de eeuw toegepast (en niet eerder), omdat de Barokstijlen van Lodewijk XIV en XV zich er goed voor lenen (voor het 17de eeuwse classicisme is het niet geschikt). De middenverhoging is op verschillende manieren mogelijk. Meestal ziet men een halfronde verhoging, maar soms wordt ook een driepasvormige verhoging toegepast. De verhoogde lijstgevel heeft zich zodanig ontwikkeld dat het verschil met een klokgevel nog maar moeilijk is te zien: de kroonlijst is dan in zijn geheel in een sierlijke vorm omhoog gebogen.

Vleugelstukken
Zie klauwstukken.

Voluut
Een voluut is een zandstenen versiering in de vorm van een spiraal of krul, vooral gebruikt bij gevelbekroningen van tuit-, hals- en klokgevels.

Voorhuis
In de 17de eeuw wordt onder het voorhuis het brede, hoge vertrek aan de voorzijde van het huis, direkt aan de straat, bedoeld. In het voorhuis werd doorgaans een ambacht of winkelbedrijf uitgeoefend. In de 18de eeuw wordt onder het voorhuis het gehele huis bedoeld dat tussen de straat en de binnenplaats ligt. Het voorhuis-vertrek is dan geëvolueerd tot een voorkamer (met ernaast een gang).

Woonblok
In de periode vóór 1900 was bouwen van individuele huizen gebruikelijk in Amsterdam. Met de opkomst van de woningbouwverenigingen ging men meer in woonblokken bouwen, omdat men zo op een goedkopere manier meer mensen kon huisvesten.

Zaal
De Zaal van een 18de eeuws woonhuis is een groot, goed gedimensioneerd vertrek voor representatieve doeleinden, gelegen op de hoofdverdieping van het achterhuis, dus met uitzicht op de tuin achter het huis. De ingang bevindt zich aan het einde van de gang, meestal bovenaan een klein trapje, omdat de verdiepingen van het achterhuis iets hoger liggen. Boven de deur naar de Zaal bevindt zich vaak een alliantiewapen.

Zandsteen
Zandsteen is zandkleurig puinsteen, soms toegepast door rijke kooplieden bij de bouw van hun voorgevels (zoals bij Herengracht 168), maar meestal gebruikt voor de ornamenten van bakstenen gevels.