Kopie van `Dood in Nederland - Grafmonumenten`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Dood in Nederland - Grafmonumenten
Categorie: Bouw en Constructie > Grafmonumenten
Datum & Land: 28/02/2007, NL
Woorden: 81


acanthus
plant (ook bereklauw genoemd) waarvan de bladeren gebruikt zijn als voorbeeld voor ornament in de bouwkunst van de oudheid. Het acanthusbladmotief komt ook voor. In de grafkunst komt het motief onder andere voor als verwijzing naar de onsterfelijkheid.

acroteria
bekroning van gevelhoeken of grafmonumenten met een beeld of ornament, soms in terracotta of zink.

aedicula
funerair versieringsschema bestaand uit zuilen* of pilasters*, architraaf* en fries* en kroonlijst met fronton*. Veel gebruikt in geveltoppen maar ook in veel 19de-eeuwse stèles*.

afzaat
hellend bovenvlak van een horizontale lijst. Bijvoorbeeld van een dorpel onder een raam. De afzaat heeft een waterafvoerende functie.

Amsterdamse School
decoratieve en expressieve bouwstijl tussen 1913 en 1930, waarbij het functionele ondergeschikt is aan de vormgeving. Wordt gekenmerkt door decoratief, vaak golvend baksteenwerk, gebeeldhouwde ornamenten en parabool- en trapeziumvormen. Typerend is het in de architectuur opgenomen beeldhouwwerk.

arcade
een rij bogen op zuilen of pijlers. Bevestigd aan een muur of hier deel van uitmakend dan spreken we van een blinde arcade. Op verschillende begraafplaatsen toegepast om keldergraven in op te nemen.

architectonische stijl
tuinstijl* voor middelgrote en kleine tuinen, parken en begraafplaatsen. Regelmatige aanleg met een of meer relatief korte assen van symmetrie, op begraafplaatsen vaak in relatie tot poortgebouw, aula of dominerend grafmonument. Muren, keermuurtjes, bloembakken en andere architectonische elementen maken deel uit van deze stijl. Werd toegepast vanaf het derde kwart van de 19de eeuw.

architraaf
het laagste deel van een klassiek versieringsschema, dat wil zegen de blokken die direct op de zuilen rusten. Vaak vormgegeven volgens een vast decoratiepatroon.

aula
hal of grote ontvangstzaal van een begraafplaats of crematorium. Oorspronkelijk de voorplaats van een Grieks-hellenistisch huis, die op den duur met woonvertrekken en galerijen ombouwd tot (binnen)hof werd. De term werd ook benut in de vroegchristelijke tijd voor het gedeelte van de kerk waar alleen leken kwamen.

baarhuisje
klein gebouw of ruimte op een begraafplaats of kerkhof waar doden werden opgebaard, waarvan de dood nog niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Begraven mocht pas na 36 uur, omdat de ervaring leerde dat de dood daarna zeker was ingetreden. Deze termijn is tot op de dag van vandaag in de Wet op de lijkbezorging gehandhaafd. Hier werden ook de baren opgeslagen en de functie werd, vooral na 1872, vaak gecombineerd met een lijkenhuisje*.

basement
Basis of voet van zuil*, pilaster*, etc. Ook wel gebruikt om onderste deel van een gebouw aan te duiden. Bij grafmonumenten vooral toegepast bij grotere bouwwerken.

begraafplaats
terrein waar stoffelijke resten van overledenen begraven, bijgezet of verstrooid worden, niet gelegen rond een kerk. In die zin te onderscheiden van kerkhof*.

beton
een mengsel van cement en zand met een toeslagmateriaal zoals kiezel, grind of gruis. In de Oudheid in het Nabije Oosten uitgevonden en door de Romeinen verder ontwikkeld. Dit materiaal werd gedurende de Middeleeuwen praktisch niet meer toegepast maar werd vanaf de 16de eeuw weer toegepast. Zie ook gewapend beton*.

blindnis
term die gebruikt wordt voor een deur of venster dat slechts in schijn aanwezig is. Op de plaats waar deur of venster zou zitten is metselwerk aangebracht, mogelijk gepleisterd of anderszins afgewerkt.

boucharderen
zodanig afwerken van natuursteen dat een oppervlak met regelmatig verspreide putjes ontstaat. Hiervoor wordt een bouchardeerhamer gebruikt.

buitenbegraafplaats
benaming voor de begraafplaatsen die in de 19de eeuw buiten de muren en-of singels van de steden werden aangelegd.

calvarieberg (Golgotha)
de oorspronkelijk buiten Jeruzalem gelegen heuvel waar Jezus gekruisigd werd. De naam komt van het Latijnse calvaris dat schedel betekent. De heuvel werd geacht de plaats te zijn waar Adam begraven was en stond derhalve bekend als `de plaats van de schedel`. Op katholieke kerkhoven en begraafplaatsen vaak opgenomen in de aanleg en veelal bekroond met kruis en corpus*.

cenotaaf
monument ter nagedachtenis aan een overledene die elders begraven is; denkbeeldig graf.

cippus
monumentale gedenksteen in de vorm van een afgeknotte piramide

columbarium
aantal rijen van nissen boven elkaar om er urnen of lijkbussen in te plaatsen.

cordonlijst
uitspringende lijst langs een gevel om verdiepingen te markeren of als verlenging van dorpels. De lijst is zodanig vormgegeven dat ze door schaduwwerking de horizontale geleding van een gevel onderstreept.

corpus
uitbeelding van een lichaam, gewoonlijk dat van Christus, maar mogelijk ook van de overledene zelf.

crypte
letterlijk verborgen plaats. Gebruikt om de ruimte onder het koor van een kerk aan te duiden. Crypten worden dikwijls gebruikt als grafkelder. Zeer grote crypten hebben soms verschillende (graf) kamers.

duivelsrooster
ijzeren rooster bij de ingang van een kerkhof dat voorkomt dat er loslopend vee op het kerkhof komt. De naam is een verwijzing naar het volksgeloof dat de duivel op bokkenpoten loopt en door het rooster kan hij het kerkhof niet betreden.

eclecticisme
als stijlbenaming een aanduiding van die vormen van beeldende kunst, voornamelijk uit de tweede helft van de 19de eeuw, waarbij elementen van verschillende voorafgaande stijlen zijn samengevoegd.

epitaaf
grafschrift op een muur of pijler van een kerkgebouw, boven of nabij het graf aangebracht en al dan niet versierd.

ezelsrug
metselconstructie bovenop beëindiging van een muur of gevelvlak. Deze methode zorgt ervoor dat de muur niet inwatert. Er zijn verschillende manieren om de ezelsrug te maken, maar het meestal worden de stenen in een hoek van 45 graden geplaatst met een overstek.

festoen
gehouwen of gesneden slinger van bloemen of vruchten. Zie ook guirlande*.

fries
middelste deel van horizontaal balkwerk tussen architraaf* en kroonlijst. Ook horizontale band tot afgrenzing van de bovenzijde van een tekstvlak. Soms is deze band geaccentueerd met lijstwerk of gedecoreerd met allerlei motieven.

fronton
bekroning van een gevel, dakkapel, venster of grafmonument door een driehoekig of segment-vormig element. In sommige gevallen is het fronton doorbroken door bollen, vazen of obelisken*. Wordt ook wel tympaan* genoemd. Bij grafmonumenten vaak beëindigd door acroteria*.

gemengde stijl
tuinstijl waarbij de landschapsstijl* in combinatie met regelmatige structuren wordt toegepast.

gewapend beton
versterkt beton dat voor het verharden met ijzeren staven en ijzergaas `gewapend` wordt. Het werd eind 19de eeuw voor het eerst toegepast in Frankrijk en wordt tegenwoordig veelvuldig toegepast.

gietijzer
een hard, bros ijzer, geproduceerd in hoogovens door het in vormen te gieten waarin het afkoelt en verhardt. Werd in het begin van de 19de eeuw veelvuldig toegepast in grafmonumenten, hek- en bouwwerken.

gisant
van het Franse werkwoord gésir = hulpeloos of dood teneerliggen. Een liggend beeld op een graftombe*.

graf
ruimte waarin een lijk wordt begraven, plaats waar iemand begraven ligt.

grafkapel, -kerk
kapel*, kerk opgericht bij of (meestal) op het graf van een vereerde persoon. In Nederland vinden we kleine grafkapellen op kelders van bijvoorbeeld adellijke families.

grafkelder
gewoonlijk een gemetseld graf afgedekt met een zerk*. Toegankelijk via de zerk of bij grotere kelders via een trap aan de voorzijde. Vandaag de dag ook wel van gewapend beton*.

grafstede
synoniem voor graf. Verouderde term komt zowel op grote zerken op zandgraven voor als op mausolea. Met name gehanteerd door rijkere families.

graftombe
praalgraf in de vorm van een sarcofaag*. In kerken toegepast als afdekking van een grafkelder.

grafzerk
: liggende (natuur-)steen ter afdekking van een graf. De steen kan variëren in grootte en versiering. Doorgaans worden naam en geboorte- en sterfdatum vermeldt. Oudere zerken bevatten meestal een grafschrift langs de rand.

graniet
korrelig oergesteente, hoofdzakelijk samengesteld uit kaliveldspaat, kwarts en glimmer. Zeer duurzaam en goed te polijsten. Deze steen vind al zeer lang zijn toepassing in grafmonumenten, maar in de 20ste eeuw vaker toegepast en dan opvallend door hoge graad van polijstwerk.

griffioen
decoratie in de vorm van een oosters fabeldier met de romp van een leeuw en de kop en vleugels van een adelaar.

guirlande
hetzelfde als festoen*.

hardsteen
een harde kalksteensoort uit België die door koolstof blauwgrijs is gekleurd; staat onder veel namen bekend, zoals arduin, blauwsteen, Belgisch graniet, stinksteen en stoepsteen.

Iers kruis
Het Keltisch of Iers Kruis is een samenvoeging van het Zonnewiel; een kruis met vier gelijke armen, en het Levenswiel. Het is tevens een versmelting met het vrouwelijke (cirkel) en het mannelijke (kruis). Het symbool zou zijn oorsprong hebben in India waar het symbool staat voor seksuele energie tussen man en vrouw. In de Middeleeuwen heeft het christendom vele kruisvormen in hun symboliek geïntegreerd, en zo ook deze.

kapel
kleine, niet-parochiale kerk op begraafplaats met een kruisbeeld, bewening of een heiligenbeeld. Ook wel als onderdeel van een groter kerkgebouw, maar dan voorzien van een eigen altaar, gewijd aan een specifieke heilige.

katafalk
pronkbaar of praalbed waarop een overledene wordt opgebaard, al dan niet liggend in zijn kist. Ook vaak afgebeeld op grafmonumenten.

keperboog
boog waarvan de zijden schuin tegen elkaar zijn gezet in de vorm van een gelijkbenige driehoek. Veel gebruikt voor kleine vensters en nissen.

kerkhof
terrein om of nabij een kerk gelegen waar stoffelijke resten van overledenen begraven worden. In de Middeleeuwen vaak met een grote economische en sociale rol als plaats voor vergaderingen, markten, bijeenkomsten en als speciaal kerkgebied. Vanaf de 16de en 17de eeuw voornamelijk een plaats om de doden te begraven. In de 20ste eeuw zijn veel kerkhoven in onbruik geraakt.

kloosterbegraafplaats
begraafplaats bij een klooster, behorende tot een bepaalde orde. In veel gevallen deel uitmakend van de kloostertuin, of besloten tussen de gebouwen.

kruisweg
opeenvolgende serie van gebeeldhouwde of geschilderde voorstellingen van episoden uit de lijdensweg van Christus. De voorstellingen zijn vaak aangebracht langs muren of op pijlers in kerken maar ook op kerkhoven langs de muren.

landschapsstijl, late
tuinstijl in Nederland waarin een wijds landschap wordt nagebootst. Vloeiende vormen en een sterke afwisseling in beplanting voeren de toon. Karakteristiek voor deze stijl zijn vergezichten, open ruimten en boomcoulissen (1815-1870).

landschapsstijl, vroege
tuinstijl in Nederland waarin een ideaal landschap wordt nagebootst. Ten onrechte ook wel Engelse landschapsstijl genoemd. Karakteristiek voor deze stijl zijn kleinschaligheid en beslotenheid waarbij naar een zekere mate van natuurlijkheid gestreefd wordt (1750-1815).

latei
balkvormig element van hout, steen of ijzer dat een venster, ingang of andere opening overspant en daarmee het bovenliggende muurwerk steunt. Soms is deze latei opgenomen in het decoratieve patroon van een gevel.

leibedekking
bedekking van een dak met kleine dunnen platen, uit leisteen gekloofd en gehakt. Een lei is enkele mm tot ruim 1 cm dik. De kleur is overwegend blauwgrijs maar ook roodpaars of groen komen voor. Leien komen voor in twee hoofdvormen, rechthoekige en schubvormige leien. De rechthoekige leien worden in rechte rijen gelegd waarbij elke rij verspringt. Hierdoor wordt een dubbele dekking gekregen die ook wel maasdekking wordt genoemd. Schubvormige leien worden in schuin oplopende lijnen en in enkele dekking gelegd. Deze variant wordt ook wel rijndekking genoemd.

lijkenhuisje
ruimte of gebouw waar, in afwachting van de begrafenis, de lijken werden gelegd van mensen die aan een besmettelijke ziekte waren overleden. Door deze gescheiden te houden van de levenden werd de kans op besmetting geminimaliseerd. Pesthuizen of gasthuizen hadden bij hun kerkhof al vaak zo`n huisje totdat in de Wet op de Besmettelijke Ziekten van 1872 werd vastgelegd dat elke begraafplaats zo`n ruimte of huisje moest hebben. Dit voorschrift was een gevolg van een andere kijk op hygiëne en gezondheidszorg, die dankzij nog veel meer maatregelen aan het eind van de 19e eeuw sterk verbeterde. Lijkenhuisjes werden vaak gecombineerd met een opbaarruimte.

marmer
natuursteensoort, ontstaan door omzetting van kalkgesteenten. Gemakkelijk te polijsten waardoor levendige tekeningen in de steen (verontreinigingen) goed zichtbaar worden. Een bekende soort is het zogenaamde Carrara-marmer uit Italië. Ook uit België komen zogenaamde marmers, in feite kalkstenen maar goed polijstbaar waardoor ze in het spraakgebruik tot de marmers gerekend worden. Veel toegepast op grafmonumenten in kerken maar ook buiten. Door hun samenstelling in ons klimaat echter weinig duurzaam.

mausoleum
monumentaal gebouw voor praalgraf. Genoemd naar het praalgraf voor koning Mausollus te Halicarnassus in Klein-Azië, 315 v. Chr.(nabij het huidige Bodrum in Turkije). Term om een groot grafmonument mee aan te duiden waar de dode boven de aarde in een afgesloten ruimte is begraven of bijgezet.

memorietafel
gedenkteken of altaarretabel (versierd achterstuk boven een altaar) waarop meestal de stichter(s) en zijn of hun beschermheilige(n) staan afgebeeld en waarop een tekst is aangebracht ter herinnering aan de overledene(n).

monument
verschillende betekenissen. 1. gedenkteken, opgericht ter herinnering aan een historische persoon of gebeurtenis. Komt voor in verschillende vormen, maar veelal als zuil, naald, boog, stand- of borstbeeld, tombe, epitaaf e.d.. 2. bouwwerk dat door zijn grootse, schone of kunstzinnige vormen opmerkelijk is of door de eraan verbonden historische aspecten van belang wordt geacht. Ook om zijn kunst- en bouwgeschiedenis, geschiedkunde of technologie kan het bouwwerk worden gewaardeerd. Een veelvoud van dergelijke bouwwerken kan ook als monument worden beschouwd. Ingevolgde de Monumentenwet kunnen dergelijke gebouwen wettelijke bescherming genieten.

neoclassicisme
een streven naar zuivere en strenge vormen, waarin het voorbeeld van de klassieke oudheid (naar vorm en inhoud) sterk wordt nagevolgd.

neogotiek
het navolgen van gotische reconstructies uit de Middeleeuwen.

obelisk
siernaald op vierkante basis, naar boven toelopend, bekroond met een piramidevormige top.

palmet
versieringsmotief in de vorm van een palmblad, vaak ter bekroning van een tympaan.

pilaster
vierkante, platte zuil die uit een muur of wand naar voren komt; een pilaster dient als gevel-geleding of versiering en heeft geen dragende functie zoals een zuil die heeft. Vaak toegepast op hoeken van gebouwen.

pinakel
slanke decoratieve beëindiging in de vorm van een spits gotisch torentje. Komt voor naast vensters, op steunberen en borstweringen. Bestaat uit verschillende onderdelen die al dan niet gestileerd aanwezig kunnen zijn.

pleurants
treurbeeldjes, in de Middeleeuwen de officiële rouwklagers.

putto (meervoud putti)
naakt, mollig kinderfiguurtje, gewoonlijk gevleugeld dat dikwijls een engeltje voorstelt. Ook een cupido of amoretto genoemd, wanneer het figuurtje voorzien is van pijl en boog en de Liefde verpersoonlijkt.

pyloon
groot ondersteunend element op een rechthoekige plattegrond waarvan de langgerekte vlakken taps toelopen naar een kleiner rechthoekig horizontaal vlak. Ten onrechte vaak aangeduid als afgeknotte piramide.

rondboog
boog waarvan de binnenwelflijn de vorm van een halve cirkel heeft. Toegepast boven deuren en vensters ter ontlasting. Diverse vormen komen vorm, naar gelang de architectonische stijl of het toegepaste materiaal. Zie ook keperboog*.

rouwbord
houten gedenkteken dat in de kerk werd opgehangen voor iemand die in de buurt van het bord begraven is. Op het bord zijn vaak familiewapens afgebeeld. Veel van dergelijke borden zijn in de Franse tijd uit de kerken verdwenen.

rozetanker
muuranker waarvan het zichtbare deel een rozet van gietijzer is. Het anker zorgt ervoor dat verschillende bouwonderdelen (muren, balken, stijlen) bij elkaar blijven.

sarcofaag
grote stenen lijkkist uit één blok steen gehouwen. Gewoonlijk rijk versiert met beeldhouwwerk en inscripties aan binnen- en buitenzijde. De term is afgeleid van twee Griekse woorden die vlees en eten betekenen.

schip
de vrijwel altijd aan de westzijde gelegen romp van een kerk, eenbeukig of door in de lengterichting lopende arcaden onderverdeeld in middenschip en zijbeuken.

smeedijzer
een betrekkelijk zuivere vorm van ijzer dat gemakkelijk gesmeed kan worden en niet snel hard wordt, zodat het met de hand gevormd of gehamerd kan worden, dit in tegenstelling tot gietijzer*. Veel toegepast voor hekwerken op graven, ook wel in combinatie met gietijzer.

stèle
van het Griekse woord voor rechtopstaand steenblok. Een rechtopstaande graf- of gedenksteen of gedenkzuil waarin een motief of inscriptie is uitgehouwen, gewoonlijk op een graf.

travee
ruimte-, wand- of geveleenheid, afgebakend door pijlers, steunberen, pilasters of dergelijke.

tuinstijl
benaming voor het type ontwerp dat ten grondslag ligt aan een tuin, park of begraafplaats.

tympaan
het veld dat in een fronton* besloten ligt, met beeldhouwwerk versierd. Ook gebruikt als synoniem van fronton*.

zerk
grote, platte natuurstenen plaat ter afdekking van een graf, al dan niet versierd. Zie ook grafzerk*.

zuil
ronde pijler, vrijstaand dragend bouwdeel, waarvan de doorsnede een cirkel vormt. In grafmonumenten toegepast, maar ook voorkomend als afgeknotte zuil voor de symbolische betekenis.