Kopie van `Stichting Geologische Kring Den Bosch`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Stichting Geologische Kring Den Bosch
Categorie: Aardrijkskunde > Geologie
Datum & Land: 28/02/2007, NL
Woorden: 130


Agnathan
Primitieve kaakloze vis, als de lamprei.

Ambulacrum (mv. Ambulacra)
Ambulacraalveld, d.w.z. deel van het skelet van stekelhuidigen waarin de voetjes van het watervaatstelsel zijn gelegen.

Amfibie
Gewerveld dier, behorende tot de klasse van de amfibieën, dat zowel in water als op land leeft. Voorbeeld: de kikker en de watersalamander. Amfibieën leven als jong in het water en ademen door kieuwen. Volwassen dieren ademen door middel van longen.

Amfiboliet
Metamorf gesteente dat vooral uit amfibool bestaat.

Amorf
Zonder een kristallijne atoomstructuur.

Anaërobisch
De afwezigheid van zuurstof, of het vermogen om in een zuurstofvrije omgeving te leven. Voorbeeld: de anaërobische bacterie.

Anale buis
Buisvormig uiteinde van het spijsverteringskanaal bij zeelelies.

Andesiet
Eruptief, neovulkanisch gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met dioriet.

Anisotropie
Variatie in de eigenschappen van een stof, afhankelijkvan de richting waarin het onderzoek gedaan wordt.

Anticline
Boogvormige plooi in een gesteenteformatie.

Apicaal veld
Centraal veldje, boven op de zeeëgelschaal, waar vandaan de ambulacra uitstralen. Ook topschild genoemd.

Apofyse
Vertakking van een oppervlakkige of diepe magmatische massa.

Aptien
De vijfde van de zes etages van het Krijt.

Asterisme
Een optisch verschijnsel in een edelsteen, waardoor een vier- of zes-stralige ster zichtbaar is.

Aventurinisatie
Schittering die veroorzaakt wordt door zeer kleine deeltjes mica (glimmer) of hematiet, ingesloten in kwarts.

Avicularia (mv.)
Bepaalde individuen in de mosdiertjeskolonie die defensieve taken vervullen.

Axis
Centrale as; bij trilobiet het middendeel van de drie lobben waarin het dier in de lengte is verdeeld.

Buikvin
Een van de gepaarde vinnen op de buik bij vissen.

Buikzijde
De buitenbocht van de gespiraliseerde schaal bij o.a. nautiloïden en ammonoïden.

Bunodont
Verschijnsel waarin een molaar afgeronde knobbels en knobbeltjes heeft.

Byssus
Bundel elastische hechtdraden bij tweekleppigen.

Cementatielaag
Laag die verrijkt is met ertsafzettingen.

Cephalon
Het kopgedeelte van een trilobiet.

Cephalopode (koppotige)
Ongewerveld dier uit de klasse der Cephalopoda, met goed te onderscheiden kop, ogen en met tentakels rond de bek. Voorbeeld: fossiele ammonieten en de tegenwoordig voorkomende octopus.

Cephalothorax
Vergroeid kop- en borstschild bij geleedpotigen.



Cerci
Staartdraden met tastzintuigen bij geleedpotigen.

Ciliën
Dunne draadachtige uitsteeksels van de celwand.

Cirri
Staafvormige aanhangsels bij bepaalde dieren; de gepaarde aanhangsels van het borststuk bij zeepokken.

Cuticula
De verharde oppervlaktelaag van het uitwendig skelet bij geleedpotigen.

DNA (Deoxyribonucleic acid)
Groot spiraalvormig molecuul dat één chromosoom bevat, waarin alle genetische informatie is opgeslagen.

Elementaire cel
Het grondpatroon van een kristal, het bestaat uit het kleinst mogelijke aantal atomen, zodanig gerangschikt, dat herhaling hiervan in alle richtingen tot de uiteindelijke vorm van het kristal leidt.

Epidermis
De niet-doorbloede, ongevoelige bovenlaag van de huid (opperhuid) van gewervelde dieren.

Epiplanktonisch
Zwevend in de waterlaag tussen het oppervlak van de zee tot ca. 200 m diepte.

Epiplastron
Een van de beenplaten aan de voorzijde van het buikschild van schildpadden.

Epistomium
Bij kreeftachtigen het gebied (en de ventraalplaat) waarin mond en tweede antenne zijn gelegen.

Evoluut
Los gespiraliseerd.

Fonoliet
Eruptief, neovulkanisch alkaligesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met nefelien syeniet.

Fosforescentie
Zie fluorescentie.

Fossiel
Geconserveerde overblijfselen of sporen van leven van minstens 10.000 jaar oud.

Fossielenbestand
Bewijs van vroeger leven, in de vorm van fossielen beschikbaar.

Fotosynthese
Het proces waarin met behulp van zonlicht in de chloroplasten van planten suikers worden geproduceerd.

Gidsfossiel
Een fossiele soort die kenmerkend is voor een bepaalde laag van de aardkorst en slechts een beperkte tijd voorkwam.

Gonaden
Geslachtsklieren

Gordel
Bij gewervelde dieren de constructie van beenderen die de ledematen ondersteunt; bij keverslakken de zoom rond de schelpstukken.

Gossan (Eng.)
Oxydatiezone van metaaladers.

Hydrothermaal mineraal
Mineraal dat ontstaat - neerslaat - uit oplossingen in heet water.

Hydrothermale processen
Geologische processen, waarbij heet water is betrokken, gepaard gaande met vulkanische activiteit.

Hyoplastron
De gepaarde, tweede laterale beenplaat van het buikschild van schildpadden.

Hypergeen proces
Natuurlijk verweringsproces dat zich afspeelt in de bovenste laag van de aardkorst, in de atmosfeer of in de hydrosfeer.

Hypidiomorf kristal
Gedeeltelijk ontwikkeld kristaI.

Hypogeen mineraal
Mineraal uit de diepte.

Hypoplastron
De gepaarde, derde laterale beenplaat van het buikschild van schildpadden.

Idiomorf
Volledig begrensd door de eigen kristalvlakken.

Impregnatie
Doordringing: het opvullen van de fijne gaatjes van een gesteente of een erts door mineralen die later ontstaan.

Impressie
Fossiele indruk van een plant, de plant zelf is niet meer aanwezig.

ionenbinding
Een binding tussen twee atomen, doordat elektronen van het ene naar het andere atoom overgaan.

isomorf
Dezelfde atoomstructuur hebbend, maar verschillend in chemische samenstelling.

Isomorfie
Uitwisseling (wederzijdse vervanging) van elementen en radicalen met dezelfde eigenschappen (bijvoorbeeld Ca-Na in plagioklazen, Ca-Mg in carbonaten).

Isotropie
Natuurkundige eigenschappen die in een bepaald milieu in alle richtingen gelijk zijn

Kiezelzuur, silicaat
SiO2 als kwarts of kiezel, overvloedig aanwezig in de natuur.

Nicol-prisma
Een filter dat gebruikt wordt om gepolariseerd licht te verkrijgen; het is gemaakt met behulp van IJslandspaat, een variëteit van calciet.

Occipitale
Bij gewervelde dieren het been dat doorgang omgeeft van het ruggemerg naar de schedel.

Occlusaal vlak
Het snij- of kauwvlak van een tand.

Occlusie
Het in elkaar grijpen van de gebitsonderdelen van de onder- en de bovenkaak.

Oortje
Vleugelvormige lob naast het slot bij tweekleppige schelpen.

Ornithischia
Dinosauriërs waarvan de bekkenbeenderen een driehoek vormen, net als bij de vogels.

Ornithopoden
Een dinosauriërgroep met het bekken van de Ornithischia.

Orogenese
Gebergtevormende periode.

Otoliet
Een kalkhoudende concretie in het oor van hogere vissen.

Oxydatiezone
Bovenste deel van een afzetting dat ontstaan is door de ontleding van primaire mineralen.

Sedimentgesteente
Gesteente aan het aardoppervlak, ontstaan door bezinking van aangevoerd materiaal, bij voorbeeld zand of door chemische neerslag, bijvoorbeeld zout.

Selenizone
Spiraalband die wordt gevormd vanuit de sinus in de mondrand bij bepaalde primitieve slakken. Ook: sinusband.

Septum (mv. Septa)
Een dunne scheidingswand in kalkskelet of -schaal, o.a. bij koralen, brachiopoden en cephalopoden.

Serpentiniet
Gesteente dat voornamelijk uit serpentien bestaat en ontstaan is door veranderingen in ultrabasische eruptieve gesteenten.

Sferoliet
Aggregaat waarin naaldvormige kristallen tot een waaier gerangschikt zijn.

Sicula
Embryonale cel waaruit alle andere structuren van de graptolietenkolonie voortkomen.

Silicificatie
Verzadiging van een gesteente met kwarts.

Siltsteen
Een gesteente opgebouwd uit siltafzettingen.

Sinus
Bij gastropoden een inbochting van de mondrand.

Sipho
Tot een buis vergroeide rand van de mantel die bij slakken dient om ademwater in te nemen, bij tweekleppigen is de sipho in tweeën gedeeld om in- en uitkomend water te scheiden. Bij cephalopoden loopt de sipho als streng door alle kamers en kan daarin gas- en waterdruk veranderen.

Siphokanaal
Bij cephalopoden een buisvormig kanaal dat als voortzetting van de mantel de kamers van het phragmocoon met elkaar verbindt. Bij slakken de gootvormige uitstulping van de mondrand waardoor de sipho wordt geleid.

Skarn
Gesteente, bestaande uit kalksteen en silicaten, dat ontstaat uit carbonaten die in aanraking komen met magma.

Sklerenchym
Bij kolonievormende koralen de kalkstructuren die tussen de thecae in zijn gevormd en het kolonieskelet bijeenhouden.

Slot
Bij tweekleppigen en brachiopoden het scharnier waarmee de kleppen samenhangen.

Slotplaat
Bij tweekleppigen het gedeelte van beide kleppen waarop de tanden staan, bij brachiopoden alleen het deel van de armklep waarin de tandholten liggen.

Slottanden
Scharnierende uitsteeksels binnen de kleppen van tweekleppigen en brachiopoden.

Spicula
Skeletnaald die het weefsel van sponzen verstevigt, ook sponsnaald genoemd.

Spintepel
Klierorgaan dat spindraad afscheidt.

Spira
Alle windingen behalve de laatste winding bij een gespiraliseerde schelp.

Spits
Scherp uitsteeksel of centrale punt aan een tandelement van o.a haaien.

Splijtbaarheid
De neiging van een kristal om in een bepaalde richting te splijten, welke richting evenwijdig loopt aan een mogelijk kristalvlak.

Spoelzandwaaier
Breed alluviaal bekken, door het afzetten van sedimenten van smeltwaterstromen gevormd.

Squamosum
Een van de schedelbeenderen, dat zich bij veel gewervelde dieren achter het oor bevindt.

Subfossiel
Geconserveerde resten of sporen van vroeger leven, minder dan 10.000 jaar oud.

Substraat
Oppervlak van het sediment of gesteente waarop planten en dieren leven.

Sulcus
Groeve, verdiept gedeelte van het buitenoppenvlak van een brachiopodenklep. Zie ook: Plia.

Supergeen proces
Secundair proces dat inwerkt op afzettingen die door atmosferische invloeden (neerslag, wind enz.) ontstaan zijn.

Sutuur
Raaklijn tussen opeenvolgende windingen van een gespiraliseerde schelp.

Sutuurlijn
Lijn waarlangs septum en schelpwand aan elkaar vastzitten bij nautiloïden en ammonoïden, bij fossielen vaak een belangrijk determinatiekenmerk.

Syeniet
Diep gesteente zonder kiezelaarde waarin kaliveldspaat de overhand heeft op plagioklazen.