Kopie van `Commissie Genetische Modificatie `

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Commissie Genetische Modificatie
Categorie: Planten en dieren > Genetische Modificatie
Datum & Land: 08/02/2012, NL
Woorden: 216


Adjuvant
Stof die aan een vaccin wordt toegevoegd om de immuunrespons te stimuleren.

Adenovirussen
Virussen uit de familie van de Adenoviridae, die infecties aan de luchtwegen veroorzaken. Adenovirussen hebben een dubbelstrengs DNA genoom. Ze bezitten een aantal eigenschappen waardoor ze geschikt zijn als virale vector voor genoverdracht en ingezet kunnen worden bij gentherapie.

Agro-infiltratie of agro-inoculatie
Techniek waarbij genetisch gemodificeerde Agrobacterium tumefaciens bacteriën door middel van een vacuüm of injectie in planten (meestal bladeren) gebracht wordt. Hierna kan overdracht van een plasmide naar de gastheercel plaatsvinden. Dit hoeft echter niet te leiden tot integratie van het DNA in het genoom van de plant, de genen komen dan alleen transiënt tot expressie.

Allel
Een, twee of meerdere varianten van een gen. Allelen die coderen voor een specifieke eigenschap bevinden zich op dezelfde plaats op het chromosoom. Indien een gen meer dan twee allelen heeft, worden dit multiple allelen genoemd. Het gen voor het bloedgroeptype bestaat bijvoorbeeld uit drie allelen, namelijk de allelen voor bloedgroep A, B en O. De aanwezigheid van twee allelen op het chromosoom bepaalt het bloedgroeptype.

Aminozuren
Organische verbindingen waaruit eiwitten zijn opgebouwd. Er zijn 20 verschillende aminozuren.

Antisense DNA
Dubbelstrengs DNA bestaat uit twee nucleïnezuurmoleculen waarvan er één (sense DNA) codeert voor het RNA dat betrokken is bij de vorming van eiwitten. De niet-coderende streng wordt antisense-DNA genoemd en is het complementair aan de coderende streng.

Antilichamen
Eiwitten die door het lichaam geproduceerd worden als afweerreactie op de aanwezigheid van antigenen afkomstig van bijvoorbeeld virussen of bacteriën. De productie van antilichamen vormt een onderdeel van de specifieke immuunrespons. Antilichamen worden ook wel antistoffen genoemd.

Antigen
Molecuul dat een immuunrespons kan opwekken.

Antibioticumresistentiegenen
Gen in een micro-organisme, dat codeert voor antibioticumresistentie. Antibioticumresistentiegenen worden vaak ingebouwd in gg-planten als hulpmiddel om de gemodificeerde planten te kunnen selecteren. Zie ook markergenen.

Antibioticum
Een organische stof geproduceerd door micro-organismen om bacteriën te bestrijden. Aantibiotica worden gebruikt als geneesmiddel om ziekteverwekkende bacteriën in hun groei te remmen of te doden.

Apomixie
(apomixis) Apomixie is het proces waarbij zaad gevormd wordt zonder dat er bevruchting heeft plaatsgevonden. Apomixie treedt op bij sommige plantensoorten en is een vorm van ongeslachtelijke voortplanting.

Attenuatie
Afname van het ziekteverwekkende vermogen van een pathogeen.

Autoloog
Op zichzelf betrekking hebbend. Patiënten kunnen bijvoorbeeld bloed doneren wat later gebruikt kan worden tijdens hun operatie. Dit wordt autologe bloeddonatie. genoemd.

Base
Eén van bouwstenen van RNA of DNA . Voor de samenstelling van DNA en RNA kan gebruik worden gemaakt van verschillende basen, namelijk adenine, guanine, cytosine en thymine (alleen in DNA) of uracil (alleen in RNA).

Basenpaar
Twee tegenover elkaar liggende nucleotiden in dubbelstrengs DNA of RNA. De tegenover elkaar liggende basen zijn met elkaar gepaard door middel van waterstofbruggen. Een basenpaar bestaat uit 2 complementaire basen. In DNA bevindt zich tegenover adenine altijd thymine en tegenover guanine altijd cytosine. In RNA is thymine aanwezig in plaats van uracil.

Baculovirus
Een dubbelstrengs DNA virus dat infecties kan veroorzaken bij een groot aantal verschillende soorten insecten. In het algemeen is het gastheerbereik van een virus beperkt tot enkele soorten binnen een genus of een familie Het baculovirus kan als vector gebruikt worden voor genetische modificatie.

Bacteriofaag
Een virus dat bacteriën infecteert. Bij genetische modificatie worden fagen gebruikt als vector (transportmiddel) om †œvreemd† genetisch materiaal bij bacteriën in te brengen.

Bacterial replacement therapy
Een natuurlijke bacteriepopulatie, bijvoorbeeld in de darmflora, wordt bij de mens vervangen door een vergelijkbare populatie met verbeterde eigenschappen.

Bacteriën
Eéncellig organisme zonder een kernmembraan en dus zonder een afgescheiden celkern (prokaryotisch). Bacteriën zijn overal om ons heen, slechts een klein deel van deze organismen is ziekteverwekkend.

Beginselethiek
Ook wel principe-ethiek of deontologie genoemd. Het is een vorm van ethiek waarin morele kwesties worden beoordeeld vanuit het standpunt dat er bepaalde beginselen of gedragsregels zijn die in het menselijk handelen niet mogen worden geschonden, los van de concrete gevolgen van de handeling. Voorbeelden van dergelijke beginselen, principes of algemene waarden zijn: autonomie, waardigheid, intrinsieke waarde en integriteit. Volgens deontologen zijn die handelingen goed of moreel, wanneer je kunt willen dat iedereen op deze wijze zou handelen. Tegenover deontologie staat teleologie (waar Utilisme een voorbeeld van is) waarin gesteld wordt dat datgene goed is, dat het grootste voordeel oplevert.

Biotechnologie
Technieken waarbij (delen van) biologisch leven geanalyseerd en gebruikt worden voor de ontwikkeling en verbetering van producten en productieprocessen voor industriële, agrarische en maatschappelijke toeppassingen. Biotechnologie wordt gebruikt als verzamelnaam voor onder andere genomics, medische biotechnologie en genetische modificatie.

Bioremediatie
Het gebruik van micro-organismen om vervuilde grond of vervuild water te zuiveren.

Biologische inperking
Eigenschappen van een organisme die er voor zorgen dat de overleving en de verspreiding van dat organisme in het milieu beperkt wordt. Hiertoe behoren ook de eigenschappen van een gastheer-vectorsysteem, welke de overdracht van de vector beperken.

Bionanotechnologie
Nanotechnologie is het geheel van kennis, vaardigheden en apparatuur dat nodig is om op een schaal tussen de één en honderd nanometer functionaliteit te creëren. Er wordt gebruik gemaakt van de specifieke eigenschappen van materie op de nanoschaal. Bionanotechnologie is de nanotechnologie waarbij gebruik wordt gemaakt van biologische principes of bouwstenen of die zijn toepassing vindt in biologische systemen.

Biolistics
Methode die gebruikt wordt om DNA in cellen te brengen. Het DNA wordt gekoppeld aan kleine metaaldeeltjes en dan met hoge snelheid, m.b.v. een †˜gene gun†™ afgeschoten op de gastheercellen. Deze methode wordt onder meer toegepast bij genetische modificatie van planten.



Biodiversiteit
De verscheidenheid van het leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen. Biodiversiteit omvat alle soorten die er op aarde zijn, waaronder alle dier- en plantensoorten. Naast de verscheidenheid aan soorten omvat biodiversiteit ook de diverse ecosystemen (of: leefgebieden) waar die soorten voorkomen. Bijvoorbeeld de tropische regenwouden, de koraalriffen, de savannen of de hoogvenen. Tot slot omvat biodiversiteit ook de genetische variatie binnen soorten. De waarde van biologische diversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit het perspectief van de mens bekeken, maar ook vanuit het perspectief van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur.

Blotten
Blotten (Engels †˜blotting†™) is een biochemische detectietechniek. Hierbij worden eiwitten of nucleïnezuren op grond van molecuulgrootte en samenstelling van elkaar gescheiden. Specifieke moleculen worden vervolgens herkend met complementaire gelabelde stukken nucleïnezuur of antilichamen. Men onderscheidt †˜Western blotting†™ (eiwitten), †˜Southern blotting†™ (DNA) en †˜Northern blotting†™ (RNA).

Celkern
Onderdeel van de cel, dat omgeven wordt door een membraan en dat chromosomen met het erfelijke materiaal van de cel bevat.

Celfusie
Het versmelten van twee cellen, resulterend in een nieuwe cel met het genetische materiaal van de oorspronkelijke twee cellen.

Cellen
Een cel is de kleinste eenheid van het leven, die in staat is om zelf essentiële levensfuncties uit te oefenen.

Chloroplasten
(bladgroenkorrels) Structuren in cellen (organellen) in cellen van planten die een belangrijke functie hebben bij de fotosynthese waarbij CO2 wordt omgezet in koolhydraten en zuurstof.

Chimeraplastie
Een experimentele techniek voor gerichte mutagenese waarbij een puntmutatie in een gen gerepareerd kan worden met behulp van een synthetische oligonucleotide (chimeraplast). De chimeraplast is opgebouwd uit de gewenste DNA sequentie in combinatie met RNA. Door binding van het chimeraplast met de specifieke sequentie, zal het reparatiesysteem van de cel zelf de mutatie aanpassen.

Chromosomen
Draadvormige, lange structuren in de celkern die de genetische informatie bevatten en bestaan uit DNA en eiwitten (histonen).

Cisgenese
Vorm van genetische modificatie waarbij DNA wordt ingebracht dat van dezelfde soort of van een kruisbare verwant afkomstig is (in tegenstelling tot transgenese). Het ingebrachte DNA is hierbij niet gewijzigd en de coderende sequentie staat onder controle van zijn eigen regulatiesignalen en zijn eigen intronen (indien aanwezig).

Codominante overerving
Overerving waarbij twee dominante allelen, coderend voor dezelfde eigenschap, tot expressie komen. De allelen voor bloedgroeptype A en B coderen bijvoorbeeld samen voor bloedgroeptype AB.

Codon
Triplet van nucleotiden. Er zijn 61 verschillende codons coderend voor 20 aminozuren. Daarnaast zijn er 3 codons die niet coderen voor aminozuren maar die de translatie van RNA beëindigen (stopcodons).

Coëxistentie
De mogelijkheid tot het naast elkaar bestaan van verschillende typen landbouw. De teelt van genetisch gemodificeerde gewassen kan gevolgen hebben voor andere vormen van landbouw (zoals biologische en gangbare landbouw) wanneer er bijvoorbeeld door uitkruising vermenging plaatsvindt met een gangbaar of biologisch gewas. Hierdoor kan economische schade ontstaan bijv. doordat de waarde van een biologisch gewas hoger is. Hierbij speelt het aspect van keuzevrijheid voor de consument en producent een rol.

Complementair nucleïnezuur
De DNA- of RNA-streng die antiparallel aan de daaraan tegenoverliggende DNA- of RNA-streng gebonden is. De binding is specifiek en vindt door middel van waterstofbruggen plaats tussen de in het nucleïnezuur aanwezige basen cytosine, guanine, adenine en thymine (DNA), of cytosine, guanine, adenine en uracil (RNA).

Convergerende technologieën
Letterlijk het samenkomen van technologieën in een nieuwe technologie. Kenmerkend voor convergerende technologieën is dat er door het combineren van verschillende technologieën een dynamiek ontstaat waardoor er nieuwe producten en toepassingsgebieden gecreëerd kunnen worden. In de life sciences zijn de NBIC-technologieen het meest bekende voorbeeld van convergerende technologie. NBIC staat voor het samenkomen van nano-, bio-, informatie en cognitieve technologieën die samen leiden tot nieuwe toepassingsgebieden.

Defect virus
Replicatiedeficiënte vorm van een virus dat zich uitsluitend met een helper(functie) kan vermenigvuldigen.

Deletiemutant
Een mutant als gevolg van het verwijderen van erfelijk materiaal met als doel het uitschakelen van één of meerdere genen.

DNA-chip/micro-array
Een kleine (glas)plaat waarop een grote hoeveelheid verschillende gensequenties geplaatst zijn. Eén chip maakt het mogelijk om in één keer de mate van activiteit van grote aantallen genen tegelijkertijd te bepalen.

DNA
Desoxyribonucleïnezuur (in het Engels Deoxyribonucleic Acid, DNA) is een molecuul opgebouwd uit vier verschillende bouwstenen (nucleotiden). DNA bestaat uit twee complementaire antiparallelle strengen die samen een dubbele helix vormen. In het DNA is de genetische informatie opgeslagen.

Dominante overerving
Overerving waarbij een dominant allel (bijvoorbeeld het allel voor bruine ogen) tot uiting komt en een recessief allel niet (het allel voor blauwe ogen).

Donororganisme
Organisme waaruit de in een gastheerorganisme te brengen genetische informatie oorspronkelijk afkomstig is.

Ectoparasiet
Dierlijke parasiet die op de oppervlakte van dieren leeft zoals teken en vlooien.

Eiwit
Een ander woord voor proteïne. Het is een chemische verbinding bestaande uit een keten van aminozuren, die de specifieke vorm en functie van het eiwit bepaalt. Eiwitten zijn verantwoordelijk voor de structuur, functie en regulatie van cellen. Voorbeelden van eiwitten zijn enzymen, hormonen en antilichamen.

Elektroporatie
Een techniek om het genetisch materiaal in cellen te brengen. Door middel van een elektrische schok ontstaan gaten in het celmembraan, waardoor DNA de cel in kan komen.

Endoparasiet
Parasiet die in het lichaam van de gastheer leeft, zoals een lintworm.

Enzym
Een eiwit dat een chemische reactie binnen of buiten een cel mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf verbruikt te worden of van samenstelling te veranderen. Enzymen zijn zeer specifiek.

Epigenetica
De studie waarbij gekeken wordt naar overerfbare veranderingen in genfunctie zonder dat veranderingen in de DNA sequentie optreden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan DNA methylatie en RNA interference. Deze processen spelen een belangrijke rol bij de fenotypische ontwikkeling en overerving.

Epistasie
De invloed van genen op elkaar. Het fenotype van een bepaald gen komt niet tot uiting omdat het overstemd wordt door het fenotype van een ander gen.

Erfelijkheid
Het overgaan van kenmerken op de volgende generatie.

Ethiek
Ethiek Ook wel praktische filosofie genoemd. Het is de bezinning op de fundamentele principes en begrippen in het morele debat. Ethiek analyseert en verheldert de naar voren gebrachte argumenten en de rechtvaardiging van morele claims. Het gaat daarbij niet om de feitelijke vaststelling of iets als goed of slecht wordt beschouwd, maar vooral om de redenering daarachter, de argumentatie. Ethiek is daarom gekoppeld aan de toetsing en correctie van menselijk handelen. Centrale onderwerpen in de ethiek zijn juistheid, rechtvaardigheid, deugdzaamheid, het goede leven. etc.

Eukaryoot
Organisme waarvan de cel een kern bevat omgeven door een kernmembraan. Zie ook prokaryoot.

Farmacogenomics
Onderzoeksterrein gericht op de interactie tussen de genensamenstelling van een persoon of populatie en de respons op een geneesmiddel.

Faag
Zie bacteriofaag.

Farmacogenetica
Onderzoeksterrein dat zich bezig houdt met de bijdrage van de genetische achtergrond van een patiënt op de wisselende werking van geneesmiddelen. Met de uitkomsten zouden medicijnen in dosering en werkzaamheid aangepast kunnen worden op de individuele patiënt.

Farmagewassen
Genetisch gemodificeerde gewassen die farmaceutische eiwitten produceren. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen producten die na de oogst uit de plant gezuiverd moeten worden, en producten die als voedsel direct kunnen worden ingenomen (bijvoorbeeld bananen die een vaccin kunnen produceren).

Fenotype
Verzameling van alle waarneembare kenmerken van een individu. De totstandkoming van het fenotype wordt beïnvloed door genen en milieufactoren. Zie ook genotype.

Fotosynthese
De vorming van koolhydraten en zuurstof uit water en koolstofdioxide door planten en algen onder invloed van zonlicht.

Frameshift
Een mutatie van het erfelijke materiaal als gevolg van bijvoorbeeld een insertie of deletie van één of meerdere (maar geen drievoud) nucleotiden. Ten gevolge van een frameshift kan het genetisch leesraam verschuiven waardoor de vertaling van de daaropvolgende codons in aminozuren,anders verloopt.

Fysische inperking
Voorzieningen aangebracht aan werkruimten, installaties en apparatuur waardoor verspreiding van organismen, waaronder genetisch gemodificeerde organismen, wordt tegengegaan. De inperking wordt verdeeld in 4 verschillende veiligheidsniveaus.

Gastheer
In geval van genetische modificatie wordt het organisme waarin genetisch materiaal van een donororganisme wordt ingebracht de gastheer genoemd.

Genexpressie
De mate van het tot uiting komen van een gen in een eiwit. Hiertoe moet het gen afgelezen worden (transcriptie) en het mRNA vertaald worden in eiwit (translatie).

Genetische manipulatie
Zie genetische modificatie.

Genetische modificatie
Het kunstmatig veranderen van bepaalde delen van de genen van een organisme op een manier zoals het door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.

Genetische informatie
Informatie over erfelijke kenmerken, die in de volgorde van de basen in het DNA ligt. Met deze genetische code wordt onder andere aangegeven welke eiwitten door een cel gesynthetiseerd kunnen worden.

Genetisch materiaal
Het materiaal waarop de genetische informatie ligt, zoals DNA en RNA.

Genetisch
De erfelijkheid betreffende.

Genetisch gemodificeerd organisme
(GGO) Organisme waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie en die het vermogen bezit dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen.

Genetica
Erfelijkheidsleer. Tak van de biologie die de erfelijke biologische kenmerken van de levende organismen en de wijze waarop ze worden overgedragen, bestudeert.

Genetic engineering
Genetische modificatie van een organisme door het inbrengen of verwijderen-blokkeren van specifieke genen met behulp van moderne moleculaire biologische technieken.

Gene targeting
Een methode voor het aanbrengen van gerichte mutaties door homologe recombinatie.

General Surveillance
General Surveillance is de Europese verplichting (2001-18-EG) om te monitoren op het optreden van onverwachte nadelige effecten bij het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu. Bij genetische gemodificeerde gewassen is general surveillance verplicht bij zowel import als teelt. General Surveillance is ingesteld om effecten te kunnen detecteren die bij de risicobeoordeling niet voorzien konden worden en onverwacht optreden, en is bedoeld om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen.

Gene gun
Het apparaat waarmee microscopische goud- of wolframbolletjes, bekleed met DNA of RNA, onder hoge druk op een cel afgeschoten kunnen worden. Het genetisch materiaal kan dan in het genetisch materiaal van de cel worden opgenomen.

Gendoping
Het niet-therapeutische gebruik van genen, genetische bouwstenen en-of cellen die de mogelijkheid hebben de sportprestaties te verbeteren.

Gen
Een DNA fragment dat de genetische informatie bevat die meestal overeenkomt met de informatie om een eiwit te maken. Een gen is opgebouwd uit een opeenvolging van nucleotiden, die afhankelijk van de volgorde coderen voor een erfelijke eigenschap. Eén gen bestaat al snel uit een duizendtal nucleotiden.

Gentherapie
Het aanbrengen van veranderingen in het genetische materiaal van mensen of dieren voor medische doeleinden. Afhankelijk van de cellen waarin het erfelijke materiaal veranderd wordt, onderscheidt men somatische gentherapie en kiembaangentherapie. Bij somatische gentherapie wordt het erfelijke materiaal van lichaamscellen gewijzigd. Dergelijke veranderingen zijn niet overerfbaar. Veranderingen in het erfelijke materiaal van geslachtscellen wordt kiembaangentherapie genoemd. Deze veranderingen zijn overerfbaar. In Nederland geldt een moratorium op kiembaangentherapie. Bij gentherapie wordt vaak gebruik gemaakt van virale vectoren om het nieuwe genetische materiaal in de cellen van de patiënt te brengen.

Genomics
De wetenschap die zich bezighoudt met het grootschalig onderzoek naar erfelijkheid en de genen van mensen, dieren, planten en micro-organismen.

Genoom
Het geheel aan genetische informatie op de chromosomen van een organisme.

Genotype
De genetische samenstelling van een organisme, samen met omgevingsfactoren is het genotype verantwoordelijk voor daarbij behorende fenotypen.

Gentechnologie
Benaming voor de technieken die leiden tot veranderingen in het genetische materiaal.

Gevolgenethiek
Ook wel consequentialistische ethiek genoemd. Het is een vorm van ethiek waarin morele kwesties worden beoordeeld vanuit de vraag welke gevolgen het betreffende handelen heeft of welk doel het dient. Voorbeelden van doelen die in dit verband als nastrevenswaardig worden gezien zijn nut en geluk.

GGO-gebied
Gebied dat bestemd is voor activiteiten met genetisch gemodificeerd organismen (ggo†™s). Dit gebied moet aan bepaalde inrichtingseisen voldoen welke zijn aangegeven in Bijlage 4 van de Regeling GGO.

GGO
Genetisch gemodificeerd organisme.

GMO
Genetically modified organism. Zie ggo.

Haploïd
Cellen zijn haploïd als slechts één exemplaar van elk chromosoom aanwezig is. Dit geldt bijvoorbeeld voor menselijke voortplantingscellen. In tegenstelling tot diploide cellen waarbij alle chromosomen in tweevoud aanwezig zijn.

Hermeneutiek
Afgeleid van het Griekse woord hermèneus = tolk en betekende oorspronkelijk de kunst van het overbrengen en uitleggen van boodschappen. Later betekent het de kunst van het interpreteren van (vooral literaire en historische) teksten.

Helix
Twee om elkaar gewonden, complementaire DNA-strengen vormen een dubbele helix. Dit ziet eruit als een wenteltrap waarbij basenparen, door waterstofbruggen aan elkaar gekoppeld, de treden vormen.

Heterozygoot
Een organisme is heterozygoot voor een specifieke eigenschap wanneer deze wordt bepaald door een gen waarvan twee verschillende allelen aanwezig zijn.

Homologe recombinatie
Uitwisseling tussen nucleïnezuren met (nagenoeg) dezelfde sequentie. Homologe recombinatie is een belangrijk mechanisme in de cel om breuken in het DNA te repareren. Ook zorgt het voor uitwisseling van (bijna) identieke DNA fragmenten tussen twee gepaarde chromosomen tijdens de meiose (reductiedeling). Homologe recombinatie wordt ook gebruikt bij genetische modificatie.

Homologie
Overeenkomst tussen DNA of RNA sequenties van verschillende soorten organismen. Dit is toe te schrijven aan de evolutionaire afstamming van een gemeenschappelijke voorouder. Zo vertoont het genoom van de chimpansee 97% homologie met het genoom van de mens.

Homozygoot
Een specifieke eigenschap wordt bepaald door een gen waarvan twee gelijke allelen aanwezig zijn.

Horizontale genoverdracht
Overdracht van genen of erfelijk materiaal tussen organismes (zowel binnen als buiten de populaties of soortgrenzen), op andere wijze dan via nakomelingenschap (verticale overdracht).

Hybridisatie
Het koppelen van twee complementaire strengen DNA tot dubbelstrengs DNA. De term hybridisatie wordt ook toegepast wanneer het een kruising, bijvoorbeeld van verschillende plantenrassen, betreft.

Hybride
Nageslacht afkomstig van twee genetisch verschillende organismen. Deze organismen kunnen beiden een verschillende wenselijke eigenschap bezitten. Kruising kan leiden tot een nieuw organisme dat beide wenselijke eigenschappen bezit.

Immuunrespons
Een specifieke reactie in het lichaam die gericht is op het onschadelijk maken van lichaamsvreemde indringers (zoals bacteriën, virussen en schimmels) onder meer door de productie van specifieke antilichamen.

Immuun
Ongevoelig zijn voor bepaalde infecties.

Immunisatie
Het opwekken van een immuunrespons door blootstelling aan een antigeen, bijvoorbeeld door middel van vaccinatie,