Kopie van `TNO - bodemonderzoek`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


TNO - bodemonderzoek
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 27/01/2014, NL
Woorden: 104


Bemonsteringsmethode
Methode om een representatieve deel van een hoeveelheid grond te verkrijgen.

Bijmenging
Ook wel `bijmengsel`. Een nadere aanduiding van een kenmerkende samenstellende korrelfractie van een grondsoort.

Boorbeschrijving
Registratie van algemene gegevens van een boring en de gedetailleerde lithologische beschrijving van grondmonsters.

Boorgatmeting
Een continue meting van een fysische grondparameter in een boorgat.

Boormonster
Een grondmonster dat bij een boring naar boven wordt gebracht.

Brandput
Waterput die bij brand een grote hoeveelheid water kan produceren.

Breuklijn
Snijlijn van een geologische breuk met het aardoppervlak.

Cluster
Een groep putten welke aan hetzelfde (grondwater of olie-gas-)veld onttrekken.

Continentaal plat
De licht hellende rand van het continentale gebied, die zich onder het zeeoppervlak voortzet, totdat het overgaat in de steilere helling naar de bodem van de oceaan.

Conus
Kegelvormige punt op een staaf, die bij het sonderen in de grond wordt gedrukt om de bodemweerstand te meten.

Conusweerstand
De conusweerstand (qc), of puntweerstand, is het quotiënt van de kracht die nodig is om de conus bij het sonderen naar beneden te verplaatsen en het oppervlak van de basis van de conus.

Coördinatensysteem
Methode waarmee locaties van objecten op een kaart worden aangegeven.

Diepte, gecorrigeerd voor helling
Geometrische (verticale) diepte ten opzichte van het aardoppervlak. Deze is niet gemeten langs het boorgat of de sondeerstang.

Dieptegrid
Een net van vierkanten in een coördinatensysteem waarop per vierkant de diepte wordt aangegeven.

Document Type Definition (DTD)
Het digitale voorschrift waaraan gegevens uitgedrukt in XML moeten voldoen. In dit geval de door TNO-NITG ontwikkelde structuur, waaraan bestanden met gegevens over boringen moeten voldoen

Driehoeksdiagram
Een diagram waarop, met de afzonderlijke korrelfracties, de classificatie van een grondsoort plaats vindt.

Dubbellog-grafiek
Grafiek waarbij, zowel de x-as als de y-as, logaritmische zijn afgebeeld.

Einddiepte
De diepte van een boorgat ten opzichte van het maaiveld.

Elektrische sondeermethode
Sondering waarmee de weerstand van de grond wordt gemeten met elektrische krachtopnemers.

Elektrische weerstand
De tegenwerking die een elektrische stroom ondervindt als hij door een medium (een bepaald sediment) stroomt, uitgedrukt in Ohm-m.

Evaluatieputten
Boringen met als doel het verkennen van de omvang en uitgestrektheid van olie- en gasvelden. Deze heten ook wel `bevestigingsputten` of `appraisal wells`.

Exploratieputten
Boringen met als doel het opsporen van nieuwe olie- en gasvelden.

Filter
Geperforeerd gedeelte van een buis of pijp, waarbij een vloeistof door de wand kan stromen. Het type perforatie is veelal afgestemd op het omliggende sediment of gesteente, alsmede op de doelstelling van het filter (onttrekking of peilen).

Filterdiepte
De diepte in de ondergrond, waar een filter is geplaatst, gewoonlijk wordt de diepte onderscheiden in de onder- en bovendiepte van het filter.

Geo-elektrische methode
Methode waarbij met behulp van het aanbrengen van een elektrische stroom en het meten van het potentiaalverschil informatie over de opbouw van de ondergrond wordt verkregen.

Geochemische analyse
De bepaling van chemische componenten van een grond- of grondwatermonsters, zoals zuurgraad, organische stofgehalte en voorkomende (sporen-) elementen.

Geofoon
Het landelijk informatiepunt voor vragen over bodemdaling en aardbevingen.

Geohydrofoon
De ontvanger van akoestische reflectiesignalen, speciaal ontworpen om te functioneren vlak onder het wateroppervlak.

Geologische monsteranalyse
De bepaling van de geologische parameters van grondmonsters, zoals die volgen uit lithologische of stratigrafische interpretatie.

Geologische structuur
Het geheel van onderverdeling in lagen en tektonische discontinuïteiten in de ondergrond.

Geomechanische monsteranalyse
De bepaling van mechanische parameters aan grondmonsters zoals schuifsterkte, druksterkte, triaxiaal sterkte en-of kruipeigenschappen.

Gestoken boring (steekboring)
Een boring waarmee ongeroerde monster worden verkregen door een buis met een scherpe rand in het grondmateriaal te steken.

Handboring
Een boring, die met louter handkracht is gemaakt.

Helling 0/1/2
Hoek van de conuspunt ten opzichte van de verticaal, gemeten als resultante (bi-axiale hellingopnemer, of uniaxiale hellingopnemer = helling0, of als NZ en OW component van een bi-axiale hellingopnemer, helling1-2).

Hellingmeting
De meting waar, over de lengte van het boorgat, de afwijking van de as van het boorgat met de verticaal wordt vastgelegd.

Hydrochemische gegevens
Gemeten resultaten van chemisch onderzoek op water en de opgeloste stoffen daarin.

Hydrogeologisch profiel
2-dimensionaal profiel van de ondergrond met hierin de laaggrenzen die belangrijk zijn voor de hydrologie zoals tussen; goed en slecht doorlatende lagen, zoet en zout grondwater.

Infiltratie
Het binnentreden van oppervlaktewater in de ondergrond, waardoor het grondwaterniveau stijgt.

Kaartblad
Een kaartblad, oorspronkelijk gebaseerd op de indeling van de Topografische Dienst Nederland, is een gebied binnen een vaste set x,y-coördinaten, waarin bepaalde eigenschappen van de ondergrond worden gekarteerd.

Kathodische bescherming
Methode ter bescherming tegen elektrochemische corrosie van metalen.

Kleefmantel
Een korte cilinder, die in een sondering achter de conus aanwezig is, en waarmee, onafhankelijk van de krachten op de conus, de wrijving met de omringende grond wordt gemeten.

Kwaliteits Verbeterings Project
Project dat TNO-NITG heeft opgestart om de inhoudelijke kwaliteit van de DINO-database te verbeteren. Belangrijke aandachtspunten zijn het synchroniseren van de x- en y-coördinaten, het controleren van extreme waarden en het corrigeren van meetfouten, het op volledigheid controleren van de digitale data en het toevoegen van meta-informatie aan de meetreeksen.

Kwaliteitscode Grondwater
Code, die de inhoudelijke kwaliteit van een reeks grondwatermetingen aangeeft.

Kwel
Het uittreden van grondwater aan het maaiveld. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren onder invloed van verschillende stijghoogten in een bepaald gebied. Kwelwater kan direct aan het grondoppervlak naar buiten treden, maar ook in bijvoorbeeld sloten of drains.

Laagbeschrijving
Beschrijving van een geologische laag.

Landbouwbuis (grondwaterstandsbuis)
Een peilbuis met een betrekkelijk kort filter, waarvan de onderkant zich op kleine afstand onder de grondwaterspiegel bevindt. Daardoor wijkt de gemeten stijghoogte weinig af van de grondwaterstand.

Lithologie
Aanduiding van de grondsoort en de specifieke samenstellende korrelfracties.

Lithologische kolom
Beschrijvingen van grondsoorten en -lagen zoals die in een boring voorkomen.

Logs
Meetreeks van fysische grondparameters welke zijn gemeten met elektrische instrumenten in een boorgat.

Maaiveld
Het maaiveld is het grensvlak tussen de ondergrond en de lucht. Dit grensniveau varieert door heel Nederland in hoogte en kan boven of onder NAP liggen. De afstand tot het maaiveld wordt gebruikt om de (relatieve) diepte van aangeboorde lagen aan te geven.

Mantelconus
Een mechanische conus, waarbij de ruimte tussen de bewegende conuspunt en de sondeerbuis wordt afgeschermd door een mantel, bevestigd aan de conuspunt.

Mechanische boring
Een boring waarbij het boorgat met mechanische werktuigen wordt gemaakt.

Mechanische sondering
Sondering waarbij de weerstand van de grond op de conuspunt en eventueel de kleefmantel indirect wordt gemeten met een in het sondeerapparaat opgenomen krachtopnemer via de binnenstangen.

Meetbuis
verticale buis of soortgelijke constructie geplaatst in de ondergrond waarin kan worden gemeten, bijvoorbeeld de grondwaterstand.

Meetnet
Stelsel van samenhangende meetstations, meetpunten en-of bemonsteringspunten.

Meetreeks
Meetgegevens die met een zekere regelmaat in een bepaalde tijdsperiode zijn opgemeten.

Metadata
Set administratieve gegevens die horen bij meetgegevens, zoals locatie, tijd en meetmethode.

NAP
Normaal Amsterdams Peil. Standaard (denkbeeldig) geometrisch vergelijkingsvlak in Nederland, waarmee een hoogte wordt uitgedrukt (in meters boven of onder NAP).

Navigatiegegevens
De opeenvolging van locaties van een vaarroute waarover gedurende een meting of onderzoek het schip gevaren heeft.

NITG-nummer
Alle gegevens in DINO hebben een NITG-nummer. Dat bestaat uit een kaartbladgedeelte, bijvoorbeeld 25A, en een volgnummer. Het nummer komt er dan bijvoorbeeld uit te zien als 25A0045. Daarnaast is er nog een andere nummersystematiek die werkt met gedeelten van x,y-coördinaten. Dit systeem gebruikt de eerste drie cijfers van de y-coördinaat, de eerste drie cijfers van de x-coördinaat en een volgnummer. Bijvoorbeeld: 495-106-0018.

Offshore
Deel van het Nederlands continentaal plat dat aan de zeezijde van de 12-mijlszone ligt.

Onshore
Het Nederlandse territoir, bestaande uit het vaste land en het deel van het Nederlands continentaal plat dat aan de landzijde van de 12-mijlszone ligt.

Onverharde afzetting
Een afzetting die niet sterk belast is geweest door bovenliggende lagen en daardoor een geringe sterkte of consistentie heeft.

Peilbuis
Een buis of soortgelijke constructie met een kleine diameter, waarin de grondwaterstand en de stijghoogte kunnen worden gemeten.

Plaatselijke kleefweerstand
De plaatselijke kleefweerstand (fs) is het quotiënt van de kracht die nodig is om de kleefmantel bij het sonderen naar beneden te verplaatsen en het uitwendige cilindrische oppervlak van de kleefmantel.

Plotten
Het visualiseren op het scherm of het vastleggen op papier van een hoeveelheid gegevens, waarbij gebruik gemaakt wordt van een aantal (coördinaat-)assen.

POSC-standaard
Een aanbeveling voor het vastleggen of uitwisselen van gegevens, zoals gedaan door de Petroleum Open Software Corporation.

Potentiaalelektrodes
(twee) elektrodes waarover het potentiaalverschil wordt gemeten.

Potentiaalverschil
Elektrisch spanningsverschil of spanning, uitgedrukt in milli-volts.

Productieputten
Boringen voor de ontginning van olie- en gasvelden. Deze heten ook `development wells`.

Putgegevens
Alle bekende meetgegevens en documentatie betreffende een put, inclusief de productiegegevens.

Putinterpretatie
De lithologische en stratigrafische interpretatie die een geoloog aan de laagopeenvolging in een boring geeft aan de hand van metingen en monsters van die boring.

Putten
Boringen met als doel het opsporen en winnen van vloeibare delfstoffen.

Puttenveld
Een samenhangende hoeveelheid putten, welke tezamen een aquifer of een olie- of gasveld aantappen.

Referentieniveau
Een horizontale benadering van het aardoppervlak, ten opzichte waarvan de hoogte van meetpunten bepaald kan worden.

Registratielijn
Een lijn over het aardoppervlak waarlangs metingen plaats vinden

Rotliegend
Gewoonlijk roodgekleurde clastische sedimenten of evaporieten uit het Perm tijdperk.

Schijnbare weerstand
Een soort gemiddelde elektrische weerstand van de ondergrond, een veldwaarde.

Schlumberger-opstelling
Een geo-elektrische meetopstelling waarbij de potentiaalelektrodes tussen de stroomelektrodes staan en waarbij de afstand tussen de potentiaalelektrodes veel kleiner is dan de afstand tussen de potentiaal- en de stroomelektrode.

Sedimentclassificatie NEN5104
Door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) opgestelde norm om de samenstelling van grondlagen eenduidig vast te leggen.

Seismische opname (seismiek)
Het onderzoek, waarbij door middel het meten van de voortplantingstijd van trillingen en hun reflecties, het gesteentetype en structuur van de ondergrond wordt bepaald.

Signaalgegevens
Het resultaat van een akoestisch of elektrisch grondonderzoek.

Snelheidsgegevens
Gegevens over de voortplantingstijd van trillingen door gesteentes, waaruit later het gesteente-type en de dikte kan worden bepaald.

Sondeernummer
De identificatiecode van een specifieke sondering.

Sonderen (cone penetration test)
Het meten van de weerstand die wordt ondervonden bij het in de grond drukken van een staaf voorzien van een standaardconus.

Soortelijke elektrische weerstand
De elektrische weerstand, die hoort bij een bepaalde grondlaag.

Spoelboring
Een boring, waarbij het sediment door middel van een waterstroom omhoog gebracht wordt.

Stralengang
De weg, die een seismische trilling volgt tussen de bron van de trilling en de registratie in de geofoon.

Stratigrafische eenheden
De onderverdeling van de ondergrond in eenheden welke een bepaald geologisch kenmerk gemeen hebben, bijvoorbeeld afgezet in een bepaalde tijdsperiode, of onder bepaalde klimatologische omstandigheden.

Stratigrafische horizont
Kenmerkende overgangen tussen stratigrafische eenheden, bijvoorbeeld door een bepaalde kleuropvolging.

Stylesheets
Het visualiseren of opmaken van gegevens of tekst volgens een bepaalde methode.

Tertiair
Geologisch tijdvak dat onderdeel uitmaakt van het Kenozoïcum en loopt van 65 tot 2,9 miljoen jaar geleden.

Tijdreeks
Reeks meetgegevens die het verloop in de tijd weergeeft.

Verbreidingsgrenzen
De begrenzing van voorkomen van een bepaalde lithologische of stratigrafische eenheid.

Verzilting
Het toenemen van het zoutgehalte in het oppervlaktewater of in de grond.

Waterspanningsmeting
Meting die de druk van het water ten opzichte van de atmosferische druk vaststelt. Bij geregistreerde waterspanningen tijdens sonderingen geven de aanduidingen u1, u2, u3, enzovoort de positie van het gebruikte waterspanningsfilter aan.

Weerstanddetectie
Het opsporen van veranderingen in de soortelijke elektrische weerstand in de ondergrond.

Welput
Put die is gegraven voor welwater. Dit is water dat uit de grond naar boven welt.

Wenner-opstelling
Een geo-elektrische meetopstelling waarbij de potentiaalelektrodes tussen de stroomelektrodes staan en waarbij de afstand tussen de opeenvolgende elektrodes gelijk is.

Wet van Ohm
De wet waarmee de elektrische weerstand berekend kan worden uit het potentiaalverschil, de stroomsterkte en een constante die afhangt van de posities van de elektrodes (R = k * V-I).