Kopie van `De Grooten Oorlog, dag na dag… WO I`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


De Grooten Oorlog, dag na dag… WO I
Categorie: Geschiedenis en volkskunde > Eerste Wereldoorlog
Datum & Land: 10/03/2007, BE
Woorden: 84


Abbas Hilmi II
(1874-1944) Kedive van Egypte van 1892 tot 1914.
Kwam in het begin van zijn regering herhaaldelijk in conflict met de Britten. Kort na het uitbreken van WOI werd Egypte een onafhankelijk sultanaat en Abbas werd door de Britten afgezet.

Allenby, Edmund
(1861-1936) Brits veldmaarschalk en viscount.
Nam deel aan de Boerenoorlog in Zuid-Afrika.
Hij diende aan het Westelijk front tot hij in juni 1917 opperbevelhebber werd in Palestina. In die functie dwong hij de Turken ertoe heel Syrië te ontruimen.
Van 1919 tot 1925 was hij Hoge Commissaris in Egypte.

Asquith, Herbert
(1852-1928) Brits staatsman en sedert 1924 graaf van Oxford.
Werd in 1886 lid van het Lagerhuis en was voorstander van zelfbestuur voor Ierland. Hij werd in 1908 minister-president steunend op een liberale meerderheid.
In 1916 moest hij, na een conflict met zijn partijgenoot Lloyd George over de organisatie van de hoogste oorlogsraad in Engeland, aftreden.
In 1924 bracht hij als leider van de liberalen de eerste Labourregering van Mac Donald ten val.

Beatty, David
(1871-1936) Earl, viscount Borodale, baron of the Northsea and of Brooksby.
Brits `admiral of the fleet`.
Maakte als jonge officier, door zijn inzet en doorzettingsvermogen,zeer vlug promotie. Nam deel aan de operaties in Soedan (1896-98) en China (1900).
In 1914 bevelhebber van het slagkruisereskader in de Noordzee. Hij versloeg de Duitsers bij de zeeslagen bij Helgoland (augustus 1914) en Doggersbank (januari 1915).
In de zeeslag bij Jutland (mei 1916) leed hij echter zware verliezen tegen het nochtans zwakkere eskader onder bevel van de Duitse admiraal von Hipper.
In november 1916 volgde hij admiraal Jellicoe op als bevelhebber over de `Grand Fleet`.
Van 1919 tot 1927 bekleedde hij de hoogst bereikbare functie van First Sealord.

Below, Otto von
(1857-1944) Duits generaal.
Onderscheidde zich in WOI bij de Mazoerische Meren. Hij had zeer afwisselende functies in het Duitse leger. Hij werd in oktober 1916 naar Macedonië gezonden waar hij het front nabij Monastir wist te stabiliseren en zo een overwinning van de geallieerden belette. Daarna werd hij naar het Izonzofront (1917) gezonden waar hij het bevel nam over een Duits-Oostenrijks Leger bestaande uit 12 divisies dat ingezet werd bij de slag om Caporetto (oktober - november 1917) en er een beslissende rol speelde. Hij beëindigde zijn militaire loopbaan aan het Westelijk front als commandant van het 17 Leger. Kort voor het einde van de oorlog werd hem nog de taak opgelegd om de mogelijke laatste slag op Duits territorium te helpen plannen.

Bethmann Hollweg, Theobold von
(1856-1921) Duits staatsman.
Werd in 1905 Pruisisch minister van Binnenlandse Zaken. In 1909 werd hij Rijkskanselier en Pruisisch minister-president.
Hij was een verwoed tegenstander van de vlootpolitiek van von Tirpitz.
Hij wilde toenadering tot Groot-Brittannië.
In 1917 verzette hij zich tegen de afkondiging van de onbeperkte duikbotenoorlog waardoor hij zich van alle partijen geïsoleerd werd en tot moest aftreden.

Bissing, Moritz Ferdinand von
(1844-1917) Duits generaal.
Duits reorganisator van de Duitse cavalerie.
Van november 1914 was hij gouverneur-generaal van België. Hij steunde het activisme en was voorstander van het houden van geheel België binnen de Duitse machtssfeer.
Op 18 april 1917 overleed hij te Brussel.

Botha, Louis
(1862-1919) Zuid-Afrikaans generaal en staatsman.
In 1899 verdedigde hij de Noordelijke oever van de Tugela tegen de Engelsen en bracht hen zware verliezen toe.
In 1900 werd hij opperbevelhebber van de Transvaalse commando`s.
In 1902 besloot hij tot loyale samenwerking met de Engelsen. Onder zijn toedoen kwam de Zuid-Afrikaanse Unie (Oranje Vrijstaat, Transvaal, Natal en Kaapkolonie) tot stand.
Botha moest optreden tegen generaal De Wet die in W.O. I neutraal wilde blijven.

Briand, Aristide
(1862-1932) Frans politicus die zijn loopbaan begon als socialist maar er zich later van distantieerde. Was minister van Onderwijs (1906) en in 1909 werd hij voor het eerst minister-president. In 1912 en 1914 was hij minister van justitie.Was voor de tweede maal minister-president van 1915 tot 1917. Als minister van Buitenlandse Zaken probeerde hij de druk op het Oostelijk front te verhogen. Dit lukte slecht gedeeltelijk. Hij was ook een verwoed voorstander van de Brits-Franse troepenlanding in Saloniki waardoor een tweede front op de Balkan zou ontstaan. Deze mislukking leidde tot zijn val.
Na de oorlog speelde hij nog een zeer belangrijke rol in zowel de Franse als Europese politiek. Hij was een groot voorstander van de verzoeningspolitiek tegenover Duitsland. De Locarno-verdragen betekenden voor hem een persoonlijk succes. In 1928 werd het Briand-Kellog pact gesloten, waarbij verschillende Europese mogendheden zich verplichtten al hun geschillen op vreedzame wijze op te lossen.
Gedurende zijn lange carrière was hij 25 maal minister en 11 maal minister-president. In 1926 ontving hij de Nobelprijs voor de vrede.

Brusilov, Alexei
(1853-1926) Russisch cavaleriegeneraal die vol was van zelfvertrouwen en uitblonk door zijn buitengewone inzet. Hij was de architect van het enige geslaagde Russisch offensief tijdens de eerste wereldoorlog. Zie Brusilov-offensief in het gedeelte `Gebeurtenissen`.
Bij het uitbreken van de oorlog was hij bevelhebber van het 8 Leger dat strijd leverde tegen de Oostenrijkers in Galicië. In 1916 nam hij de plaats in van generaal Ivanow als bevelhebber aan het Zuidoostelijk front. De Italiaanse vraag om Russische hulp, teneinde de Oostenrijkse druk op Trentino weg te nemen, werd door Brusilov op vlugge en efficiënte wijze beantwoord. In tegenstelling tot de traditionele tactiek van een uitputtingsslag op een klein front lanceerde hij met zijn vier legers een massaal offensief op een frontbreedte van +-- 500 km. Het Oostenrijks front werd op twee plaatsen doorbroken. De Boekovina en het grootste deel van Galicië werden veroverd. De inzet van Duitse aangevoerde troepen was echter de hoofdreden voor het mislukken van een beslissende overwinning. De zware Russische verliezen die hierdoor geleden werden veroorzaakten de ondermijning van de Russische slagkracht. Na de maartrevolutie en een mislukt offensief in juni 1917 werd hij vervangen door generaal Kornilov. Hij bleef in Rusland onder bolsjewistisch bewind en in 1920 vervoegde hij het Rode Leger.

Cadorna, Luigi
(1850-1928) Italiaans generaal.
Geboren als enige zoon van generaal Raffaele Cadorna die zowel aan de Italiaanse onafhankelijkheids- en herenigingoorlog als aan de Krimoorlog deel nam was hij als het ware in de wieg gelegd voor een militaire loopbaan. Na zijn opleiding in Milaan en Turijn werd hij al vlug bevelhebber van verscheidene Italiaanse bataljons waaronder het 10 Bersgliereregiment. In 1914, bij het uitbreken van de oorlog werd hij chef van de generale staf. Nadat ook Italië in mei 1915 in de oorlog verwikkeld werd leidde hij zijn 35 divisies tegen de Oostenrijks-Hongaarse stellingen. Hij beschikte echter niet over de nodige middelen om tegen de uitslovende stellingenoorlog gewapend te zijn.
Hij was, zoals de Fransen bij het begin van de oorlog, een absoluut voorstander van de massale frontale aanval die uiteindelijk uiterst verlieslatend en weinig doeltreffend bleek.
Zij opperste gebod was de onvoorwaardelijk plichtvervulling. Hij was ervan overtuigd dat voor de eindzege geen enkel offer te groot kon zijn. Zo voerde hij de loopgravenoorlog met ijzeren hand en verlangde van zijn manschappen hun uiterste inzet en discipline. Hij had een eigen commandostijl waarbij hij zich door niemand liet bijstaan om raad te geven. Hij wist echter niet zijn middelen doeltreffend in te zetten, noch wist hij zijn overmacht aan manschappen vakkundig te benutten.
Op 24 april 1917 doorbraken de Duits-Oostenrijkse troepen de frontlijn nabij Caporetto en drongen door tot in de Venetiaanse vlakte.

Cavell, Edith
(1865-1915) Britse verpleegster, sinds 1906 directrice van een rode-kruishospitaal in Brussel. Richtte er bij het begin van de oorlog een hospitaal op waar zowel geallieerde als Duitse soldaten werden verzorgd. Ze hielp een Belgische organisatie bij het overbrengen van licht gewonde Britten en Belgen naar Nederland. Ze werd op 5 augustus 1915 aangehouden en op 9 oktober, na bekentenissen, door de Duitse krijgsraad ter dood veroordeeld. Op 11 oktober 1915 werd ze, samen met haar helpers, op de Nationale Schietbaan (Tir National) te Brussel gefusilleerd.

Clemenceau, Georges-Benjamin
(1841-1929) Frans staatsman.
Studeerde medicijnen te Parijs en gaf Franse les aan een school in de nabijheid van New York. In 1870 was hij burgemeester van Montmartre en in 1875 werd hij voorzitter va n de gemeenteraad van Parijs. Hij was zeer sarcastisch en gaf zonder omwegen zijn kritiek op alles en iedereen hetgeen hem de bijnaam `Le Tigre` opleverde. Was zeer pro-Brits en was een fervent voorstander van een revanche tegen Duitsland na de Franse nederlaag van 1871.
Tijdens de Dreyfus-affaire verscheen in zijn kolom in `L`Aurore` het proteststuk `J`accuse` van Emile Zola.
In 1903 kwam hij in de senaat, werd in 1906 minister en vormde zelf een kabinet.
President Pointcaré stelde hem in 1917 aan als eerste minister omdat `Le Tigre` ondanks alles volhardend in een Duitse nederlaag geloofde. Zijn vertrouwen in de overwinning straalde af op zijn omgeving en hij liet maarschalk Foch benoemen tot opperbevelhebber der geallieerde legers. Na de Duitse nederlaag werd hij overal gehuldigd als `vader van de overwinning`. Te Versailles wilde hij halsstarrig doorzetten dat Duitsland verbrokkeld zou worden en de Rijn de westgrens zou vormen. Omdat hij de Brits-Amerikaanse vriendschap hieraan niet wilde opofferen gaf hij tenslotte toe. Door Pointcarré en Foch werd dit uitgelegd als zwakheid. Toen hij in 1920 niet herkozen werd tot president trad hij uit de politiek. Hij schreef een boek over de schilder Monet en over zijn eigen levensbeschouwingen.

De `Spaanse` griep
Hoe enorm de tol aan slachtoffers door de Eerste Wereldoorlog ook was, deze zou nog overtroffen worden door een niet minder verschrikkelijke gebeurtenis.
In 1918-1919 werd de wereld door een griepepidemie van ongekende omvang overspoeld die in amper vier maanden meer slachtoffers zou eisen dan de voorafgaande oorlog.
Vergelijkbare pandemieën hadden zich voordien slechts tweemaal in de geschiedenis van de mensheid voorgedaan: eenmaal in de zesde eeuw toen ongeveer honderd miljoen mensen stierven aan de pest en later tussen 1347 en 1350 toen de Europese bevolking massaal ten offer viel aan de zogenaamde `Zwarte Dood`.
Volgens schattingen stierven in 1918-19 wereldwijd rond de veertig miljoen mensen aan deze griep en waarschijnlijk nog veel meer omdat cijfers uit Azië en Afrika niet beschikbaar waren.
In slecht vier maanden tijd werd een vierde van de wereldbevolking met dit geheimzinnig virus, waarvan de oorsprong onbekend bleef, besmet.
Alhoewel deze griep als `Spaans` wordt omschreven stamde deze ziekte niet uit Spanje maar waarschijnlijk uit Kansas (VSA) waar in een overbevolkt legerkamp 107 patiënten met de symptomen van een zware griep geregistreerd werden. Het virus verspreidde zich razendsnel in het kamp. Overlevenden die later naar Europa kwamen zorgden voor de verspreiding van dit virus.
Heden wordt nog een ander ontstaan onderzocht, omdat wetenschappers recentelijk ontdekten dat reeds voordien het dodenaantal in New York enorm was gestegen, vooral bij kinderen en jonge volwassenen.

De aanslag in Sarajevo
Sarajevo, 28 juni 1914 om tien uur in de voormiddag… De open wagen van aartshertog Frans Ferdinand en zijn echtgenote Sofie Chotek von Chotkova und Wogrin rijdt door één van de brede straten die aan beide zijden door duizenden toeschouwers wordt afgezoomd.
De Habsburgse troonopvolger is naar hier gekomen om de banden met het in 1908 geannexeerde Bosnië-Herzegovina nauwer aan te halen.
Plots wordt een bom tegen de wagen van de aartshertog gegooid die echter pas tot ontploffing komt onder een volgwagen.
De dader, student Nedjelko Cabrinovic wordt onmiddellijk gearresteerd. De troonopvolger blijft ongedeerd. Moet hij na deze aanslag terugkeren naar Wenen? Alhoewel dit vanzelfsprekend lijkt laat Frans Ferdinand zich niet van de wijs brengen en besluit het voor die dag voorziene programma af te werken. Er wordt een gepland bezoek gebracht aan het stadhuis en alvorens de optocht verder te zetten brengt hij een bezoek aan de slachtoffers van de eerder mislukte aanslag. Vervolgens gaat de reis verder op de brede straat wanneer plots de tweede aanslag plaatsgrijpt. De revolverschoten van Gavrilo Princip zijn fataal voor de aartshertog en zijn echtgenote. Zij worden op slag gedood.
De daders, een groepje van zeven of acht man, zijn Servisch - Bosnische - Oostenrijkers.
Onmiddellijk wordt het vermoeden geopperd dat Servië rechtstreeks betrokken is bij de voorbereiding van de aanslag. Er wordt inderdaad al vlug ontdekt dat een zeker `Apis`, alias Dragutin Dimitrjevic, chef van de geheime dienst en fanatiek nationalist, het brein is achter de aanslag.

De Dreadnought
In de 19de eeuw begon men kanonnen, die voordien in de zijwanden waren opgesteld, op draaibare torens op oorlogsschepen te plaatsen. Dit bracht enkele problemen met zich. Vermits men geschut van verschillende kalibers gebruikte moest er o.a. voor gezorgd worden dat de juiste munitie op de juiste plaats beschikbaar was.
Meer en meer kwam de gedachte op dat men voor de doeltreffendheid over een oorlogsbodem moest beschikken met snelle en gelijkwaardige bewapening.
Vooral in Groot-Brittannië werd de idee verder uitgedokterd. Admiraal John Fisher was in 1900 reeds groot voorstander voor de bouw van een snel lijnschip bestukt met kanonnen van hetzelfde kaliber.
Enkele jaren later ontwierp Vittorio Cuniberti, een Italiaanse kolonel van de marine, een klein slagschip in twee versies:
- een 8.000 ton schip met acht kanonnen dat een snelheid van 22 knopen haalde
- een 17.000 ton schip met twaalf kanonnen dat dezelfde snelheid haalde
De beide projecten werden als te kostelijk beschouwd maar toch kreeg Cuniberti de mogelijkheid om zijn studie te publiceren.
En zo verscheen in 1903 in het Britse standaardwerk over oorlogsbodems `Jane`s Fighting Schips` een studie onder de titel `Een ideaal slagschip voor de Britse marine`. John Fisher, die in 1904 tot First Sealord benoemd werd, begon in 1905 met de bouw van het nieuwe slagschip. En reeds op 10 februari 1906 was het zover; de `Dreadnought` (de Onbevreesde) liep van stapel. Naast de nieuwe artilleriestukken met kaliber 305 mm was het ook het eerste schip dat door turbines werd aangedreven.

De Russisch - Japanse oorlog
(1904 - 1905)
Bij het begin van de 20ste eeuw maakte Rusland gebruik van het verval van het Chinese rijk om zich richting Mantsjoerije uit te breiden waar het via de steeds ijsvrije haven van Port Arthur een verbinding had tot de Grote Oceaan.
Het conflict tussen Rusland en Japan om de overheersing in Noord-China werd steeds scherper tot Japan, met Engelse steun, in 1904 met zijn moderne oorlogsvloot een verrassingsaanval uitvoerde op de Russische schepen in Port Arthur.
De oorlog tegen Rusland was voor Japan het hoogtepunt van een lang moderniseringsproces dat in 1870 begonnen was met het herstel van de keizerlijke macht en de afschaffing van de privilegiën der Samoerai. Bijna de helft van de staatsuitgaven gingen naar de uitbreiding de strijdkrachten die zich bij de inval in Korea (1896) alsook in de oorlog tegen Rusland moesten bewijzen.
De grootste triomfen van het Japanse leger werden behaald bij de blokkade van Port Arthur, de slag bij Mukden (huidige Sjenjang, China), alsook de vernietiging van de Russische Oostzeevloot, die bijna de halve wereld was rondgevaren, in de Straat van Tsoesjima. Deze overwinningen wekten ook in Europa opzienbaren.
Met de vrede van Portsmouth (5 september 1905), die door bemiddeling van US president Roosevelt onderhandeld werd, moest Rusland de Japanse aanwezigheid in Korea erkennen, alsook de helft van het eiland Sachalin, het schiereiland Liaotoung en het Zuidelijk deel van de spoorweg in Mantsjoerije aan Japan afstaan.
Het einde van de oorlog legde de zwakheden van het tsarenrijk bloot en effende de weg voor een verdere uitbreiding van Japan zodat dit land het aanzien van een grootmacht verwierf.

De Slag aan de IJzer
(18 - 31 oktober 1914)
Wat voorafging
Op 3 augustus 1914 verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk. De Duitsers wilden met een zwenkbeweging door België de linker flank van de Fransen omvatten om zo dit leger in de tang te nemen (Moltke plan). Duitsland eiste quasi van het neutrale België de toestemming voor een vrije doortocht daar het zich zogezegd bedreigd voelde door een Franse invasie via België. Na de Belgische weigering werd op ` augustus 1914 eveneens aan ons land de oorlog verklaard en nog dezelfde dag valt Duitsland België binnen.
Z.M. Koning Albert I was kort voordien nog aanwezig bij `zijn` Duits regiment dat onder leiding stond van Generaal von Emmich. Het was uitgerekend dit regiment dat als eerste de grens zou overschrijden en het was von Emmich die de aanval leidde.
Luik werd reeds op 7 augustus bezet en op 20 augustus was het de beurt aan Brussel. Op 9 oktober valt de vesting Antwerpen en wat nog rest van het Belgisch leger trekt zich, samen met Britse marinefuseliers, terug op de IJzer, de laatste natuurlijke hindernis waarop nog weerstand kon geboden worden. Koning Albert I slaat zijn hoofdkwartier op te Veurne. Zijn dwingende boodschap tot het leger is dat dit laatste stukje vrij België koste wat kost moest verdedigd worden, niet enkel om dit deel van het land van Duitsers te vrijwaren, maar ook omdat in de `wedloop naar zee` dit gedeelte van het Westelijk front van cruciaal belang was. Indien het leger deze opdracht had verknald lag voor de Duitsers de weg open naar de havens van Dunkerque, Calais en Boulogne, de voor de Britten belangrijkste aanvoerhavens nadat Oostende en Zeebrugge in Duitse handen waren gevallen.

De slag aan de Marne
Op 3 september 1914 vloog de Franse luitenant Watteau, tijdens een verkenningsvlucht met zijn Blériot ééndekker, over de Duitse linies op ongeveer 40 km ten Noordoosten van Parijs. Enkele overvluchten volstonden om een beeld te krijgen van de situatie bij de vijand: het Duitse 1 Leger onder generaal von Kluck was ten Oosten van Parijs afgebogen i.p.v. rechtstreeks naar de hoofdstad op te rukken zodat haar rechter flank ongedekt was.
Op dit ogenblik was het Schlieffen-plan, dat de omsingeling van Parijs voorzag reeds ten gronde mislukt.
Tussen 23 augustus en 9 september hadden de Duitse troepen niet minder dan 340 km afgelegd en ze waren bijgevolg te vermoeid om het plan verder uit te voeren. Bovendien werden op 25 september twee legerkorpsen teruggetrokken om op het Russisch front ingezet te worden. Terwijl men in Berlijn alles op een overwinning zette en onophoudelijk druk bleef uitoefenen op von Moltke, de opperbevelhebber de Duitse strijdkrachten, besliste deze om af te zien van het Schlieffen-plan en de Franse linies ten Oosten van Parijs op een zwakke plaats te doorbreken. Zijn bevelen waren echter tegenstrijdig en gaven aanleiding tot verwarring bij de korpscommandanten.
Het leger van von Kluck dat Parijs reeds relatief dicht genaderd was moest afzien van een aanval op de stad om de Duitse rechter flank te beveiligen. Het was dit manoeuvre dat door de Franse luchtverkenner was opgemerkt.
De militaire gouverneur van Parijs, Gallieni, zag hier onmiddellijk een buitenkans in.

De slag om Mesen
Tussen juli 1916 en mei 1917 viel er op tactisch vlak van het Iepers front geen nieuws te melden. Het front had zich immers in een boog rond de stad (Ypres Salient) gestabiliseerd. Buiten enkele lokale confrontaties was het betrekkelijk rustig gebleven in deze contreien. Op strategisch vlak echter bleven de legerleidingen aan weerszijden van het front niet bij de pakken zitten…
In juni 1917 vertoonde het front ten Zuiden van Ieper een enorme deuk in Westelijke richting (Wijtschateboog). Hierdoor werd de stad als het ware door de Duitsers in de tang genomen.
De Britten besluiten een uitval te wagen op het Iepers front. Om de stad aan de wurggreep van de Duitsers te onttrekken moeten de hoogten van Hill 60, Mesen en Wijtschate veroverd worden. Vanaf deze hoogten kan Ieper namelijk gemakkelijk onder vuur worden genomen en heeft de vijand een goede kijk op de Britse stellingen. Vooraleer een derde offensief om Ieper in te zetten beogen de geallieerden deze frontboog tussen Ieper en Armentières (Belgisch - Franse grens) recht te trekken.
Ook de Duitsers zijn zich bewust van het belang van deze strategisch belangrijke objectieven. Daarom worden hun voorste linies nog versterkt. Een netwerk van praktisch ondoordringbare hindernissen van prikkeldraadversperringen, aangevuld met mitrailleursnesten en zwaar geschut wordt aangelegd.
Aan Britse zijde wordt het plan opgevat om deze stellingen te ondermijnen en op te blazen. Daarom moet het rechttrekken van het front gebeuren door letterlijk de Duitse voorste linies in de lucht te blazen.

Diaz, Armando
(1861-1928) Italiaans maarschalk.
Kreeg het opperbevel over het Italiaans Leger na de nederlagen van oktober 1917. In die functie wist hij de Duitse en Oostenrijkse aanvallen bij de Piave af te slaan. In oktober 1918 boekte hij succes met zijn grote tegenoffensieven bij Vittorio Veneto.
Van december 1922 tot september 1924 was hij minister van Oorlog onder Mussolini.

Elisabeth, Valérie
(1876-1965) Koningin der Belgen.
Dochter van Karel Theodoor hertog in Beieren die op 02 oktober 1900 huwde met prins Albert, de latere koning der Belgen.Tijdens de Eerste Wereldoorlog was zij enorm populair. Zij verbleef achter het front in De Panne waar zij zich inzette in het Rode Kruis en meewerkte aan de inrichting van hospitalen en zich zodoende wijdde aan het welzijn van de soldaten.
Later liet zij zich opmerken door haar veelzijdige belangstellingen op artistiek en wetenschappelijk vlak die tot uiting kwamen in talrijke naar haar genoemde stichtingen zoals o.m. de `Fondation éqyptologique R.E.` (1923), de `Fondation médicale R.E.` (1926), de `Fonation musicale R.E.` (1929) en de internationaal befaamde naar haar genoemde muziekwedstrijd voor viool en piano die sedert 1951 jaarlijks een enorm succes kent.
Tijdens WO II verbleef Elisabeth op het kasteel te Laken.
Toen zij in 1958, tegen alle protocollaire regels in en in volle `Koude Oorlog`, een reis ondernam naar de Sovjet-Unie en later gevolgd door reizen naar andere Oostbloklanden en de Chinese Volksrepubliek, kreeg zij de bijnaam `Rode Koningin`.
Op 20 november 1965 overleed zij na een hartaanval.

Falkenhayn, Erich von
(1861-1922) Duits generaal. Als hoge regeringsfunctionaris werd hem van 1900 tot 1903 het bevel over het internationale leger in China toevertrouwd waar hij opviel door de onderdrukking van de Bokseropstand. Eens terug in Duitsland beklom hij zeer vlug de militaire hiërarchie. In 1913 leidde hij er het ministerie van Oorlog. Hij was een tegenstander van de strategische opvattingen van de chef van de generale staf, von Moltke en na de slag aan de Marne nam hij in 1914 diens plaats in. Gedurende zes maanden vervulde hij nog beide functies hetgeen hem een grotere uitvoerende macht gaf dan eender welk andere militaire leider tijdens de oorlog. Hij ontwikkelde eveneens een netwerk van militaire spoorwegen waardoor de bevoorrading aan materieel en munitie aanzienlijk toenam. Na de stabilisatie van het Westelijk front behaalde hij grote successen in het Oosten die echter niet leidden tot het verwachtte einde van de oorlog. Integendeel zelfs, de slag bij Verdun, waar hij `de Fransen zou doen doodbloeden`, en de slag aan de Somme kostten de Duitsers heel wat zware verliezen. Nadat hij in augustus 1916 het opperbevel aan von Hindenburg had overgedragen deed hij opnieuw van zich spreken door aan het front in Roemenië de legers van de tegenstander met zijn 9 Leger in enkele maanden van de kaart te vegen en het hele land te bezetten. Hierna werd hij naar Turkije gestuurd om er het leger te reorganiseren. In juli 1917 vestigde hij zijn aandacht op Palestina waar Allenby oprukte naar Jeruzalem.

Ferdinand I
(1861-1948) Prins van Saksen-Coburg. In 1887 werd hij gekozen tot koning van Bulgarije. Pas in 1896 werd hij door Rusland en Turkije erkend. Op 5 oktober 1908 riep hij de onafhankelijkheid van zijn land uit en proclameerde zichzelf tot tsaar.
In oktober 1918 doet hij, na de ineenstorting van het Bulgaars leger aan het Salonikifront, troonsafstand ten voordele van zijn zoon Boris.

Foch, Ferdinand
(1851-1920) Maarschalk van Frankrijk. Voor het uitbreken van WOI diende hij hoofdzakelijk in de generale staf. In 1911 werd hij bevorderd tot divisiegeneraal. Bij het uitbreken van de oorlog voerde hij het bevel over het 20 Korps te Nancy. Nadien kreeg hij het bevel over het 9 Leger waarmee hij tegen het centrum van leger van von Bülow ten strijde trok en deze tot aan de Aisne achtervolgde. Hij was vanaf 4 oktober 1914 tot einde 1916 opperbevelhebber van de `Groupe du Nord`. Werd chef van de Franse generale staf op 15 mei 1917 en vervolgens werd hij op 14 april 1918 geallieerd opperbevelhebber (Chef des armées alliées). Hij werd bevorderd tot maarschalk van Frankrijk en kreeg deze rang eveneens in het Britse en Poolse leger. Hij ligt begraven in de `Dôme des Invalides` te Parijs waar o.a ook Napoleon Bonaparte begraven ligt..



François, Hermann von
(1856-1933) Duits generaal, geboren in Luxemburg en overleden in Berlijn.
Hij had een zeer belangrijk aandeel in verscheidene veldslagen (Tannenberg, Somme, Gorlice) tijdens WOI.
Van juni 1916 tot maart 1918 was hij bevelhebber van de Maasgroep-West voor Verdun en in mei 1918 van het aanvalsleger aan de Oise.
Alhoewel een uitstekend tacticus en strateeg werd hij nooit op zijn waarde geschat.

Frans Ferdinand, aartshertog
(1863-1914) Neef van keizer Frans Josef die in 1889, na de dood van de zoon van de keizer, troonopvolger werd van de Habsburgse monarchie. In 1914 was hij veldmaarschalk en inspecteur-generaal van het Oostenrijks-Hongaars leger. De `Zwarte Hand`, een geheime Servische terroristische groep, besliste uit protest tegen de inlijving van Servië in het Oostenrijks-Hongaars Imperium een aanslag te plegen tegen één van de voornaamste vertegenwoordigers van de kroon. Op 28 juni 1914, tijdens een bezoek aan Bosnië, waarbij Franz Ferdinand de legereenheden inspecteerde, werd hij, samen met zijn echtgenote vermoord door Gavrilo Princip. Deze aanslag zette een aantal gebeurtenissen in gang die uiteindelijk zouden leiden tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Frans Josef
(1830-1916) Keizer van Oostenrijk van 1848 tot 1916 en koning van Hongarije van 1867 tot 1916. Oudste zoon van aartshertog Frans Karel en prinses Sofie, dochter van koning Maximiliaan van Beieren.
In 1854 huwde hij zijn nicht Elisabeth van Beieren. Hun enig zoon, Rudolf, pleegde in 1889 zelfmoord. Toen in 1896 eveneens zijn broer Karel Lodewijk overleed, werd diens zoon, Frans Ferdinand de nieuwe troonopvolger.
Hij was geen voorstander van aanvalsoorlogen en bijgevolg trok hij eerder tegen zijn zin WOI in.

French, John
(1852-1925) Engels veldmaarschalk, 1st Earl of Ypres and High Lake.
Begon zijn militaire carrière bij de marine en ging in 1874 over naar de cavalerie. Van 1884 tot 1885 nam hij deel aan de Nijlexpeditie en van 1899 tot 1902 nam hij met zijn cavaleriedivisie deel aan de Boerenoorlog. Hij diende eveneens in Soedan en India.
Hij werd in 1912 chef van de generale staf en werd in 1913 bevorderd tot veldmaarschalk.
In 1914 kreeg hij het bevel of het Brits expeditieleger (BEF) in Frankrijk. Toen hij in september 1914, net voor de Marneslag zijn troepen naar het Zuiden wilde terugtrekken werd dit door Lord Kitchener verhinderd. In 1915 werd hij opgevolgd door Douglas Haig terwijl hijzelf moest instaan voor de verdediging van de Britse eilanden.

Gallieni, Joseph-Simon
(1849-1916) Frans generaal.
Nam deel aan de Frans-Duitse oorlog van 1870-71.
Van 1896 tot 1905 was hij gouverneur van Madagaskar. Hij voerde het bevel over het 13 en later over het 14 Legerkorps en werd gouverneur van Lyon en later in 1914 gouverneur van Parijs.
Het Franse succes bij de slag aan de Marne was vooral te danken aan de besluitvaardigheid waarmee hij een deel van het Parijse garnizoen naar het front zond.
Van 30 oktober 1915 tot 6 maart 1916 was hij minister van oorlog onder Briand.

George V
(1865-1936) Koning van Engeland.
Tweede zoon van koning Edward VII en neef van koningin Victoria van Engeland. Vanaf zijn 12de levensjaar volgde hij een militaire opleiding. Door de dood van zijn oudste broer Albert in 1892 werd George troonopvolger. In 1893huwde hij met Maria, dochter van de hertog van Teck, die hem twee zonen schonk, de latere koningen Edward VIII en Georg VI.
George V werd in 1910 tot koning gekroond. Tijdens de oorlog (1917) nam hij afstand van de titels die het Engels koningshuis met Duitsland verbonden (Sachsen-Coburg-Gotha) en nam de naam Windsor aan. Door zijn optreden tijdens WOI steeg zowel hijzelf als de Britse monarchie in aanzien.

Goltz, Colmar Freiherr von der
(1843-1916) Duits generaal bekend door zijn Turkse staatsdienst.
Nam als lid van de staf van het 2 Leger deel aan de oorlog van 1870-71. In 1882 schreef hij een standaardwerk voor operaties met grote gemobiliseerde legers, vol nieuwe ideeën en veel kritiek op de toenmalige Duitse legerleiding.
In 1882 werd hij naar Turkije weggepromoveerd nadat sultan Abdoel Hassan II een Duitse adviseur voor de reorganisatie van het Turkse leger had aangevraagd. Tot 1916 bleef hij als generaal in Turkse staatsdienst wat hem de titel `Pascha` opleverde. Hij bouwde een volledig nieuw Tuks leger op.
In 1911 werd hij bevorderd tot Duits veldmaarschalk maar kreeg wegens zijn hoge leeftijd geen actief commando.
Van oktober tot december 1914 was hij gouverneur van België. In december 1914 keerde hij terug naar Turkije waar hij het bevel voerde over het 6 Leger aan het Irakfront.
Op 19 april 1916 overleed hij aan vlektyfus in Bagdad.

Haig, Douglas
(1861-1928) Haig, Douglas, First Earl, Viscount Dawick, Baron Haig of Bemersyde
Brits veldmaarschalk, geboren op 19 juni 1861 in Edinburh en gestorven op 29 januari 1928 in Londen.
Hij studeerde af aan het Royal Military College te Sandhurst. Nam deel aan de campagnes in Soedan (1898) en aan de Zuid-Afrikaanse oorlog (1899-1902). Hij vervulde staffuncties in India. Van 1906 tot 1909 was hij directeur militaire training waar hij aan de basis lag van de oprichting van de British Expditionary Force (BEF).
In 1916 werd hij tot veldmaarschalk bevorderd.
Bij het begin van WOI voerde hij het bevel over het 1 Britse Corps. Begin 1915 werd hij bevelhebber van het 1 Britse Leger. Op 17 december 1915 volgt hij maarschalk John French op als opperbevelhebber van de BEF.
In juli-november 1916 zette hij tijdens het onsuccesvolle Somme-offensief massaal troepen in wat resulteerde in 420.000 Britse verliezen.
Zijn strategie, gebaseerd op uitputting, kostte enorme Britse verliezen zonder echter noemenswaardige terreinwinsten te boeken waardoor hij een controversiële persoonlijkheid was.

Hamilton, Ian
Brits generaal met een indrukwekkende carrière. Hij nam voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deel aan volgende militaire campagnes:
Tweede Afghaanse Oorlog (1878 tot 1880)
Zuid-Afrika (1881)
Nijlexpeditie (1884-1885)
Burma (1886-1887)
In de Zuid-Afrikaanse Oorlog (1899-1902) werd hij stafchef van Lord Kitchener, in 1910 werd hij bevelhebber voor het Middellands Zeegebied en in 1914 had hij het tot vleugeladjudant van Koning George V gebracht.
In 1915 werd hem door Lord Kitchener het opperbevel gegeven over het Frans-Britse expeditiekorps dat de doorgang door de Dardanellen moest vrijhouden en Constantinopel veroveren.
De campagne in de Dardanellen mislukte compleet o.a. door een slechte bevelvoering, zeer zware verliezen en het overdreven optimisme van Hamilton die geen rekening hield met de onervarenheid van zijn troepen.
Deze intelligente en zeer hoog aangeschreven officier werd uiteindelijk in oktober 1915 vervangen door generaal Sir Charles Monroe. Hamilton werd hierdoor uit zijn functie ontheven en kreeg nadien geen enkel commando meer.

Het Balkanvraagstuk
Toen de moord op aartshertog Franz Ferdinand de oorlog deed ontbranden waren de spanningen op de Balkan op een voorlopig hoogtepunt gekomen.
De Balkan was toen reeds sedert honderd jaar een bestendige oorlogshaard en steeds weer opnieuw het doel van de expansiepolitiek van de Europese grootmachten. Met zijn veelvuldige volkeren, culturen en godsdiensten maakte de Balkan door het uiteenvallen van het Osmaanse rijk een versplintering door.
In de loop van de 19de eeuw werden de nationale strekkingen van de Griekse, Slavische, Bulgaarse en Roemeense volksgroepen steeds sterker zodat het regelmatig tot plaatselijke opstanden tegen de Osmaanse heerschappij kwam.
Terwijl Griekenland zich reeds in de eerste helft van de eeuw van het rijk kon losmaken bekwamen Roemenië, Servië en Montenegro pas door het Berlijns Congres van 1878 hun onafhankelijkheid.
Bulgarije werd toen onder Ferdinand I een quasi onafhankelijk vorstendom en in 1908 tenslotte werd het een volledig onafhankelijk koninkrijk.
Maar het fragiele evenwicht dat de diplomaten in Berlijn bereikten zou niet standhouden, deels door de expansiedrang der nieuwe staten, deels omdat de Europese grootmachten zelf een deel van van het verbrokkelde Turkse rijk wilden bemachtigen.
In 1903 trad de Servische nationalistische geheime bond, Zwarte Hand, op het politiek toneel door de moord op koning Alexander Obrenovic en zijn echtgenote Draga die beschuldigd werden van Oostenrijksgezinde politiek. Daarop kwam de uit exil komende Peter Karadjorjevic op de troon.

Het kelderen van de Lusitania
Op 7 mei 1915 patrouilleerde commandant Schweiger van de Duitse marine in de duikboot U-20 juist ten zuiden van de Ierse kust, ter hoogte van Kinsale.
Drie maanden eerder hadden de Duitser alle wateren rond de Britse eilanden tot oorlogszone verklaard.
Om 13.40 GMT ontwaarde Schweiger door de periscoop van de U-20 het lijnschip Lusitania van de Cunard Line, dat op weg was van New York naar Liverpool.
Een half uur later vuurde de onderzeeër twee torpedo`s af naar het schip. De eerste veroorzaakte een enorme explosie; de Lusitania maakte slagzij en zonk binnen twintig minuten.
Van de ongeveer 2.000 passagiers die aan boord waren kwamen er 1.198 om het leven, waaronder 291 vrouwen en 94 kinderen.
Onder de doden bevonden zich 128 Amerikaanse burgers. Terwijl hun lichamen naar de kust van Kinsale afdreven rees in de neutrale V.S.A. een hevige kreet van afschuw en protest.
Terwijl in Ierland, toen nog deel uitmakend van het Verenigd Koninkrijk, een rechterlijke commissie de Duitse Keizer beschuldigde van vrijwillige doodslag, werd in Duitsland toelating verleend om een herdenkingsmedaille te slaan ter ere van het tot zinken brengen van de Lusitania.
Na het tot zinken brengen van de Lusitania werd zwaar over en weer gediscussieerd. Duitsland had duidelijke waarschuwingen gegeven over de risico`s verbonden aan het bevaren van de door hen verklaarde oorlogszone. Buiten de passagiers vervoerde de Lusitania inderdaad oorlogsmaterieel.
De ondergang van dit schip confronteerde zowel de strijdende partijen als de neutralen met de lelijke en dodelijke werkelijkheid van de moderne oorlogvoering.

Het luchtschip
Luchtbombardementen op Londen
Op 10 januari 1915 vertrekken vanuit het Duitse Fuhlsbüttel drie zeppelin luchtschepen onder commando van Peter Strasser; hun opdracht is het bombarderen van de Londense docks aan de Thames. De operatie werd een mislukking omdat de drie gevaarten hun doel misten. Slechts één luchtschip kon enkele bommen op Yarmouth afwerpen. Het was de eerste maal dat door de Duitsers hun zeppelins als strategisch wapen werden ingezet.
Reeds voor WOI hadden verscheidene landen interesse getoond voor de luchtschepen. Nochtans waren het vooral de Duitse strijdkrachten die er een belangrijk strategisch middel in zagen.
Al vlug zou aangetoond worden dat deze luchtschepen niet het ideale middel waren voor een luchtoorlog; te langzaam, te opvallend en op lage hoogte een ideaal doelwit temeer omdat de waterstof waarmee deze tuigen gevuld waren zeer licht ontvlambaar was.
Bij de geallieerden werden de luchtschepen al vlug enkel ingezet voor de verkenning op zee; hun opdracht was het wateroppervlak af te speuren naar opduikende onderzeeërs. Deze taak zouden luchtschepen ook tijdens WOII met enig succes uitvoeren.
Aan Duitse zijde werd de zeppelin in de loop van de oorlog vooral ingezet aan het oostfront. In het Bulgaarse Jambol werd een steunpunt ingericht van waaruit in maart 1918 bv. de zeppelin LZ 59 op missie vertrok tot Napels. Een zekere strategische betekenis hadden deze luchtschepen bij de Duitse luchtaanvallen op Londen. Keizer Wilhelm II gaf aanvankelijk weinig gehoor aan de vraag van de legerleiding die sedert augustus 1914 aandrong op een toelating om Londen te bombarderen.

Het vliegtuig
De eerste nog iet of wat onstabiele vlucht van de gebroeders Wright vond plaats in 1903. Doch enkele jaren later reeds, in 1911, lieten Italianen vanuit een vliegtuig boven Libië handgranaten vallen. Dit kan dan ook wel als het eerste luchtbombardement uit de geschiedenis beschouwd worden.
Nochtans stond de luchtvaart in 1914 nog in haar kinderschoenen en werd als een soort `vliegende cavalerie` beschouwd die de grondtroepen moest ondersteunen.
In het begin werd het vliegtuig nog onbewapend ingezet en deed het uitsluitend dienst als waarnemingsmiddel. De eerste pogingen om het vliegtuig ook effectief op het slagveld in te zetten bestonden erin dat vanuit het vliegtuig met pistolen en geweren werd geschoten. De piloten deden hun uiterste best om zo efficiënt mogelijk in de gevechten tussen te komen, zoals de Russische vliegenier Alexander Kazakov die met behulp van een haak trachtte om vijandelijke vliegtuigen in de lucht te enteren.
Door het monteren van machinegeweren aan boord van de vliegtuigen werd nog een stap voorwaarts gedaan. Bij tweezitters was het de waarnemer die het wapen bediende. Een groot probleem bij eenzitters was het feit dat de propeller, meestal vooraan het vliegtuig, het vuren hinderde. Tot de Fransmans Roland Garros in mei 1915 op het idee kwam om de propellerbladen met staal te bekleden zodat de kogels die de propeller raakten konden afketsen. Enkele maanden later ontwikkelden de Duitse ingenieurs Heber, Leimberger en Luebbe van de firma Fokker een systeem waarbij de werking van machinegeweer en propeller gesynchroniseerd werd.

Jellicoe, John
(1859-1935) Brits admiraal. Earl, viscount Jellicoe of Scapa, viscount Brocas of Southampton.
Nam in 1900 als commandant van het slagschip `Centurion` deel aan de Bokseropstand.
Sedert augustus 1914 was hij bevelhebber van de `Grand Fleet`. Op 31 mei 1916 leverde hij slag Jutland.
Van december 1916 tot januari 1919 bekleedde hij de hoogste functie van `First Sealord`.
Van 1920 tot 1924 was hij gouverneur van Nieuw-Zeeland.

Joffre, Joseph
(1852-1931) Maarschalk van frankrijk.
De overwinnaar van de slag aan de Marne deed vele jaren dienst in de Franse koloniën o.a. in Tonkin en Madagaskar. Was in 1908 bevelhebber van het 2 legerkops en werd in 1911 chef van de generale staf en opperbevelhebber in oorlogstijd.
Toen op augustus 1914 de offensieven in Lotharingen vastliepen ontsloeg hij verschillende generaal wegens gebrek aan bekwaamheid en voerde een hergroepering door. Door zijn tegenaanval aan de Marne in september 1914 werd Frankrijk gered en de Duitsers trokken zich een eind terug. Hierdoor kon de frontlijn van aan de kust tot Basel door de geallieerden gestabiliseerd worden. Op 13 december 1916 trad hij af na het vastlopen van het Somme-offensief en na moeilijkheden met de Franse regering. Hij werd vervangen door generaal Nivelle. Op 26 december 1916 kreeg hij de titel van maarschalk van Frankrijk, een titel die sedert 1871 niet meer was verleend.

Kemal, Mustafa
(1880-1938) Turks generaal en staatsman. Later gekend onder de naam Kamal Atatürk (vader van alle Turken).
Sloot zich als jong officier aan bij de Jong-Turken. Streed in Tripolis tegen de Italianen (1911).
In de Balkanoorlogen en tijdens WOI voerde hij het bevel op Gallipoli. Door zijn succes op Gallipoli tegen de geallieerden werd hij tot pasja (generaal) verheven.
Na de Turkse nederlaag werd hij naar Klein-Azië gezonden om er opstandige troepen te dwingen zich aan de capitulatievoorwaarden te onderwerpen. Hij sloot zich echter bij de rebellen aan en werd hun leider.
Toen in 1921 de Grieken, met Britse steun, in Klein-Azië landden werd hij opperbevelhebber der Turkse troepen. Hij wist de invallers in zee te drijven en verkreeg de titel van Gazi (overwinnaar). Hierna begon de opbouw van de nieuwe Turkse staat waarvan hij in 1923 president werd.
Alhoewel de nieuwe staat zeer democratisch oogde bezat de president, door het éénpartijsysteem, zeer grote macht. Met harde hand werd alle oppositie onderdrukt en het maatschappelijk leven werd verwesterd; fez en sluier werden afgeschaft, het Latijnse schrift werd ingevoerd en de invloed van de geestelijke leiders werd vernietigd.
Het gevolg van Atatürk`s optreden leidde tot een algehele regeneratie van het Turkse volk.

Kerenski, Alexander
(1881-1970) Russisch politicus.
Na de maartrevolutie van 1917 werd hij minister van justitie en in juli minister-president. In deze functie trachtte hij tevergeefs de autoriteit van de Voorlopige Regering te handhaven tegen de toenemende invloed der bolsjewieken die zich tenslotte in november van de macht meester maakten.

Kitchener, Horatio Herbert
(1850-1916) 1st earl, Viscount Broome of Broome, Baron Denton of Denton, Baron Kitchener of Karthoum, of the Vaal and of Aspall.
Brits veldmaarschalk geboren op 24 juni 1850 nabij Listowel, Ierland en op 5 juni 1916 omgekomen op zee nabij de Orkney Islands in Noord-Schotland.
Na zijn studies aan de Koninklijke Militaire Academie te Woolwich trad hij toe tot de Royal Engineers en vanaf 1874 diende hij in het Midden-Oosten. In 1886 werd hij gouverneur van het Britse Rode Zeegebied in Soedan en vervolgens werd hij afgedeeld als adjudant-generaal in Cairo. In 1892 werd hij bevorderd tot Sirdar (opperbevelhebber) van het Egyptisch leger en was ook voormalig opperbevelhebber in India. Vanaf 5 augustus 1914 tot zijn dood was hij Staatssecretaris van Oorlog in het kabinet Van Asquith. Hij was één van de weinige officieren die doorhad dat de oorlog langer dan enkele maanden zou duren. Hij waakte over de uitbreiding van de Britse strijdkrachten met het doel om nieuwe legers, ter totale sterkte van 70 divisies op te richten. Zijn slogan: `Your country needs YOU` zou voor altijd met zijn persoon verbonden blijven. Ondanks zijn buitengewone inzet en doorzettingsvermogen had hij minder aanhang op het Oorlogskabinet. Het ontbrak hem aan de nodige politieke vakkundigheid om efficiënt met zijn collega`s te werken, hij kon niet delegeren en zijn relaties met de Britse bevelhebbers aan het front in Frankrijk waren zeer gespannen Hij was een fervent voorstander van de Gallipoli-expeditie en verzette zich heftig tegen de evacuatie van de Britse troepen, eind 1915.

Kluck, Alexander von
(1846-1934) Duits veldheer.
Nam als vaandrig deel aan de oorlog van 1866 en als luitenant aan de die van 1870-71. Als generaal van de infanterie commandeerde hij in 1914 het Duitse 1 Leger en wist in augustus door te stoten tot vlak voor Parijs.
Hij werd gewond door een granaatscherf en werd hierdoor gedwongen zijn commando op te geven. In oktober 1916 werd hij op rust gesteld. Hij overleed in Berlijn.

Kornilov, Lavrenti Georgjewitch
(1870-1918) Russisch officier en ontdekkingsreiziger in China.
Werd in maart 1917 door de regering van Kerenski benoemd tot bevelhebber in het gouvernement St.-Pertesburg. In deze functie werd hij belast met de gevangenneming van de tsarenfamilie.
In augustus 1917 kreeg hij als opvolger van Broesilov, het opperbevel te velde. Hij ondernam op 8 september 1917 een poging tot staatsgreep die mislukte. In de burgeroorlog die datzelfde jaar in november uitbrak streed hij tegen de bolsjewieken.
Hij sneuvelde in de Kaukasus.

Lawrence, Thomas Edward
(1888-1935) Engels prozaschrijver, archeoloog en militair.
Werkte van 1912 tot 1914 als archeoloog in Egypte waar hij de grondslag legde voor zijn kennis van het Nabije Oosten. In 1914 kwam hij bij de Britse inlichtingsdienst in Egypte. Hij organiseerde het Arabisch verzet tegen de Turken en bracht hen onder één leiding. Zijn operaties in de woestijn eindigden in 1918 met de verovering van Damascus.
In 1922 nam hij onder de naam J.H. Ross, die hij in 1923 veranderde in T.H. Shaw, als gewoon soldaat weer dienst in het Britse leger. In datzelfde jaar kwam hij bij een motorongeluk om het leven.

Lenin, Vladimir Ilyitch
(1870-1924) Russisch staatsman. Eigenlijke naam was Oeljanow.
Zijn broer werd in 1887 terechtgesteld wegens samenzwering tegen de tsaar. Dit maakte op hem diepe indruk. In Kazan werd hij, wegens deelname aan studentenrellen, van de universiteit gestuurd. Toch beëindigde hij in 1891 zijn rechtsstudies te St.-Petersburg. Hij werd een fervent volgeling en propagandist van Marx. Lenin bouwde zorgvuldig zijn organisatie op tot een kaderpartij van beroepsrevolutionairen voor wie het belang van de partij het hoogste gebod was.
In 1914 werd hij te Krakau gearresteerd en vertrok naar Zwitserland in exil. De oorlog was voor hem een oorlog van kapitalisten; een nederlaag van Rusland zou voor hem geen ramp zijn geweest. De Russische maartrevolutie in 1917 leidde tot zijn terugkeer uit exil. De Duitsers stelden een spoorwagon ter beschikking en brachten hem naar Zweden. Waarschijnlijk ontving de partij daarna ook geld van de Duitse regering. Na een mislukte demonstratie in juli 1917 moest Lenin met andere partijleiders naar Finland vluchten. Op 25 oktober 1917 (7 november 1917 volgens de Westerse kalender) brak de revolutie uit waarvoor hij geleefd had. Als leider van partij en regering kreeg hij zeer gezag. Er was geen terrein van politiek waarop hij niet zijn directe invloed deed gelden.
De enorme bergen werk die hij verzette ondermijnden zijn gezondheid. In 1918 werd een aanslag op hem gepleegd die echter mislukte. Een derde hersenbloeding werd hem uiteindelijk fataal. Lenin werd opgebaard in een mausoleum voor de muren van het Kremlin.

Liebknecht, Karl
(1871-1919) Duits sociaal democratisch politicus, zoon van de medestichter van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij (SPD) Wilhelm Liebknecht. Ontpopte zich tot een fervent tegenstander van wat hij een Duitse aanvalsoorlog noemde. Alhoewel hij, kort na het uitbreken van de oorlog, stemde voor de Duitse oorlogskredieten, heeft hij zich dit onmiddellijk beklaagd. Later stemde hij, ondanks de richtlijnen van de SDP, steeds tegen deze begrotingen. Hij organiseerde voor het Rijksdaggebouw anti-oorlogsbetogingen. Hij werd zelfs opgeroepen en aan het Oostfront ingezet waar hij belast werd met de bouw van nieuwe stellingen. Voor bijeenkomsten van de Rijksdag werd hem verlof toegekend. Tenslotte werd hij, vasthoudend aan zijn mening, op 12 januari 1916 uit de SPD gezet. Samen met Rosa Luxemburg, ex-SPD lid, brengt hij het Spartacusbriefje uit waarvan het eerste exemplaar verschijnt op 27 januari 1916. Op 1 mei van dat jaar wordt hij na een anti-oorlogsredevoering in Berlijn gearresteerd.
Hij wordt, samen met Rosa Luxemburg, op 15 januari 1919 vermoord.

Liman von Sanders, Otto
(1855-1929) Duits generaal die gedurende de ganse oorlog diende in het Turkse leger. Einde 1913 werd hij naar Konstantinopel gezonden als hoofd van een militaire missie. Hij werd inspecteur-generaal van het Turkse leger en was zeer nauw betrokken bij de reorganisatie ervan. Toen de oorlog uitbrak werd hij opperbevelhebber van het Turkse 1 Leger. Slecht vanaf april 1915 kreeg hij een operationele rol als bevelhebber van het 5 Leger dat verantwoordelijk was voor het schiereiland Gallipoli. Zijn reputatie kreeg een aanzienlijk elan bij de succesvolle verdediging van de streek tegen de Brits-Franse invasie. Nochtans was de uiteindelijke overwinning in hoofdzaak te danken aan het leiderschap van Kemal Ataturk. Hij kon niet verhinderen dat de geallieerden met succes konden evacueren van de stranden in Gallipoli.
Begin 1918 trachtte hij aan het hoofd van een legergroep de opmars van Allenby door Palestina en Syrië te verhinderen. Bij gebrek aan een efficiënte bevoorrading en troepenversterkingen kon hij niet verhinderen dat het front niet standhield. In 1918 te Nazareth ontsnapte hij zelf ternauwernood aan het krijgsgevangenschap. Tot de wapenstilstand bleef hem niets anders over dan het verdedigen van de Turkse grens.

Lloyd George, David
(1863-1945) Brits staatsman.
Als advocaat werd hij in 1890 parlementslid, behorende tot de radicale liberale vleugel. Werd in 1905 minister van Handel en in 1908 minister van Financiën.
In 1915 werd hij minister van Munitie en in 1916, na de dood van Lord Kitchener, werd hij minister van Oorlog. Op 9 december 1916 werd hij minister-president en bleef dit tot oktober 1922. Binnen het kabinet kwam een oorlogskabinet tot stand, de oorlog werd krachtiger gevoerd en een algemeen geallieerd opperbevel kwam tot stand. Hij speelde, samen met Clemenceau, een hoofdrol te Versailles.
Na WOI trachtte hij de demobilisatie op te vangen en de problemen met Ierland te regelen. In 1925 werd hij leider van de problemen Lagerhuisfractie.
In 1944, een kleine drie maanden voor zijn dood, werd hij Earl Lloyd George of Dwyfor.

Ludendorff, Erich
(1865-1937) Duits veldheer en politicus.
Na zijn opleiding aan de militaire academie dient hij in de generale staf onder de generaals Schlieffen en Moltke. Als kwartiermeester onder generaal von Bülow bij de generale staf van het 2 Leger had hij een groot aandeel in het succes van de Duitse aanval op Luik (augustus `14). Kort nadien werd hij stafchef van het 8 Leger waar hij Hindenburg opvolgde.
Na zijn handig omsingelingsmanoeuvre dat tot de overwinning leidde in de Slag om Tannenberg en de Mazoerische Meren werd hij bevorderd tot divisiegeneraal.
Toen in 1916 Falkenhayn door Hindenburg werd vervangen werd hij diens adjunct met de rang van legerkorps generaal. Hij kreeg vanaf dat ogenblik in feite de leiding over de operaties. Hij oefende steeds meer invloed uit op de Rijksregering in de richting van het pangermanisme en oorlog tot het uiterste. In 1917 drukte hij de onbeperkte duikbotenoorlog door en had een belangrijk aandeel in de val van kanselier von Bethmann-Hollweg.
Op 29 september 1918 vroeg hij besprekingen aan voor een wapenstilstand, doch toen hij de capitulatievoorwaarden verwierp werd hij uit zijn functie gezet.
Met zijn extreem rechtse denkbeelden en zijn antisemitisme werd hij een promotor van het nationaal-socialisme. In 1923 nam hij deel aan de machtsgreep met Adolf Hitler. In 1924 werd hij lid van de Reichstag en in 1925 stelde hij zich kandidaat voor de presidentsverkiezingen.

Luxemburg, Rosa
(1870-1919) Pools-Duits-Joodse socialistische theoretica en politica die samen met Karl Liebknecht in 1918 de leiding nam over de Spartacusbund, later omgevormd tot Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Werd samen met Karl Liebknecht op 15 januari 1919 vermoord.

Mackensen, August von
(1849-1945) Duits veldheer.
Voor WOI nam hij reeds deel aan de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. In 1901 werd hij als generaal-majoor bevelhebber van de Leibhusaren, beter gekend als de `Totenkopfhusaren`.
Tijdens WOI verwierf hij naam en faam na de slagen bij Tannenberg en de Mazoerische meren. Nadien werd hij ingezet telkens er een forse doorbraak moest verwezenlijkt worden zoals in Lodz (1914) en Gorlitce-Tarnow (1915). Zijn strategie berustte op een aanval over breed front met inzet van een maximum aan middelen. Deze tactiek werd bekend als Mackensen-falanx.
In 1915 werd hij tot maarschalk bevorderd.
Hij stond aan het hoofd van een interventiemacht bestaande uit Duitsers, Oostenrijkers en Bulgaren bij het tweede offensief tegen Servië en de inval in Roemenië.
Na de val van Boekarest (1916) bleef hij in Roemenië als opperbevelhebber van het bezettingsleger. Op het einde van de oorlog werd hij door de Fransen geïnterneerd te Saloniki. Pas in 1919 zou hij naar Duitsland terugkeren.
In 1945 werd hij een tweede maal geïnterneerd ditmaal door de geallieerden.

Mannerheim, Carl Gustaf Emil
(1867-1951) Baron, Fins veldmaarschalk en staatsman.
Was opperofficier in het Russisch keizerlijk leger van 1903 tot 1917. In 1918 was hij opperbevelhebber der Finse troepen en met de steun van Duitse soldaten slaagde hij er in zijn land van de bolsjewisten te bevrijden. Bij de presidentsverkiezingen in 1919 werd hij door de liberalen verslagen. In 1931 werd hij voorzitter van de nationale verdedigingsraad en trachtte hij de weerbaarheid van het land te versterken wat o.a. resulteerde in de aanleg van de Mannerheim-linie langs de Russische grens.
In 1933 werd hij bevorderd tot veldmaarschalk. Tijdens de Fins-Russische oorlog van 1939-1940 bleef hij, ondanks een nederlaag, in functie.
Van juni 1941 tot 19 september 1944 stond hij met zijn troepen weer aan de zijde van Duitsland tegenover Rusland.
In augustus 1944 werd hij staatspresident, maakte Finland los uit het verbond met Duitsland en wist met Rusland een wapenstilstand uit te werken. In maart 1946 trad hij af als president.

Mata Hari
(1876-1917) Margaretha Geertruida Zelle, algemeen gekend onder haar artiestennaam Mata Hari (Javaans voor `oog van de dag` of `zon`) werd in 1876 geboren te Leeuwarden. In 1895 huwde ze met John McLeod, kapitein in het Nederlands-Indisch leger.
Na haar echtscheiding vestigde zij zich in Parijs. Zij maakte furore als naaktdanseres en courtisane en onderhield relaties in de hoogste kringen. Zij trad op in o.a. Monte Carlo, Milaan, Wenen, Rome en Berlijn waar zij bij het begin van de oorlog verbleef. Zij ging er om met hooggeplaatste Duitse officieren en zelfs, zo werd beweerd, met de kroonprins. Begin 1915 verbleef zij in Madrid waar zij geregeld contact had met de Duitse militair attaché. Op 13 februari 1917 werd zij, op verdenking van spionage, gearresteerd. Op 25 juli werd ze door de Derde Permanente Raad van Oorlog tijdens een geheim proces ter dood veroordeeld. Op 15 oktober werd ze door een vuurpeloton terechtgesteld in het fort van Vincennes.
Een van haar dochters, Louise Jeanne, onderging later eenzelfde lot. In 1950 werd zij in Korea wegens spionage gefusilleerd.

Mercier, Désiré Joseph
(1851-1926) Belgisch kardinaal en wijsgeer.
In 1874 werd hij priester gewijd en in 1882 werd hij hoogleraar thomistische wijsbegeerte aan de universiteit te Leuven. Hij richtte in 1891 het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte op. In 1906 werd hij aartsbisschop van Mechelen en in 1907 werd hij kardinaal.
Tijdens WOI speelde hij een belangrijke rol in het verzet tegen de Duitsers.

Moltke, Helmuth von
(1848-1916) Pruisisch generaal (General-oberst)
In 1870 werd hij officier en nam deel aan de Frans-Duitse oorlog (1870-71). In 1906 volgde hij von Schlieffen op als stafchef. Reeds in de eerste oorlogsweek van 1914 viel hij in ongenade nadat het door hem gewijzigde aanvalsplan van von Schlieffen de verhoopte verwachtingen niet kon halen.
Na de slag aan de Marne in september 1914 verdween hij als een gebroken man van het toneel. Hij stierf op 18 juni 1916 in Berlijn.

Nicolaas II
(1868-1918) Tsaar van Rusland.
Zoon van tsaar Alexander III. Alhoewel hij zich hoegenaamd niet aangetrokken voelde tot macht werd hij in 1894 tot tsaar gekroond.
Zijn familiaal leven werd door de bloederziekte van zijn zoon en troonopvolger Alexei beïnvloed. Zijn echtgenote, Alice, deed wegens de ziekte van hun zoon beroep op de diensten van de in hogere kringen fel omstreden wondergenezer en monnik Rasputin. Het ontbrak hem aan vastberadenheid.
Tijdens WOI nam hij het onwijze besluit om zich persoonlijk aan het hoofd van het Russisch leger te stellen waardoor de monarchie in rechtstreeks verband werd gebracht met de oorlog in het algemeen en de Russische nederlagen in het bijzonder. Na de Russische revolutie van 1917 deed hij ten voordele van zijn broer Michael troonsafstand.
Hij werd door de bolsjewieken gevangen genomen en naar Jekatrinaburg verbannen waar hij in 1918, samen met zijn gezin door de Sovjets werd vermoord.

Nivelle, Robert Georges
(1856-1924) Frans generaal.
Beklom snel de militaire hiërarchische ladder en bracht het tussen 1914-1916 van commandant van een artillerieregiment tot bevelhebber van het 2 Legerkorps.
Hij leidde met groot succes de tegenaanval van de Fransen bij Verdun, een kombinatie van artillerie en infanterie, en heroverde fort Douaumont.
Op 11 december 1916 volgde hij Joffre op als opperbevelhebber der Franse legers.
In 1917 plande hij een groot offensief teneinde de vijandelijke linies te doorbreken. Voor dit plan stelde Lloyd George de Britse troepen onder zijn opperbevel. Het zwaar verlieslatend offensief bij Chemin-des-Dammes leidde tot zijn vervanging door Pétain.
Nivelle werd op 27 mei 1917 ontslagen en naar Noord-Afrika overgeplaatst. Vanaf dan speelde hij geen rol meer op het Westelijk front.

Oorlog buiten Europa
Alhoewel de oorlog zich hoofdzakelijk in Europa afspeelde moesten vele niet Europese landen, die door kolonisatie min of meer aan het oude continent gebonden waren, zich op de oorlog voorbereiden of er zelfs actief aan deelnemen.
Kort voor het uitbreken van de oorlog had Groot-Brittannië een zware crisis te verwerken omdat haar dominions met het oog op de internationale politiek grotere autonomie eisten.
Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Zuid-Afrikaanse unie en Newfoundland, die rechtstreeks aan de oorlog deelnamen, mochten daarna zelfs, als erkentelijkheid voor hun inzet, aan de vredesonderhandelingen in Versailles deelnemen. Met uitzondering van India waren andere landen van het Britse Imperium, zoals de meeste Afrikaanse landen zowel als de Aziatische landen, minder sterk bij de oorlog betrokken. De Indische troepen daarentegen speelden in enkele fazen van de oorlog een zeer belangrijke rol. Het bloedgeld dat de Indische strijdkrachten voor de Britse zaak betaalden zou voor de Indiërs in de jaren twintig een belangrijke rol spelen bij hun nationaal streven.
Ook Afrikaanse koloniën streden aan de zijde van de geallieerden; Algerijnse en vooral Senegalese soldaten in Franse uniformen sneuvelden bij duizenden bij Chemin des Dames, Verdun en Vlaanderen.
In het Verre Oosten werden de Duitse kolonies in de Pacific door Japanners, Australiërs en Nieuw-Zeelanders bezet.
Na de Russische revolutie verloren zowel Rusland als Duitsland hun invloed in de Pacific terwijl zowel Japan als de USA hun aanwezigheid in dit gebied versterkten wat terug tot nieuwe conflicten zou leiden.

Orlando, Vittorio, Emanuele
(1860-1952) Italiaans politicus.
Geboren in 1860, het jaar waarin Garibaldi triomfantelijk Napels binnentrok. Hierdoor behoorde Orlando tot de generatie politici die na de Italiaanse eenheidsbeweging geboren werden.
Op 22 - jarige leeftijd werd hij docent grondwettelijk recht en trad kort nadien toe tot de politiek. In 1897 werd hij als liberaal volksvertegenwoordiger verkozen. Als gevolg hiervan werd hij in de regeringen Giolitti, Salandra en Boselli achtereenvolgens minister van Justitie, minister voor Onderwijs en minister van Binnenlandse Zaken. Na de Italiaanse nederlaag bij Caporetto werd hij door de koning, in de plaats van Boselli, aangesteld tot Minister - President.
In 1919 legde hij, als gevolg van een meningsverschil met de Amerikaanse P¨resident Wilson in Versailles, zijn ambt neer.
In 1931 trok hij zich eveneens terug uit het universitair leven teneinde niet verplicht te worden de fascistische eed af te leggen.

Pershing, John
(1860-1948) Werd geboren op 13 september 1860 in het Amerikaans Midden Oosten (Missouri). Hij studeerde af in 1886 aan de Amerikaanse Militaire Academie. Was actief bij een aantal operaties tegen de Sioux in de Verenigde Staten. Hij promoveerde in 1906 tot Brigadier-Generaal, waarbij officieren hoger in graad werden gepasseerd.
Op 26 augustus 1914 tijdens zijn afwezigheid ging zijn huis op de legerbasis van San Francisco in de vlammen op. Zijn echtgenote en drie dochters kwamen in de vlammen om. Enkel zijn zoontje overleefde de ramp.
In 1916 werd hij commandant van een strafexpeditie tegen de Mexicaanse revolutionair Pancho Villa.
Hij werd als opperbevelhebber van het Amerikaans expeditieleger in juni 1917 naar Frankrijk gestuurd. Bij zijn troepen stond hij bekend als `Black Jack`. Hij was een onbuigzaam man.
Hij was de eerste, sinds Georges Washington, die de rang kreeg van General Of The Armies. Zijn laatste militaire aanstelling was die van stafchef van het Amerikaans leger.
Op 15 juli 1948 overleed John Joseph PERSHING in Washington op 87 jarige leeftijd.

Pétain, Henri
(1856-1951) Frans maarschalk.
Volgde de officieropleiding te Saint-Cyr. Ging de WOI in als kolonel. Reeds in 1915 werd hij divisiegeneraal en voerde hij het bevel over de het 2 Leger.
In 1916 verwierf hij grote roem bij de slag om Verdun .
In april 1917 werd hij chef van de generale staf en kort daarop werd hij opperbevelhebber aan het Noordelijk en Noordoostelijk front.
Op 12 november 1918 werd hij `Maréchal de France`.
Tijdens het interbellum vervulde hij verschillende militaire en staatkundige functies.
Na de Franse nederlaag van mei-juni 1940 werd hij te Vichy tot `Chef d`Etat` uitgeroepen door de Verenigde Nationale Vergadering.
Hiervoor werd hij in 1945 door het `Haute Cour de Justice` ter dood veroordeeld. Toenmalig president De Gaulle wijzigde het vonnis in levenslange opsluiting in een fort op het eiland Yeu waar hij op 23 juli 1951 op 95-jarige leeftijd overleed.

Petit, Gabrielle
(1893-1916) Belgisch lid van het verzet.
Bij het uitbreken van de oorlog sloot ze zich aan bij de geheime inlichtingsdienst waar haar voornaamste opdracht erin bestond om Belgische rekruten naar Nederland te smokkelen. Zij verzamelde eveneens inlichtingen over de vijand.
Na haar gevangenneming door de Duitsers weigerde zij, zelfs na aanhoudende folteringen, om informatie over haar opdrachtgevers en medestanders te verschaffen.
Op 1 april 1916 werd zij voor een Duits vuurpeloton geplaatst waarbij zij een blinddoek weigerde en als laatste woorden : `Vive la Belgique` schreeuwde.
De commandant van het vuurpeloton was danig onder de indruk van haar heldhaftige houding en bewees haar samen met het vuurpeloton de militaire eer.

Poincaré, Raymond
(1860-1934) Frans staatsman. Negende president van de Derde Republiek.
Na diverse ministerposten werd hij in januari 1912 eerste minister. Op 17 januari 1913 werd hij, als scherp anti-Duits republikein, in het kader van de dreigende internationale toestand, tot president verkozen.
Tijdens WOI trachtte hij het vertrouwen in de overwinning te versterken. In 1917 benoemde hij Clemenceau tot premier.
In 1920 trad hij af en werd voorzitter van de herstelcommissie die moest toezien op de naleving van de Duitse verplichtingen. Eerste minister Aristide Briand, die volgens Poincaré teveel toegevingen deed aan Duitsland, werd door hem afgezet. Hij werd zelf eerste minister maar moest in 1923, naar aanleiding van conflicten met de Amerikaanse en Britse openbare opinie na de bezetting van het Ruhrgebied, aftreden en werd opgevolgd door Briand.
In 1924 leed zijn partij een nederlaag bij de verkiezingen maar van juli 1926 tot juli 1929 was hij terug minister president.

Princip, Gavrillo
(1894-1918) Jong Bosnische terrorist die op 28 juni 1914 de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn echtgenote Sophie vermoordde toen zij in een optocht door de straten van Sarajevo reden. Het was de geheime Servische terroristische groep `Zwarte Hand` die hem van wapens voorzag. Onmiddellijk na de aanslag werd hij gearresteerd en later veroordeeld tot twintig jaar opsluiting. Hij overleed in gevangenschap in 1918.

Prittwitz, Max von
(1848-1929) Duits generaal. Volledige naam: Generaal Max Graf von Prittwitz und Gaffon.
Bij het uitbreken van WOI was hij bevelhebber van het Duitse 8 Leger dat de Oost-Pruisen moest verdedigen tegen een Russische inval. Nadat twee van zijn divisies na tijdens de slag om Gumbinnen in augustus 1914 op de vlucht waren geslagen en nadat de opmars van het Russisch 2 Leger onder Samsonov vanuit het Zuiden sneller verliep dan verwacht besloot hij om Oost-Pruisen op te geven en trok zich achter de Weichsel terug. Alhoewel hij al vlug deze blunder inzag en alsnog een tegenbevel gaf was de beslissing reeds gevallen; de Duitse stafchef von Moltke had hem reeds onstslagen en vervangen door von Hindenburg en von Ludendorff. De lange militaire loopbaan van de man die zelfs geen berekende risico`s wilde aangaan was voorbij.

Rennenkampf, Pawel (Paul) von
(1853-1918) Russisch generaal.
Leidde de eerste Russische aanval tegen Oost-Pruisen in augustus 1914 bij Gumbinnen maar leed later een zware nederlaag bij Tannenberg nadat hij het contact verloor met de troepen van generaal Samsonov met wie hij niet overeen kwam. Bij de slag om de Mazoerische Meren (september 1914) leed hij zware verliezen.
De slag bij Lodz (november 1914) waarbij het quasi omsingelde XXV Duitse Korps wist te ontsnappen werd zijn laatste militaire actie. Hij werd ontslagen.
Nadat hij weigerde het bevel te nemen over een eenheid van het Rode Leger werd hij door de Bolsjewieken terecht gesteld.

Richthofen, Manfred Freiherr von
(1892-1917) Duits piloot.
Zoon uit een adellijke Pruisische familie. In 1911 werd hij officier bij de Ulanen, verkenners te paard. Tijdens de campagnes in België en Frankrijk ondervindt hij de realiteit van de oorlog. Hij ondervindt al vlug dat het tijdperk van de cavalerie voorbij is. von Richthofen raakt gefrustreerd en besluit de overstap naar het vliegwezen te wagen. Eerst wordt hij als luchtwaarnemer ingezet aan het Russisch front en later als gevechtsvlieger aan het Westelijk front boven Frankrijk. Hier bekwam hij het vliegtuig, een Fokker driedekker, dat hij volledig rood liet schilderen en hem beroemd en berucht zou maken als `De Rode Baron`. Alle vliegtuigen in zijn eskadron hadden trouwens zeer opvallende kleuren waardoor het al vlug de bijnaam van `Vliegend Circus` kreeg. In de loop van zijn carrière als gevechtspiloot wist hij meer dan 80 tegenstanders uit de lucht te halen. Alhoewel verschillende andere piloten gelijkwaardig waren in luchtgevechten (vb. de Fransen Fonck (75) en Guynemer (54), de Duitser Udet (62), de Brit Mannock (73) e.v.a.) werd een rond von Richthofen een mythe geweven die te danken was aan zijn overwinningen, de opvallende kleur van zijn driedekker en de Pruisische galantheid die hij tegenover zijn vijanden bewees.
Op 21 april 1918 werd hij door Captain Arthur Roy Brown neergehaald. Het nieuws wordt aan zijn eskadron, gelegerd te Cappy aan de Somme bekendgemaakt door een Brits jachtvliegtuig dat volgende geschreven boordschap afwerpt: `To the German Flying Corps.

Robertson, William
(1860-1933) Brits veldmaarschalk.
Enige man ooit die in het Britse leger opklom van soldaat tot veldmaarschalk. Op 17-jarige leeftijd trad hij in het leger en werd 11 jaar later tot officier bevorderd. Na actieve dienst in het Brits expeditieleger in 1914-1915 werd hij op 55-jarige leeftijd aangesteld als chef van de generale staf. Eén van zijn opdrachten was te fungeren als tussenpersoon tussen het Britse kabinet en het leger.
Hij was ervan overtuigd dat de oorlog enkel op het westelijk front gewonnen of verloren kon worden en overtuigde de regering ervan om haar middelen te concentreren op Frankrijk.
Door contoversies over de inzet van manschappen in 1917 kreeg hij vijanden binnen eigen rangen.
In februari 1917 werd hij van zijn functie ontheven.

Samsonow, Alexander
(1859-1914) Russisch generaal.
Werd in 1914, als 55-jarige veteraan van de Russisch-Japanse oorlog (1904-1905) aangesteld tot bevelhebber van het 2de Russische Leger. Dit onvoldoende getrainde en slecht uitgeruste leger leed een zware nederlaag tegen de Duitsers bij de Slag om Tannenberg (augustus 1914). Deze nederlaag was grotendeels te wijten aan de slechte communicatie met en de weinige steun van het 1ste Russisch Leger (Rennenkampf).
Alhoewel niemand ooit verantwoordelijk werd gesteld voor deze mislukking, pleegde hij na de slag zelfmoord.

Schlieffen, Alfred von
(1833-1913) Pruisisch generaal die in 1911, toen hij reeds vijf jaar op rust was gesteld, benoemd wordt tot generaal-veldmaarschalk.
Hij was een geniale militaire strateeg. Door zijn ervaringen in de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en zijn interesse in militaire theorie en krijgsgeschiedenis stelde hij als chef van de Duitse generale staf (1891-1906) een gewaagd twee fronten aanvalsplan op, het naar hem genoemde Schlieffen-plan. Het doel van dit plan behelsde de vernietiging van het Franse leger voordat de Russen hun mobilisatie konden beëindigen. Daarna zou het gros der Duitse troepen via het spoor naar het Oosten worden verplaatst om er de Russen te verslaan.
Hij overleed nog voor zijn plan in het terrein kon worden getest en liet zijn opvolger von Moltke een duidelijk strategisch plan na dat gekoppeld was aan een effectief logistiek systeem.
Maar bij de uitvoering van het plan verzwakte von Moltke aanzienlijk de zo belangrijke rechtervleugel, werd de opmars van de uiterste rechtervleugel door het neutrale Nederland niet uitgevoerd en slaagde hij er in 1914 niet in Parijs in te nemen.
Of de uitvoering van het integrale Schlieffen-plan tot succes zou hebben geleid blijft tot op heden een controversiële vraag.

Slag bij Caporetto
(ook 12de slag bij de Isonzo)
In de morgen van 24 oktober 1917 viel onder bevel van generaal von Below een Oostenrijks - Duitse strijdmacht, bestaande uit negen Oostenrijks - Hongaarse en zes Duitse Divisies de stellingen van het Italiaanse 1 en 2 Leger aan bij Caporetto.
Speciaal uitgezochte eenheden, waaronder de manschappen van Eerste Luitenant Erwin Rommel, overrompelden de verraste Italiaanse verdedigers en bedreigden zelf het Italiaanse 3 Leger.
De totaal in de war gebrachte Italianen volgden de vertwijfelde bevelen van hun bevelhebbers niet meer op en vluchtten massaal in de richting van de Piave. De cijfers spreken voor zich; aan Italiaanse zijde telde men 11.000 doden, 29.000 gewonden, bijna 300.000 krijgsgevangenen en 300.000 konden vluchten. Al vlug was gans Friaul door de Oostenrijks - Duitse troepen bezet.
Over de ineenstorting van het Italiaanse front bij Caporetto sprak generaal Cadorna over de ontbrekende weerstand van delen van het 1 en 2 Leger die zonder het gevecht aan te gaan laf op de vlucht sloegen of zich zonder schroom aan de vijand overgaven.
Maar Caporetto was niet enkel een nederlaag op het slagveld, het zou voor Italië een begrip in deze oorlog worden. Deze nederlaag liet de oude ruzie weer opflakkeren tussen de voorstanders van de oorlog en zij die wilden dat Italië zich neutraal zou opstellen. Men zag zich genoodzaakt om een `offensief om elke prijs` te overwegen. De gevolgen van deze nederlaag waren niet enkel van militaire aard, zoals de geallieerden die de afzetting van Cadorna eisten, maar ook op politiek vlak was ze de aanleiding tot de oprichting van een nieuwe regering.

Slag bij Gumbinnen
20 augustus 1914
Op 17 augustus 1914 begon de oorlog op het Oostfront. Het 1ste Russische leger, 200.000 man sterk, viel onder bevel van generaal von Rennenkampf Oost-Pruisen binnen.
Tegenover dit leger stonden de 150.000 manschappen van het Duitse 8ste leger onder bevel van generaal von Prittwitz die de Oostelijke grens van Pruisen beschermde en waarvan het commando gelegerd was te Königsberg, het latere Kaliningrad.
In functie van het gewijzigd Schlieffen-plan bestond de opdracht van dit 8 Leger er in het Oostelijk front te beschermen en een eventuele Russische aanval te vertragen zodat de Duitse hoofdopmars aan het Westelijk front zich op deze taak kon concentreren.
Toen de Russen op een 55 km breed front oprukten ontmoetten de twee legers elkaar bij Stallupönen, een dorpje op zo`n 8 km over de grens.
Het Pruisisch I Korps onder bevel van generaal von François voerde een lange verspillende aanval (3.000 verliezen) uit tegen het centrum van von Rennenkampf en drong de Russen terug tot de grens waarna von François zich 15 km naar het Westen terugtrok bij Gumbinnen.
Von Prittwitz plande een tegenaanval tegen de langzaam terug oprukkende Russen.
Op 20 augustus, bij zonsopgang, begon von François, zonder op een bevel daartoe te wachten, op de linker flank een aanval vanuit Gumbinnen en dreef de Russische rechter vleugel +-- 10 km terug.
In het centrum, waar de aanval pas vier uur later van start ging, was het voor het XVII Korps onder bevel van generaal von Mackensen veel moeilijker om vooruitgang te boeken.

Slag bij Tannenberg
De dringende hulpkreet van Frankrijk, dat al zijn krachten in de schaal moest werpen om Parijs te verdedigen (zie slag aan de Marne), leidde tot het versnellen van de Russische operaties aan het oostfront.
Op 17 augustus 1914 vielen het 1 Leger (Rennenkampf) en het 2 Leger (Samsonov) Oost -Pruisen binnen.
In Polen, dat als uitvalsbasis diende, waren de wegen echter in erbarmelijke staat omdat men ze er doelbewust niet had verbeterd om een eventuele aanval van Duitsland te hinderen. De ironie van het lot wilde dat juist deze slechte wegverbindingen tot de Russische nederlaag zouden leiden.
Tegenover de Russen bevond zich het Duitse 8 Leger, dat sedert het ontslag van von Prittwitz (zie slag bij Gumbinnen) onder bevel stond van von Hindenburg. Deze voerde, samen met zijn stafchef Ludendorf het gevechtsplan uit dat nog onder bevel van von Prittwitz was opgesteld. Het zou later een strategische meesterzet blijken om alle krachten gebundeld in te zetten tegen het Russisch 2 Leger en ze in de val te lokken. Tijdens de slag, die op 26 augustus 1914 begon, werd het 2 Leger al vlug volledig omsingeld door de Duitsers.
Samsonov, een 54-jarige veteraan uit de Russisch - Japanse oorlog, was met het grootste gedeelte van zijn leger vooruit getrokken zonder aandacht te besteden aan de verbindingen met zijn beide flanken en met het Leger van Rennenkampf. Beide legers trokken aldus zo op in de waan dat ze ongehinderd tot Berlijn zouden komen en beseften te laat dat ze ongezien steeds enger door de vijand werden omsingeld.

Snijders, Cornelis J.
(1852-1939) Nederlands generaal en politicus. Was tijdens de oorlog opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Op 9 november 1918 werd hij ontslagen. Later wijdde hij zich o.a. aan de ontwikkeling van de K.L.M. (Koninklijke Nederlandse Luchtvaartmaatschappij)

Trotski, Leon
(1879-1940) Russisch-Joods revolutionair politicus en schrijver. Pseudoniem van Leib Bronstein.
Hij speelde een belangrijke rol in de Russische revolutie van 1905. Tot 1917 leefde hij in het buitenland., maar na de oktoberrevolutie van 1917 keerde hij naar Rusland terug om zich bij Lenin aan te sluiten. Hij voerde de onderhandelingen met de Duitsers die leidden tot de Vrede van Brest-Litovsk.
Later reorganiseerde hij als Volkscommissaris van defensie het Rode Leger.
Na de dood van Lenin in 1924 raakte hij in conflict met Stalin over de te voeren politiek.
In 1927 werd hij van al zijn functies ontheven en buiten de Communistische Partij gesteld. In 1929 moest hij de Sovjet-Unie verlaten waarna hij leefde in Turkije, Frankrijk, Noorwegen en uiteindelijk Mexico waar hij vermoord werd.

Valera, Eamon de
(1882-1975) Iers staatsman.
Studeerde wiskunde, werd leider van de Sinn Feinbeweging en stichtte de Fianna Fail partij die in 1923 de verkiezingen won. Hij werd hoofd van de regering en bleef dit tot 1947. Tijdens die periode werd Ierland onafhankelijk.
Hij werd weer premier van 1951 tot 1954 en van 1957 tot 1959.
Van 1959 tot 1973 was hij president van de Ierse republiek.

Venizelos, Eleutherios
(1864-1936) Grieks staatsman.
Begon zijn politieke carrière op Kreta. Was van 1910 tot 1915 premier van Griekenland. Na een conflict met de Griekse koning Constantijn, naar aanleiding van de buitenlandse politiek, vormde hij in Saloniki een tegenregering met dewelke de geallieerden een verbond sloten.

Viviani, René
(1863-1925) Frans staatsman.
Tot 1906 was hij lid van de socialistische partij van Jaurès. In 1914-1915 was hij eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. In oktober 1915 werd hij opgevolgd door A. Briand

Wielemans, Felix
(1863-1917) Luitenant-generaal, chef van de generale staf van het Belgisch leger en militair raadgever van Koning Albert I. Hij overleed in dienst op 5 januari 1917, vijf dagen voor zijn 54ste verjaardag te Houtem, West-Vlaanderen waar hij ook begraven werd.

Wilhelm, kroonprins
(1882-1951) Oudste zoon van de laatste Duits keizer Wilhelm II. Was gehuwd met Cecile von Mecklenburg-Schwerin.
Voor 1914 was hij een fel nationalist. Tijdens de oorlog had zijn 5 Leger een groot aandeel in de mislukte aanvallen op Verdun.
Op 13 november 1918 vluchtte hij, net als zijn vader, naar Nederland en werd hij op Wieringen geïnterneerd.
Op 1 december 1918 deed hij afstand van zijn rechten. In 1923 keerde hij terug naar Duitsland.
Na de Tweede Wereldoorlog werden zijn goederen in Nederland als vijandelijk vermogen, verbeurd verklaard.

Wilson, Thomas, Woodrow
(1856-1924) Amerikaans president.
Werd als zoon van een presbyteriaanse dominee geboren in Stauton, Virginia.
Hij was docent Recht en Politieke Wetenschappen en van 1902 tot 1910 was hij rector aan de universiteit van Princeton. In 1910 werd hij verkozen tot gouverneur van New Jersey en in 1912 werd hij met de hulp van de progressieve vleugel der democraten verkozen tot president. Tijdens zijn twee ambtstermijnen breidde hij de presidentiële macht uit en zette zich in om de Amerikaanse waarden uit de 19de eeuw hoog te houden.
Zijn roem als progressieve president werd vertroebeld door zijn herhaaldelijk interventies in Midden - Amerika en zijn inmenging in de Mexicaanse burgeroorlog.
Oorspronkelijk nam hij met betrekking op WOI een neutrale houding aan maar bij zijn herverkiezing sprak hij zich in 1917 uit voor een deelname aan de oorlog.
Na de oorlog trachtte hij de Europese machten te verenigen in een `nieuwe diplomatie` in het kader van de Volkenbond maar kreeg hiervoor geen fiat van het congres.

d` Amade, Albert
(1856-1938) Frans generaal.
Was in augustus 1914 de territoriale bevelhebber i n noordwest Frankrijk.
In april 1915 voerde hij het bevel over de Franse troepen bij de ontscheping in de Dardanellen.