Kopie van `Music ABC - Jazzbegrippen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Music ABC - Jazzbegrippen
Categorie: Kunst, muziek en cultuur > Jazz
Datum & Land: 10/03/2007, NL
Woorden: 57


AABA
Een veel voorkomende structuur in populaire songs van componisten als Gershwin, Cole Porter, etc. die een afwisseling van twee basiscomponenten voorstelt. Het B-gedeelte wordt ook `bridge` genoemd en wordt vaak in een andere toonsoort gespeeld. Het einde van een deel wordt wel turnaround genoemd. Er bestaan ook variaties, zoals bijvoorbeeld ABAB (in `How High the Moon`).

Akkoord
Samenklank van tenminste drie tonen. Naar het aantal onderscheidt men drieklanken, vierklanken, vijfklanken enzovoort. Wordt ook wel blokakkoord genoemd - wanneer de verschillende tonen niet tegelijk, maar na elkaar ten gehore worden gebracht, spreekt men daarentegen van een gebroken akkoord.

Akkoordenschema
Een soms redelijk formele opeenvolging van akkoorden die de harmonische basis van een compositie vormt. Zoe ook chorus.

Arrangement
Bewerking van een song, waarbij rekening wordt gehouden met de instrumentbezetting.

Ballad
Een langzaam en gedragen, vaak wat melancholiek aandoende song. Vocaal of door een solo-instrument uitgevoerd.

Bebop
Een technisch geavanceerde en virtuose speelstijl die begin 40er jaren werd ontwikkeld door jonge muzikanten als Charlie Parker, Dizzie Gillespie, Charlie Christian en Bud Powell.

Big band
Orkestbezetting van vaak tien of meer muzikanten, verdeeld in secties. Naast de ritmesectie bijvoorbeeld een kopersectie (trompet en trombone) en een rietsectie (saxofoon en klarinet).

Blue note
Een specifieke (verlaagde) toon in de blues toonladder. In feite een nabootsing van een gezongen toon.

Blues
Een samenvatting van muziekvormen en invloeden zoals die al voor 1900 in het zuidoorsten van de Verenigde Staten ontstond met een globaal akkoordenschema van 12 maten. Vond zijn oorsprong in de gezongen muziek van Afrikaanse slaven die werden gedeporteerd naar Amerika.

Bluestoonladder
Een 6-notige toonladder met specifiek verlagingen van een halve toon, meestal op de derde, vijfde en soms zevende noot.

Boogie woogie
Virtuoze pianostijl die zich kenmerkt door een pompende `walking bass` met de linkerhand.

Break
Een plotselinge stop.

Bridge
Verbinding (brug) tussen de overige delen van een stuk. Zie ook AABA.

Cadens
Vrije improvisatie van een solist.

Chase chorus
Improvisatie waarbij (meestal) twee muzikanten elkaar om een aantal maten afwisselen. Dit kan ook samen met de ritmesectie plaatsvinden.

Chicago-stijl
Een verdere ontwikkeling van de hotjazz-stijl uit New Orleans. Chicago was daarbij de stad waar veel zwarte musici uit New Orleans naartoe trokken, maar waar ook door jonge blanke muzikanten als Bix Beiderbecke, Frank Trumbauer, Bud Freeman, Benny Goodman en Gene Krupa belangrijke bijdragen werden geleverd. Er werd met name een meer gearrangeerde structuur in de muziek aangebracht, als voorloper op de grotere `swing`orkesten.

Chorus
Het centrale motief in een song... ook een improvisatie (op een akkoordenschema).

Chromatisch
Toonreeks met halve toonsafstanden.

Coda
Het naspel in een muziekstuk.

Cool Jazz
Stijl in de 60er jaren door Miles Davis bekend geworden. Cool Jazz kenmerkt zich door gedragen melodie- en improvisatielijnen, als een reactie op de bebop.

Dixieland
Dominant (septiem)akkoord Het akkoord dat is gebouwd op de vijfde trap van een majeur- of mineurtoonladder.

Double time
Een verdubbeling van het speeltempo, soms ook midden in een stuk toegepast.

Extro
Het einde van een compositie, in de volksmond (onder jazzmusici) ook wel `uittro` genoemd.

Fake Book
Oorspronkelijk een illegale samenvatting van honderden jazzstukken met vaak een vereenvoudigd akkoordenschema en slechts de melodielijn van een enkel chorus. Er zijn tegenwoordig echter ook legale versies van zowel het Fake Book als van de tegenhanger, het Real Book.

Free jazz
Atonale en vaak a-ritmische jazz (geïmproviseerde muziek) in een vrije vorm gegoten. Grondleggers o.a. Cecil Taylor, Ornette Coleman, Anthony Braxton.



Fusion
Oorspronkelijk lettelijk versmelting van stijlen, bijvoorbeeld jazz met Latin- of rockmuziek, die eind jaren 60 op gang kwam.

Hard Bop
Een voortzetting van de bebop met meer elementen uit de blues en met een meer recht toe recht aan benadering en vaak langere solo`s. Voorbeelden zijn The Jazz Messengers van Art Blakey en solisten als Cannonball Adderley, Miles Davis en ook John Coltrane.

Interlude
Tussenspel als een overgang tussen de hoofddelen van een compositie.

Interval
Afstand tussen twee tonen van een toonladder. Veel gebruikte zijn de terts, kwint en septiem met een afstand van respectievelijk 3, 5 en 7 noten. Men spreekt daarnaast van grote, kleine, vergrote en verminderde intervallen.

Intro
Begin van een compositie. Zie ook extro.

Latin
Verzamelnaam voor jazz met Latijnsamerikaanse invloeden (Afro-Cuban, Bossa Nova, Fusion, Salsa)

Lick
Korte kenmerkende frase die nogal veel wordt gebruikt.

Mainstream
In feite samenvallend met de swingstijl, waarbij wordt gespeeld op akkoordenschema`s zonder al te grote afwijkingen.

Modaal
Letterlijk het improviseren op de uit de mideleeuwse muziek stammende kerktoonladders (modus).

Moderne Jazz
Globale verzamelnaam voor de jazz zoals die na de swingperiode ontstond.

Modulatie
De overgang naar een andere toonsoort.

Octaaf
Zowel de achtste noot in een toonladder alsook het interval dat wordt gevormd door deze toon met de eerste toon.

Original (ook wel Traditional)
Vaak volksliederen waarvan de herkomst onbekend is.

Pentatonische toonladder
Toonsysteem waarbij het octaaf is verdeeld in vijf toontrappen waarin geen halve toonsafstanden voorkomen.

Progressie
Letterlijke vertaing uit het Engels (progression), een opeenvolging (wisselen) van akkoorden, in de klassieke muziek ook cadenzen genoemd

Ragtime
Oorspronkelijk een typische virtuoze en syncopische pianostijl in tweekwartsmaat, maar later ook overgebracht naar orkestbezetting. Een belangrijk fundament bij het ontstaan van de jazz.

Riff
Een steeds weer herhaald kort motief, bijvoorbeeld door de riet- of de kopersectie.

Ritmesectie
Deel van een orkest dat de ritmische ondersteuning voor zijn rekening neemt. De piano kan er al dan niet deel van uitmaken en verder natuurlijk bas, drums en gitaar, eventueel ook een vibrafoon - die overigens, net als de piano, tevens melodische partijen voor z`n rekening kan nemen.

Scat singing
Vorm van geimproviseerd zingen waarbij de woorden zijn vervangen door nietszeggende klanken. Armstrong was de eerste die dit succesvol toepaste, maar ook Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan waren er geweldig in.

Sectie
Groep van instrumenten binnen een orkest, bijvoorbeeld kopersectie, rietsectie, ritmesectie.

Standard
Songs die tot het stanaard-jazzrepertoire zijn gaan behoren, maar die vaak geschreven werden voor shows of musicals. Bekende componisten zijn George Gershwin, Harold Arlen, Irving Berlin, Hoagy Carmichael en anderen.

Stride piano
Pianostijl uit de swingperiode waarbij de linkerhand grote toonsafstanden van octaven of zelfs meer overbrugt.

Swing
1. Aanduiding voor een stijlperiode in de jazz van eind 20er en 30er jaren. Deze gold zowel voor kleine als grotere bezettingen, maar werd tenslotte vooral vereenzelvigd met bigbands als van Count Basie en Benny Goodman. 2. Speelwijze waarbij achste noten met een `triolengevoel` worden gespeeld -als het ware wel binnen, maar niet helemaal strikt in de maat - waardoor er een element van beweging aan de muziek wordt toegevoegd.

Syncope
Hierbij valt het accent juist niet zoals gebruikelijk op de sterke maatdelen en ontstaat een sterke ritmische stuwing. In tegenstelling tot het element `swing` is dit een noteerbare verschuiving.

Toonladder
Een gestandaardiseerde volgorde van tonen. In de westerse muziek resulterend in twee hoofdvormen: de diatonische grote terts- en de kleine tertstoonladders.

Trading 4`s
Het afwisselen van vier maten door solisten of van een solist met de drummer. Zie ook Chase chorus.

Transponeren
Het overzetten naar een andere toonsoort, bijvoorbeeld om een zangeres te kunnen begeleiden. Is ook noodzakelijk voor alle zogenaamd transponerende instrumenten zoals trompet en saxen.

Triool
In het algemeen drie noten die binnen de tijdsduur van twee noten worden gespeeld. In de jazz worden twee opvolgende achtste noten vaak als triool gespeeld, waarbij de eerste twee noten verbonden worden en dat het zogeheten `swinggevoel` oplevert.

Turnaround
Veranderde akkoordenvolgorde (progressie). Wordt hoofdzakelijk gebruikt in de laatste maten van een compositie om weer aan te sluiten op het begin.

Twobeat
Nadruk op de eerste en de derde tel van de maat. Kenmerkend voor speelstijlen in de 20er en 30er jaren.

Walking bass
Grondtonen van de akkoorden met overgangsnoten die op een vloeiende (swingende) manier worden gespeeld.

West Coast Jazz
Stijl ontstaan in de 50er jaren in Los Angeles. Vaak in een bezetting van drie blazers plus ritmesectie met sterk gearrangeerde composities waarin ook Europese muziekopvattingen een belangrijke rol kregen. Soms met voor jazz ongebruikelijke instrumenten zoals hobo, fluegelhorn, fluit en cello. De meeste musici waren blank en woonden, zoals de naam al aangeeft, in Californië. Bekende namen zijn Dave Brubeck, Chet Baker, Gerry Mulligan en de orkestleiders Pete Rugolo en Stan Kenton.