Kopie van `Konferentie Nederlandse Religieuzen - Kloosters`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Konferentie Nederlandse Religieuzen - Kloosters
Categorie: Religie en filosofie > Kloosters
Datum & Land: 27/01/2014, NL
Woorden: 49


Abdij
Klooster waar monniken, monialen of reguliere kannuniken leven onderleiding van een abt of abdis.

Bedelorden
Orde waarvan de regel niet slechts de individuele leden tot armoede verplicht, maar ook de kloostergemeenschap. Tot de bedelorden, de mendicanten, behoren de minderbroeders, dominicanen, karmelieten en augustijnen.

Beschouwende orde
Orde waarvan de leden zich bezighouden met de verzorging van de liturgie en het koorgebed. De leefwijze binnen zo’n beschouwende, contemplatieve orde wordt bepaald door een strikt gemeenschapsleven. Stilte, handenarbeid, studie en bezinning nemen in deze gemeenschap een belangrijke plaats in.

Broeder
De broeder is een niet-gewijd lid van een religieuze orde of congregatie, die de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd.

Congregatie
(Lat.) 1.Kloostergemeenschap die door een bisschop is erkend en waarvan de leden eenvoudige geloften afleggen. De leden worden religieuzen genoemd en zijn te verdelen in zusters broeders (fraters), en priesters (paters). Zij houden zich vooral bezig met onderwijs, ziekenverpleging, bejaarden- en armenzorg. 2. Onderdeel van de pauselijke curie. 3. Godsdienstige vereniging. Zie ook: Broederschap.

Convent
(Lat.)-zie Klooster.

Evangelische raden
Naam van de raadgevingen die Jezus heeft gegeven om Hem na te volgen. Het zijn: de vrijwillige armoede, de volmaakte zuiverheid en de gehoorzaamheid. Religieuzen verplichten zich door geloften tot het onderhouden van de evangelische raden.

Frater, fraters, of fratres
(Lat.) 1. Niet-gewijd religieus die in een orde of congregatie de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd. 2. Priesterstudent in de theologie die lid is van een religieuze orde of congregatie.

Fraterniteit
1. Broederschap. 2. Gemeenschap die wordt gevormd door mannelijke bewoners van een klooster.

Gelofte
Een vrijwillig aan God afgelegde belofte waarbij men zich tot een zekere handeling verplicht. Bij de toetreding tot een orde of congregatie belooft de kandida(a)t(e) de levensregel en de evangelische raden te onderhouden. Hiertoe legt zij of hij bij de kloosterlijke professie na het noviciaat eerst de tijdelijke geloften af van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, bijvoorbeeld voor drie jaar. Daarna worden, bij gebleken geschiktheid voor het kloosterleven, de eeuwige geloften afgelegd. Deze kunnen slechts met dispensatie van de Heilige Stoel worden ontbonden.

Getijden van het koorgebed
De uren waarop het koorgebed moet worden verricht. Ook het koorgebed zelf gebruikt men het woord getijden. De achtgetijden zijn: metten, lauden, prime, terts, sexten, none of noon, vespers en completen. Zie ook: Koorgebed.

Habijt
(Lat.) Lang bovenkleed dat door vrouwelijke en mannelijke kloosterlingen wordt gedragen, onder andere door augustijnen, benedictijnen, dominicanen, minderbroeders, trappisten, benedictinessen, karmelitessen en clarissen.

Klein Officie
Vorm van brevier, speciaal voor leden van zuster- en broedercongregaties van de Derde Orde. Iedere dag werden vrijwel dezelfde teksten gelezen, zij het met wijzigingen in bijv. vasten en advent. Na de invoering van het Kleinbrevier is het Klein Officie, ook wel Maria-officie genoemd, in onbruik geraakt.

Kleinbrevier
(Lat.) Vereenvoudigde uitgave van de officiële teksten van het koorgebed, samengesteld voor het gebruik door religieuzen en door leken.

Klooster
(Lat.) Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden om aldus beter de evangelische volmaaktheid te kunnen bereiken.

Klooster
Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden om aldus beter de evangelische volmaaktheid te kunnen bereiken.

Kloostergang
Overdekte, veelal gewelfde gang of galerij rond de binnenhof van kloosters en abdijen, meestal aansluitend bij de kerk. De kloostergang verbindt de verschillende kloostergebouwen.

Kloostergeloften
zie Evangelische raden.

Kloosterorde
Religieuze gemeenschappen die door de paus zijn erkend. De leden leggen de plechtige geloften af van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid. Zij komen voor binnen de katholieke en angelicaanse kerk.

Koorgebed
Het dagelijks en gezamenlijke bidden van de getijden door kanunniken monniken of monialen en andere groeperingen van religieuzen. De onderdelen van het koorgebed zijn gebonden aan bepaalde, vaste uren van de dag en de nacht. Zie ook: Getijden van het koorgebed.

Lekenbroeder
Benaming voor die leden van een orde of congregatie die wel de geloften afleggen, maar niet tot priester zijn gewijd. Zie ook: Broeder; Frater.

Lekenzuster
Benaming voor een vrouwelijke religieuze die bij haar intrede in de orde geen dote, dat wil zeggen geen bruidsschat (onroerend goed of een geldbedrag) had meegebracht en niet gestudeerd had. Zij nam ook niet deel aan het koorgebed, en in plaats van het brevier bad zij een aantal Onze Vaders. Zij vervulde in het klooster doorgaans taken van huishoudelijke aard. Zie ook: Cisterciënzerinnen.

Moeder-overste
Overste van een klooster, orde of congregatie van vrouwen.

Moederhuis
De eerste of voornaamste stichting van een orde of congregatie van waaruit de andere kloosters zijn gesticht.

Monialen
(Lat.) Vrouwelijke kloosterlingen van een orde, meestal slotzusters, die het koorgebed bidden. Slotzusters hebben zich door plechtige eeuwige geloften verbonden binnen het slot te zullen leven, dat wil zeggen: binnen dat gedeelte van het klooster dat alleen voor kloosterlingen toegankelijk is.

Novice
(Lat.) Iemand die verzoekt in een klooster opgenomen te mogen worden als lid van de kloostergemeenschap.

Novicemeester
(es) Geestelijk leidsman of leidsvrouwe van novicen.

Noviciaat
Een door het kerkelijk wetboek voorgeschreven proeftijd voor kandidaat-religieuzen, novicen. Deze zijn als postulanten aan hun vorming tot kloosterling begonnen. Hierna volgt een proefperiode van één of twee jaar. Onderleiding van novicemeesters of –meesteressen worden de kandidaten verzocht op hun geestelijke en lichamelijke geschiktheid voor het kloosterleven. Tijdens het noviciaat is men nog niet door geloften aan de orde of congregatie gebonden. De instelling waar deze proeftijd plaatsvindt, wordt ook noviciaat genoemd.

Obediëntie
(Lat.) 1.Gehoorzaamheid die een kloosterling verplicht is aan zijn overste. 2. Brief die een kloosterling op reis meekrijgt. Op vertoon hiervan wordt hem gastvrijheid in een ander klooster verleend.

Orde
(Lat.) Vereniging van personen die aan een bepaalde regel zijn gebonden: 1. Een geestelijke orde. De gemeenschap streeft naar volmaaktheid en leeft volgens de door de kerk goedgekeurde regel onder leiding van een overste in daartoe bestemde huizen (kloosters). 2. Een ridderorde: bepaalde vereniging van geestelijke of wereldlijke ridders. 3. De Tweede Orde. 4. De Derde Orde.

Overste
Degene die de leiding heeft in een klooster. Verder wordt gesproken van generaal-overste (van de totale orde of congregatie) en van provinciaal-overste van een land of een deel ervan, als er meer provincies zijn.

Pater
(Latijn=vader) Benaming voor een priester die lid is van een orde of congregatie.

Pij
zie Habijt.

Prior
(Latijn; de eerste) In verscheidene kloosters die geen abdij zijn, titel van de overste. In abdijen draagt de voornaamste helper en plaatsvervanger van de abt eveneens de titel van prior. In vrouwenkloosters heet de overste abdis of ‘priorin’. Zie ook: Bedelorden.

Professie
(Lat.) Het in het openbaar afleggen van de kloostergeloften. Deze professie vindt plaats nadat de nieuwe kloosterling(e) eerst postulante(e) en novice is geweest. Men onderscheidt de tijdelijke (kleine) en de eeuwige (grote) professie.

Provinciaal
(Lat.) Overste die aan het hoofd staat van een provincie van een orde of congregatie. Hij of zij wordt door de generaal of generale overste aangewezen of door de leden van de orde of congregatie in die betreffende kloosterprovincie gekozen, meestal voor een periode van drie of vier jaar. De grenzen van een kloosterprovincie vallen in Europa doorgaans samen met de grenzen van een land.

Recollectie
(Lat.) Een godsdienstige oefening van gebed en bezinning, die op regelmatige tijden gedurende een halve of een hele dag wordt gehouden, in het bijzonder in kloosters en religieuzen instellingen.

Rector
(Latijn=bestuurder) Priester die zielzorg uitoefent in een niet-parochiële kerk (ziekenhuis, een bejaardenhuis of een kloosterkerk).

Refter
(Lat.) Eetzaal in een klooster.

Regel
(Lat.) Geheel van voorschriften voor leden van een orde of van een congregatie. De belangrijkste regels zijn:
De regel van Pachomius
Pachomius leefde van circa 287 tot 346 of 347. Zijn regel is de eerste in zijn soort van monniken die zich aaneengesloten tot een gemeenschap met een gemeenschappelijke leef- en gebedsruimte, met gelijkvormigheid in kleding en voedsel, en met één bepaalde spiritualiteit
onder hetzelfde gezag. Als abt van het door hem rond 320 gebouwde klooster te Tabennisi (Opper-Egypte) heeft Pachomius door zijn klooster regel grote invloed uitgeoefend op de traditie van het latere monnikenleven in het Oosten en het Westen.
De regels van Basilius
Basilius werd in 330 in Caesarea in Cappadocië geboren, werd in 370 bisschop in zijn geboortestad en overleed aldaar in 379. In de regels voor het monnikenleven legde hij de nadruk op leven in een gemeenschap, op het liturgisch gebed en op handenarbeid. Binnen de regel kregen de monniken ruimte voor armenzorg en verpleging in zieken- en gasthuizen. Door de grote aandacht voor contemplatie beoogde Basilius een al te sterk activisme bij de monniken te voorkomen. Deze regels voor het monnikenleven worden nu nog door monniken in het Oosten onderhouden. De moderne katholieke kloostergemeenschap van `Fraternité de Jerusalem` (St.-Gervais te Parijs) is gebaseerd op deze regels.
De regel van Augustinus
Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, woonde met meerdere geestelijken samen in een soort kloostergemeenschap voor een leven van gebed, armoede, studie en zielzorg.

Regulieren
Geestelijken die tot een religieuze orde of congregatie behoren.

Religieus, religieuze
(Lat.) 1. Betrekking hebbend op de godsdienst. 2. Godsdienstig. 3. Ieder die met een beroep op
het evangelie gekozen heeft te leven volgens de regel van een orde of congregatie. Men kan religieuzen onderscheiden in: priesters (paters), broeders (fraters) en zusters. Zij kunnen actief zijn buiten het klooster of tot een beschouwende orde behoren.

Scholasticaat
Naam van een kloosterschool onder leiding van reguliere priesters. Hier ontvangen seminaristen die reguliere priester willen worden hun filosofisch en theologisch onderwijs.

Scriptorium
(Lat.) Naam van het vertrek in het klooster waar handschriften werden vervaardigd of overgeschreven. Zij fungeerden tevens als schrijfscholen.

Seminarie, seminarium
(Lat.) 1. Opleidingsinstituut met internaat voor de opleiding tot katholiek geestelijke.
Men onderscheidt het klein-seminarie, waar de opleiding van 12-18 jarigen wordt verzorgd, en het groot-seminarie, waar de religieuze, wetenschappelijke en pastorale vorming tot priester plaatsvindt. Hier worden doorgaans twee jaar aan de studie van filosofische vakken en vier jaar aan de studie van theologische disiplines gewijd.
2. Opleidingsinstituut voor predikanten.

Slot
De ruimte van een klooster die is voorbehouden aan kloosterlingen en waarbinnen deze hun kloosterlijk leven leiden en waar anderen niet worden toegelaten.

Slotzuster
Kloosterzuster van een beschouwende orde die beloofd heeft haar leven in de enkel voor kloosterlingen bestemde ruimte te zullen leiden. Zie ook: Monialen.

Werken van Barmhartigheid
Benaming voor diensten die men de naaste in nood verleent uit liefde tot God. Men onderscheidt: lichamelijke werken en geestelijke werken. Onder de lichamelijke werken vallen, volgens Mt. 25:35-37: de hongerigen eten geven, aan hen die dorst lijden te drinken geven, naakten kleden, vreemdelingen gastvrijheid verlenen, zieken bezoeken, gevangenen verlossen. Het begraven van de doden wordt in Mt 25:35-37 niet genoemd. Dit goede werk, dat in de dagen van de pest in de Middeleeuwen bijzondere nadruk kreeg, wordt in verband gebracht met het boek Tobit, waar de zorg voor de overledenen speciale aandacht krijgt
(Tob 14:9, 11-13). Tot de geestelijke werken behoren: zondaars vermanen, omwetenden leren, raad geven in moeilijkheden, bedroefden troosten, onrecht ondergaan, beledigingen vergeven, voor elkander bidden.

Zuster
Algemene naam van vrouwelijke kloosterlingen van een orde of congregatie.