Kopie van `Glossarium Nederlands Landschap`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Glossarium Nederlands Landschap
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 60


Akkerkamp
Akkerland

Ambacht
Rechtsdistrict; West-Friesland is b.v. onderverdeeld in vier ambachten, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in koggen

Atlantikwall
Verdedigingslinie langs de Noorse, Deense, Duitse, Nederlandse, Belgische en Franse westkust, gebouwd door de nazi’s tussen 1941 en 1945. Op enkele plaatsen zijn hier nog overblijfselen van terug te vinden, zoals bij Castricum, dat vanwege het vlakke achterland werd aangewezen als Stützpunktgruppe. In de duinen bij Castricum werden 800 bunkers gebouwd en achter de duinen werd een tankval gegraven, een 8 meter brede door tanks niet te nemen v-vormige watergang. Op andere plaatsen werd een tankmuur gebouwd.

Cultuurbos
Door de mens aangeplant bos. Zie ook cultuurbos, oerbos en natuurlijk bos.

Dwangmolen
Molen waar de bewoners van een bepaalde plaats gedwongen werden hun graan te laten malen.

Dwarsdijk
Dijk van rivier tot rivier om van boven komend overstromingswater te keren. Wordt ook wel zijkade of zijd(e)wende genoemd. Zie verder ook bij dijken.

Dwarsduin
Relatief recht duin waarvan de kam loodrecht op de windrichting staat.

Dwinger
Friese en Groningse benaming voor een bastion.

Ee, eem
Water, beek

Eendenkooi
Vanginrichting voor wilde eenden, met geboomte (zie kooibos) omzoomde vijver (kolk of kooiplas) met vier steeds smaller wordende slootjes (vangpijpen). Vroeger ving de kooiker hier eenden voor het vlees, tegenwoordig worden de inrichtingen alleen nog gebruikt om eenden te ringen. Om de rust in de kooi te garanderen, mag er binnen een bepaalde cirkel vanuit het midden van de kooi niet worden gejaagd. Een eendenkooi is dan ook vaak aan de palen waarop met bordjes dit afpalingsrecht is vastgelegd te herkennen.

Ees
Valge

Effluent
Gezuiverd afvalwater dat van de zuiveringsinrichting wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het vuile water dat de zuivering inkomt wordt influent genoemd.

Erosie
Uit- of wegslijten van grond door stromend water (fluviatiele erosie) of de wind (eolische erosie).

Es
Bijeenliggende (bolle) akkers op de zandgronden van Noord-Nederland, vaak door houtwal beschermd, eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen uit de potstallen (waar de schapen `s nachts verbleven). Iedere boer was eigenaar van een paar stukjes grond op de es. Grote essen verschenen vooral in Drenthe en op de stuwwallen, elders bleven ook kleine individuele essen (eenmansessen of kampen) bestaan. In Midden- en Oost-Nederland wordt een es ook wel eng of enk genoemd. Typen es zijn:
Blokvormige es, naast de huiskampen onregelmatig verkaveld;
Enkelstrepige bouwlanden, grootschalig verkaveld, lange smalle percelen in dezelfde richting;
Meerstrepige bouwlanden met meerdere perceelvormen, strepen kruisen elkaar;
Gewannverkaveling met in stroken onderverdeelde blokken die elkaar kruisen;

Esdorp
Dorpstype, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), omgeven door boerderijen en akkers (essen), ook bekend onder de naam brinkdorp

Esdorpenlandschap
In de Middeleeuwen ontstaan landschap met driedeling in grondgebruik: essen (akkers), gras- en hooilanden (o.a. madelanden) en heide (Noord-Nederland)

Esker
Langgerekte, soms kronkelende en zich vertakkende rug, die is ontstaan doordat onder het landijs stromend smeltwater materiaal aanvoerde en achterliet, zie ook pseudeo esker.

Essenzwerm
Verspreide akkers die net genoeg land hebben voor één of twee boerderijen. Komen veel voor in Oost-Nederland, zoals op de dekzandruggen langs de Dinkelvallei.

Estuarium
Door getijdenstromen ontstane wijde, trechtervormige riviermonding. De binnendringende vloedstroom en de terugstromende ebstroom zetten geen sedimenten af. Een ander type riviermonding is de delta die is gevormd door materiaal dat door de rivier zelf aangevoerd is.

Estuarium
Trechtervormige riviermonding, .

Etang
Zie haf.

Etsel
Wei- of hooiland.

Etstoel
Tot 1791 hoogste gerechtshof in Drenthe, zie dingspel.

Hil
Erf rond een boerenwoning (Goeree Overflakkee)

Iemenschoer
Bijenschuur bij een Twentse boerderij.



Ies
Valge

Kiekenbelt
Uitkijkheuvel. In de omgeving van Deventer is 200 jaar geleden een aantal uitkijk en bewakingsheuvels aangelegd die deze naam dragen.

Kienhout
Overblijfselen van bomen in een hoogveengebied (o.a. in de Peel), overwoekerd door veenmos (plantje dat van onderen afsterft en van boven doorgroeit op de eigen afgestorven resten), ook wel veenstobben genoemd

Kil
Zie Kreek

Kilometerraaibord
Wit bord met zwart opschrift op zwart-gele paal langs waterwegen met kilometeraanduiding. Een raailijn is een denkbeeldige lijn dwars over het water van de rivier.

Nutstuin
Tuindeel met fruitbomen en moestuin

Oerbos
Natuurlijk ontstaan bos, niet door de mens aangeplant. Het laatste stukje oerbos in Nederland was het Beekbergerwoud nabij Apeldoorn, waarvan op 10 juni 1871 de laatste boom werd gekapt. Zie ook cultuurbos, natuurlijk bos en productiebos.

Oerstroomdalen
Drie dalen ontstaan tijdens de Saale-ijstijd: Betuwe, Overijsselse Vechtdal en Hunzedal.

Oeverland
Buitendijks gelegen stuk grond

Oeverwal
Natuurlijke hoogte langs een (voormalige) rivierloop waarop zich zanderige klei (grovere sedimenten) afgezet heeft. Deze gronden zijn daardoor vruchtbaarder dan de zware kleigronden in de kommen (veroorzaakt door de goede chemische vruchtbaarheid en de goede structuur van de zavel). Op de oeverwallen staan de boerderijen (in het rivierengebied) en veel fruitbomen. In Nederland zijn gedurende het Holoceen veel oeverwallen gevormd. De rivieren stroomden in deze periode rustig, waardoor de transportcapaciteit gering was. In de bedding vond dus veel sedimentatie plaats. De waterberging van de rivieren werd daardoor kleiner, waardoor veel overstromingen ontstonden. Het grovere materiaal, vooral zavel, werd direct naast de bedding afgezet: de oeverwal. Deze sedimentatie werd versterkt door de oeverbegroeiing. Verder van de oeverwal af bezonk ook het fijnere materiaal: klei. Hier ontstonden de komgronden. Vóór bedijking verlegden rivieren steeds hun loop door het geleidelijk verzanden van de bedding. Daardoor ontstond een heel netwerk van stroomruggen (verzande beddingen, samen met de oeverwallen) en komgronden.

Offensieve bedijking
Het bedijken van kwelders met als hoofddoel landaanwinning. Zie ook defensieve bedijking.

Olifantspad
Door spontaan regelmatig gebruik ontstaan voetgangerspad.

Omgelanden
Eigenaars van landen om enig aangewezen punt. Vergelijk ingelanden.

Osar
Scandinavische naam voor smelwaterrug.

Ossengang
Zie ossenweg.

Ossenweg
Rondweg om terp of wierde in het zeekleigebied waarover het vee van de boerderij naar de weilanden gevoerd werd. Ook wel ossengang genoemd.

Ottoonse tijd
Tijdperk in de vroege Middeleeuwen, van 900 - 1000, volgde Karolingische tijd (750 - 900) op; [zie tijdbalk]

Overhaal
Zie overtoom.

Overlaat
Verlaging in een dijk om water af te leiden om zo een overstroming in goede banen te leiden (rivierengebied)

Overslaggrond
Uitgespoelde zandondergrond na dijkdoorbraak (rondom een wiel), vruchtbaar, vaak boomgaarden

Overstaander
Vrijstaande boom die tot doel heeft bescherming te bieden aan de verjonging (al dan niet geplant) en als zaadbron te dienen voor de natuurlijke verjonging. Meestal is de boom gespaard bij houtkap. Indien meerdere bomen gespaard zijn spreekt men van schermbomen, als er maar weinig bomen over zijn ook wel van overstaanders.

Overstort, riooloverstort
Situatie waarin rioolwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Dit vindt plaats wanneer het riool door teveel neerslag niet al het rioolwater kan verwerken.

Overtoom
Dubbel hellend vlak op een dam of een kade tussen twee wateren waar schepen overheen getrokken konden worden met behulp van rollen die onder het schip geplaatst werden of een windas. Veel gebruik op plaatsen waar het bouwen van een sluis niet lonend was. Ook wel overhaal genoemd.

Overtuin
Siertuin die aan de ‘andere kant van de sloot’ aangelegd werd omdat de erven bij de woningen werden gebruikt als bleekveld, vaak door hek of schutting omgeven (o.a. in de Zaanstreek). Zie ook drachtplantentuin en knopentuin.

Overzetveer
Klein veer voor voetgangers en vee dat sinds de late Middeleeuwen in het rivierengebied voorkomt.

Oxidatie
Na ontwatering van veengebieden kan zuurstof doordringen in de bovenste veenlagen, waardoor plantenresten verteren en uiteenvallen in koolstof en water. Ook wel krimp genoemd. Zie ook maaivelddaling.

Oy
Buitendijks land

RDNAP
Instelling die informatie over de geometrische infrastructuur van Nederland beheert en distribueert. Deze bestaat uit een horizontale component, de X- en Y-coördinaten van de RD-punten (zie Rijksdriehoeksmeting), en een verticale component, de hoogtes van NAP-peilmerken (zie Normaal Amsterdams Peil). Deze infrastructuur vormt de basis voor landmeetkundige werkzaamheden binnen Nederland. De afdeling Rijksdriehoeksmeting van het Kadaster is verantwoordelijk voor de horizontale component en de afdeling NAP van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de vertikale component.

Smeltwaterrug
Langgerekte rug ontstaan bij het smelten van de ijskap (tijdens de één na laatste ijstijd, het Saalien). Eerder waren spleten en tunnels in het ijs opgevuld met zand en grind, na het verdwijnen van het ijs bleven deze opvullingen achter als heuvels. Een smeltwaterrug wordt ook wel eens aangeduid met de Scandinavische naam osar.

Smeltwaterterras
Terras ontstaan uit een stuwmeer dat ontstond bij het smelten van ijskappen (tijdens de één na laatste ijstijd, het Saalien). Vanaf de hellingen van de stuwwal spoelde een grote hoeveelheid zand en grind het stuwmeer in en zette aan de rand daarvan zandterrassen af. Omdat het waterpeil van het meer in de loop van de tijd sterk wisselde, is de hoogte van deze smeltwaterterrassen heel verschillend. Smeltwaterterrassen hebben een hobbelig reliëf door het voorkomen van smeltwaterruggen en doodijsgaten. Het grootste smeltwaterterras in Nederland ligt rond Elspeet op de Veluwe. Een smeltwaterterras wordt ook wel eens aangeduid met de Scandinavische naam kame of kame-terras.

Smeltwatervlakte
Vlakte nabij stuwwal waar het landijs nooit gekomen is en dus nooit opgestuwd is, bijvoorbeeld de vlakte tussen Wolfheze en Heelsum.

Tjasker
Klein houten molentje, vaak gebruikt om veenputten droog te malen, kan max. 10 ha. bemalen

Urnenveld
Veld waar de urnen van de gecremeerde doden onder een grafheuvel werden bewaard (1100-500 v. Chr.)

Zudden
Als brandstof gestoken heideplaggen (Noord-Nederland)

Zuwe
Dijk dwars op de hoofddijk (o.a. Baambrugse Zuwe bij Vinkeveen), zie ook zijdewende en ziendijk