Kopie van `RU Nijmegen - Animal Ecology and Ecophysiology`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


RU Nijmegen - Animal Ecology and Ecophysiology
Categorie: Planten en dieren > Ecologie
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 39


abiotiek
het totaal aan abiotische factoren (fysiche en chemische)

antropogeen
Door de mens gemaakt. Ontstaan door menselijke activiteit.

benthisch
Op of in de bodem levend. Het heeft betrekking op dieren. Men spreekt van epifauna wanneer de dieren op de bodem leven en van infauna wanneer ze ingegraven zijn.

biotoop
Plaats waar een dier of plant geheel in zijn omgeving ingepast is - homogeen groei- of woongebied - Gebied met karakteristieke levensomstandigheden, gekenmerkt door een bepaalde flora en fauna.

branding
Zone langs de kust waar als gevolg van evenwichtsverlies door onvoldoende waterdiepte de top of de voorzijde van de golven schuimend spat.

eco-elementen
Een eco-element geeft een mogelijke toestand van (een deel van) een ecotoop aan, gebaseerd op specifieke informatie met betrekking tot een soort(-groep).

ecosysteem
Het milieu en de daarvoor karakteristieke levensgemeenschappen - Een ecosysteem wordt gevormd door een ruimte waarin levende organismen en dode materie samen functioneren om een uitwisseling van materie te organiseren tussen de levende en niet levende delen.

ecotoop
Ecotopen zijn ruimtelijk te begrenzen ecologische eenheden, waarvan de samenstelling en ontwikkeling worden bepaald door abiotische, biotische en antropogene condities ter plaatse. Een ecotoop is een herkenbare, min of meer homogene landschappelijke eenheid

ecotopenstelsel
Een ecotopenstelsel is een classificatiesysteem van ecotopen waarin de van belang zijnde ecotopen in een gebied (watersysteem) op overzichtelijke wijze gerangschikt zijn. Kenmerkend voor een ecotopenstelsel is dat de indelingskenmerken van het stelsel zijn gekoppeld aan beleids- en beheersmaatregelen.

elementen
Storm, regen, hagel, sneeuw enzovoort.

epifyt
Plant die leeft op een ander organisme maar geen parasiet is.

estuarium
a. Een estuarium is een overgangsgebied tussen één of meerdere rivieren en de zee, waar naast de rivierafvoer het getij een meer of minder sterke invloed heeft op de waterbeweging, en zoet en zout water elkaar ontmoeten. Het getij is het belangrijkste fysische proces dat het getijdengebied vorm geeft en in stand houdt.`
Als overgangsgebied is het estuarium rijk aan gradiënten in processen en milieufactoren, en daarmee samenhangend gradiënten in en een grote variatie aan biotopen en levensgemeenschappen. Kenmerkende gradiënten zijn:
- de overgang in hydrologische en morfologische dynamiek, van rivierdynamiek naar zeedynamiek;
- de overgang van het zoete rivierwater naar het zoute zeewater;
- de overgang van riviersediment naar zeesediment;
- de overgang van zoetwaterorganismen naar brak- en vervolgens zoutwaterorganismen;
- een landschappelijke gradiënt. Aan zeezijde heeft het gebied een open karakter, met brede stroomgeulen, omzoomd door strand en duinen aan de kust en door brede slikken en gorzen meer landinwaarts. Stroomopwaarts verschijnt in toenemende mate opgaande begroeiing langs de oevers. Dit zet zich verder door tot in het rivierlandschap van ooibossen in het bovenrivierengebied.
b. Estuaria zijn overgangsgebieden tussen één (of meerdere) rivier(en) en de zee, waar de watermassa in beweging is onder invloed van de rivierwaterafvoer en het getij, bestaande uit 3 zones: 1) een zoetwatergetijdengebied, 2) een middengebied waar zoet rivierwater en zout zeewater zich mengen en 3) een kustzone (naar Day et al.

eulitorale zone
De zone tussen springtij-hoogwater en springtij-laagwater, de eulitorale zone, kan opgedeeld worden in 3 verschillende zones, de zone tussen springtij-hoogwater en gewoon hoogwater heet hoog-eulitoraal, de zone tussen gewoon hoogwater en gewoon laagwater heet midden-eulitoraal, en de zone tussen gewoon laagwater en springtij laagwater heet laag-eulitoraal.

fysiotoop
Een fysiotoop is een eenheid die homogeen is voor wat betreft de abiotische omstandigheden die van belang zijn voor de biotische aspecten. Bij gelijk beheer, een zelfde ontwikkelingsstadium, en zonder extreme omstandigheden in het recente verleden (storm, ijsgang, e.d.) zijn fysiotoop en ecotoop dezelfde ruimtelijke eenheid.

gebruiksdynamiek
Gebruiksdynamiek: bewuste inrichtings- en beheersinvloeden door de mens (scheepvaart, winning van grondstoffen, recreatie, visserij et cetera).

getij
Iedere dag is het twee keer eb en vloed. Beide duren ongeveer 6 uur. Tijdens eb stroomt het water van het strand weg. Als het water op zijn laagst is is het laagwater. Bij vloed is dat precies omgekeerd, Het hoogste punt van de vloed heet hoogwater.
De getijden worden veroorzaakt doordat de zon en de maan een aantrekkingskracht uitoefenen op de aarde. Op vloeistoffen (zoals de zee) werkt die kracht veel sterker als op vaste stoffen (de werelddelen).
De aarde draait om haar as, de maan om de aarde en de aarde om de zon. Door deze bewegingen en de aantrekkingskracht ontstaan de getijden.
De aantrekkingskracht van de zon en de maan is min of meer gelijk omdat de zon weliswaar groter is, maar verder weg staat als de maan. Als de maan en de zon op één lijn staan is de aantrekkingskracht extra sterk. De vloed is dan extra hoog en de eb extra laag. Dit heet springtij. Dit komt twee keer per maand voor.
Als de zon en de maan in een rechte hoek ten opzichte van elkaar staan is de aantrekkingskracht extra klein, en is het verschil tussen hoog- en laagwater ook kleiner. (http://swg.jnm.nl/waarwatwanneer.html)
zie ook http://www.waddenzee.nl/dutch-ecomare-NED0009.HTM

getijdengeul
getijslag of getijverschil
Het verschil in waterstand bij hoogwater en laagwater van een bepaald getijde.

GIS
Geografische Informatie Systemen (GIS) behoren tot de Geografische Informatiekunde. Dat is dit de wetenschap die zich bezighoudt met het via computers laten werken van Geografische Informatie Systemen (GIS). Een GIS is een divers informatiesysteem, dat zich richt op geografische informatie en het genereren, het verwerken, het opslaan en en het manipuleren van deze gegevens. Er bestaan vele soorten van GIS. Het kan zich bijvoorbeeld toeleggen op cartografie (landkaarten), en-of statistiek van land, provincie, stad-dorp in diverse vormen als bijvoorbeeld bevolkingsdichtheid of toepassingen voor beroepssectoren.

gors
zie schor: Buitendijks gebied dat alleen bij uitzonderlijk hoog water overstroomt. Geheelbegroeide op- of aanwas. Elders in Nederland ook wel gors (met name Zuid-Holland) of kwelder (met name Friesland en Groningen) genoemd.

habitat
Een habitat is de leefomgeving waarin een bepaalde soort leeft. Een soort kan verschillende habitats nodig hebben in de loop van een jaar of zijn levenscyclus. Deze habitats kunnen bij elkaar liggen (bijvoorbeeld lage zandplaat - hoge zandplaat; lage zandplaat - sublitoraal) of in verschillende gebieden liggen (bijvoorbeeld toendra Siberië - Waddenzee).

hardsubstraat
Harde ondergrond die begroeid kan worden met organismen.

hydrodynamiek
Hydrodynamiek: fysische en chemische invloeden van water (duur, diepte en tijdstip van overstroming, stroming, golfslag alsook kwaliteit van het water)

intergetijdengebied
Het gebied gelegen tussen hoog- en laagwater

kwelder
zie schor: Buitendijks gebied dat alleen bij uitzonderlijk hoog water overstroomt. Geheelbegroeide op- of aanwas. Elders in Nederland ook wel gors (met name Zuid-Holland) of kwelder (met name Friesland en Groningen) genoemd.

landschap
Landschap: onze waarneming van de buitenomgeving (aardoppervlak), met inbegrip van de talrijke functies en hun samenhang, en ontstaan door de werking van gesteente, water, lucht, planten, dieren en de mens.
Een landschap wordt wel omschreven als een complex van relatiesystemen, dat gemaakt is en in stand gehouden wordt door de wisselwerking van levende en niet-levende natuur, inclusief de mens.

litoraal
Het gebied dat bij elke vloed wordt overspoeld.

lutum
Lutum bestaat uit plaatvormige deeltjes met afmetingen kleiner dan 0,002 mm.

mediaan
De mediaan is het midden van een verdeling, dat wil zeggen dat 50% van de getallen onder de mediaan ligt en 50% erboven.

Morfodynamiek
Morfodynamiek: mechanische krachten die worden uitgeoefend door water en sediment (erosie, transport en afzetting van sediment; stroming van water en golfslag);

orbitaalsnelheid
De orbitaalsnelheid is de stroomsnelheid aan de bodem van een golf. Een golf is in feite een rondgaande beweging, die onderaan op de bodem aangrijpt. Een maat voor de hoeveelheid energie waarmee een golf aangrijpt op de bodem is de snelheid waarmee die beweging langs de bodem gaat. De orbitaalsnelheid veroorzaakt evenals de lineaire stroomsnelheid een bodemschuifspanning en eventueel resuspensie. De orbitaalsnelheid is een functie van de golfhoogte en de diepte, waarbij in ondiep water de invloed op de bodem het grootst is.

saliniteit
Saliniteit wordt gedefinieerd als het totaal gewicht in gram van anorganische zouten in één kilogram water en het gehalte wordt aangegeven in gewichtspromilles ($) of grammen per kilogram (en is daardoor dimensieloos). De saliniteit van de Noordzee ligt tussen de 34 en 35 $. De chlorositeit, g Cl --l, berekent men door de saliniteit te delen door 1,81.

schor
Buitendijks gebied dat alleen bij uitzonderlijk hoog water overstroomt. Geheelbegroeide op- of aanwas. Elders in Nederland ook wel gors (met name Zuid-Holland) of kwelder (met name Friesland en Groningen) genoemd.

strijklengte
De ononderbroken afstand waarover de wind over het water kan waaien, noemt men de strijklengte. De strijklengte is bepalend voor de grootte van de golven.

sublitoraal
Het gebied onder de laagste laagwaterlijn dat nooit droogvalt.

successie
Progressieve vervanging van een levensgemeenschap door een volgend stadium.

supralitoraal
Gebied boven de hoogwaterlijn dat zelden wordt overspoeld. Wordt ook wel de spatzone genoemd.

trekbaan
Trekbanen worden wel omschreven als soortspecifieke trekroutes van vogels. Voor wadvogels worden er wereldwijd 10 grote onderscheiden. http://oud.refdag.nl/weet-991109weet05.html

Veenbank
Deze zijn ontstaan in een periode dat de lage delen van Nederland in feite grote moerassen waren waarin op grote schaal veen kon ontstaan. Later werd dit veen overspoeld door zeewater en werd er een kleilaag op afgezet. Grote delen zijn ingepolderd en liggen in de polders van ons land

zoutgehalte
zie saliniteit: Saliniteit wordt gedefinieerd als het totaal gewicht in gram van anorganische zouten in één kilogram water en het gehalte wordt aangegeven in gewichtspromilles ($) of grammen per kilogram (en is daardoor dimensieloos). De saliniteit van de Noordzee ligt tussen de 34 en 35 $. De chlorositeit, g Cl --l, berekent men door de saliniteit te delen door 1,81.