Kopie van `CIB chronische inflammatoire bindweefselziekten terminologie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


CIB chronische inflammatoire bindweefselziekten terminologie
Categorie: Medisch
Datum & Land: 15/02/2007, BE
Woorden: 181


Acuut
Plotseling opkomend, met een snel verloop en hevige verschijnselen.

ANA/ANF
Anti-Nucleaire Antistoffen-Factor. Autoantistof gericht tegen eigen kern-antigenen. Deze stof komt bij verschillende systeemziekten voor.

Anamnese
Voorgeschiedenis van een ziekte, zoals die uit de mededeling van de patiënt gereconstrueerd kan worden.

Anatomie
Leer van de structuren (beenderen, spieren, bloedvaten enz.) in levende wezens.

Anemie
Bloedarmoede, tekort aan rode bloedcellen.

Anti-centromere antistoffen
Antistoffen gericht tegen een celkern. Ze worden geassocieerd met het CREST-syndroom. De plaats waar twee delen van een chromosoom aan elkaar vastzitten is de centromeer.

Anti-DNA antistoffen
Antistoffen gericht tegen het DNA. Ze komen bij ongeveer 75% van alle patiënten met lupus en bij 90% van de patiënten die een opstoot hebben.

Anti-Jo-1 antistoffen
Antistoffen die worden gevonden bij poly- en dermatomyositis.

Anti-RNP antistoffen
Antistoffen tegen RiboNucleoProteïne die voorkomen bij verschillende chronische inflammatoire bindweefselziekten. Bij MCTD komt ze echter in veel grotere hoeveelheden voor.

Anti-Scl-70 antistoffen
Antistoffen die vrij typisch zijn voor sclerodermie.

Anti-Sm antistoffen
Vrij typisch voor lupus, maar eerder zeldzaam. Sm staat voor Smith, de naam van de eerste patiënt bij wie ze werden gevonden.

Anticardiolipine antistoffen
Ook genoemd ‘antifosfolipide antistoffen’. Richten zich tegen bepaalde delen van de celwand. In samenwerking met andere elementen beïnvloeden ze de stolling van het bloed. Fosfolipiden zijn de belangrijkste vetachtige stoffen (bouwstenen) die je nodig hebt om gezonde celmembranen (wanden van een cel) te vormen.

Antifosfolipide antistoffen
Zie anticardiolipine antistoffen.

Antigeen
Elk bestanddeel dat de vorming van antistoffen uitlokt doordat het door ons immuunsysteem als vreemd worden ervaren.

Antilichaam - Antistof
Eiwit dat gevormd wordt als reactie op het binnendringen van een antigeen. Het gaat daarmee een binding aan om de schadelijke werking ervan teniet te doen.

Antimalariamiddelen
Medicijnen die oorspronkelijk werden gebruikt om malaria te behandelen. Ze blijken ook effectief te zijn tegen bepaalde bindweefselziekten.

Antistoffen
Eiwitten die door het natuurlijke afweersysteem aangemaakt worden om antigenen te herkennen en te binden.

Arteritis
Slagaderontsteking (‘-itis’: ontsteking).

Artralgie
Gewrichtspijn.

Artritis
Gewrichtsontsteking. Symptomen zijn: pijn, zwelling, roodheid, warmte.

Atrofie, atrofiëren
Het afnemen in grootte en gewicht van een cel, orgaan of lichaamsdeel. Spieren atrofiëren al bij een ongeveer 14 dagen aanhoudende verlamming.

Autoantistof
Antistof die zich bindt aan eigen (`auto`: zelf) bestanddelen in plaats van aan lichaamsvreemde dingen.

Autoimmuniteit
Bij autoimmuniteit gaat er iets fout met het verdedigingssysteem, de immuniteit. In plaats van de afweer te richten tegen vreemde indringers (bacteriën, virussen ...), valt ze lichaamseigen cellen aan, door in hoge mate autoantistoffen te produceren die ontstekingsziekten veroorzaken: autoimmuunziekten. Onze weerstand richt zich tegen onszelf.

Bakercyste
Blaasje dat ontstaat in de kniekuil en in verbinding staat met het kniegewricht. Vanuit het kniegewricht wordt het opgevuld met knievocht.

Basale membraam
Membraneuze (d.i. vliezige) basisstructuur onder een bepaalde cellaag van bijv. de opperhuid.



Bindweefsel
Weefselsoort in het lichaam die de andere weefsels of organen verbindt en steunt.

Bindweefselcellen
Bindweefsel-vormende cellen.

Bindweefselziekte
Autoimmuunziekte waarbij de aanmaak van autoantistoffen ontstekingen veroorzaakt.

Biopsie
Het wegnemen van een stukje weefsel uit het lichaam voor verder (microscopisch) onderzoek.

Bloed
Deze lichaamsvloeistof bevat onder andere:
- rode bloedcellen of erytrocyten, die zorgen voor het zuurstoftransport vanuit de longen naar de verschillende organen;
- witte bloedcellen of leukocyten, die een rol spelen bij de verdediging tegen infecties en de opbouw van immuniteit;
- bloedplaatjes, die zorgen voor de bloedstolling.

Bloedarmoede
Anemie of bloedarmoede wijst op een tekort aan rode bloedcellen.

Bloedplaatjes of trombocyten
Bloedlichaampjes die een rol spelen bij de bloedstolling.

Bursitis
Slijmbeursontsteking.

Capillair
Haarvat

Carpale-tunnelsyndroom
Hierbij is de mediane handzenuw geklemd in de voorvlakte van de pols. Dit veroorzaakt tintelingen en soms hevige pijn.

Cataract
Ooglensvertroebeling.

Cel
Kleinste levende eenheid. Alle lichaamsweefsels en alle organen zijn opgebouwd uit (gespecialiseerde) cellen. Een cel is onzichtbaar klein. In elke cel zit een kern, die al ons erfelijk materiaal (DNA) bevat.

Chromosoom
Drager van het erfelijk materiaal van levende wezens; bevat de genen die opgebouwd zijn uit DNA.

Chronisch
Herhaaldelijk terugkerend, met blijvend, slepend verloop, in tegenstelling tot ‘acuut’.

Collageen
Lijmvormende eiwitstof die een hoofdbestanddeel van bindweefsel is.

Collageenvezels
Zeer sterke vezels, samengesteld uit eiwitten. Zij vormen o.a. een netwerk dat het kraakbeen verbindt met het onderliggende bot.

Complement
Een complex systeem van verscheidene activeerbare eiwitfactoren die onmisbaar zijn voor de werking van onze immuniteit. Deze worden geactiveerd wanneer het lichaam zich moet verdedigen tegen `indringers`.

Congestie
Ophoping

Cortison
Hormoon dat door de bijnieren wordt aangemaakt (de bijnieren zijn klieren die boven de nieren liggen). Het is ook een synthetisch gefabriceerd medicijn, dat wordt gebruikt om ontstekingen krachtig en snel te onderdrukken.

Creatinine
Stof in de urine die wordt gemeten om de functie van de nieren na te gaan. De creatinine en klaring van creatinine zijn een maat voor het filtratievermogen van de nierlichaampjes en daarmee voor de hoeveelheid functionerend nierweefsel in het algemeen.

CREST-syndroom
Kan als variant van progressieve systeemsclerose beschouwd worden. Zie de pagina over sclerodermie.

CRP
C-Reactief Proteïne: eiwit dat in het bloedonderzoek gebruikt wordt als maat van ontsteking.

Cutaan
Via of met betrekking tot de huid.

Dermatomyositis
Het samengaan van polymyositis met een bepaald soort huidontstekingen (‘derma’: huid).

Diagnose
Vaststelling van de aard van een ziekte.

Differentiële diagnose
Vaststelling van de aard van een ziekte door vergelijking van de kenmerken van verschillende ziekten.

Diffuse scleroderma
Sclerodermie met huidletsels aan de ledematen en de romp.

Diffuus
Verspreid, zonder bepaalde grenzen.

Discoïde lupus
Huidlupus waarbij enkel huidaantastingen voorkomen zonder aantasting van inwendige organen.

DMARD
Disease Modifying Anti-Reumatic Drug; ziektewijzigende antireumatische medicatie.

DNA
Desoxyribonucleïnezuur, d.i. in de chemie een dubbele spiraal van hoofdzakelijk nucleïnezuren die de chemische codering bevatten van onze erfelijke eigenschappen.

Dubbelblind onderzoek
Studie waarbij noch de patiënt, noch de behandelende arts weten of de patiënt het actieve geneesmiddel of een placebo krijgt toegediend.

Dysfagie
Slikstoornis.

Dyspneu
Ademnood, kortademigheid.

Echografie
Onderzoek met ultrasone golven.

Eiwit
Proteïne, opgebouwd uit aminozuren. Acute-fase eiwitten zijn plasma-eiwitten die in concentratie toenemen tijdens een ontstekingsproces.

Endemisch
Inheems, d.w.z. in een bepaald gebied voortdurend als ziekte aanwezig; verbonden met eigenaardige plaatselijke omstandigheden.

Enzym
Eiwit dat bepaalde processen in een organisme, bijv. stofwisseling en spijsvertering, kan veroorzaken of versnellen.

Epidemie
Snelle verspreiding van een ingevoerde besmetting, onder een meer of minder groot deel van de bevolking.

Epidemiologie
Studie van het verband tussen de frequentie en verbreiding van bepaalde ziekten en factoren waardoor ze veroorzaakt zouden kunnen worden.

Erytheem
Rode uitslag van de huid.

Estrogeen
zie Oestrogeen

Exantheem
Huiduitslag.

Farynx
Keelholte

Fibroblasten
Jonge bindweefselcellen waaruit de bindweefselvezels voorkomen.

Fibrose
Toename van bindweefsel in een orgaan.

Flebitis
Ontsteking van een ader.

Fotosensitiviteit
Overgevoeligheid voor zonlicht, waardoor huidafwijkingen kunnen ontstaan.

Fysiologie
Studie van de functies van de verschillende organen en hun coördinatie.

Gangreen
Afsterven van weefsels of lichaamsdelen door onvoldoende bloedsomloop, bijv. bij brandwonden. Andere term: necrose.

Gen
Deel van een DNA-molecuul dat de code van één eigenschap bevat; drager van een erfelijke eigenschap.

Gewricht
Plaats waar twee beenderen met elkaar in contact komen en moeten kunnen bewegen.

Gewrichtsband
Vezelachtige band ter versterking van een gewricht of om bewegingen daarvan te beperken.

Gewrichtskapsel
Het bindweefsel dat zich aan de binnenzijde van de gewrichtsbanden bevindt en het gewricht omsluit.

Gewrichtskraakbeen
Zacht maar zeer sterk weefsel bestaande uit kraakbeencellen, collageenvezels en een soort gel. Het bevat noch zenuwen noch bloedvaten. Het bevindt zich aan de uiteinden van twee beenderen om het contact te verzachten en heeft de functie van een stevig elastisch kussen.

Gingivitis
Tandvleesontsteking.

Glaucoom
Verzamelnaam voor verschillende oogaandoeningen die zich alle kenmerken door een verhoogde oogdruk.

Gordelroos
Infectieziekte gepaard gaande met huiduitslag, waarbij het middel, de borst enz. als een gordel van rode blaasjes is omgeven. Andere benamingen zijn herpes zoster en zona.

Haarfollikel
Haarzakje, huidkliertje.

Hallux valgus
Scheefgroei van de grote teen, waarbij zich aan de basis een knobbel vormt.

Hartzakje, ook ‘pericard’
Dubbel vlies dat het hart omgeeft.

Hematocriet
Hoeveelheid rode bloedcellen in het bloed.

Hemoglobine
Proteïne (eiwit) dat verantwoordelijk is voor het transport van de zuurstof in het bloed.

Hemolytische anemie
Anemie die veroorzaakt wordt door de vernietiging van rode bloedcellen door antistoffen.

Histamine
Stof die in vele organen voorkomt en een verwijding van de bloedvaten veroorzaakt; ze speelt ook een rol bij allergische verschijnselen. Histamine wordt vrijgegeven door de zogenaamde mestcellen, een soort witte bloedcellen, die een belangrijke rol spelen in ons afweermechanisme.

HLA-DR4 (zie ook HLA-eiwit)
Elke mens is drager van een hele reeks HLA-genen (Humane Leukocyten Antigenen-systeem). Deze zijn verschillend van mens tot mens. Alles samen werden al tientallen verschillende HLA-eiwitten gevonden. Deze kregen elk een `naam` bestaande uit een letter en een nummer, bijv. DR4, B27.

HLA-eiwit
Human Leucocyte Antigen, een eiwit dat antigenen presenteert aan T-cellen. HLA- antistoffen worden enkel gevormd na contact met vreemde HLA-antigenen.

Hoornvlies (cornea)
Doorzichtig vlies dat de oogbol aan de voorzijde omsluit.

Hormoon
Chemische stof die door een klier wordt aangemaakt en in het bloed wordt afgescheiden. Heeft een stimulerende werking op bepaalde organen of weefsels.

Hydrotherapie
Bewegingstherapie in water.

Hypertensie
Verhoogde bloeddruk.

Hyperviscositeit
Overdreven kleverigheid, stroperigheid. Kan in het bloed optreden bij zeer hoge hoeveelheden reumafactor.

Hypotensie
Verlaagde bloeddruk.

Idiopathisch
Van onbekende oorzaak.

Immuniteit
Weerstandsvermogen tegen vreemde binnendringende organismen.