Kopie van `NHDB - Terminologie hoenders`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


NHDB - Terminologie hoenders
Categorie: Planten en dieren > Vogels
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 194


Aanslag
een al of niet gewenste kleurbijmenging in veren, snavel of loopbenen.

Axiaal pen
kortere verbindingsveer tussen de grote en kleine slagpennen.

Baard
groep veren, die rondom de keel groeien; meestal wordt de baard door de nog min of meer aanwezige kinlellen verdeeld in een baard en twee bakkebaarden, meestal meer ontwikkeld bij de hen dan bij de haan; hoe krachtiger de baard is ontwikkeld, hoe minder de kinlellen dit zijn; een sterke baardontwikkeling gaat bijna altijd gepaard met een achterwaartse groei van de bovenste halsveren.

Baarden
veerstructuur van de veerrand, ook wel franje genoemd.

Bakkebaard
achterwaarts gerichte groep veren die aan weerszijde van de meer of minder nog aanwezige kinlellen groeit.

Bantam
een in Nederland in onbruik geraakt woord voor krielhoen; in het verleden werden Java krielen aangeduid met Bantams.

Been
bestaande uit dijbeen , onderdijbeen, loopbeen en tenen; loopt in lengte, dikte, kleur en aantal tenen uiteen.

Beenbevedering
veren groeiende aan het onderdijbeen, loopbeen en tenen. Bef

Bek
hoornachtige monduitsteeksels, bestaande uit boven- en ondersnavel.

Bekerkam
een kam, welke stevig op het midden van de schedel rust; begint als enkele kam boven de snavel om zich daarna te splitsen en van achteren rond te gaan, zodat door de kamtanden een soort kroon wordt gevormd.

Bijsikkel
gebogen, min of meer sikkelvormige staartdekveer bij de haan.

Bladerkam
een samenstel van twee kleine enkele kammen, getand, met bladachtige randen.

Bolstaart
ontbreken van de staartpennen en bij hanen bovendien van de sikkels (veroorzaakt door ontbreken van het staartbeen). Het einde van de rug wordt afgedekt door zadelbehangveren resp. zadelkussenveren.

Broek
overdadige losse bevedering van dijen en achterdeel.

Buff
aan het Engels ontleende benaming voor warm goudgeel, een kleur voorkomende bij verschillende hoenderrassen, welke niet zo diep is dat ze roodachtig aandoet, noch zo licht, dat ze koperachtig of lichtgeel uit ziet.

Bultrug
gebogen rug (veroorzaakt door misvorming van heupbeen of bekken).

Conditie
gezondheidstoestand waarin het dier zich bevindt.

Conditioneren
in tentoonstellingsvorm brengen van rashoenders door aanwending van geoorloofde verfraaiingmiddelen.

Dakstaart
horizontaal ingeplante staartstuurveren; bij de meeste rassen een fout.

Dijbeen
gedeelte van het been lopende van het bekken tot het kniegewricht.

Diskwalificatie
straf toegepast op fokkers of dieren, hetzij wegens het toepassen van ongeoorloofde middelen bij het exposeren met het oog om prijzen te winnen of een hogere prijs te bedingen, hetzij een fout waardoor een dier van een bekroning wordt uitgesloten.

Dons
eerste bevedering van jonge kuikens; soort vedergroei, welke aan iedere veer, dicht bij de huid van het hoen, voorkomt.

Donspartij
zachte veren rondom buik en achterdeel van het hoen; ook wel de donsachtige veren bij de dijen of het zachte, donsachtige gedeelte van de veren.

Doorbroken halstekening
schachtstreeptekening die doorloopt in de buitenzoom.

Draaiveer
veer met om de lengteas gedraaide schacht.



Drie-bogen-lijn
lijn van hals (gebogen), rug (gebogen) en staart, hangend en gebogen bij Maleiers en de krielvorm van dit ras.

Driedelige baard
baard, die bestaat uit twee bakkebaarden en daartussen een kinbaard. Een duidelijke afscheiding tussen de drie baardgedeelten is waarneembaar.

Dubbelgezoomd
tekening bestaande uit een brede randzoom en een smallere binnenzoom, evenwijdig aan de randzoom.

Duimveer
veer groeiende aan het verst van het lichaam verwijderde deel van de vleugel .

Dwerghoen
andere naam voor krielhoen.

Eekhoornstaart
staartdracht ten opzichte van de ruglijn groter dan 90°

Eendevoet
binnenwaartse stand van de vierde- of achterteen.

Eenkleurig
gevederte van een kleur; bij hoenders voorkomend in buff, zwart, effen blauw en rood (hoewel met enkele zwarte veren) en wit (en dus over het gehele lichaam zonder pigment).

Enkele kam
kam bestaande uit een enkele, vleesachtige, getande kamformatie, zich uitstrekkende van de snavelbasis achterwaarts over de schedeltop.

Erwtenkam
drierijige kam van middelmatige grootte, bestaande uit drie rijen erwtvormige verhevenheden op de kambasis; de middelste is de hoogste en toont de krachtigste verhevenheden.

Evolutie
geleidelijke vorming of omvorming.

Exchequer
zwart-witte veerkleur, asymmetrisch ten opzichte van de veernerf, waarbij het wit overheerst over het zwart, derhalve de meeste plaats inneemt. Komt voor bij de Nederlandse Leghorns, die dan als zwartbont tentoongesteld worden.

Fazantachtige staartdracht
lage, achterwaartse staartdracht.

Flitter
omzoming van de veren bij patrijs goudflitter, blauwpatrijs goudflitter en zilverpatrijs zilverflitter Leghorns. Is bij deze kleurslagen een eis. Flitter komt ook voor als fout, nl. bij patrijs en zilverpatrijs hennen.

Fokker
degene, die strikt genomen de bezitter is van de dieren, uit welker eieren hij de nakomelingen daarvan heeft gefokt; verder volgens een algemeen aanvaard begrip degene, bij wie de nakomelingen uit eieren al of niet van eigen dieren zijn geboren en grootgebracht.

Foktoom
toom waarvan de samenstelling is geschied met het oogmerk om er goede nakomelingen van te verkrijgen.

Franje
veerstructuur van de veerrand, ook wel baarden genoemd.

Fraude
ongeoorloofde handeling bij het conditioneren en exposeren van hoenders, welke gestraft wordt met diskwalificatie van het betrokken dier of al de ingezonden dieren van de overtreder en in ernstige gevallen met diskwalificatie van de overtreder voor kortere of langere tijd.

Geband
in het Vlaamse gedeelte van België veel gebruikte aanduiding voor een zware pelling zoals die bij Braekels voorkomt. De donkere banden zijn driemaal zo breed als de lichte.

Gebroken schachtstreeptekening
een onderbroken schachtstreeptekening die bij de Welsumers een kenmerk, en bij andere rassen met schachtstreeptekening een fout is.

Gedoken type
houding van een hoen, waarbij de bovenzijde van de kam op een lijn ligt met de bovenkant van de staart.

Geloverd
tekening bestaande uit een ovale of peervormige vlek aan het einde van de veer.

Gemarmerde ogen
onregelmatig gekleurde iris.

Generfd
veerschacht van het veerachtige gedeelte van de veer, welke lichter of donkerder is dan de kleur van de vanen; soms een standaard eigenschap, meestal een fout.

Gepareld
tekening bestaande uit een klein ruit- of parelvormig vlekje aan de punt van de veer.

Gepeld
tekening bestaande uit bandjes, die dwars over de veer lopen en in breedte, fijnheid en aantal bij de verschillende gepelde variëteiten niet onbelangrijk uiteen lopen, of symmetrisch aan weerszijden van de schacht geplaatste vlekjes.

Gepeperd
heel fijne zwarte puntjes op bvb. patrijs getekende hennenveren; bij enkele kleurslagen een raskenmerk en bij sommige kleurslagen, zoals goud- en zilvergezoomde, goud- en zilvergeloverde (hoofdzakelijk voorkomende in de staart) een fout.

Gespleten borst
borstbevedering die een duidelijke scheiding in het midden vertoont.

Gespleten kuif
kuif die een duidelijke scheiding in het midden vertoont.

Gespleten vleugel
vleugel waarbij tussen de grote en kleine slagpennen een opening aanwezig is.

Gestreept
tekening, bestaande uit strepen of banden, welke dwars over de veer lopen.

Getand
insnijdingen van het kamblad als de tanding van een zaag.

Getekend
gevederte van meer dan een kleur; hiertoe behoren alle andere kleurslagen en ook gezoomd blauw.

Getipt
(zie gepareld).

Getoept
een enigszins afwijkende lovertekening.

Gevlekte veer
veer met onregelmatig dooreengemengde kleuren.

Gezicht
naakte of nagenoeg naakte huid aan de kop van het hoen rondom en beneden de ogen.

Gierhak
een groep lange stijve en gesloten veren welke aan de buitenzijde van de benedendijen groeien en achterwaarts naar beneden staan gericht; een fout bij sommige vedervoetige rassen, een raskenmerk bij enkele andere. De gierhak komt alleen bij vedervoetige hoenders voor.

Gloed of glans
bijzondere `levendigheid` van het gevederte, waardoor schittering aan de bovenkleur wordt gegeven.

Hak
hielgewricht.

Halsbehang
de gezamenlijke lange, smalle veren, welke bij de haan aan de nek groeien.

Halskraag
halsbehang van de hen ; soms ook de volle. dikke halsbevedering aanwezig bij hanen van zachtvederige, donsrijke rassen en bij die met sterke baardvorming .

Halsveer
lange, smalle, puntige sierveer, groeiende aan de hals van de haan.

Hanen-kleurige hen
een bij weinig rassen voorkomende overmatige ontwikkeling van sierveerglans bij hennen, of bij goudflitter Leghorn-hennen; dit verschijnsel gaat steeds gepaard met min of meerdere hanen-vederigheid.

Hanen-vederige hen
een bij weinig rassen voorkomende overmatige ontwikkeling van de sierveren van de hen; soms een fout, soms een raskenmerk.

Hanenfok-hen
hen geschikt om hanen van te fokken van standaardtype en tekening.

Hanenfok-toom
toom samengesteld voor het fokken van hanen die aan de standaardeisen voldoen.

Hangkam
kam, welke naar een zijde overhangt.

Hangvleugel
los tegen het lichaam gedragen vleugel met vleugelpunt beneden het horizontale; een fout bij zware en middelzware rassen; eerst dan een fout bij lichte en krielrassen, wanneer de vleugel nog lager wordt gedragen dan bij het betrokken ras wordt verlangd.

Hard
eigenaardige vaste, hard aanvoelende spierontwikkeling en glad aanliggende, weinig donsachtige bevedering, welke bij vechthoenderrassen wordt vereist.

Helmkuif
uit recht omhoog staande veren samengestelde kuif.

Hennen-kleurige haan
hanen-bevedering, welke gelijkt op die van de hennen van de betreffende kleurslag; deze eigenaardigheid gaat als regel gepaard met een meerdere of mindere mate van hennen-vederigheid.

Hennen-vederige haan
hanen-bevedering, welke nagenoeg gelijkt op die van de hennen.

Hennenfok-haan
haan geschikt om hennen van te fokken van standaardtype.

Hennenfok-toom
toom samengesteld voor het fokken van hennen. die aan de standaardeisen voldoen.

Hoefijzertekening
zoomtekening beperkt tot het einde van de veren.

Hoornkam
bestaat uit twee opwaarts gerichte kegelvormige hoorntjes.

Hoornkleur
kleur van bek en nagels, meestal donker bij donkergekleurde variëteiten en licht bij lichtgekleurde variëteiten.

Houding
lichaamsdracht of -stand van een hoen.

Iris
regenboogvlies van het oog; de kleur ervan bepaalt de oogkleur.

Kalkbenen of kalkpoten
korstvorming en ogenschijnlijk kalkachtige ontwikkeling op en tussen de schubben van loopbeen en tenen, veroorzaakt door kalkpootmijten.

Kam
vleesachtige ontwikkeling boven op de kop van het hoen; er bestaan verschillende kamsoorten, terwijl sommige van die kamsoorten nog weer in verschillende vormen en grootten voorkomen bij hoenders.

Kambasis
gedeelte van de kam boven op de schedeltop.

Kamblad
deel van de enkele kam dat zich bevindt tussen de basis en de onderkant van de kamtanden.

Kambult
ongewenste verhevenheid op of aan de kam.

Kamdoorn
doornvormig uitsteeksel dat zich achter aan de rozekam bevindt; lang of kort, recht of gebogen, rond of langwerpig in doorsnee, al naar de eisen van het ras.

Kamfront
gedeelte van de kam boven snavel en voorhoofd.

Kamhiel
achterste gedeelte van de enkele kam, gewoonlijk voorbij het achterhoofd stekend.

Kamtanden
puntige uitsteeksels, welke zich boven aan de kam bevinden; hun aantal varieert van 3 tot 9 stuks, bij de meeste rassen worden 5 tot 6 kamtanden verlangd.

Kamvouw
vouw in enkele kam boven de snavel.

Kamwerk
uitmonstering van het kamoppervlak.

Kapoen
gecastreerde haan, welke gemakkelijk van een gewone haan is te onderscheiden door de geringe ontwikkeling van kam en kinlellen, de geringe ontwikkeling van hals- en zadelbehang en lage staartdracht.

Karperrug
gebogen rug bij hoenders, veroorzaakt door te sterke buiging van benedenrug of kruisbeen. Steeds als diskwalificerende fout te beschouwen, uitgezonderd bijvoorbeeld bij Bergse Kraaiers.

Keelwam
afhangende huidontwikkeling aan de keel; bij Europese rassen weinig en bij sommige Aziatische rassen zeer sterk ontwikkeld.

Kinbaard
kleine baard van wang tot wang lopende, juist de keel bedekkend.