Deze woordenlijst staat niet meer onlineDe woordenlijst waar dit woord in stond bestaat niet meer, of de website is niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.Pagina 0 1 2 3 4 5 6
Aalachtigen Aalachtigen De Vleet behandelt de gewone paling en de congeraal. Aalscholver Aalscholver Aalscholvers horen tot de pelikaanachtigen. Zij broeden in kolonies. Meestal nestelen ze in bomen, maar er zijn ook gevallen bekend van kolonies die op de grond broeden. Op Vlieland doen ze dat bijvoorbeeld in de Kroon`s Polders. Aalscholvers zijn viseters die erom bekend staan dat zij erg goed naar vis kunnen duiken. Dat doen ze zowel in zoet, zout als brak water. Vroeger werd de aalscholver intensief bejaagd omdat men meende dat hij zo veel vis at dat de visserij er onder leed, nu zijn ze beschermd. De aalscholver heeft niet zo`n goede waterafstotende vetlaag als andere watervogels. Daarom zit de aalscholver vaak met gespreide vleugels in de zon om op te drogen. Vestiging van aalscholvers in het Nederlandse waddengebiedIn het Nederlandse waddengebied werd, na eeuwen van intensieve vervolging, het laatste broedpaar in 1904 op Texel gezien. Vanaf 1974 broedt de aalscholver weer in het waddengebied, en wel op het kunstmatige NAM-eilandje De Hond in de monding van de Eems. Lange tijd zijn deze broedgevallen niet gepubliceerd omdat de vogelliefhebbers nooit op dit eilandje kwamen. In 1998 broedden er 135 paartjes. Gedurende de jaren tachtig en negentig werden steeds meer foeragerende en rustende aalscholvers gemeld, ook vanuit de westelijke Waddenzee. De Razende Bol (Noorderhaaks), bij Texel, werd een steeds belangrijker pleisterplaats. Het Zwanenwater (Noord-Holland) werd in 1989 opnieuw gekoloniseerd. De vogels van deze kolonie foerageren tot in de Waddenzee.In 1994 werden voor het eerst broedgevallen gemeld in de westelijke Waddenzee: in de Kroon`s Polders op Vlieland broedden zes paren op grondnesten. Aalscholvers Aalscholvers In het Noordzeegebied spelen twee soorten aalscholvers een rol: in het noorden zijn dat vooral kuifaalscholvers, en in het zuiden de gewone aalscholver. Aardbeivlinder Aardbeivlinder De aardbeivlinder is een vrij zeldzame standvlinder, teruggedrongen tot enkele geïsoleerde locaties. Vroeger was de soort veel algemener. De aardbeivlinder is te vinden in de overgang van droge, schrale graslanden naar vochtige tot natte, schrale graslanden. De dauwbraam is de belangrijkste plant voor deze vlinder. In de duinen van Terschelling en Schiermonnikoog zijn nog grote populaties te vinden. Namen: Ned: Aardbeivlinder Lat: Pyrgus malvae Dui: Kleiner Würfel-Dickkopfalter (Gewönlicher Puzzlefalter) Eng: Grizzled skipper Aardgaswinning in de Waddenzee Aardgaswinning in de Waddenzee In de Nederlandse deel van de Waddenzee wordt op één plek aardgas gewonnen: op de locatie Zuidwal, ten westen van Harlingen. De Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) gaat vanaf 2007 nog meer gas winnen in de Waddenzee. Een deel van de opbrengst vloeit naar het Waddenfonds. In het Nedersaksische waddengebied vindt aardgaswinning op twee locaties plaats, namelijk in de Leybucht en in de Eemsmond. In Denemarken en Hamburg is het winnen van olie en gas in het beschermde deel van het waddengebied verboden. De Nederlandse overheid en de mijnbouwmaatschappijen hadden tot 1995 de afspraak dat het waddengas niet verder zou worden opgespoord en/of gewonnen. Sinds die afspraak is verlopen wil de NAM in het oostelijk deel van het gebied gaan boren. Milieuorganisaties zijn fel tegen de boringen. Zij vrezen voor verstoring, ongelukken en daling van de wadbodem. Eind 1999 werd een verbod op gaswinning afgesproken, maar in 2004 werd er alweer door de Adviesgroep Waddenzeebeleid (`Commissie-Meijer`) voorgesteld om de gaswinning toe te staan. De Commissie was ingesteld om advies te geven over gaswinning en schelpdiervisserij in relatie tot de natuur. Bij het uitkomen van het rapport in 2004 werd voorgesteld om de kokkelvisserij in 7 jaar af te bouwen en gaswinning toe te staan. Maar in 2005 werd de kokkelvisserij in de Waddenzee al verboden. Het kabinet stond positief tegenover dit advies. Het gaat om tenminste 40 miljard kubieke meter, dat 3 miljard euro kan opleveren. Aardgaswinning op de Noordzee Aardgaswinning op de Noordzee In 2000 werd door de gasvelden op het Nederlandse deel van het continentale plat ruim 20 miljard kubieke meter gas geproduceerd. Dat was de kleine helft van de totale Nederlandse gasproductie. Men schat dat er in totaal nog meer dan 300 miljard kubieke meter onder de zeebodem te winnen is. Gaz de France wil op 7 kilometer uit de kust van Schiermonnikoog gaan boren, maar de gemeente Schiermonnikoog is hier tegen. Op het Nederlandse deel van de Noordzee begon de NAM al aan het eind van de jaren vijftig van de met seismisch onderzoek. De belangstelling voor dit gebied nam toe nadat in 1959 het Groningen-gasveld was ontdekt. Het vermoeden dat zich onder het zuidelijke deel van de Noordzee een soortgelijke geologische situatie als in de bodem van Groningen zou kunnen bevinden, leidde tot nader onderzoek. In 1961 werd door de NAM voor de kust bij Kijkduin de eerste verkenningsboring verricht. Dit was de eerste zeeboring in West-Europa. De NAM is erg actief op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat. De maatschappij beschikt over 16 gasproductie- platforms op zee. In totaal staan er zo`n 90 platforms in dit deel van de Noordzee. De NAM voert meestal zelf het werk uit, maar ze neemt ook deel in exploratie- en productieprojecten van andere maatschappijen. Van het aardgas dat de NAM `buiten Groningen` produceert, komt meer dan 40% uit de Noordzee. In mei 2000 kondigde de minister Jorritsma van Economische Zaken aan zo`n 45,5 miljoen euro uit te zullen trekken om oliemaatschappijen meer te interesseren voor exploitatie van de kleine gasvelden op het Nederlands Continentaal Plat. Aardgaswinning Aardgaswinning De Noordzeebodem is een belangrijke leverancier van aardgas. Dit gas is oorspronkelijk ontstaan vanuit ingekoold veen uit het Carboon-tijdperk, zo`n 300 miljoen jaar geleden. Ook onder de bodem van het wad bevinden zich aanzienlijke voorraden, waarvan een deel wordt gewonnen. De gaswinning in de Waddenzee staat al jaren ter discussie. De gaswinning in de Noordzee wordt uitgevoerd door Nederland, Engeland en Noorwegen. De totale productie bedroeg 266 miljoen kubieke meter aardgas in 2001. De winbare voorraad werd begin 2003 geschat op 5000 miljoen kubieke meter. Aardoliewinning Aardoliewinning In 1969 werd het eerste olieveld op de Noordzee aangeboord. Sindsdien is vooral in het midden en noorden van de Noordzee een uitgebreide olie-industrie ontstaan, die voor het grootste deel in Britse en Noorse handen is. In 2002 was de Noordzeebodem goed voor een totaalproductie van 360 miljoen kubieke meter olie. Begin 2003 schatte de offshore-industrie de resterende voorraad op 2700 miljoen kubieke meter olie. Aasgarnaal Aasgarnaal Aasgarnalen heten in het Engels `chameleon shrimp`; ze kunnen hun lichaamskleur veranderen van doorzichtig tot bijna zwart. Meestal zijn ze echter grijs of geelachtig. Ze worden hooguit 25 millimeter lang. Er zijn verschillende soorten, die algemeen voorkomen in de Waddenzee en het kustwater van de Noordzee. Daarnaast zijn er ook typische brakwatersoorten. De aasgarnaal heeft een typische houding: met de kop omhoog zwemmen ze over de zeebodem. Addertong Addertong Addertong is in Nederland zeldzaam behalve in niet ontwaterde duinstreken. Addertong staat het liefst op enigszins vochtig terrein. In de duinvalleien valt addertong meestal te zien in kruipwilg struweel, in combinatie met diverse andere planten. In de rest van het land groeit deze plant op onbemeste, iets vochtige plaatsen, bijvoorbeeld in schrale hooilanden en veengraslanden. Namen: Ned: Addertong Lat: Ophioglossum vulgatum Eng: Adder`s tongue Fra: Ophioglosse vulgaire Dui: Gemeine Natternzunge (Gewöhnliche Natternzunge) Dan: Almindelig Slangetunge Afsluiting van de Lauwerszee Afsluiting van de Lauwerszee De afsluiting van de Lauwerszee is, net als die van andere zeearmen in ons land, eeuwenlang een geweldige uitdaging geweest voor onze waterbouwkundige voorouders. Het is opmerkelijk dat de plannen voor afsluiting van de Lauwerszee eigenlijk zijn ontstaan om de problemen van de afwatering op te lossen en dus niet om het land tegen de zee te beschermen of om land op de zee te winnen. Vooral door verzanding van de geulen in de Lauwerszee verslechterde de afwatering, waardoor in natte perioden grote gebieden in de provincies Groningen en Friesland konden overstromen. De eerste serieuze plannen over de afsluiting dateren uit 1849. Het grootste probleem van dit plan, net als van nieuwere plannen, was het verschil van 30 centimeter in het afwateringspeil tussen Friesland en Groningen. Door dit probleem en andere moeilijkheden werden deze plannen niet uitgevoerd. In de jaren dertig van de vorige eeuw was de Nederlandse Staat begonnen met landaanwinings-werkzaamheden, om zo meer banen te scheppen. Voor de Lauwerszee werd een commissie ingesteld die moest gaan onderzoeken of, en zo ja, hoe, de Lauwerszee het best kon worden afgesloten. De commissie kwam met verschillende plannen, maar die verdwenen uiteindelijk allemaal in de la. De stormvloed van 1953 en de kerstvloed van 1954 bliezen de plannenmakerij nieuw leven in. Men vond nu, in tegenstelling tot vroegere plannen, dat de veiligheid verhoogd moest worden en dat daarom de lengte van de kust zo kort mogelijk gemaakt moest worden. Afvalconvenant voor de visserij Afvalconvenant voor de visserij Sinds 1 januari 1995 functioneert het Convenant Afvalstoffen Visserij. Bijna 90% van de vissersvloot had in 2005 een abonnement bij de Stichting Financiering Afvalstoffen Visserij. De abonnementhouders kunnen in iedere Nederlandse vissershaven het oliehoudend afval inleveren. De hoeveelheid ingezameld afval begint door de werking van het convenant toe te nemen. Scheepsbezoeken door de Kustwacht en de waterpolitie in 1997 wezen uit dat de vissers nu doorgaans netjes omgaan met het afval. De kosten van het jaarabonnement voor de inzameling van het oliehoudend afval hangen af van het scheepstype. Voor kleine schepen tot 295 pk gaat het om 250 euro voor 1000 liter bilge en afgewerkte olie en voor grote schepen met meer dan 1200 pk om 1250 euro voor 8000 liter. De preciese bedragen per scheepstype staan op de website van de Stichting Financiering Afvalstoffen Visserij. Verder mogen deze schepen 50 tot 350 kilogram klein gevaarlijk afval aan wal zetten, zoals vetten, poetsdoeken, verfblikken en batterijen. In 2002 werd er op deze manier in Nederland bijna 1,5 miljoen liter bilge en afgewerkte olie, en 72 duizend kilo klein gevaarlijk afval opgehaald. Andere regelingenDe visserij trof eind 20e eeuw als één van de sectoren in de scheepvaart zelf een regeling met tien afvalinzamelaars in Nederlandse vissershavens. In Den Helder wordt de afgewerkte olie van vissersschepen al langer op abonnementsbasis ingenomen. En op Texel zorgt de plaatselijke visserijcoöperatie al jaren voor een eigen systeem van afvalinzameling en indirecte financiering. Afvalverbranding op zee Afvalverbranding op zee Van 1969 tot 1992 werd op de Noordzee chemisch afval verbrand. Per jaar ging het om honderdduizend ton vloeibaar organochloorafval afkomstig van de chemische industrie. De verbranding van organische chloorverbindingen levert onder meer zoutzuurgas op. Bij verbranding op het land zou dit gas zeer schadelijk zijn voor het milieu en voor de volksgezondheid. Op zee wordt het zoutzuurgas door het zeewater snel geneutraliseerd. Agrarisch natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer is natuurbeheer op landbouwgronden. De belangrijkste functie van deze gronden is productie. Een boer kan tijdens de werkzaamheden rekening houden met de natuurlijke flora en fauna op zijn land. Dit houdt bijvoorbeeld in dat hij voor een bepaalde datum zijn weilanden niet maait, dat hij rekening houdt met de nesten van weidevogels, dat slootkanten niet gemaaid worden, dat het land niet bemest wordt, poelen gegraven worden voor amfibieën, enzovoort. Voor deze maatregelen krijgt de boer een vergoeding van de overheid. De resultaten van agrarisch natuurbeheer vallen in het algemeen echter tegen, zo bleek in 2006. Akkerbouw in Noord-Friesland Akkerbouw in Noord-Friesland Het grootste deel van de akkergrond in Friesland wordt gebruikt voor snijmais. Op de tweede plaats staat de teelt van pootaardappels en consumptieaardappels en de derde plaats graan, met name wintertarwe en zomergerst. In 1990 was mais nog lang niet zo belangrijk, toen werden er vooral aardappels verbouwd. Akkerbouw op Texel Akkerbouw op Texel De akkerbouw op Texel concentreert zich voornamelijk in de jonge polders Eijerland, het Noorden en Prins Hendrik. Naast de klassieke teelten van aardappelen, granen en bieten is de vollegronds-groententeelt sterk in opkomst. Winterbloemkool kan hier goed worden geteeld vanwege het extra zachte klimaat. Ook de teelt van asperges neemt in omvang toe. Akkers die zijn ingezaaid met de groenbemester Phacelia zijn tijdens de bloei erg in trek bij de honingbijen. Akkerbouw Akkerbouw Akkerbouw vindt vooral plaats op de vruchtbare kleigronden. In het Deense kustgebied en in Groningen zijn de grootste akkerbouwgebieden. In Denemarken vindt vooral graanproductie plaats. Tarwe en gerst vormen hier de hoofdmoot. In Sleeswijk-Holstein en Nedersaksen domineert ook de graanteelt op het bouwland. De teelt van voedermais neemt een steeds grotere plaats in. In Groningen vindt men vooral suikerbieten- en aardappelteelt. Het aandeel graan is hier relatief laag. In het westelijk gedeelte van de waddenregio (Noord-Holland en Texel) vindt een bijzondere vorm van akkerbouw plaats. De zanderige gronden aan de binnenduinrand zijn uitermate geschikt voor de teelt van bloembollen. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om tulpen, narcissen, lelies en krokussen. Akkerbouw Akkerbouw Door talloze factoren, onder andere de veepest, zijn de Groninger boeren, vooral in de 19e eeuw, overgegaan op de akkerbouw. Vooral de lichtere kleigronden waren hier uitermate geschikt voor. Aan gewassen als tarwe, gerst, koolzaad en suikerbieten had men een goed, zo niet weelderig bestaan. Kapitale boerderijen sieren nog steeds in het oude kweldergebied het landschap. Vooral in dorpen als Warffum en Usquert, Beerta en Finsterwolde is te zien hoe goed het de akkerbouwers voor de wind ging in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. Op akkerbouw- boerderijen was veel meer personeel nodig dan op veebedrijven. Ook dit heeft z`n weerslag in het landschap door het ontstaan van kleine arbeidersdorpen als Kruisweg, Broek en Kleine Huisjes, allemaal in de buurt van Pieterburen. De laatste tientallen jaren gaat het minder met de akkerbouw. Veel boeren gaan weer over op veeteelt. Ook zoekt men het wel in de bollenteelt. Vooral in de buurt van Kloosterburen ziet men in voorjaar en vroege zomer de kleurige patronen van de bloembollenteelt. Akkerbouw Akkerbouw In de geschiedenis van de landbouw op Ameland was het verbouwen van gewassen alleen bedoeld voor eigen levensonderhoud en als voedergewas voor het vee. Op de hoge zandgronden achter de duinen, beschermd tegen het bij hoge vloed binnendringend zeewater, ontstonden nederzettingen, de Markegenootschappen, met gemengde veeteeltbedrijfjes. Een Markegenootschap was een sociale eenheid met bestuur en regelementen, waarin o.a. de beweiding was geregeld. Die eerste landbouwers hadden de beschikking over 3 soorten grond: - De lage zand en veengronden, miede of hooiland genoemd, voor de hooiwinning. - De duinen en de schrale buitengebieden: gemeenschappelijk weidegebied voor het vee. Oudste cultuurgebiedOp de hoge zandgronden, dicht bij de dorpen, werden de akkertjes aangelegd. Iedere landbouwer bezat een of meer perceeltjes met voornamelijk de voede Akoestische verontreiniging Akoestische verontreiniging Naast alle andere invloeden op de zee kan ook geluid een bron van vervuiling op zee zijn. In de wereld onder water speelt geluid een andere, en soms belangrijkere, rol dan boven de zeespiegel. Uit recent onderzoek blijkt dat lawaai van scheepsmotoren en schokgolven die worden gebruikt bij geologisch onderzoek wel eens meer invloed kunnen hebben op het zeeleven dan men tot nu toe dacht. Het is onder normale omstandigheden vrij stil onder de zeespiegel. Veel zeedieren, zoals kreeftachtigen, vissen en zeezoogdieren, maken allerlei geluiden, die bij elkaar een geluidsniveau van ongeveer 40 decibel veroorzaken.Geluid gedraagt zich in het water anders dan in de lucht. Het plant zich vijf keer zo snel voort en draagt ook veel verder omdat er weinig obstakels zijn. Veel zeedieren maken daar dan ook dankbaar gebruik van. Zij gebruiken geluid (en vooral ook de echo`s) voor het opsporen van prooien, voor het waarnemen van obstakels als er geen licht is en voor hun onderling contact. De tandwalvissen (dolfijnen, bruinvissen en potvissen) zijn hier grootmeesters in: zij leven in een geluidswereld, zoals mensen in een visuele wereld, en honden vooral in een geurwereld leven. Maar ook baleinwalvissen communiceren met geluidssignalen over enorme afstanden met elkaar. Akoestische mistDe rust onder water wordt soms verstoord door natuurlijke omstandigheden. Vooral in de kustwateren kan een flinke storm of een hevige regenbui leiden tot een verhoging van het geluidsniveau tot zo`n 75 decibel. Alexandrium Alexandrium Eind jaren zestig van de vorige eeuw werd in Noordoost-Engeland een gif in algen gevonden dat tot verlamming kan leiden. Ruim 10 jaar later gebeurde dat ook in Denemarken. Nederland is tot nu toe gespaard gebleven, al werd de veroorzaker, de dinoflagellaat Alexandrium, in 1989 voor het eerst in het Nederlandse deel van de Noordzee gevonden. Sindsdien wordt deze algensoort ook gezien in monsters van het landelijke meetnet van Rijkswaterstaat. Alexandrium is een gifalg. Hij maakt onder bepaalde omstandigheden saxitoxine aan. Saxitoxine is één van de giftigste stoffen ter wereld en wordt daarom wel gebruikt in zelfmoordcapsules. Saxitoxine hoopt zich op in de voedselketen (bio-accumulatie). In 1968 en 1975 veroorzaakte een bloei van Alexandrium een sterfte van respectievelijk 80% en 60% van de zeevogels rond de Britse Farne Islands. In Canada stierven walvissen doordat ze met saxitoxine vergiftigde vis hadden gegeten. Algemene Inspectiedienst (AID) Algemene Inspectiedienst (AID) De AID is de uitvoerende instantie voor de diverse controles in de visserij. Allereerst is daar de steekproefsgewijze controle op de vangstquota. Dan volgt de controle op het gebruikte vistuig, de maaswijdte van de netten, de aanwezigheid van ondermaatse vis en de bijvangst. Verder controleert de AID of er niet gevist wordt in verboden wateren (langs de kust is visserij op tong en schol door zware vissersschepen bijvoorbeeld verboden vanwege de kinderkamerfunctie). Tenslotte voert de AID controles uit op motorvermogen, vergunningen en andere aan boord vereiste documenten. Alikruiken Alikruiken Alk Alk De alk lijkt qua uiterlijk veel op de zeekoet, maar onderscheidt zich door een dikkere snavel met daarop een fijn wit streepje. Alken broeden vooral op de Schotse kusten en de Orkney- en Shetland-eilanden, totaal zo`n 73.000 alkenparen. Na de broedtijd trekken de alken naar het zuiden tot in de zuidelijke Noordzee. Enkele exemplaren gaan nog verder, tot de kust van Marokko en het westelijk deel van de Middellandse Zee. Net als bij de zeekoet springen de jongen van alken nog voordat ze kunnen vliegen in zee. Het ei wordt dan ook op de richels van overhangende rotsen uitgebroed, zodat de jongen bij hun sprong in het onbekende niet op de rotsen terecht komen. Namen: Ned: Alk Eng: Razorbill Fra: Petit pingouin Dui: Tordalk Dan: Alk Nor: Alke Fries: Alk Ital: Gazzamarina Lat: Alca torda Alkachtigen Alkachtigen Soorten:zeekoet pagegaaiduiker kleine alk alk Alkachtigen lijken nogal op pinguïns. Ze zijn nogal stuntelig op het land. Hun poten zijn ook niet echt bedoeld voor een stevige wandeling, maar speciaal aangepast om te zwemmen. Hun vleugels gebruiken ze ook onder water om op visjes en andere prooien te jagen.Alk, zeekoet en papegaaiduiker duiken de diepte in om hun prooi te vangen. Ze lijken niet alleen uiterlijk op pinguïns, maar ook vanwege de manier waarop ze onder water `vliegen`, met half opengeslagen vleugels. Hun poten zijn voorzien van zwemvliezen en doen dienst als roer. Ze kunnen zo enorme dieptes bereiken. Zeekoeten zijn tot op 180 meter diepte waargenomen. Allersmaborg Allersmaborg Alles slingert in dit deel van Groningen. De wegen, de dijken, de sloten en vooral het Reitdiep. Vlakbij zo`n wijde lus van het Reitdiep ligt daar, rechthoekig en strak, het met bomen begroeide terrein van de Allersmaborg. Hoog opgaande loofbomen doen in de zomer het landgoedje helemaal schuilgaan onder het groen. Tegenwoordig is de borg in gebruik bij de Rijksuniversiteit Groningen. Rond en boven het gebied fladderen `s zomers opvallend veel vleermuizen. Net zo als op de andere Groninger borgterreinen groeien hier weer bloemen die men tot de stinsenflora rekent, niet zo zeer onder de bomensingels als wel binnen de slotgracht. Het betreft onder andere de boerencrocus en de wilde hyacint. Met al dat viswater in de buurt ontbreekt een reigerkolonie hier niet. Ameland in de Middeleeuwen Ameland in de Middeleeuwen Vanaf de Middeleeuwen ontstonden op Ameland op de hoge zandgronden achter de duinen beschermd tegen de stormvloeden van zee kleine nederzettinkjes. De bewoners hadden wat vee en leefden van het verbouwen van gewassen en visvangst. Het werden Markegenootschappen genoemd. Zo`n genootschap was een sociale eenheid met bestuur en regels. In die regels was o.a. de beweiding geregeld. Rondom de nederzettingen had iedere volwassen man een of meer akkertjes. De gewassen die werden verbouwd waren voornamelijk gerst en rogge en aardappelen. Het diende niet alleen als voedsel voor de bewoners maar ook voor het vee. Dat liep gezamenlijk op de schrale buitengebieden langs de Waddenzee en in de duinen. Het gebied tussen de bouwgrond en de buitenweiden werd als hooiland gebruikt. Het vee mocht daar alleen in het najaar en de winter grazen (wanneer er niet geoogst werd). De buitengebieden waren dan onbruikbaar door voortdurende overstromingen. Om de gewassen te beschermen tegen het loslopende vee, waren de akkertjes omgeven door veekerende dijkjes van zand en plaggen. Ook de dorpjes waren op die manier afgesloten voor het vee. De woonstee van die vroege bewoners moet er ongeveer uit hebben gezien als een Hallehuis (vroegste boerderij in het noorden van Nederland door terpafgravingen in kaart gebracht). `n Hallehuis bestond uit een langwerpige ruimte met aan de ene kant aan beide zijden stallen en in het andere deel een vuurplaats, opslagruimte voor de oogst en woonruimte voor de familie. Ameland Ameland natuur geschiedenis landbouw en visserij recreatiemilieuzaken musea Natuurcentrum Ameland Amelander milieuzaken Amelander milieuzaken De Vleet behandelt de watervoorziening, aardgaswinning, verkeer en vervoer en het afvalbeheer op Ameland. Amerikaanse boormossel Amerikaanse boormossel De Amerikaanse boormossel is een langgerekte, witte, tot 7 centimeter lange schelp. Deze soort werd aan het eind van de 19de eeuw in het zuidoosten van de Noordzee geïntroduceerd. De soort boort zich in stukken hout en veen met de getande ribbels. Ook de andere boormosselsoorten hebben deze leefwijze, al zijn de soorten niet verwant. De Amerikaanse boormossel verdringt de inheemse witte- en ruwe boormossel niet. Maar in Nederland komen deze beide soorten nog algemeen voor. In Duitsland staat de Amerikaanse boormossel zelfs op de Rode lijst van bedreigde dieren. Namen: Ned: Amerikaanse boormossel Lat: Petricola pholadiformis Eng: American piddock Dui: Amerikanische Bohrmuschel Dan: Amerikansk boremusling Amerikaanse vogelkers Amerikaanse vogelkers De Amerikaanse vogelkers is als sierboom uit Amerika ingevoerd. Daar kan hij 30 meter hoog worden. Begin vorige eeuw is in Nederland op grote schaal een struikvariëteit aangeplant als vulhout in productiebos. Hij ontwikkelde zich zeer voorspoedig ten koste van onze eigen bosplanten. Dit veroorzaakte zo`n plaag, dat bosbouwers hem de bijnaam `bospest` gaven. Het bestrijden van de bospest blijkt onbegonnen werk. Als er restanten in de grond achterblijven, groeien die weer uit. Namen: Ned: Amerikaanse vogelkers Lat: Prunus serotina Eng: Wild Cherry Dui: Späte, Virginische Traubenkirsche Amfibieën en reptielen Amfibieën en reptielen De kleine watersalamander komt algemeen voor in natte duingebieden. De rugstreeppad is de duin-amfibie bij uitstek. Zeldzamer soorten zijn de heikikker en de zandhagedis. De groene kikker en de bruine kikker komen nog algemeen voor, hoewel ze in het kustgebied zeldzamer geworden zijn. Meerdere soorten uit het kustgebied staan op de Rode Lijst van amfibieën en reptielen. Amfipoden Amfipoden Voor de diergroep amfipoden bestaat geen goede Nederlandse naam. Het is een groep van garnaalachtige diertjes, met als bekendste vertegenwoordiger de strandvlo. Op de bodem van de volle zee spelen een aantal amfipoden, die geen Nederlandse naam hebben een rol, waaronder Bathyporeia elegans. Daarnaast behandelt de Vleet de kwalvlo (of beter: kwalgarnaal), de aasgarnaal, de slijkgarnaal, de vlokreeftjes, het kreeftje Jassa en het wandelend geraamte. Ook de walvisluis (zie de foto hieronder) is een amfipode. Amfipoden zijn de meest voorkomende kreeftachtigen in de Noordzee. De vrouwtjes dragen, afhankelijk van de soort, hun eieren 2 tot 60 dagen met zich mee. Amrum Amrum Amrum ligt ten zuiden van Sylt, direct aan de Noordzee. Het eiland is in het westen, noorden en zuiden door bevaarbare geulen omgeven. Naar het oosten strekt zich een waddengebied uit tot aan Föhr. Amrum heeft een oppervlakte van ongeveer 20 vierkante kilometer (samen met het `Kniepsand` is het eiland ongeveer 29 vierkante kilometer groot) en de duinengordel langs de westkant is 15 kilometer lang. Er wonen op het eiland zo`n 2000 mensen in 5 dorpen. Amrum hoort bij Sleeswijk-Holstein. Het eiland is erg in trek bij de toeristen. OntstaansgeschiedenisFöhr, Amrum en Sylt hebben een andere ontwikkelingsgeschiedenis dan de andere Noordfriese eilanden. Ze bestaan uit de restanten van de ijstijd in het saalien. De afzettingen op Amrum die gevormd zijn in de ijstijden bestaan vooral uit smeltwaterzanden. Hier en daar valt ook keileem aan te treffen. VervoerVanuit Dagebüll vertrekt een veerboot naar Wyk op Föhr en Wittdün, de reis duurt 90 min. Ook vanuit Schlüttsiel is het mogelijk met een veerboot, via de Halligen, Amrum in 2,5 uur te bereiken. Bezoekers van het eiland kunnen hun auto meebrengen, maar gebruik van het openbaar vervoer op Amrum wordt op prijs gesteld, omdat er al grote problemen met de auto`s op het eiland bestaan.Amrum is ook lopend te bereiken. Er bestaat een 6 kilometer lange wadlooptocht van Föhr naar Amrum, die echter alleen onder deskundige begeleiding gelopen mag worden. Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk) Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk) Amsteldiepdijk gezien vanaf Ewijcksluis, Wieringen is op de achtergrond zichtbaar. Het Amstelmeer wordt aan de noordkant begrensd door de Amsteldiepdijk. Deze dijk (op Wieringen ook wel aangeduid als de Korte Afsluitdijk) werd gesloten op 31 juli 1924, hetgeen het einde van het eiland Wieringen betekende. Problemen bij de aanleg (verzakking door veenlagen in de ondergrond) deden een nieuw moerasnatuurgebiedje aan de binnenzijde van de dijk ontstaan (`De Verzakking`). Bij de Zuiderzeewerken hoorde ook de aanleg van de N99 (ondanks asfaltering op Wieringen nog steeds de Betonweg genoemd), de rijksweg die het oude eiland in tweeën splitste en een onophoudelijke bron van lawaai en verkeersslachtoffers vormt. Andinet Andinet Op 21 december 2003 verloor het Ethiopische vrachtschip Andinet in zwaar weer ten noordwesten van Texel een deel van de deklading. De containers bevatten vaten met het zwaar giftige Wolmanzout, een mengsel van arseen-, chroom- en koperverbindingen dat wordt gebruikt om naaldhout tegen houtrot te beschermen. Drie containers gingen als geheel overboord, een vierde container brak aan dek open zodat 63 losse gifvaten in zee rolden. Aanvankelijk was de overheid bang dat de containers en vaten op Texel of Vlieland aan land zouden spoelen. Als daarbij een ongeluk zou gebeuren en de kankerverwekkende arseenverbindingen vrij zouden komen was er sprake geweest van een acute giframp. De Kustwacht speurde het zeegebied af maar kon geen drijvende containers ontdekken. Toen eenmaal duidelijk was dat ze gezonken waren staakte men de zoektocht omdat het acute gevaar geweken was. Pas enkele weken na het ongeluk bleek dat de Andinet ook nog ongeveer vijftig lege gifvaten aan boord had staan en kwam aan het licht dat deze vaten al op 21 december waren stukgeslagen waardoor het gif in zee stroomde. Naar aanleiding van het ongeluk met de Andinet brachten milieu- en visserijorganisaties onder de aandacht dat de maatregelen rond het vervoer van milieugevaarlijke stoffen aangescherpt moeten worden. Containers met gevaarlijke lading moeten worden voorzien van een zendertje zodat ze snel zijn op te sporen. Het sjorwerk moet aan de strengste eisen voldoen. Ook kan men denken aan de verplichting om containers met gevaarlijke lading altijd benedendeks te zetten. Anjerfamilie Anjerfamilie De koekoeksbloemen, zeepostelein, zilte schijnspurrie, krielparnassia (of sierlijk vetmuur), kegelsilene, oorsilene, zeevetmuur en grondster zijn planten uit de anjerfamilie die een belangrijke rol spelen in het kustmilieu. Ankerzegen-visserij en fly shooting Ankerzegen-visserij en fly shooting De ankerzegen is een vistuig dat bestaat uit een kuilvormig net en twee lange, zware lijnen. Het wordt gebruikt om platvis te vangen, en is vooral in zwang bij de Deense kustvissers. Deze noemen deze techniek `snurrevaad`. Onder de Nederlandse vissers spreekt men wel van `snorders`. Het principe bestaat eruit dat de visser eerst een anker uitzet waar één van de lijnen aan is bevestigd. Dan vaart de boot een rondje en brengt tegelijk het net en de andere lijn uit. Teruggekomen bij het anker haalt de snorder de lijnen in. De platvis wordt dan door de over de zeebodem rollende lijnen in het kuilnet gedreven. De snurrevaadmethode is een typische vorm van kustvisserij. Recent is deze techniek verder ontwikkeld voor diepere wateren. Deze aanpassing staat bekend als `Icelandic seining` of `fly shooting`. De lijnen kunnen bij deze methode in totaal 8 kilometer lang zijn. Er waren in 1998 vijf Nederlandse visserijbedrijven die deze methode toepassen. De moderne ankerzegenvisserij wordt wel genoemd als één van de betere alternatieven voor het gebruik van de boomkor met zware wekkerkettingen. De invloed van het ankerzegen-tuig op de zeebodem is namelijk veel minder groot dan die van de wekkerkettingen. Daarnaast kost deze techniek betrekkelijk weinig energie omdat men geen zware vistuigen door de bodem hoeft te slepen. De ervaringen van de vissers die werken volgens deze methode bevestigen dit alleen maar. Als bijkomende voordelen noemen deze vissers dat het bedrijfsresultaat bij deze methode hoger is dan in de boomkorvisserij met wekkerkettingen, en de kwaliteit van de gevangen vis hoger is. Anorganische verbindingen Anorganische verbindingen Behandeld zijn silicium en zwavel. Ansjovis Ansjovis De ansjovis kwam voorheen massaal voor in de Zuiderzee en de westelijke Waddenzee. De grote scholen werden steevast vergezeld door grote aantallen bruinvissen. Met het dichten van de Afsluitdijk verloor de soort belangrijke paaigronden. Sinds ongeveer 1960 zijn de ansjovissen ook vrijwel geheel verdwenen uit de Waddenzee. In 1993 werd vastgesteld dat de ansjovis weer paaide in de Waddenzee, maar dit was geen voorbode van een echte terugkeer. Ansjovis wordt maximaal 20 centimeter lang. De rug is blauwgroen, de flanken zijn grijs met een zilverkleurige streep. Ansjovissen eten dierlijk plankton en algen. Ansjovis is wereldwijd de meest gevangen vis. In 1990 werd er wereldwijd 3,7 miljoen ton ansjovis gevangen, in 1992 5,5 miljoen ton en in 1994 11,9 miljoen ton. Deze vangsten bestaan voor een groot deel uit Peruaanse ansjovis. In de Middellandse Zee worden ansjovissen gevangen door ze te lokken met behulp van lampen. De vroegere visserij op ansjovis in de Wadden- en Zuiderzee In de Zuiderzee werd in de 19de eeuw zoveel ansjovis gevangen dat de vissers uit Stavoren er een speciaal soort boot voor ontwikkelden: de Staverse Jol. Behalve in de Zuiderzee werd ook in de westelijke Waddenzee gevist op ansjovis. Omdat de visserij na de afsluiting van de Zuiderzee evenveel ansjovis bleef vangen, kan geconcludeerd worden dat ansjovis ook in de westelijke Waddenzee heeft gepaaid. Deze visserij verdween in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. De vangsten liepen terug en door het massaal voorkomen van zeesla werden de netten beschadigd. Aromatische verbindingen Aromatische verbindingen Aromaten is een verzamelnaam voor een groep van organische verbindingen die afgeleid zijn van benzeen. In het milieu zijn de aromatische verbindingen giftig. Meestal gaat het om oplosmiddelen en stoffen die in olie- of benzine-achtige stoffen voorkomen. De complexere aromatische verbindingen worden PAK`s genoemd. De meer simpele zijn kleurloze vloeistoffen zoals benzeen, tolueen en xyleen. Baardmannetje Baardmannetje Het baardmannetje leeft verborgen in rietvelden in grote rietmoerassen. In de rietvelden moet zegge aanwezig zijn, soms neemt de vogel ook genoegen met lisdodde. Deze plantensoorten zijn nodig om een stevig nest te kunnen bouwen. Twee (soms zelfs drie!) keer per jaar wordt een nest van 5 à 7 eieren grootgebracht. Bij het tweede legsel helpen andere paren en de jongen uit het eerste nest mee. Baardmannetjes zijn ongeveer zo groot als mussen. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop met een zwarte verticale streep: de baardstreep. De vogel heeft een bruine rug. Het vrouwtje heeft een bruine kop, zonder baardstreep. De intensieve nestzorg heeft het baardmannetje voor uitsterven in Nederland behoed. De soort kwam rond 1940 bijna niet meer voor doordat er een aantal strenge winters waren geweest. Bij het droogleggen van de Flevopolders ontstonden rietvelden van duizenden hectares. Die werden snel door de baardmannetjes ontdekt en er ontstond een ware bevolkingsexplosie. Vanuit de Flevopolders heeft de soort zich daarna over heel Nederland kunnen verspreiden, tot in de rietmoerassen op de Waddeneilanden. De populatie in Nederland telt in 2006 minder dan 2000 broedparen. Het baardmannetje staat op de Nederlandse Rode Lijst van kwetsbare en bedreigde vogelsoorten. Echt trekken doet het baardmannetje niet. De meesten blijven overwinteren in hun broedgebied, enkelen gaan kleine stukjes naar het zuiden. De soort eet in de zomer vooral insecten, spinnen en kleine slakjes. In de winter worden deze vervangen door zaden van waterplanten. Baars Baars De baars is een zeer algemene zoetwatervis. De vis heeft zes tot acht verticale donkere strepen en twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste harde stekels heeft. In sloten en kleine wateren vind je minder baars dan in het IJsselmeer en andere grote wateren en rivieren. De gemiddelde lengte van de baars is tussen de 20 en 35 centimeter. Als de vis klein is leeft hij in scholen en eet hij zoöplankton. Tussen de 10 en 15 centimeter vreet de vis grotere ongewervelden zoals aasgarnalen en vlokreeften. Daarboven gaat de vis over op het jagen op zijn eigen soortgenoten en op spiering. Hij mijdt pos en blankvoorn als prooi. Oudere baars leeft solitair in dieper water. De paaitijd van de baars loop van half maart tot eind april bij watertemperaturen van meer dan 8 graden Celsius. De eieren worden in ondiep water afgezet boven waterplanten, boomwortels of dode takken in de vorm van brede grillig gevormde linten van meerdere eitjes breed.De baars is enigszins bestand tegen vermesting en troebelheid van het water, zolang er maar voldoende prooidieren (zoals aasgarnalen) van het juiste formaat zijn.De baars komt overal in Nederland voor. In Europa is hij te vinden ten noorden van de Alpen tot in Noordoost-Azië. Namen: Ned: Baars Lat: Perca fluviatilis Eng: Perch Fra: Perche fluviatile Dui: Barsch (Flußbarsch) Baarsachtigen Baarsachtigen De orde baarsachtigen omvat veel vissen die van belang zijn in de Noordzee en getijdenwateren. Het zijn onder meer: zeebaars pos baars snoekbaars horsmakreel harders botervis puitaalpitvis grondels lipvissen makreel pietermannen zandspiering smelt Bacteriën Bacteriën Bacteriën zijn zó klein dat ze alleen met een sterke microscoop te zien zijn. Verder hebben ze nauwelijks uitwendige kenmerken, zodat soorten vaak alleen op chemische eigenschappen zijn te onderscheiden. Het kenmerk van bacteriën is dat hun DNA niet opgesloten ligt in een celkern. Organismen zonder celkern worden wel prokaryoten genoemd. Alle andere organismen, zoals planten en dieren, hebben wel een celkern en heten eukaryoten. Bacteriën komen ook in zee voor en zelfs in grote aantallen: miljoenen per liter. Het aantal soorten bacteriën in de oceanen wordt tussen de 5 en 10 miljoen geschat. Bacteriën spelen een belangrijke rol in de natuur door hun plaats in de voedselkringloop. Daarnaast zijn bacteriële infecties de oorzaak van veel ziektes. Enkele voorbeelden zijn bacterievuur bij meidoorns, de ziekte van Lyme die door teken op mensen kan worden overgebracht, en besmetting met Campylobacter van oesters en mosselen. Bacteriën zijn nodig voor het voortbestaan van virussen die op hun beurt een belangrijke groep ziekteverwekkers zijn. Baggerdepots Baggerdepots Op dit moment wordt relatief schone baggerspecie op zee gedumpt op losplaatsen nabij de havens van Rotterdam/Europoort (Loswal Noord-West), Scheveningen en IJmuiden. Op deze losplaatsen stort men jaarlijks tientallen miljoenen ton slib. De `Slufter` op de Maasvlakte is in 1987 in gebruik genomen als stortplaats voor licht tot matig verontreinigde baggerspecie. Men stort daar jaarlijks 0,3 tot 0,5 miljoen ton verontreinigd slib.Op Loswal Noord, 5 kilometer uit de kust van Hoek van Holland, werd tot 1996 jaarlijks circa 14 miljoen kubieke meter baggerspecie uit de Euro-Maasgeul en het westelijk havengebied van Rotterdam gedumpt. Op de `Slufter` op de Maasvlakte kan uiteindelijk na 15 jaar 100 tot 150 miljoen kubieke meter licht tot matig verontreinigde baggerspecie (klasse 2 en 3) worden gestort. In 1996 beëindigde men het dumpen van baggerspecie op Loswal Noord. Een tweede baggerdepot, de Loswal Noordwest werd in gebruik genomen. Met het in gebruik nemen van deze nieuwe loswal kwam de behoefte om inzicht te krijgen in de milieueffecten van het storten van baggerspecie. Er werd een onderzoek gedaan door het NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee). Op de oude Loswal Noord bleek dat na een jaar de bodemfauna zich aan het herstellen was en de korrelgrootte van het zand was toegenomen. Op de nieuwe Loswal Noordwest was echter de bodemfauna verarmd en werden hoge slibconcentraties aangetroffen. Na het lossen van de baggerspecie op Loswal Noord bleef slechts 20% van het slib op de bodem liggen. Baggeren Baggeren Zand en slib worden met de rivieren aangevoerd en omdat bij de monding van een rivier de snelheid van het waterstroom sterk vermindert, hebben de zand en slib gelegenheid om te zinken. Om vaarwegen diep genoeg te houden voor schepen moet dit zand en slib regelmatig van de bodem weggehaald worden. Deze soort werkzaamheden heet baggeren. In Nederland wordt per jaar 50 miljoen kubieke meter slib uit vaargeulen en waterwegen gebaggerd. Omdat het opgebaggerde slib meestal verontreinigd is met olie, zware metalen en PAKs, worden strenge eisen gesteld aan de verwerking van het slib. Het gevolg is dat er minder gebaggerd wordt dan nodig is, waardoor rivieren en kanalen inmiddels zeer ondiep zijn geworden: binnenvaartschepen kunnen soms nog maar de helft van hun vracht vervoeren zonder vast te komen zitten. Om van de bagger af te komen wordt tweederde per schip naar de Noordzee afgevoerd.De bagger die op land gestort wordt, wordt traditioneel goed belucht en omgeschept, zodat bacteriën de moleculen kunnen afbreken. De olie en PAKs kunnen zo op natuurlijke wijze worden afgebroken. Een deel van de gevaarlijke stoffen blijft echter vastzitten aan gronddeeltjes en komt pas beschikbaar als er water aanwezig is dat voor diffusie van de stoffen zorgt. Een oplossing hiervoor is afkomtstig van een Wageningse milieuchemicus: beplant het slib met bomen en het resultaat is, dat door de boomwortels het natte slib toch belucht wordt. Het afbraakproces duurt hierdoor maar 6 tot 7 jaar in plaats van meer dan 30 jaar. Baggerspecie Baggerspecie Slib wordt aangevoerd via de rivieren en bezinkt in vaargeulen en havenbekkens. Dit slib is vaak verontreinigd met zware metalen, bestrijdingsmiddelen of ander gif, veroorzaakt door lozingen op het oppervlaktewater van industrieën, landbouw en huishoudens. Om havens toegankelijk te houden voor de scheepvaart moet het afgezette slib door baggeren verwijderd worden. Het wordt daarna geloosd op speciale stortplaatsen. De Noordzee-kuststaten loosden in 1996 in totaal 88 miljoen kubieke meter baggerspecie in de Noordzee. Balgzand Balgzand Balgzand is een grote wadplaat gelegen in de kop van Noord-Holland, ten noordoosten van Den Helder. Het is een deel van één van de grootste natuurgebieden van Nederland: de Waddenzee. Het gebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door het vaste land van Noord-Holland en aan de noord- en oostzijde door respectievelijk het Malzwin en het Amsteldiep. Er leven veel steltlopers, `s zomers nestelen er visdiefjes, kluten en bergeenden. Verder maken grote aantallen trekvogels (sterns en rotganzen) gebruik van het gebied. In 2006 is een vogelkijkscherm geplaatst. De oppervlakte bedraagt ongeveer 6600 hectare. Hiervan bevind zich op dit ogenblik 75 hectare boven de gemiddelde hoogwaterlijn. Door de voortdurende aanvoer van slib, versneld door de dijkverhogings-werkzaamheden, komt er in het zuidoostelijke gedeelte van het Balgzand een steeds grotere oppervlakte boven de gemiddelde hoogwaterlijn. De vegetatie breidt zich daar dan ook op een natuurlijke wijze uit.Het Balgzand is door zijn bijzondere ligging een op zichzelf staand getijdengebied. Het gebied functioneert door een geheel eigen stromingspatroom namelijk niet als doorstromingsgebied voor de rest van de Waddenzee. Het eerste vloedwater komt langs het Kuitje via de Balgzandgeul het gebied binnen. Een andere vloedstroom komt via de aan de oostkant gelegen Amsteldiepgeul het gebied in. Omdat het moment van hoogwater in de Amsteldiepgeul ongeveer 1 uur later is dan bij de Balgzandgeul en dus ook 1 uur langer doorstroomt, drukt deze stroom het afgaande water via de Balgzandgeul weg. Balgzandpoldertje Balgzandpoldertje Het Balgzandpoldertje bevindt zich aan de westzijde van het Spuikanaal Oostoever. Deze binnendijkse polder lag voor de aanleg van de Balgzanddijk (ongeveer in 1928) nog buitendijks. Het was een belangrijk kweldergebied en had grote waarde als hoogwatervluchtplaats. Tijdens stormperiodes met hoge waterstanden lagen daar dan in de luwte van de dijk duizenden ganzen en eenden te dobberen. Door zijn ligging zou het Balgzandpoldertje een belangrijke hoogwater-vluchtplaats kunnen zijn in de periodes met hoge waterstanden waarbij de buitendijkse Balgzandschorren onder water staan. Door de inrichting als industrieterrein Oostoever van het noordelijke gedeelte is de waarde als slecht-weer-hoogwatervluchtplaats volledig verloren gegaan. Het zuidelijke gedeelte is nog steeds in gebruik als hoogwatervluchtplaats. Dit tot groot ongenoegen van de grondgebruiker, die diverse keren gebruik heeft gemaakt van een carbitkanon om de vogels te verjagen. Dit is slechts 80 meter van een broedgebied!! De reservaatopzichter heeft er daarom lang op aangedrongen het terrein een natuurbestemming te geven. De meest zuidelijke punt is in 2000 en 2001 ingericht als hoogwatervluchtplaats voor vogels die bij extreem hoogwater buitendijks geen rustplaats meer kunnen vinden. Aan de rand van dit natuurontwikkelingsgebied is een vogelobservatiepost ingericht, die uit een aantal oude sluisdeuren bestaat.Tijdens stormperiodes met sterk verhoogde waterstanden, waarbij de schorren onder water verdwijnen, trokken duizenden steltlopers van het Balgzand naar vliegveld De Kooy en de omgeving daarvan. Ballumer en Hollumer mieden Ballumer en Hollumer mieden De lage zand- en veengronden, de mieden, dienden in de oude Markgenootschappen als hooiland voor de hooiwinning. Het vee mocht er tijdens de groeiperiode niet op grazen om vertrapping van de bodem te voorkomen. Iedere boer had een aandeel in de miede. Maaitijd-afsprakenEr waren geen wegen tussen de percelen. Om bij zijn land te komen moest men over andermans aandeel heen. Voor de maaitijd werd daarom in gemeenschappelijk overleg beslist met welk stuk land men zou beginnen. De mieden hadden een slechte waterafvoer omdat de lager gelegen moerasgrond als een spons het water opzoog en hele stukken onbegaanbaar maakte. Hierdoor was de maaitijd kort. Men begon eind juni. De oogst duurde ongeveer 4 weken zodat pas tegen augustus alles binnen was. `n Tweede oogst was hierdoor meestal niet mogelijk. De ruilverkavelingAan het begin van de 20e eeuw werden de Markegenootschappen opgeheven. Het land werd verdeeld in zeer veel stukjes particulier bezit. Door vererving steeds verder verdeeld, bestonden de Ballumer mieden uit 3659 piepkleine perceeltjes op een oppervlakte van 190 hectare. Moeilijkheden bij het maaien kwamen dan ook dikwijls voor. De percelen waren zo smal, dat iemand soms zonder erg een stuk van het perceel van zijn buurman erbij maaide. In 1916 kwam er een ruilverkaveling tot stand. Het aantal stukjes land werd teruggebracht tot 219 percelen. Verbeteren van arme cultuurgrondIn 1915 werd er bij Hollum en Ballum een zeedijk aangelegd. Het schrale zoute weidegebied van de mieden veranderde hierdoor in zoetwatergebied. Ballumerduinen Ballumerduinen Ballumerduinen is een oud kalkarm duingebied van 201 hectare groot. Het bestaat uit een complex van lage duintjes met vochtige valleien. Nabij de zee komt wat kalkhoudend zand voor. Baltrum Baltrum Het eiland Baltrum ligt tussen de eilanden Norderney in het westen en Langeoog in het oosten en hoort bij de deelstaat Nedersaksen. Het eiland is tegenwoordig 6,5 vierkante kilometer groot, 5 kilometer lang en 1 kilometer breed. Er wonen ruim 500 mensen. Er komen vooral gezinnen, ongeveer 50.000 bezoekers per jaar, naar dit eiland van rust. Baltrum geldt naast Langeoog als het beste surfgebied in het Nedersaksische waddengebied. NatuurZoals alle Oostfriese eilanden heeft ook Baltrum een kenmerkende opbouw van landschapstypen. Achter het Noordzeestrand liggen de duinen, die het eiland tegen overstromingen beschermen. De duinen op Baltrum zijn nog erg natuurlijk en in de vochtige duinvalleien groeien zeldzame planten. De zoetwatervoorraad in de Baltrumse duinen is niet aangetast omdat er een drinkwaterleiding van het vasteland naar het eiland loopt. Achter de duinen liggen de kleigronden, die door een dijk beschermd zijn tegen de Waddenzee. De kwelders staan nog onder de invloed van het getij, zij vormen de overgang tussen het eiland en de wadden. VervoerHet autoloze eiland is met een veerverbinding binnen 30 min te bereiken vanaf Neßmersiel. De boot vaart bij hoog water. In Neßmersiel zijn parkeergarages voor de auto`s van de bezoekers. Het eiland is ook bereikbaar per vliegtuig. Onder leiding van een wadgids is het mogelijk om binnen twee uur naar het eiland te lopen. Bedreigingen Bedreigingen De bedreigingen voor het Balgzand bestaan voornamelijk uit menselijke activiteiten, zoals: de inrichting van industriegebieden, het storten van al of niet verontreinigde baggerspecie (deze activiteit veroorzaakt vertroebeling van het water), het inrichten van baggerdepots voor de opslag van zwaar verontreinigde baggerspecie, overbevissing op mosselen en andere schelpdieren, garnalenvisserij, die veel jonge vis als bijvangst verloren doet gaan, de altijd weer dreigende inrichting van nieuwe zeehavens. Denk hierbij aan de wens van de gemeente Den Helder om het verkeer naar de TESO (de veerdienst naar Texel) uit de stad te weren. Deze plannen zullen moeten voldoen aan eisen uit de PKB-Waddenzee. Nieuwe HavenDit gebied is als militair terrein in gebruik bij de Marine en is noordwestelijk van het Balgzand gelegen. Dwars op het terrein ligt op het wad een stenen dam, bij velen bekend als de Napoleondam. Op en om de dam foerageren veel toppereenden, eidereenden en scholeksters. Tot ongeveer 1988 lagen er op het haventerrein grote oppervlakten ongebruikt. Nu is het terrein voor het grootste gedeelte bebouwd. Op een klein buitendijks gebiedje aan het begin van de Napoleondam broeden nu nog enige paartjes dwergstern. In periodes met vorst, als de Balgzandschorren en -slikken met een laag ijs bedekt zijn, trekken veel vogels naar de randen van dit gebied en foerageren van daaruit aan de randen van het Marsdiep en het Malzwin. Vele duizenden scholeksters, tureluurs, kanoet- en bonte strandlopers foerageren en pleisteren dan langs het nieuwe havengebied. Begaanbaarheid Begaanbaarheid Het beste vervoermiddel op Terschelling is de fiets of de benenwagen. Er is een uitgebreid fietspadennet (60 kilometer) en wandelen kunt u er op de talloze paden bijna onbeperkt. Met de auto komt u niet zo ver. De dorpen en buurtschappen zijn per auto bereikbaar, maar daar is dan ook vrijwel alles mee gezegd. Veel Terschellingers hebben een vergunning om met een auto op het strand te rijden, waar vooral in de wintermaanden veel gebruik van gemaakt wordt. Begrafenissen op Vlieland Begrafenissen op Vlieland Zoals het in ieder mensenleven gaat, spelen geboorte en overlijden de belangrijkste rol. Vreugde en verdriet worden op het kleine eiland Vlieland door iedere bewoner nog altijd intens (mee)beleefd. De bijzondere gebruiken (bij overlijden en begraven) hebben zich op dit eiland tot ver in de negentiende eeuw gehandhaafd. Bij een sterfgeval was het traditie dat, nadat de naaste buurvrouwen het lijk hadden afgelegd, er in de rouwkamer een nachtlicht geplaatst werd en zogenaamde waaksters de wacht bij de dode hielden. Eigenlijk wilde dit gebruik, dat reeds bij de Romeinen voorkwam, uitdrukken dat de overledene een `kind des lichts` was. Toch was het enigszins verwonderlijk dat men dit op Vlieland bleef doen, omdat bijna alle eilanders protestanten waren en deze gewoonte alleen bij katholieken in gebruik was. Een tweetal vrijwilligsters ging, stemmig gekleed, van deur tot deur om mede te delen wie er was overleden. Dit gebruik is in 1964 gestopt. Tot die periode werd de overledene altijd naar het kerkhof gedragen. Vrijwilligers, vaak de buren, waren dan de dragers.Sinds enige tientallen jaren wordt de dode op een rijdende baar naar de laatste rustplaats gebracht. Dit gebeurt in vandaag nog altijd door vrijwilligers. Om toerbeurt wordt men aangewezen. Onder klokgelui wordt de overledene grafwaarts gebracht. Een ieder die eerbied wil betonen sluit zich bij de rouwstoet aan om aan de begrafenis deel te nemen.Nog steeds is het de gewoonte dat de gordijnen van de woningen waarlangs de stoet zich - te voet- beweegt, worden gesloten. Begrazen Begrazen Er zijn heel veel verschillende soorten dieren die grazen. Deze dieren kunnen groot zijn, zoals koeien en schapen, maar ook klein, zoals ganzen, konijnen en insecten. Heel vroeger graasden in Nederland allerlei wilde grote zoogdieren zoals oerossen, wilde paarden, elanden en edelherten. Om de landschappen van toen weer terug te krijgen worden tegenwoordig soortgenoten van deze wilde dieren in natuurgebieden ingezet. Begrazing leidt tot meer variatie in een natuurterrein (variatie in soorten planten, soorten dieren, structuur en successiefasen) en voorkomt het ontstaan van bos. Begrazen verschilt van maaien doordat grazers niet overal even intensief grazen. Ook hebben de grazers door betreding en door de mest die zij laten vallen invloed op de variatie in een natuurgebied.Deze positieve effecten treden alleen op als de begrazing niet te intensief is. Bij overbegrazing van het gebied, of van een deel van het gebied omdat dit voor de grazer het aantrekkelijkst is, neemt de biodiversiteit juist af. In broedgebieden kan het nodig zijn om ruim voor het begin van het broedseizoen de begrazing te stoppen. Het gras kan dan hoog genoeg worden om bijvoorbeeld grutto`s en andere weidevogels voldoende dekking te bieden.Op de voedselrijkdom van een gebied heeft begrazen grofweg twee effecten. De voedingsstoffen fosfaat en kalium blijven in het systeem, op een zeer kleine fractie na die in de vorm van vlees wordt afgevoerd. Pleksgewijs ontstaan voedselarme plekken (waar veel gegraasd wordt) en voedselrijke plekken (waar veel mest valt). Begrippen uit de milieu-toxicologie Begrippen uit de milieu-toxicologie GrenswaardeDe grenswaarde is de concentratie van een stof in het milieu, bij overschrijding van deze concentratie moeten maatregelen worden genomen om de uitstoot te beperken. De grenswaarde voor een bepaalde stof wordt in het milieubeleid voor langere termijn vastgelegd. actualiteit? Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR)Het maximaal toelaatbaar risiconiveau is een berekende waarde voor de concentratie van een bepaalde stof op een bepaalde plaats, waarbij 95% van de daar levende organismen geen waarneembare nadelen van die stof ondervinden. MTR-waarden worden regelmatig herzien als er nieuwe kennis beschikbaar komt over de gevolgen van bepaalde stoffen in het milieu. Als er te weinig bekend is over de effecten van een bepaalde stof, dan wordt een een indicatieve MTR (i-MTR) vastgesteld.De MTR-waarde is meestal de basis voor de grenswaarde, maar bij de vaststelling van de grenswaarde worden ook economische en maatschappelijke belangen meegewogen. StreefwaardeDe streefwaarde voor de concentratie van een bepaalde stof geeft het niveau aan waar men in het beleid op de langere termijn naar toe wil. De streefwaarde ligt lager dan de grenswaarde. Vaak wordt de streefwaarde vastgesteld door het MTR-niveau door 100 te delen. Beheer van de binnenwateren Beheer van de binnenwateren Het waterbeheer in het waddengebied is erop gericht het zeewater buiten de polders te houden. Anderszijds kan het zoete water dat als neerslag in het gebied neerkomt niet allemaal worden gebruikt. Een deel van dit water wordt afgevoerd naar zee, samen met het water dat via rivieren en beken het gebied binnenkomt. Het waterbeheer moet inspelen op het veranderende klimaat: de stijgende zeespiegel en het grilliger worden van het neerslagpatroon. Enkele waddeneilanden, zoals Schiermonnikoog, voorzien nog helemaal in hun eigen behoefte aan zoet drinkwater. Op deze eilanden heerst vaak, meestal in het toeristenseizoen, een dreigend tekort aan zoet water. In de Afsluitdijk komt waarschijnlijk een extra sluis die rond 2013 klaar moet zijn. De sluis is volgens Rijkswaterstaat nodig omdat het nu af en toe al moeilijk is het waterpeil in het IJsselmeer te kunnen beheren. Door de klimaatveranderingen zullen er extra moeilijkheden optreden. Per seconde moet de nieuwe sluis 5000 kubieke meter weg kunnen zetten. Beheer van de visstanden Beheer van de visstanden Het beheer van de visbestanden in de Noordzee is noodzakelijk omdat gebleken is dat belangrijke soorten, zoals de haring en de kabeljauw, als gevolg van overbevissing vrijwel kunnen verdwijnen. Men doet veldonderzoek naar het paaibestand en de aanwas van de belangrijke soorten en voert deze gegevens in in visserijmodellen. Zo ontstaan voorspellingen voor de toekomst van vissoorten. Die voorspellingen spelen weer een grote rol bij het vaststellen van de vangstquota voor de verschillende soorten vis. Als het bestand van een vissoort er erg slecht voorstaat wordt soms besloten over te gaan tot het uitzetten van kweekvis: restocking. Beheer van de zeereep Beheer van de zeereep De zeereep is de duinenrij die grenst aan het strand. Na een storm is soms een deel van de zeereep afgeslagen. Dit zand ligt op het strand en wordt door de wind teruggeblazen naar de duinen. Het beheer van de zeereep is gericht op het vastleggen van het zand door het plaatsen van rietschermen en het planten van helm. Daarnaast voorkomt men het verstuiven door het betreden te verbieden. Zandsuppleties op het strand bevorderen de aanvoer van zand naar de zeereep. Kerven in de zeereep Door het vastleggen van stuivend zand met rietschermen en helm lijkt de zeereep op veel plaatsen langs de kust op een rechte stuifdijk, zonder pieken en dalen. Dat is niet altijd zo geweest. Op oude schilderijen is te zien dat er in de oorspronkelijke zeereep vele stuifkuilen en kerven zaten. Enkele duinvalleien liepen regelmatig bij hoge waterstanden onder. Hierdoor bestond een kenmerkend brakwatermilieu met unieke planten en dieren, dat nu vrijwel verdwenen is uit het Nederlandse duinlandschap. Men is nu van plan om, waar de veiligheid het toelaat, weer kerven in de zeereep aan te brengen. Voorbeelden zijn de kerf die men in de zeereep tussen Bergen en Schoorl heeft aangebracht en de Strandvlakte op Schiermonnikoog. Riet- en takkenschermen Rietschermen worden aan de zeezijde aan de voet van de duinen geplaatst. De schermen vangen stuifzand op, dat van het strand richting duinen waait. Maar een rietscherm kan er ook voor zorgen dat het zand van het duin op zijn plaats blijft. Beheersplan Waddenzee (1996-2001) Beheersplan Waddenzee (1996-2001) De rijksoverheid, de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland en de waddengemeenten hebben in 1996 een gezamenlijk beheersplan voor de Waddenzee vastgesteld. Het beheersplan was geldig tot en met 2001. Elk jaar verscheen er een maatregelenprogramma en een rapportage over het voorafgaande jaar. Na 2001 is er geen nieuw beheerplan opgesteld. Beheersvisie Noordzee 2010 Beheersvisie Noordzee 2010 De Beheersvisie Noordzee 2010 is opgesteld omdat er veel nieuwe ontwikkelingen op de Noordzee afkomen (o.a. bouw van windmolenparken, zandwinning, nieuwe boorplatforms, pijpleidingen en kabels, vliegveld in zee) en de drukte steeds groter wordt, waarvoor de tot nu toe beschikbare beheersinstrumenten tekortschieten. Daarnaast wordt een betere afstemming van het beleid van de betrokken departementen noodzakelijk geacht. Het rapport geeft een visie op het gebruik en beheer van de Noordzee tot 2010 en is opgesteld door samenwerking tussen de verschillende departementen die te maken hebben met het Noordzeebeleid. VisserijDe visserij op de Noordzee komt in de Beheersvisie vooral naar voren als een probleemsector. De bestanden voor de commercieel interessante vissoorten staan allemaal onder druk en er zijn veel ongewenste effecten op het zee-ecosysteem. Ook de communicatie tussen de verschillende overheden, de ecologen, de visserijbiologen en de visserijsector wordt als een probleem gezien.De overheid streeft naar een evenwichtige visserij op de Noordzee. De vissers spelen daarin zelf een grote rol bij het beheer van duurzame visbestanden, waarbij er ook veel plaats is voor langlevende zeedieren, zoals roggen, haaien, dolfijnen en kwetsbare bodemorganismen.Volgens de Beheersvisie is het vooral nodig dat er een open communicatieproces tussen alle betrokkenen op gang komt om het gestelde einddoel te bereiken. De opgroeigebieden voor de vis moeten beter worden beschermd. Bergeend Bergeend In Nederland zitten de bergeenden vooral rond de Waddenzee, waar ze wadslakjes, schaaldiertjes, insecten, visjes en wormen eten. Ze leven echter ook in zoetwatergebieden. Na het broedseizoen trekken ze naar speciale ruiplaasten in de Duitse Bocht en op het Balgzand in de Waddenzee. In Nederland overwinteren zo`n 65.000 bergeenden. Bergeenden broeden in goed verscholen holen en gaten, bijvoorbeeld verlaten konijnenholen in de duinen. Omdat de nestplaats goed verstopt zit, kan ook het vrouwtje zich een opvallend verenkleed veroorloven. Namen: Ned: Bergeend Eng: Common Shelduck Fra: Tadorne de Belon Dui: Brandgans (Brandente) Dan: Gravand Nor: Fagergis (Gravand) Fries: Berchein Ital: Volpoca Lat: Tadorna tadorna Bescherming tegen het water Bescherming tegen het water De historie van Vlieland is er één van strijd tegen de zee. Het ontstaan van het eiland zelf omstreeks het midden van de dertiende eeuw is een gevolg van het graven van een kanaal door de duinen (de Monnikesloot) door de monniken van Ludinga die deze landstreek toen beheerden. De zee kreeg vrij spel in deze `sloot` en vormde er het Eierlandse Gat, dat samen met een kanaal zuidelijk van Vlieland het eiland vormde. In de eeuwen die volgden wisselden groei en afslag van de kust elkaar af. Op de lange duur was er echter meer afslag en spoelde er land in zee. In de zeventiende eeuw werd West Vlieland voortdurend aangevallen door de golven en verdween de duinenrij langzaam maar zeker. Het eerder genoemde zeegat tussen Texel en Eierland verdween zodat stromingen de zandplaat konden wegslijten terwijl ook de invloed van het Eierlandse Gat tussen Texel en Vlieland verminderde. Als gevolg hiervan kwam West Vlieland kwetsbaar te liggen voor de langs de kust lopende stromingen. Aan het einde van de eeuw werd de duinenrij echt zwaar beschadigd en kwam het dorp aan open zee te liggen.In de eerste tientallen jaren van de achttiende eeuw werd het toen al arme en bouwvallige dorp na enkele reddingspogingen weggevaagd. Het gehele vruchtbare westelijke deel van het eiland veranderde in een strandvlakte die we nu nog kennen als de Vliehors maar die toen verder in zee lag. Langs de Noordzeekust van het eiland ontstonden in de negentiende eeuw hier en daar doorbraken in de duinenrij zodat duinvalleien onder water kwamen te staan. Bestrijdingsmiddelen Bestrijdingsmiddelen Er worden veel verschillende stoffen gebruikt voor het bestrijden van ziekten en plagen in de landbouw, de bosbouw en het groenbeheer. Ze kunnen van natuurlijke oorsprong zijn, maar de meeste zijn synthetisch. Veel van die stoffen komen uiteindelijk in het milieu terecht. Van een aantal zijn de gevolgen bekend maar de meeste stoffen zijn nog niet getest op milieu-effecten. Voorbeelden van bestrijdingsmiddelen zijn dichloorvos, lindaan, simazine en toxafeen. Bezoekerscentra Bezoekerscentra In het waddengebied en langs de Noordzeekust zijn op vele plekken bezoekerscentra ingericht. In deze centra kan de bezoeker of omwonende in principe alle mogelijke informatie over de omringende natuur vinden. In de Vleet is informatie opgenomen over Ecomare op Texel, Het bezoekerscentrum op Schiermonnikoog, het Natuurcentrum op Ameland, en het het Waddencentrum in Pieterburen. Bezoekerscentrum Schiermonnikoog Bezoekerscentrum Schiermonnikoog In het Bezoekerscentrum kun je van alles te weten komen over de natuur op en rondom Schiermonnikoog. In het Bezoekerscentrum is ten eerste een permanente expositie. Deze tentoonstelling geeft een overzicht van de acht landschappen van Schiermonnikoog en vooral de planten en dieren in deze landschappen. Ook bescherming en beheer van het natuurgebied komt aan de orde. Daarnaast zijn er ook nog wisselexposities, met steeds weer andere onderwerpen. In 1993 werd de inrichting van het gebouw helemaal vernieuwd. Het Bezoekerscentrum zit in een gebouw wat vroeger de elektriciteits-centrale was. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd in dit gebouw het Bezoekerscentrum ondergebracht. Er zijn vergaande plannen voor uitbreiding van het gebouw en de expositie. Bezoekerscentrum Schiermonnikoog Torenstreek 20 Postbus 32 9166 ZP Schiermonnikoog Tel: 0519-531641 Fax: 0519-531615Openingstijden: van maandag t/m zaterdag 10.00 - 12.00 uur en 13.30 - 17.30 uur Biesheuvel-groepen Biesheuvel-groepen Vissers in Nederland werken zelf mee aan het beheer van visbestanden in de Biesheuvelgroepen, die als doel hebben om samen de vangstquota te beheren. De Biesheuvelgroepen ontstonden begin jaren negentig van de vorige eeuw op advies van de Commissie Biesheuvel, die moest adviseren hoe de overbevissing van de Noordzee kon worden voorkomen.In de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw voerden de Noordzee-vissers veel meer vis aan dan door het beleid was toegestaan. De vissers kregen toen voor miljoenen euro`s boetes opgelegd. Controles van de Algemene Inspectie Dienst moesten begeleid worden door de mobiele eenheid. Het ministerie van Landbouw en Visserij riep twee commissies in het leven die moesten onderzoeken hoe de visserijtak het beste kan worden gesaneerd en overbevissing in de toekomst kan worden voorkomen. In juni 1992 rapporteerde de commissie Biesheuvel, een stuurgroep die de toenmalige minister Bukman van LNV moest adviseren hoe in de toekomst overschrijding van de vangstquota kan worden voorkomen. Deze commissie stelde een nauwere samenwerking tussen vissers onderling voor. De visser was destijds te sterk afhankelijk van zijn collega`s. Als die hun quota overschreden, werd de visser geconfronteerd met vroegtijdige sluiting van het visserijseizoen. In de praktijk betekende dat dat vissers zo snel mogelijk hun quota binnenhaalden. In het begin van het seizoen was de aanvoer van vis daarom erg hoog, hetgeen de prijs drukte. Door betere afspraken tussen groepen samenwerkende vissers en meer onderlinge controle zou de aanvoer beter kunnen worden gespreid over het jaar en zou iedere visser in staat gesteld worden zijn eigen contingent op te vissen. Biessum Biessum Wie hier nog nooit gewandeld heeft, kent het Groninger wierdenlandschap niet. Waar men ook loopt, overal steken de oer-Groningse kerkjes van Holwierde, Uitwierde, Marsum en Appingedam boven het weide- en waterrijke landschap uit. De laaggelegen weilanden zijn een eldorado voor vogels als kieviten, grutto`s, scholeksters en leeuweriken. Ook groepen wulpen kan men hier regelmatig zien. Niet voor niets dat veel percelen hier als vogelbroedgebied zijn aangemerkt.De recent aangelegde bosjes doen geen afbreuk aan het open karakter van het kleilandschap. Enkele wandelpaden volgen de straalsgewijze structuren in het landschap die uitkomen in het dorpje Biessum, veel meer dan 1000 jaar ouder dan de plaats Delfzijl. Ook het dorpje Uitwierde is zeer de moeite waard. Biestarwegras Biestarwegras Biestarwegras levert de eerste aanzet voor het onstaan van duinen. Op het strand groeit deze grijsblauwe pioniersplant net zoals zeeraket op het vloedmerk. Hij is een goede zandvanger en bovendien goed bestand tegen zout water. Zodra het duintje zo hoog is dat eronder een zoetwaterreservoir ontstaat, en zodra het niet meer regelmatig door zeewater bereikt wordt, neemt helm de plaats van biestarwegras in. Biestarwegras zie je overal langs de Nederlandse kust. Namen: Ned: Biestarwegras Lat: Elymus farctus Eng: Sand couch Fra: Agropyre a feuilles de jonc Dui: Strandquecke (Binsenquecke) Dan: Strandkvik Bijvangsten Bijvangsten Bijvangsten zijn een groot probleem: zo wordt er voor elke kilo platvis nog ten minste 0,8 kilo andere ongewenste dieren opgevist. Maatregelen zoals het instellen van grotere maaswijdtes moeten de bijvangst beperken. Ook veel zeezoodieren zijn het slachtoffer van visserij. Zo vinden wereldwijd dagelijks bijna 1000 walvissen, dolfijnen en bruinvissen de dood in netten en vistuig. Bijvangst door boomkorvisserijDe boomkorvissers halen nogal wat bijvangst naar boven, waaronder vis (kabeljauw, schar, rode en grauwe poon, ondermaatse tong en schol, maar ook zeldzamere soorten zoals haaien en roggen), zeesterren en schelpdieren. Hierbij worden twee soorten bijvangst onderscheiden: waardevolle bijvangst (verhandelbare vissoorten en kreeftachtigen, waar niet gericht op gevist werd) en bijvangst die na het sorteren overboord gaat (de discards).Over de hoeveelheden van de bijvangst bestaan sterk uiteenlopende schattingen: van 2 tot 6 kilo ongewenste bodemdieren en -vissen per kilo platvis (schatting Greenpeace) tot gemiddeld 0,8 kilo bijvangst per kilo platvis (schatting RIVO). Volgens het RIVO zijn de bijvangsten door de platvisvisserij in de afgelopen jaren sterk teruggelopen door verschillende oorzaken: het instellen van een verplichte grote maaswijdte boven de 56 graden Noorderbreedte, het instellen van scholbox en de markt die er is ontstaan voor schar en bot. De markt voor schar en bot heeft er inderdaad voor gezorgd dat er minder discards zijn, maar de vangst van deze soorten zelf blijft natuurlijk gelijk. Bijzondere vangsten en vondsten Bijzondere vangsten en vondsten In de zuidelijke Noordzee komen, naast de in detail behandelde soorten, vele andere soorten vis voor, die echter zelden worden gevangen of waargenomen. Deze zeldzaamheden behoren grofweg tot vier groepen. De eerste groep bestaat uit soorten die thuishoren in de koude, noordelijke wateren en vooral in de winter terecht komen in de zuidelijke Noordzee. De tweede groep bestaat uit warmwatervissen, die meestal in de zomer worden waargenomen en de derde groep bestaat uit de nu zeldzame groep van vissen die leven in zee, maar de rivieren optrekken om te paaien. De vierde groep zijn vissen die met ballastwater mee zijn gekomen. Gasten uit koudere strekenEr is een groep vissen die leven in de diepere, koudere wateren in het uiterste noorden van de Noordzee, de noordelijke Atlantische Oceaan en/of de IJszee. Nu en dan komen deze soorten, als `gast` ook terecht in de zuidelijke Noordzee. Het gaat dan bijvoorbeeld om de groenlandse haai, de scherpsnuit (een vleet-achtige rog), de zandrog, de kaardrog, de draakvis (een echte diepzeevis), de grote zilversmelt, de grenadiersvis (ook een diepzeesoort), de heek, de zilverkabeljauw, de blauwe wijting, de lom, de blauwe lang, de gewone leng, de parelvis, de scharretong, het witje, de heilbot en de dikrugtong. De pollak en de koolvis zijn ook bewoners van de noordelijke Noordzee. Jonge exemplaren komen, vooral in de winter, regelmatig in de zuidelijke Noordzee terecht. De heek en de driedradige meun komen zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden de Noordzee binnen. Binnenkwelder Binnenkwelder De Binnenkwelder ligt ingeklemd tussen de Kooiduinen en de Kobbeduinen. Deze kwelder ontstond pas na het ontstaan van de Kobbeduinen rond 1850. In het gebied loopt het jongvee van de eilander boeren rond. Deze zorgen ervoor dat de vegetatie laag blijft en er plek blijft voor karakteristieke kwelderplanten. Het water van de Waddenzee dringt soms het gebied binnen. BegrazingDe kwelder is vanaf het ontstaan gebruikt als weide voor vee en voor hooi. Er graasde een kudde begeleid door een herder. In 1958 is dat gestopt. De kudde mocht daarna alleen nog maar in een klein deel vlak bij de kooiduinen binnen een hek lopen. Een deel van de kwelder op het eiland groeide na 1960 dicht met kleine boompjes, zoals kruipwilg en berk. Hierdoor gingen veel andere planten dood. Men begon daarom al weer snel met maaien om dit tegen te gaan. In 1975 werd de begrazing door koeien van eilander boeren weer uitgebreid. Het hielp, de kleine boompjes groeiden niet meer en de zeldzame planten kwamen terug. Bij de instelling van het Nationaal Park is men gestopt met maaien en is het gebied waar begraasd wordt nog weer uitgebreid. In het Beheers- en Inrichtingsplan voor het Nationaal Park is aangegeven dat ongeveer 1000 hectare van de kwelder begrazen mag worden. Inmiddels wordt er van de Reddingsweg tot aan de derde slenk bij de Kobbeduinen gegraasd door vee. Bio-accumulatie Bio-accumulatie Voedingsstoffen, slibdeeltjes en giftige stoffen plakken in het water vaak aan elkaar. Met hun voedsel krijgen organismen ook schadelijke stoffen binnen. Het lichaam slaat ze op of scheidt ze uit. Door ze op te slaan kunnen de concentraties van deze giftige stoffen in het lichaam hoog worden, veel hoger dan die in het omringende milieu. Dit verschijnsel heet bio-accumulatie. Hierdoor kunnen roofdieren aan het eind van de voedselketen (zeehond, roofvissen, vis-etende vogels, de mens) zeer hoge concentraties aan giftige stoffen accumuleren. Biologische landbouw Biologische landbouw De biologische landbouw maakt geen gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen. Biologische producten worden vaak verkocht met een speciaal keurmerk, zoals het Eko-keurmerk. In 2005 werd op 2% van de landbouwgrond in Nederland (39.700 hectare) biologisch gewerkt. De vraag naar biologische producten is groter dan het binnenlandse aanbod, daarom worden veel producten geïmporteerd. Het Ministerie van LNV streeft naar een uitbreiding van de biologische landbouwgrond tot 10% van het totaal in 2010. Biotopen Biotopen Noordzeewaddenkweldersstrand flora en fauna in de Noordzeeflora en fauna op de wadden flora en fauna van kweldersflora en fauna op het strand havenszeedijkenduinen graslanden flora en fauna in havensflora en fauna van zeedijkenflora en fauna in de duinenflora en fauna in graslandenbermenzoet water flora en fauna van bermenflora en fauna van zoete wateren Bitterling Bitterling Bitterling komt massaal voor op enkele van de zee afgesneden strandvlakten. Daar groeit hij op de wat drooggevallen plekken. Deze plant houdt van redelijk vochtige, kalkrijke zandgrond, bijvoorbeeld in de duinen op de plekken waar veel schelpengruis voorkomt. Je vindt hem ook langs wandelpaadjes en soms op molshopen of op grazige terreinen (maar nooit tussen een dichte, gesloten grasmat). In Nederland is het een zeldzame soort. Hij dankt zijn naam aan de bittere smaak van de wortel; die is trouwens typerend voor alle gentianen. Namen: Ned: Bitterling Lat: Blackstonia perfiolata Eng: Yellow-wort Dui: Verwachsenblättriger Bitterling Bittervoorn Bittervoorn De bittervoorn is een kleine karperachtige van 5 tot 8 centimeter die bitter smaakt, zodat predatoren hem mijden. Het merkwaardige van de bittervoorn is, dat hij alleen voorkomt op plekken waar zich ook zoetwatermosselen (schildersmosselen of zwanemosselen) bevinden. Deze mosselen dienen namelijk als draagmoeder voor de bittervoorn. Als de mossel in gevaar is, sluit deze zich, waardoor de bittervoorn-eitjes veilig zijn. Tijdens de paaitijd zorgt de mannetjes-bittervoorn ervoor dat hij een territorium met een mossel erin heeft. Wanneer een vrouwtje haar eieren (kuit) door de kieuwopening binnenin de mossel heeft gelegd met een legbuis, spuit het mannetje zijn sperma in de buurt van de mossel die dit naar binnen zuigt. De bevruchte eieren ontwikkelen zich nu veilig in deze draagmoeder. Als door baggerwerkzaamheden of ander onderhoud van de sloot of plas de mosselen verdwijnen, is het gedaan met de paaibiotoop van de bitternvoorn. De mossel gebruikt op haar beurt de bittervoorn voor de verspreiding van haar nakomelingen. Jonge mosseltjes zich aan de randen van de vinnen van de bittervoorn om zich te verspreiden.De bittervoorn komt vooral voor in stilstaand water, zoals sloten, vijvers en de begroeide randen van meren. De bittervoorn is aangepast aan een dieet met veel plantaardig materiaal zoals kiezelalgen, wat blijkt uit zijn lange darm. De algen graast hij van stenen. Maar de vis eet ook kleine kreeftachtigen en wormen (tubifex).In Europa komt de vis voor in grote delen van Centraal- en Oost-Europa tot de Oeral. Blaasjeskrab Blaasjeskrab De blaasjeskrab komt van oorsprong uit het westelijk deel van de Stille Oceaan bij Japan, China en Korea. In 2004 is deze soort voor het eerst in grote getale waargenomen op de dijk op Texel. De krab is een alleseter, maar houdt vooral van zeewier. Het diertje heeft een rood rugschild van maximaal 4 centimeter breed en heeft stevige scharen en poten. Al geruime tijd is de krab bezig zich te verspreiden over de wereld. Zo werd het dier in 1988 bij de Amerikaanse oostkust (New Jersey) gezien. Inmiddels heeft het zich daar over meer dan 900 kilometer kust verspreid. In 1999 dook het voor het eerst op aan de Franse kust, bij Le Havre. Waarschijnlijk zijn de dieren verspreid met het ballastwater van schepen. Bioloog Rob Dekker van het NIOZ verwacht dat de krab de komende jaren explosief in aantal toe zal nemen in de Waddenzee. Met name op de dijken zou het dier de strandkrab kunnen verdringen. Namen: Ned: Blaasjeskrab Lat: Hemigrapsus sanguineus Eng: East Asian shore crab Blaaswier Blaaswier Blaaswier is een bruinwier. Het is meestal te herkennen aan de drijfblazen, maar sommige blaaswieren hebben deze luchtkussentjes niet. Met behulp van deze drijfblazen kan het verticaal groeien in het water. Blaaswier kan gevonden worden langs de dijken, op houten palen en op het wad. Daar hecht het zich vast op mosselen, stenen of andere objecten. Het wier kan zo`n halve meter lang worden. Het is olijfbruin tot bruingroen van kleur. Vroeger werd blaaswier gebruikt als mest en ook wel als medicijn tegen gewrichtspijnen, zwellingen en huidziekten. Namen: Ned: Blaaswier Lat: Fucus vesiculosus Eng: Bladder wrack Dui: Gemeiner Blasentang Dan: Blæretang Blankvoorn Blankvoorn De blankvoorn wordt zelden groter dan 35 centimeter en is een vis van zowel stromend als stilstaand water. Hij zwemt in scholen die eten in de buurt van begroeiing (riet, biezen), maar ook wel in open water. De blankvoorn is een echte alleseter. Jonge blankvoorn eet vooral watervlooien, terwijl de oudere dieren slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen eten. De schelpdieren kan hij opeten omdat hij in zijn keel keeltanden heeft, die hij als een soort notenkraker gebruikt om de schelp kapot te krijgen. Daarnaast consumeert de blankvoorn ook plantaardig materiaal, vooral algen en detritus. De blankvoorn lijkt op de bittervoorn, maar wordt een stuk groter. De vis is geslachtsrijp bij een lengte van ongeveer 15 centimeter die ze na 3 tot 5 jaar bereiken. Net als bij de bittervoorn zijn de mannetjes eerder geslachtsrijp dan de vrouwtjes. De maximale lengte van de blankvoorn is 45 centimeter, maar in Nederland zijn exemplaren van meer dan 35 centimeter zeldzaam.De vis plant zich van eind april tot eind mei voort bij een watertemperatuur van 10 tot 16 graden Celsius. De eieren worden afgezet op waterplanten. Larven en juveniele blankvoorn blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing.De blankvoorn komt van boven de Alpen tot aan de Oeral en de Aralzee voor en kent ondersoorten tot in Oost-Azië. In Nederland komt hij overal voor. Namen: Ned: Blankvoorn (röts, ruts) Lat: Rutilus rutilus Dui: Plötze (Rotauge) Eng: Roach Fra: Gardon ordinaire Blauwborst Blauwborst De blauwborst is een vrij zeldzame moerasvogel die vooral in waterrijke gebieden met veel begroeiing leeft. Hij leeft van insecten, larven en ook wel van zaden.De blauwborst is beschermd via de Vogelrichtlijn van de EU. De vogel broedt in Nederland in zulke grote aantallen dat Nederland extra beschermde gebieden voor de soort moet instellen.In tegenstelling tot veel andere moerasvogels gaat het goed met de blauwborst. In de afgelopen 20 jaar is het aantal broedpaartjes verveelvoudigd. In deze periode heeft de vogel nieuwe gebieden gekoloniseerd en heeft oude gebieden weer in gebruik genomen. Het succes van de vogel kan gedeeltelijk verklaard worden door verdroging. Blauwborsten zoeken hun voedsel op de grond en door de verdroging zijn er `drogere moerassen` ontstaan. Daarnaast is door het wegvallen van het getij in de Biesbosch de bodem daar droog komen te liggen. Ook de ontwikkeling van de Oostvaardersplassen heeft bijgedragen aan het succes van de blauwborst. Aangenomen wordt dat vanuit de Biesbosch en de Oostvaardersplassen de kolonisatie van nieuwe gebieden begonnen is. Namen: Ned: Blauwborst Eng: Bluethroat Fra: Gorgebleue à miroir Dui: Blaukehlchen Dan: Blihals Nor: Blistrupe Fries: Blauboarstke Ital: Pettazzurro Lat: Luscinia svecica Blauwe haarkwal Blauwe haarkwal De blauwe haarkwal is een middelgrote (tot 30 centimeter in doorsnede), platte kwal. Ze zijn meestal blauw, maar er komen ook gele of rode exemplaren voor. Aan de rand van de schijf zitten lange haarachtige tentakels met gemeen stekende netelcellen. In het water kunnen de tentakels wel een oppervlakte van 5 vierkante meter bedekken. Ongelukkig genoeg komen blauwe haarkwallen vooral met oostenwind voor de kust. Dan is het meestal ook juist goed strandweer. Strandexploitanten raken nooit gewend aan dit verschijnsel. Elk jaar dat er een kwalleninvasie is, `is het nog nooit zo erg geweest`. Blauwe kiekendief Blauwe kiekendief Blauwe kiekendieven komen vooral voor in de duinen, op heidevelden, in moerassen en op braakliggende velden. De waddeneilanden zijn in Nederland zeer belangrijk voor de blauwe kiekendief. Maar liefst 96% van de Nederlandse blauwe kiekendieven broedt daar. Deze roofvogel leeft van kleine zoogdieren (muizen, ratten, jonge konijnen en hazen) en van vogels (fazanten, weidevogels en zangvogels). Laag zwevend boven open terrein zoekt hij naar prooien. Namen: Ned: Blauwe kiekendief Eng: Hen harrier Fra: Busard Saint-Martin Dui: Kornweihe Dan: Bli kærhøg Nor: Myrhauk Fries: Blauwe Hoarnskrobber Ital: Albanella reale Lat: Circus cyaneus Blauwe reiger Blauwe reiger In de kuststreken zijn vooral de blauwe reiger en de kleine zilverreiger van betekenis. De blauwe reiger is in Nederland een algemeen voorkomende broedvogel. Hij eet vooral zoetwatervis, maar ook wel muizen, mollen, kikkers, rivierkreeftjes, slakken, regenwormen en zelfs jonge konijnen. De prooi wordt gespiest aan de lange, puntige snavel. De blauwe reiger mijdt brakke sloten en akkerbouwgebieden. In 2003 broedden er naar schatting 12.900 paartjes in Nederland. De blauwe reiger is de enige reigersoort die voorkomt in bijna heel Europa. Namen: Ned: Blauwe reiger Eng: Grey heron Dui: Fischreiher Fra: Héron cendré Dan: Fiskehejre Nor: Grihegre Fries: Lelreager Lat: Ardea Blauwe zeedistel Blauwe zeedistel Blauwe zeedistel is een wettelijk beschermde plant. De plant groeit op open, stuivend, kalkrijk duinzand, met name in de zeereep. Dit leefgebied is sterk achteruit gegaan door de vastlegging van de duinen. Nu en dan wordt de plant ook meer landinwaarts gevonden. De blauwe zeedistel is een vlinderplant, met name de dagpauwoog en de kleine parelmoervlinder bezoeken hem regelmatig. Namen: Ned: Blauwe zeedistel Lat: Eryngium maritimum Eng: Sea holly Fra: Panicaut des dunes Dui: Stranddistel Dan: Strand-mandstro Blauwe zwemkrab Blauwe zwemkrab Blauwe zwemkrabben zijn immigranten van de oostkust van Noord-Amerika. Daar zijn ze algemeen en wordt er uitgebreid op gevist. Blauwe zwemkrabben worden sporadisch gevangen in de Noordzee en aangrenzende wateren. Of de dieren zich hier ook kunnen voortplanten is onzeker. Mogelijk worden met schepen regelmatig larven aangevoerd, die hier dan uitgroeien. De blauwe zwemkrab op de foto is een volgroeid vrouwtje van 16 centimeter doorsnee. Het dier is in 2006 levend aangevoerd door de Texelse viskotter TX43 van Biem van der Vis in de Noordzee bij de Bruine Bank. Bloedzuigers Bloedzuigers Bloedzuigers zijn wormen die van bloed leven. Ze hebben twee zuignappen, voor en achter. Er komen in Nederland ongeveer 25 soorten voor, waarvan de meeste voor mensen niet gevaarlijk zijn. Hoewel ze van dierlijk bloed leven, zijn ze vaak op donkere plekken op de bodem of tussen planten te vinden. Een lastige parasiet voor vissen is de visbloedzuiger, en voor watervogels de eendenbloedzuiger. Vroeger werd de medicinale bloedzuiger voor aderlatingen gebruikt. Bloedzuigers zijn vooral te vinden in plantenrijk water tot een halve meter diepte. Bloedzuigers zijn hermafrodiet (mannetje en vrouwtje ineen) en de voortplanting is vaak wederkerig, dus twee wormen bevruchten elkaar.Hongerige bloedzuigers springen toe als de gastheer beweging in het water of een schaduw veroorzaakt. De bloedzuiger richt zich dan op en maakt zoekbewegingen met het bovenlichaam, terwijl hij zich met de zuignap die op het achterlichaam zit vast houdt. Als de gastheer dichtbij genoeg is, zet de bloedzuiger zich af en zuigt hij zich met zijn voorste zuignap aan de gastheer vast. Namen: Ned: Bloedzuigers Lat: Hirudinea Eng: Leeches Dui: Egel Fra: Sangsues Dan: Igler Bloembollenteelt Bloembollenteelt De bloembollenteelt in het waddengebied neemt ongeveer éénderde van het totale Nederlandse areaal aan bollen in. Het ging in 1996 om de deelgebieden Texel (386 hectare), Land van Zijpe (4976 hectare), de Wieringermeer (478 hectare), Noord-Friesland (137 hectare) en de Marne (114 hectare). In 2000 zijn er in Nederland zo`n 3000 bloembollenbedrijven, met in totaal 20.000 hectare grond. Bij de teelt van bloembollen worden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Bollenvelden worden na de oogst soms onder water gezet. Hierdoor verdrinkt het ongedierte dat in de grond zit en hoeven geen of minder grondontsmettingsmiddelen gebruikt te worden. Bodemvervuiling door munitie Bodemvervuiling door munitie Als gevolg van militaire oefeningen komen granaathulzen en kogels in het milieu terecht. Daar zitten nogal wat zware metalen in die de bodem vervuilen. Een ander probleem vormen explosieven (mijnen, bommen, torpedo`s) die tijdens oorlogen op de zeebodem terecht zijn gekomen en nog regelmatig worden opgevist. Ook afgedankte munitie is soms bewust in zee gedumpt. Bij Vlieland houdt de luchtmacht al bijna 40 jaar oefeningen. In de buurt van de schietlocatie op de Vliehors vonden onderzoekers in slibmonsters dan ook een 2 keer zo`n grote concentratie van koper dan elders. Ze vonden tevens van de andere metalen (chroom, nikkel, zink, aluminium, magnesium en vanadium) een hogere waarde dan op locaties in het Waddengebied waar geen schietoefeningen plaats hebben. Het gehalte aan cadmium in de bodem is niet gemeten. De vervuiling van het water door de kogels was te verwaarlozen. Dit is wellicht te verklaren door de getijden. Door de vloed wordt het water rond de schietterreinen immers twee maal per dag ververst, zodat de watervervuiling zich in het zeemilieu verspreidt. Zouden de oefeningen gehouden worden in een stilstaand vennetje worden gehouden, dan zou het beeld er heel anders uit zien. Aldus het rapport `het Wad en munitie` van Rijkswaterstaat.De militairen die in de Marnewaard komen oefenen moeten het schieten waarschijnlijk nog leren. Dat blijkt wel uit de grote hoeveelheden kogels die over de dijk vliegen, de zogenaamde `afzwaaiers`. Deze missers, zo`n 40% van het totaal aantal afgevuurde kogels, komen terecht op het wad. Bollenteelt op Texel Bollenteelt op Texel Veel percelen op Texel zijn door de vrij lichte bodemstructuur geschikt voor de bollenteelt. Bovendien zorgt het relatief zachte klimaat er regelmatig voor dat de Texelse telers een betere oogst hebben dan hun collega`s aan de `overkant`. Door de verschillen in bodemstructuur hebben delen van het eiland zo hun specialiteiten: bijvoorbeeld hyacinthen, tulpen en crocussen in de Prins Hendrikpolder, narcissen in de Koger polders en lelies rond de Hoge Berg. Bontbekplevier Bontbekplevier Bontbekplevieren komen het hele jaar voor in de Nederlandse kuststreek. Er is een ondersoort die broedt in noordelijker streken, in het najaar via de Nederlandse kust naar Afrika trekt en in het voorjaar weer langskomt op de terugweg. Een andere ondersoort broedt in Nederland, bij voorkeur op rustige stranden en langs kwelderranden. Een relatief klein aantal overwintert hier. Bontbekplevieren broeden vooral in het waddengebied (159 paar in 1996) en het deltagebied (149 paar in 1996). Sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw neemt het aantal broedgevallen in de Delta af. De bontbekplevier staat op de Rode Lijst van beschermde vogelsoorten. Namen: Ned: Bontbekplevier Eng: Great Ringed Plover Fra: Grand Gravelot Dui: Sandregenpfeifer Dan: Stor Præsterkrave Nor: Sandlo Fries: Bünte Wilster Ital: Corriere grosso Lat: Charadrius hiaticula Bonte mantel Bonte mantel Bonte mantels leven los op de zeebodem of vastgehecht aan stenen of andere schelpen. Ze komen voor tot op 80 meter diepte. Het is een zuidelijke soort, die op de Nederlandse stranden alleen als fossiel (uit de eemtijd) gevonden wordt. Ook worden wel levende jonge bonte mantels op drijvende voorwerpen aangetroffen. De schelp kan tot 7 centimeter groot worden maar is meestal kleiner. Namen: Ned: Bonte mantel Lat: Chlamys varia Eng: Variegated scallop Dui: Bunte Kammuschel Dan: zie Latijnse naam Bonte strandloper Bonte strandloper De bonte strandloper is in Europa op de meeste plekken de talrijkste strandloper. Het voedsel van de bonte strandloper bestaat uit allerlei zeediertjes die opgepikt worden terwijl de vogel in ondiep water staat. De bovendelen zijn in de zomer bruin, de borst witgestreept en de buik is zwart. In de winter is de bonte strandloper grijsbruin van boven en wit van onderen. Namen: Ned: Bonte strandloper Eng: Dunlin Fra: Bécasseau variable Dui: Alpenstrandläufer Dan: Klire (Almindelig Ryle) Nor: Myrsnipe Fries: Bünte Gril Ital: Piovanello pancianera Lat: Calidris alpina alpina Boomkorvisserij Boomkorvisserij Een boomkor is een vistuig dat wordt opengehouden door een stalen buis. Aan de uiteinden van de buis zitten sloffen. Een kotter sleept twee van deze korren over de zeebodem. Op het wad en in de kustwateren wordt de boomkor gebruikt voor de vangst van garnalen. Men doet dat met een rollenpees: een touw met ronde klossen die over de bodem rollen en de garnalen opschrikken. Voor de vangst van platvis worden de korren voorzien van zware kettingen die over de zeebodem schrapen. De platvisvisserij met boomkorren vindt voornamelijk plaats in de zuidelijke en centrale Noordzee, in het kustgebied en in de zeegaten. De boomkorvisserij is voor Nederland de belangrijkste vorm van bodemvisserij. Nederland bezit de grootste en modernste boomkorkottervloot. Ongeveer 80% van alle door Nederlanders gevangen vis komt via de boomkor boven water. Voor België ligt dit percentage op ongeveer 65%. De kotters met een groot vermogen hebben tuigen tot 12 meter breed en een gewicht van circa 9000 kilo. De boomkorren zijn aan de onderkant uitgerust met tien tot twintig kettingen die de vis, vooral schol en tong, uit de zeebodem moeten opjagen.Op gronden waar veel stenen liggen worden de wekkerkettingen soms vervangen door een mat van kettingen. Het risico dat het vistuig kapot gevaren wordt is dan veel kleiner.Wanneer een snel schip met te lichte boomkortuigen vaart, bestaat de kans dat de vistuigen door de snelheid die het schip maakt, omhoog komen en niet meer vissen. Omdat er met een zwaarder tuig meer vis gevangen wordt, zijn de Nederlandse schippers met steeds krachtigere schepen en dus ook zwaardere boomkortuigen gaan varen. Boormosselen Boormosselen Boorplatforms Boorplatforms Er stonden in 1996 475 grote olie- en gasplatforms op de Noordzee. Groot-Brittannië en Noorwegen beschikten over het merendeel, respectievelijk 250 en 80. Nederland had 107 platforms in de Noordzee staan, Denemarken 36 en Duitsland 2.Op de productieplatforms staan de installaties die de olie of het gas uit de bodem winnen. Deze platforms zijn soms voorzien van bemanningsverblijven, maar kunnen ook onbemand zijn. Andere platforms zijn speciaal ingericht voor de overslag van de aardolie of voor de behandeling van het gas zodat dit door de transportleiding naar de wal kan. Voor proefboringen zijn er speciale booreilanden. Tussen 1980 en 1996 nam het aantal productieplatforms op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat (NCP) toe van 20 naar 92. In 1996 vonden er op het NCP 11 nieuwe exploratieboringen naar olie en/of gas plaats, en eveneens 11 proefboringen. In totaal lag er op of in de bodem van het NCP 2499 kilometer pijpleiding ten behoeve van de delfstoffenwinning. Veiligheidsmaatregelen rond de platforms Mijnbouwplatforms kunnen een obstakel voor de scheepvaart vormen. Omgekeerd kan de scheepvaart een gevaar voor de mijnbouwinstallaties opleveren. Ongeveer twintig van de 71 olie- en gasplatforms liggen dicht bij belangrijke scheepvaartroutes. De routes zelf moeten op grond van internationale scheepvaartregels gevrijwaard blijven van plaatsing van installaties.Het grootste risico betreft aanvaringen tussen stuurloos geraakte schepen en platforms. Het komt ongeveer dertig keer per jaar voor dat een zeeschip op de Noordzee stuurloos raakt. Boorspoeling en -gruis Boorspoeling en -gruis Bij het boren naar olie of gas komen per boring honderden tonnen vergruisd bodemmateriaal vrij. Men gebruikt een soort pap, de boorspoeling, om dit gruis naar boven te pompen. Deze spoeling dient ook als smeer- en koelmiddel voor de boorbeitel en om tegendruk te bieden als een onder druk staand olie- of gasveld wordt aangeboord. Vroeger gebruikte men hiervoor meestal een oliehoudende vloeistof, waardoor het boorgruis ernstig verontreinigd raakte met olie. Tegenwoordig wordt waar mogelijk boorspoeling op waterbasis gebruikt. Deze bevat geen olie, maar nog wel chemicaliën. Het oliehoudende gruis werd tot 1993 geloosd in zee, waar het zorgde voor vervuiling van de zeebodem in een straal van 200 meter rond het platform. De hoeveelheid boorgruis die bij boringen vrijkomt, is aanzienlijk. De diameter van een boorgat verloopt van circa 90 centimeter aan de oppervlakte tot circa 15 centimeter op de einddiepte (op 300 tot 4500 meter onder zeeniveau). Als zo`n gat wordt geboord, komt daar zo`n 500 tot 1000 ton gruis uit. Het gebruik van boorspoeling is tegenwoordig een nagenoeg gesloten systeem. Het boorgruis dat met de boorspoeling naar boven komt, wordt op de boorvloer door zeven van de boorspoeling gescheiden. De boorvloeistof kan opnieuw worden gebruikt. Het gruis dat is verkregen door een boring met vloeistof op waterbasis mag overboord gezet worden als het oliegehalte minder dan 1% is. Hier kunnen nog wel restanten van de boorvloeistof aan kleven.Nadat de boorspoeling een aantal keren hergebruikt is, wordt de bruikbaarheid minder. Boortechniek Boortechniek Boorkop in aardgas bevattend Perm-zandsteen De aardgas bevattende gesteenten liggen in de Noordzee tussen de twee- en vierduizend meter onder het continentaal plat. Een roterende stalen boorkop, die bedekt is met industriediamantjes moet door een groot aantal gesteentelagen boren tot in de aardgas bevattende laag. Door de steel van de boor wordt boorvloeistof in de boorschacht geperst. De vloeistof zorgt voor de nodige tegendruk en smeert de boorkop die, afhankelijk van het soort gesteente waar doorheen geboord wordt, zwaar belast kan worden. De tegendruk moet een zogenaamde blow out, waarbij het gas ongecontroleerd uit de putmond spuit, verhinderen. De putmond wordt door een constructie met verschillende afsluitkleppen, ventielen en drukmeters afgesloten; de blow-out preventor. Met de huidige techniek is het risico dat zo`n blow out plaatsvindt zeer klein. Het boorgruis (afkomstig van het gesteente waarin geboord wordt) gemengd met de boorspoeling stijgt in de boorschacht op en wordt naar een scheider gevoerd. Hier wordt de boorvloeistof uit deze `boormodder` teruggewonnen voor hergebruik.Al enige tijd is het ook mogelijk om aardgas bevattende gesteentelagen schuin aan te boren. Een groot voordeel hiervan is dat bijvoorbeeld ver uit elkaar liggende aardgasvoorraden vanuit één platform te winnen vallen, of dat gasvoorraden in het kustgebied vanaf land aangeboord kunnen worden. Aardgas en het affakkelen Bij de opsporing en winning van aardgas staat op die plek vaak een lange pijp met daarop een grote bulderende vlam. Borden-visserij Borden-visserij Bordentrawlers zijn vissersboten met netten waarbij aan de zijkanten scheerborden zijn bevestigd. Bij verplaatsing door het water scheren de borden naar buiten waardoor het net in horizontale richting wordt opengetrokken. Deze techniek kan zowel voor de bodemvisserij als voor de visserij in de waterkolom (pelagische visserij) worden gebruikt. Tot 1960 werd door de Nederlandse vissers voornamelijk met bordentrawls gevist, eerst vooral op platvis, later ook op rondvis (kabeljauw) en haring. TwinriggingTwinrigging is een moderne vorm van bordenvisserij waarbij de beide sleepnetten met elkaar zijn verbonden. De scheerborden zitten aan de buitenzijde van de constructie en tussen de netten in zitten sloffen, zware gewichten die over de zeebodem kunnen glijden. Een kleine kotter kan op deze manier met vrij weinig vermogen en met lage snelheid een groot stuk bodemoppervlak bevissen. Twinrig visserij is sterk in opkomst als alternatief voor de boomkorvisserij. Het is milieuvriendelijker want er is minder dieselverbruik en minder bodemberoering. Bij multirigging worden meerdere netten gekoppeld, bijvoorbeeld drie paren van twee netten. Borgen Borgen `Borgen` is de Groninger naam voor kastelen of landhuizen. De borgen in Noord-Groningen zijn beroemd om hun stinsenflora, op z`n Gronings `börgenbloumkes` genoemd. Behandeld worden de Menkemaborg, de Rensumaborg, Verhildersum, de Allersmaborg en Ekenstein. Borkum Borkum Borkum is het meest westelijke bewoonde eiland in het Duitse waddengebied. Met een grootte van 3100 hectare is Borkum het grootste eiland van de deelstaat Nedersaksen. In 2003 woonden hier zo`n 5500 mensen. Borkum is vooral bekend als kuuroord, maar kent daarnaast ook enkele interessante duin- en kweldergebieden. De geschreven geschiedenis van het eiland gaat terug tot in de Romeinse tijd. Vervoer naar en op het eilandBorkum is vanuit de Eemshaven en vanuit Emden te bereiken. De boottocht vanuit Emden duurt ongeveer 2,5 uur, onafhankelijk van het getij. Een overtocht met de catamaran, die sinds 1989 in de vaart is, duurt slechts 1 uur. De vaartocht vanuit de Eemshaven duurt ongeveer 50 minuten.Het is niet verboden om op Borkum de auto te gebruiken, maar het is niet aan te bevelen de auto mee naar het eiland te nemen. In het hoogseizoen is het noodzakelijk om vroegtijdig een parkeerplaats en een plaats op de boot te reserveren. In het algemeen is het goedkoper om de auto op een bewaakte en gedeeltelijk overdekte parkeerplaats aan de vaste wal te laten staan. Bornrif Bornrif Het Bornrif is een ondiep watergebied/strandvlakte in de Noordzee. Het ligt tussen het ten westen van Ameland gelegen Borndiep en het middendeel van het eiland. De kustontwikkeling is hier zeer dynamisch. Periodes van aanzienlijke kustaanwas worden afgewisseld met sterke achteruitgang. Natuurlijke veranderingen in de stroomsituatie in de zeegaten tussen de eilanden hebben als gevolg dat geulen nieuwe wegen zoeken en zandophopingen worden verplaatst. Door de natuurlijke veranderingen in de waterstromen, is de ligging en de omvang van ondiepwatergronden aan grote verandering onderhevig. De baai vormt nu, in 2005, een belangrijk foerageergebied voor eenden en steltlopers. Er is een groen strand ontstaan tussen paal 5 en 7!! Dynamisch kustgedrag Vooral langs het Bornrif is hierdoor een grote verandering in de ligging van de kustlijn ontstaan. De erosie breidt zich langzaam uit in oostelijke richting en schuift daarbij het Bornrif voor zich uit. Een uitloper van het rif sluit bij kilometerpaal 7 (Ballum) aan op de kust. Tussen de kust en het rif is een trog ontstaan die lokaal voor strandverlaging en enige duinafslag zorgt. Deze erosie, voortkomend uit dynamisch kustgedrag van zeestromen en wind, bedreigt de ligging van het strand en de zeereep. Deze zeereep is een stuifdijk die in 1960 is aangelegd om de kust te beschermen.Vanaf de midden jaren tachtig van de vorige eeuw is de kustlijn ter hoogte van het Bornrif sterk achteruit gegaan. Handhaven van de ligging van de kustlijn is niet eenvoudig. Bos op Terschelling Bos op Terschelling De bossen op Terschelling zijn door mensenhanden aangelegd, vaak met behulp van de zogenaamde Terschellinger plantmethode. Oorspronkelijk waren het bijna uitsluitend naaldbossen. Bij verjonging van de bossen geeft men tegenwoordig de voorkeur aan loofbomen. Het aantal paddestoelen en bosvogeltjes op Terschelling is door bosaanleg fors uitgebreid. Bosaardbei Bosaardbei De bosaardbei komt voor in het bos en in de duinen door bijna heel Nederland, met uitzondering van delen van Drenthe, en op de grens van Limburg met Noord-Brabant. Hij komt ook voor op de kalkrijke duinen van Texel en Schiermonnikoog. De bosaardbei bevat veel mineralen, basische stoffen en vitamine C. Hierdoor is het een geneeskrachtige plant die het bloed reinigt, urine afdrijft, licht laxeert, koorts onderdrukt en verlicht bij ademhalingsmoeilijkheden. Daarnaast heeft de plant een opwekkend effect op het zenuwstelsel en helpt tegen diarree, geelzucht en jicht. Namen: Ned: Bosaardbei Lat: Fragaria vesca Eng: Wild strawberry Fra: A flles d`Orme Dui: Walderdbeere Bosbraam Bosbraam Gewone braam wordt ook wel bosbraam genoemd. Dit is de braam die je overal tegenkomt op plaatsen met uiteenlopende groeiomstandigheden zoals het bos en de bosrand. Op de waddeneilanden groeit hij voornamelijk in de vlierstruwelen op de kalkrijke duinen en in het bos. Vanwege hun kleurstoffen werden bramen vroeger gebruikt om stoffen en wol mee te verven. Namen: Ned: Braam (bosbraam, gewone braam) Lat: Rubus fruticosus Eng: Blackberry Fra: Ronce Dui: Echte Brombeere Bosch Bosch In de Middeleeuwen lag tussen Schiermonnikoog en Rottumeroog het eiland Bosch. Tot 1570 woonden er mensen op dit eiland. Er stond een huisje voor de strandvoogd op het eiland. De strandvoogd moest gestrande schepen en goederen bergen en was aangesteld door het klooster van Aduard dat in de 15e eeuw en een deel van de 16e eeuw eigenaar was van het eiland. Inmiddels is Schiermonnikoog zover verplaatst dat het over de plek waar Bosch lag is `heengewandeld`.Na de Allerheiligenvloed van 1570 was het eiland bijna helemaal in de golven verdwenen, maar het groeide daarna weer aan door de aanvoer van zand. Daarna werd Bosch weer kleiner en rond 1640 was het niet meer dan een zandplaat die bij hoogwater nog net boven het water uitkwam. Door de kerstvloed van 1717 verdween het eiland voor altijd.Een groep wetenschappers probeert in 2006 de geschiedenis van het eiland te achterhalen. Naar aanleiding hiervan is er een tentoonstelling in Warffum gemaakt in Museum het Hooge Land. Aan de hand van archiefmateriaal hebben de wetenschappers nog een eiland boven water gehaald: Moenken-Langenoe (Monniken-Langenoog) dat gelegen moet hebben op en rond de zandplaat Simonszand, ten oosten van Schiermonnikoog. Rottumeroog en Bosch lijken de overblijfselen van dit eiland. Volgens de wetenschappers moet Moenken-Langenoe in de late middeleeuwen een groot, bewoond eiland zijn geweest. Boschplaat Boschplaat De Boschplaat omvat het hele oostelijke deel van Terschelling. Dit 4400 hectare grote gebied is één van de rijkste natuurgebieden van ons land en is daarom al meer dan 30 jaar lang Europees Natuurmonument. Voor het grootste gedeelte is het een kweldergebied, maar ook duinvorming vindt er nog steeds op grote schaal plaats. Onderdeel van de Boschplaat vormen de Vaste Duinen en de Groede. Bosdieren op Terschelling Bosdieren op Terschelling Echte bosdieren (afgezien van een aantal vogelsoorten) komen er op Terschelling niet voor. Alleen enkele muizensoorten als bosmuis, bosspitsmuis, dwergspitsmuis, die zich alledrie bij voorkeur langs de bosranden ophouden en sinds kort de rosse woelmuis, die een voorkeur heeft voor loofbos. Buiten de bossen komen deze muizen echter ook veelvuldig voor. Hoewel meestal in de duinen, zijn er ook in het bos wel konijnen te vinden. Een typisch diertje van de dennenbossen is de dennenscheerder. Het kevertje legt eitjes in de schors van niet al te gezonde dennenbomen en pas gekapte (of liever gevelde, gekapt wordt er niet veel meer) dennenbomen. De jonge beestjes vreten de jonge scheuten van gezonde bomen weg; de gevolgen zijn te herkennen aan wegkwijnende kronen. Ook op Terschelling gaat de dennenscheerder regelmatig zijn vernietigende gang. Bosmuis Bosmuis De bosmuis is voornamelijk `s nachts actief. Het is een behendige klimmer en snelle kolonisator. Uit waarnemingen en braakballen onderzoek bij uilen is gebleken dat de bosmuis in bijna heel Nederland, met uitzondering van Rottumeroog en Rottumerplaat voorkomt. Nesten worden zowel onder- als bovengronds gemaakt van bladeren, grassen en mossen. Het voedsel van de bosmuis is zeer gevarieerd: onder andere zaden, granen, noten, bessen, jonge plantendelen, bast, spinnen, insecten, slakken, eieren, wormen en paddestoelen behoren tot het menu. Namen: Ned: bosmuis Eng: wood mouse (long-tailed field mouse) Fra: le mulot (sylvestre) Dui: Waldmaus Lat: Apodemus sylvaticus Bossen op Schiermonnikoog Bossen op Schiermonnikoog Op Schiermonnikoog zijn zowel naaldbomen als loofbomen. De naaldbomen zijn al bijna 100 jaar oud. Ze zijn rond 1915 geplant in opdracht van de eigenaar van het eiland in die tijd, Graaf Von Bernstorff. Dit deed hij omdat de wind teveel zand uit de duinen wegblies. Onder de bomen bleef het zand meer liggen. De bomen zouden de bodem vasthouden en de wind breken en konden zo de verstuiving tegengaan. In de luwte van het naaldbos groeiden steeds meer loofbomen, zoals elzen en berken. Omdat de ondergroei van het naaldbos niet erg rijk is en naaldbomen bovendien veel water verbruiken, streeft Natuurmonumenten naar een meer gevarieerd, gemengd bos. De noordrand van het naaldbos is voor de natuur wel interessant. Er komen bijzondere vogels (sijs en barmsijs), planten (stekende wolfsklauw en kleine keverorchis) en veel paddestoelen (onder meer koperrode spijkerzwam en papilrussula) voor. Sommige van deze soorten zijn vooral bekend van de Scandinavische dennenbossen. Bossen Bossen In de eerste helft van de vorige eeuw zijn er op alle Nederlandse waddeneilanden bossen aangeplant. Men hoopte op die manier een einde te maken aan het zand dat steeds over de dorpen en weiden stoof. Bovendien was er hout nodig voor de mijnbouw. De boomsoort die toen het meest is aangeplant is de Corsicaanse den, een ras van de zwarte den. Dit is een snelle groeier die het kan uithouden op voeselarm zand. Maar op de waddeneilanden wilde zelfs deze boom niet hard groeien. Van de houtoogst is niet veel terecht gekomen. De bossen hebben later wel een belangrijke recreatieve functie gekregen. Ze worden nu vrijwel overal omgezet in gemengd bos omdat loofbomen minder grondwater gebruiken dan naaldbossen. Bosvleermuis Bosvleermuis De bosvleermuis jaagt op uiteenlopende, insectenrijke plaatsen. Bij voorkeur gaat het hier om open terrein. De prooi bestaat uit nachtvlinders en kevers. Bosvleermuizen komen veel voor in het middelgebergte en kunnen over afstanden tot 810 kilometer trekken. Waarnemingen op de waddeneilanden zijn dan ook waarschijnlijk dieren die op doortrek zijn. De bosvleermuis is opgenomen op de Rode Lijst van bedreigde zoogdiersoorten in Nederland. Over de ecologie van deze soort is nog weinig bekend. De bosvleermuis heeft een lichaamslengte van 4,8 - 6,8 centimeter en een vleugelspanwijdte van 26 - 32 centimeter. Het gewicht is 11 tot 20 gram. De vacht is rood- tot donkerbruin, met een iets lichtere buik en een gelere/grijzere rug. De bosvleermuis heeft een donkere ondervacht. Namen: Ned: bosvleermuis (Leislers vleermuis) Eng: Leisler`s bat Fra: la noctule de Leisler Dui: der Kleine Abendsegler Lat: Nyctalus leisleri Bosvogels op Terschelling Bosvogels op Terschelling De ontwikkeling van en in de bossen heeft de rijkdom aan broedvogels op het eiland fors doen toenemen. Met name de loofbosgedeeltes trekken vaak aantrekkelijke soorten zangvogeltjes. En omdat in de bossen het loofhoutgedeelte nog volop in ontwikkeling is belooft dit nog heel wat. Aanvankelijk vestigden zich vogeltjes uit de struwelen en singels in de duinen als fitis en kneu, maar geleidelijk aan kwamen er ook echte bosvogels en toen de eerst aangelegde bossen al wat op leeftijd kwamen zelfs veel bosvogels. Ongeveer 45 broedvogels zijn er nu te vinden, sommige heel talrijk, andere heel schaars. De fitis zoekt vooral loofhout, net als bijvoorbeeld de zwarte kraai, de roodborst, de winterkoning en de tjiftjaf, die erg veel op de fitis lijkt. Ook de bosranden zijn populair: kneu, merel, houtsnip, nachtegaal en barmsijs om er een aantal te noemen. Ook de vink zoekt vooral de bosranden, en hoe ouder de bossen worden, des te meer vinken komen er. Tortelduif en zwartkop zijn zowel in de loofbossen als in gemengde bossen te vinden. Vogels van de naaldbossen zijn: de houtduif en ons kleinste zangvogeltje het goudhaantje, met allebei een voorkeur voor sitkasparren, en gekraagde roodstaart. Het plaatsen van nestkasten heeft veel koolmezen getrokken.Waar zoveel prooi als vogeltjes en muizen is, zijn ook roofvogels: torenvalk, ransuil, en sperwer, al is het niet in grote aantallen. De weinige ransuilen en sperwers verstoppen zich meestal in de donkere naaldbossen. Bot Bot Bot is een platvis van de brakke wateren, die niet langer wordt dan 60 centimeter. Ze komen zo algemeen voor in de de kustwateren dat ze een belangrijke schakel vormen in de voedselketen, onder meer als voedsel voor zeehonden. Het is de enige platvis die de zoete wateren in trekt. Er zijn botten bij Basel gevonden. Botten maken een speciaal enzym aan als ze in aanraking komen met vervuiling. Ze worden daarom vaak gebruikt bij milieu-onderzoek. De bovenzijde van een bot is matbruin tot groenbruin met roodoranje vlekjes. De bot heeft langs de basis van de vinnen en de zijllijn ruwe stekeltjes (in tegenstelling tot schol). De onderkant is vuilwit. Het lichaam is ruitvormig en de kop is vrij klein. De meeste botten zijn in hun jeugd naar rechts gedraaid, 5 à 10% draait echter naar links. Verspreiding van botVoortplanting in de Noordzeevolledig verspreidingsgebied Botten paaien in zeewater (de zuidelijke Noordzee), maar groeien in brak water op. Ze leven bij voorkeur in estuaria en riviermondingen. De paaitijd duurt van februari tot april. Botten komen voor de kust veel voor. Botten eten vooral wormen, krabben en kreeften, maar ook wel kleine vis (grondels en spiering). Namen: Ned: Bot (lovertje, rivierschol, IJbot, but) Lat: Platichthys flesus Eng: Flounder Dui: Flunder (Butt, Struffbutt) Fra: Flet (flet commun) Dan: Skrubbe (flynder) Nor: Flyndre Botervis Botervis De botervis is in de Noordzee een algemeen voorkomende, kleine (tot 20 centimeter) kustvis, die zich graag ophoudt tussen rotsen (of basaltblokken van zeedijken) en in wrakken. Botervissen eten alle mogelijke kleine prooidieren, zoals garnalen, pissebedden, schelpdieren en wormen. Onder stenen laag in de getijdenzone kun je klonten van de gele, ronde eitjes van de botervis aantreffen. Verspreiding van de botervis Namen: Ned: Botervis Lat: Pholis gunnellus / centronotus gunnellus Eng: Butterfish (rock gunnel) Dui: Butterfisch Dan: Tangspræl Brakwatergebieden Brakwatergebieden Een brakwatergebied kenmerkt zich door menging van zoet water en zeewater. Het mengen kan zowel binnendijks als buitendijks optreden. Het zoutgehalte van brak water kan variëren van een halve gram per liter tot 30 gram per liter. Water met minder dan een halve gram zout per liter wordt als zoet beschouwd. Kenmerkende soorten dieren en planten voor een brakwatergebied zijn de bot, de aasgarnaal, de driedoornige stekelbaars, zeekraal en zeeaster. Zeewater en zoet water kunnen op twee manieren vermengd worden. Door de getijdenbeweging dringt zeewater de rivierarmen binnen en komt het in aanraking met zoete rivierwater. Buitendijkse zones met brak water zijn het gevolg. Soms, als er sprake is van veel aanvoer van rivierwater en weinig aanvoer van zeewater, zijn de zones heel groot. In het waddengebied zijn bijvoorbeeld de Dollard en de Jadebusen voor een belangrijk deel brak, en ook de hele Oostzee is gevuld met brak water. Ook binnendijks kunnen brakke wateren voorkomen. Doordat wegzakkend zout water als kwelwater elders aan de oppervlakte komt, kan dit met binnendijks zoet water mengen. Landbouwgewassen kunnen slecht tegen zout of brak grondwater. Als er spake is van indringend zout grondwater in een landbouwgebied langs de kust spreekt men dus van ongewenste verzilting en zullen de waterbeheerders proberen de zoute kwel tegen te gaan. De beheerders van natuurgebieden langs de kust zien juist graag behoorlijk wat zout grondwater in hun terrein, omdat zich in die brakke omstandigheden een zeldzame vegetatie kan ontwikkelen. Brakwatergrondel Brakwatergrondel De brakwatergrondel is een klein visje, hij wordt maximaal 6,5 centimeter lang. De brakwatergrondel leeft relatief kort, maximaal 20 maanden. Deze vis komt veelvuldig voor in ondiepe geulen in de Waddenzee waar hij vlokreeftjes en wormen eet. Als de temperatuur van het water beneden de 5 graden Celsius zakt trekt de brakwatergrondel weg naar de volle zee. Verspreiding van de brakwatergrondel Namen: Ned: Brakwatergrondel Lat: Pomatoschistus microps Eng: Common goby Dui: Strandgrundel Dan: Lerkutling (diminutive) Fra: Gobie tacheté Brakwaterpok Brakwaterpok Brakwaterpokken kunnen, in tegenstelling tot de gewone zeepok, ook in brak water goed overleven. Verder is hun leefwijze vrijwel gelijk, ook brakwaterpokken kun je vinden op alles wat hard is en van 0 tot 10 meter diep ligt, drijft of leeft. Brakwaterpokken worden hooguit 15 millimeter in doorsnede. Deze pokken zijn gebroken wit. Namen: Ned: Brakwaterpok Lat: Balanus improvisus Eng: Brackish water barnacle Dui: Brackwasser-Seepocke Dan: Brakvandsrur Brandgans Brandgans Brandganzen broeden in kolonies op Spitsbergen, Nova Zembla, Groenland en op het eiland Vaygach. Overwinteren doen ze in West-Europa. Tussen oktober en maart zijn wel 160.000 exemplaren te vinden in het noorden van Groningen, Friesland, Flevoland en het deltagebied. Gemiddeld overwintert ongeveer 90% van alle brandganzen in Nederland. Deze hebben allemaal gebroed op Nova Zembla. In de jaren tachtig verschenen de eerste broedkolonies in Nederland en tegenwoordig broeden er al 7000 paren in Zeeland. Brandganzen eten gras, twijgen en zaden, maar soms ook weekdieren en schaaldieren. Nederland is in de loop der jaren populairder geworden bij de brandgans. Rond 1975 overwinterden hier ongeveer 50.000 brandganzen. Tegenwoordig schommelt dat aantal tussen de 150.000 en 200.000. De algemene groei van de West-Europese populatie is één oorzaak van die toename, en het jachtverbod in Nederland en enkele andere landen zal ook een belangrijke rol spelen. Omdat Nederland zo populair bij de soort is, vormt het ook een belangrijk overwinteringsgebied. Via de Vogelrichtlijn van de EU is Nederland verplicht extra beschermde gebieden voor de soort in te stellen.Broedkolonies in NederlandBrandganzen gingen voor het eerst in de jaren tachtig in Nederland broeden. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de toegenomen voedselwaarde van het gras op de kwelders, waardoor er voor de ganzen minder reden was om weg te trekken. Het gras is in voedselwaarde toegenomen omdat het water in de delta meer meststoffen is gaan bevatten, die bij overstormingen op de kwelder terechtkwamen. Brandspuithuuske Ameland Brandspuithuuske Ameland Rond 1913 verrezen in alle vier de dorpen op Ameland brandspuithuisjes. Deze huisjes deden dienst als bergplaats voor de brandspuiten. Het brandspuithuuske in Nes is al die jaren bewaard gebleven. Het is nu een monument en onlangs volledig gerestaureerd. Het huisje is vrij toegankelijk en op authentieke wijze ingericht. Brasem Brasem Brasem is kenmerkende vis voor troebel water dat teveel meststoffen bevat en daardoor een grote algengroei kent. Dit `verbrasemde` water is echter geen ideale groeiomgeving voor de brasem, maar wel een slechtere omgeving voor zijn vijand, de snoek. De brasem is een grijsbruin gekleurde karperachtige vis die maximaal 15 jaar oud wordt. Wanneer een troebele waterplas weer helder gemaakt moet worden, kan het zin hebben om de brasem eruit te vissen. De brasem houdt troebel water namelijk in stand. De jonge brasems eten de grote algenetende watervlooien, waardoor de algen ongehinderd in aantal kunnen toenemen. Dit geeft troebelheid, waardoor de waterplanten die op de bodem groeien geen licht krijgen en slecht groeien. Volwassen brasem zoeken al wroetend voedsel in de bodem, waardoor waterplanten slecht kunnen wortelen en waardoor het bodemmateriaal opwervelt en nog meer vertroebeling van het water veroorzaakt.Oorspronkelijk komt de brasem juist voor in helder, plantenrijk water. In Nederland komt brasem vooral voor in rivieren en grote meren en plassen, en minder klein water. Wereldwijd komt de brasem voor in Europa ten noorden van de Alpen tot in Azië. De paaitijd van de vis loopt van eind april tot juni. Meestal worden de eieren afgezet op waterplanten, maar als die er niet zijn ook wel op dood hard materiaal zoals fietsen of autobanden. Namen: Ned: Brasem Lat: Abramis brama Eng: Bream Fra: Brème Dui: Blei (Brachsen) Brede orchis Brede orchis De brede orchis komt voor in vochtige duinvalleien, op vochtige matig voedselrijke hooilanden en op blauwgraslanden. De brede orchis is in Nederland de laatste jaren sterk achteruit gegaan. Dit komt door bemesting, ontwatering en ontginning. Namen: Ned: Brede orchis Lat: Dactylorhiza majalis Eng: Broad-leaved marsh orchid Fra: Orchis a larges feuilles Dui: Breitblättriges Knabenkraut Breedpootkrab Breedpootkrab De breedpootkrab komt algemeen voor langs de kusten van de Noordzee. Het is, net als de gewone en fluwelen zwemkrab, een goede zwemmer met tot peddels vergroeide achterpoten. Deze zwempoten zijn bij de breedpootkrab echter kleiner dan bij de andere soorten. Hij heeft een grijsblauw (soms roze), glad rugschild met witte tekening, en wordt tot 2 centimeter breed. Hij leeft in de getijdenzone, op zandige ondergrond. In de Waddenzee wordt de breedpootkrab zelden gevonden. Tussen 1955 en 1975 is de breedpootkrab niet waargenomen langs de Nederlandse kust. Men heeft geen verklaring voor het vertrek, noch voor de terugkomst van dit dier. Mogelijk hebben strenge winters er mee te maken. Normaal is de breedpootkrab na een strenge winter erg zeldzaam, maar herstelt de stand zich na enkele jaren weer. Namen:Ned: Breedpootkrab Lat: Portumnus latipes Eng: Pennant`s swimming crab Dui: Breitfuß-Krabbe Dan: zie Latijnse naam Brilduiker Brilduiker De brilduiker broedt vooral in zoetwatergebieden in Scandinavië en Rusland. Daarnaast broeden ook kleine aantallen in Schotland, Midden-Europa en Oost-Europa. Buiten het broedseizoen komt de brilduiker ook op zout water voor en kan dan vanaf oktober ook voor de Nederlandse kust gezien worden. In de winter kunnen groepjes brilduikers gezien worden die voedsel zoeken. Dit doen ze door onder te duiken en de bodem af te zoeken naar kreeftachtigen en schelpdieren. In april trekken de meeste brilduikers weer naar het noorden. Namen: Ned: Brilduiker Eng: Common Goldeneye Fra: Garrot à oeil d`or Dui: Schellente Dan: Hvinand Nor: Kvinand Fries: Rinkelein Ital: Quattrocchi Lat: Bucephala clangula Broeikaseffect Broeikaseffect In een broeikas zorgt het glas ervoor dat de warmte van de zon in de kas blijft. Op dezelfde manier zorgen stoffen in de atmosfeer ervoor dat de warmte van de zon niet direct terug gaat naar de ruimte. De term broeikaseffect wordt gebruikt voor de stijging van de temperatuur als gevolg van de toename van bepaalde stoffen in de atmosfeer. De belangrijkste van die stoffen is kooldioxide (CO2) dat vrijkomt bij het verbranden van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld in het verkeer, de industrie en de electriciteitscentrales. Het KNMI verwacht deze eeuw voor Nederland een stijging van de gemiddelde temperatuur van 1 tot 3,5 graden Celsius als gevolg van de combinatie van het broeikaseffect en de natuurlijke opwarming van de aarde. Het broeikaseffect is voor het zee- en kustmilieu van direct belang omdat de stijging van de zeespiegel erdoor verstrekt kan worden. Daarnaast verwachten wetenschappers dat door het broeikaseffect veranderingen in het klimaat en ecosystemen zullen optreden. De doelstelling van Europa om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 60 tot 80% te verminderen is in maart 2005 geschrapt. Wel blijft het streven naar een daling van 15-30% van de uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. Broekerpolder Broekerpolder De Broekerpolder is niet toegankelijk voor publiek, maar goed te overzien vanaf de waddendijk, die voor fietsers en wandelaars wel toegankelijk is. Het is een weidegebied dat door zijn bijzondere ligging achter de Waddendijk zeer rijk aan vogels is. In het voorjaar is dit een van de rijkste weidevogelgebieden van Wieringen. In voor- en najaar kunnen er grote aantallen wadvogels gezien worden die hier overtijen. En `s winters is het een goede stek om rotganzen waar te nemen. De Broeksloot is recent omgebouwd tot een interessante watergang met verlaagde walkanten. Allerlei soorten vogels, zoogdieren en amfibieën hebben inmiddels hier een plekje gevonden. Aan de oostkant van het gebied ligt het Kraaiengat, een voormalige keileemput waar keileem gewonnen werd voor het vervaardigen van stalvloeren, en later voor de aanleg van dijken. Brokkelster Brokkelster De brokkelster heeft naar verhouding een veel kleinere schijf en veel grotere armen dan de slangster. Ze kunnen allerlei fraaie kleuren hebben. Met de ruig bestekelde armen filtert het dier plankton uit het zeewater. Brokkelsterren zijn schaars in de Waddenzee aan dijkvoeten, maar algemeen in het deltagebied. Vooral in de Oosterschelde kan de soort massaal optreden, met dikke pakketten de zeebodem bedekkend. Ze zijn erg gevoelig voor winterkou; na een strenge winter zijn ze zeldzaam. Namen: Ned: Brokkelster Lat: Ophiothrix fragilis Eng: Common brittlestar Dui: Zerbrechlicher Schlangenstern Bruin blauwtje Bruin blauwtje Het bruin blauwtje is een vrij algemene standvlinder in de duinen. Beide geslachten hebben een bruine bovenkant. Hij geeft de voorkeur aan kruidenrijke vegetaties met veel open plekken, waar de waardplanten reigersbek of ooievaarsbek moeten staan. Het bruin blauwtje vliegt veel op duinkruiskruid en streepzaad. Het bruin blauwtje is een mobiele soort, die gemakkelijk nieuwe gebieden kan koloniseren. De stand is wat afgenomen. De vlinder staat als kwetsbare soort op de rode lijst van dagvlinders. Namen: Ned: Bruin blauwtje Lat: Plebeius agestis (Aricia agestis) Dui: Dunkelbrauner Bläuling (Zweibrütiger Sonnenröschen-Bläuling) Eng: Brown argus Fr: Argus brun Bruine kiekendief Bruine kiekendief De bruine kiekendief komt voor in rietvelden aan de oevers van meren, rivieren en moerassen, maar ook in drassige weilanden en vochtige duinvalleien. Daar kan hij goed prooien zoeken. Hij eet voornamelijk watervogels tot een grootte van meerkoeten, ratten, muizen, (jonge) konijnen, vissen en kikkers. Een eitje zo nu en dan gaat er ook wel in. Begin augustus begint de trek naar Zuid-Europa en Afrika. De vogels keren vanaf eind maart weer terug naar hun broedgebieden. In de Flevopolders en Zuidwest Nederland blijven ook enkele tientallen bruine kiekendieven overwinteren. Namen: Ned: Bruine kiekendief Eng: Marsh harrier Fra: Busard des roseaux Dui: Rohrweihe Dan: Rørhøg Nor: Sivhauk Fries: Brune Hoanskrobber Ital: Falco di palude Lat: Circus aeruginosus Bruine kikker Bruine kikker De bruine kikker is wijdverspreid in heel Europa. Bruine kikkers worden hoogstens 10 centimeter groot en kunnen verschillende kleuren en vlektekeningen hebben. Deze kikkers leven de meeste tijd op het land, ze hebben echter wel een vochtige leefomgeving nodig. Tijdens de paartijd in de winter leven ze in open water. De bruine kikker staat als bedreigde soort vermeld op de rode lijst van amfibieën en reptielen in het internationale waddengebied. In Nederland komt de bruine kikker nog veel voor, in Duitsland is de soort bedreigd en in Denemarken is hij potentieel bedreigd. De bedreigingen bestaan vooral uit het verdwijnen van geschikte habitats en veranderingen in de waterhuishouding.Piratenmannetjes In de Pyreneeën blijkt het kikkerdril van bruine kikkervrouwtjes gedeeltelijk door andere mannetjes te alsnog worden bevrucht. Waarschijnlijk komt deze piraterij ook in Nederland voor, maar zien we het niet, omdat bruine kikkers hier `s nachts paren. Vlak na de paring van de kikkers gaan de piratenmannetjes op zoek naar vers kikkerdril om onbevruchte eitjes alsnog te bevruchten. De onderzoekers denken dat dit gedrag is ontstaan omdat er bij bruine kikkers in het algemeen meer mannetjes dan vrouwtjes zijn. Op deze manier krijgen minder aantrekkelijke mannetjes toch een kans om nageslacht te produceren. In één geval zagen de onderzoekers zelfs dat de piratenman brutaal een legsel onder een paartje wegtrok om het zelf te bevruchten. De kikkerdeskundigen denken dat deze vorm van voortplanting voordelig kan zijn omdat er een relatief grote genetische diversiteit ontstaat waardoor het nageslacht gemiddeld levensvatbaarder is. Bruine rat Bruine rat De bruine rat leeft in, op en nabij bebouwing, maar ook buiten, in de buurt van water. Andere geliefde biotopen zijn afvalstortplaatsen, riolen en andere plaatsen waar voedsel en dekking voorhanden zijn. Bruine ratten zijn vooral `s nachts actief, ze worden bejaagd door uilen en roofdieren (ook de huiskat). Door hun hoge intelligentie zijn ze moeilijk te vangen in vallen. De bruine rat eet praktisch alles: zaden, granen, bieten, insecten, vlees, eieren, wormen, jonge vogels, kleine knaagdieren, slakken, amfibieën en afvalresten. Bruine ratten komen zeer algemeen voor in West-Europa. Op de Nederlandse waddeneilanden komen ze ook voor. Alleen bevinden zich op Vlieland, Terschelling en de onbewoonde eilanden geen vaste populaties. Ratten kunnen omvangrijke schade veroorzaken, vooral in en rond bebouwing. Ze knagen aan allerlei materialen en vervuilen en vreten voedselvoorraden aan. Ook kunnen ratten ziekten overbrengen op de mens, onder andere de ziekte van Weil, worminfecties, paratyfus, rattenbeetkoorts en de ziekte van Bang. In de Middeleeuwen brachten vlooien die op de ratten zaten de (builen)pest over. De bruine rat heeft 19-30 centimeter lichaamslengte en een staartlengte van 15-22 centimeter. Het gewicht van een bruine rat is 200 tot 500 gram. Ze hebben een vrij lange, stugge vacht waarvan de kleur varieert van geel- tot grijsbruin aan de bovenzijde met lichter gekleurde flanken en een onderzijde die vuilwit tot grijs is. Albinisme komt soms voor en er zijn ook zwarte bruine ratten. Bruinvis Bruinvis De bruinvis is de kleinste walvisachtige van de Noordzee. In de hele Noordzee leven tussen de 267.000 en 465.000 bruinvissen. Ze kwamen ooit in grote aantallen voor in de Zuiderzee en de Waddenzee, toen daar toen nog veel ansjovis en jonge haring zat. Vanaf 1950 werden ze steeds zeldzamer, maar de laatste tijd komen er in onze omgeving sneller dieren bij dan de populatie kan groeien. Mogelijk komt dit door een voedseltekort in de noordelijke Noordzee, waardoor dolfijnen en bruinvissen naar onze streken trekken. Ten westen van Sylt is een bruinvissenreservaat ingesteld omdat daar veel jongen worden geboren. Bruinvissen hebben een vrij stompe kop, zijn van boven donkergrijs en van onderen wit. Mannetjes worden ruim 1,5 meter lang en wegen zo`n 45 kilo. Vrouwtjes worden vaak groter: tot 1,8 meter en wegen dan 60 kilo. De borstvinnen van een bruinvis zijn zwart en er loopt een donkere streep van de mondhoek naar de flippers. De kleine rugvin is min of meer driehoekig. Op zee valt het niet mee om een bruinvis waar te nemen. In tegenstelling tot de meeste andere dolfijnen springen bruinvissen bijna nooit boven het water uit, waardoor je meestal niet meer dan het bovenste deel van de rug met de rugvin ziet wanneer het dier boven komt om adem te halen. Bruinvissen leven solitair of in groepjes van drie tot vijf dieren, soms meer. Als je twee bruinvissen bij elkaar ziet gaat het vaak om een moeder met jong. Tijdens de trek vormen zich zo nu en dan grotere concentraties. Evenals dolfijnen oriënteren bruinvissen zich onder water door middel van echopeiling of `sonar`. Bruinwieren Bruinwieren Bij bruinwieren is de overheersende stof voor de fotosynthese bruin van kleur. In Nederland komen zo`n 80 soorten voor. Als voorbeelden worden de volgende soorten behandeld: Phaeocystis (schuimalg) blaaswier knotswier Japans bessenwier riemwier vingerwier suikerwier gezaagde zee-eik Namen: Ned: Bruinwieren Lat: Phaeophyceae Eng: Brown seaweeds, brown algae Dui: Braunalgen Dan: Brun tang Buizerd Buizerd De buizerd broedt en overwintert in Nederland en Vlaanderen. Er broeden meer dan 4000 paren. Buizerds broeden nog niet zo lang in het waddengebied omdat de bomen tot voor kort te jong waren. Op Texel broedt de buizerd bijvoorbeeld pas sinds 1994. Voor die tijd waren ze alleen in de trektijd en in de winter hier te vinden. Het gaat zo goed met de buizerds op het eiland dat ze ook broeden in oudere bosjes in het cultuurland, zoals eendenkooien. De baltsroep (een miauwend geluid) is vanaf februari overal te horen. Namen: Ned: Buizerd Eng: Common Buzzard Dui: Bussard (Mäusebussard) Lat: Buteo buteo Fr: Buse variable Bulkcarriers Bulkcarriers Bulkcarriers zijn zeeschepen die vaste stoffen in grote hoeveelheden als losse lading (`bulk`) vervoeren. Het gaat daarbij voornamelijk om erts, graan, veevoer, steenkool en bruinkool en om plastics in ruwe vorm (`pellets`). Op de foto zijn de negen grote luiken te zien die elk een ruim over de volle breedte van het schip afsluiten. Bultrug Bultrug De bultrug komt voor van pool tot pool in alle oceanen. Het is een baleinwalvis, die zich voedt met krill en kleine vissoorten. Hij kan tot 18 meter lang worden en een gewicht bereiken van 30 tot 40 ton. Bij geboorte is hij vier tot vijf meter lang. De vorm van het dier is zeer karakteristiek, met lange voorvinnen, een pokdalige kop en een voor elk individu kenmerkend zwart-wit vlekkenpatroon op de staart, voorvinnen en buik. In Nederland is de stranding van een bultrug bijzonder. Op dinsdagmiddag 22 juni 2004 strandde op de Vliehors aan het Noordzeestrand van Vlieland een bultrug. Om de kop van de walvis zat een nylontouw gewikkeld, dat diep in het lichaam had gesneden. Mogelijk is dat de doodsoorzaak geweest. Het ging om een jong mannetje van circa 8 meter lengte. Het skelet van de bultrug is vervolgens geprepareerd door Naturalis en is vanaf maart 2005 in Ecomare tentoongesteld.De berging van de bultrug op de Vliehors had nog enige voeten in aarde. Het dier was binnen een paar uur na de ontdekking onder het zand begraven, omdat de burgemeester van Vlieland niet wist dat het om een zeldzame walvis ging. Nadat specialisten de foto`s hadden gezien, werd geconstateerd dat het een bultrug betrof. De burgemeester gaf Ecomare toestemming om het kadaver te bergen. De volgende dag stuurde Ecomare een snijploeg onder leiding van preparateur Chris Walen naar Vlieland. De walvis werd opgegraven en daarna uitgebeend. De Vlielanders waren teleurgsteld over de gang van zaken omdat het zeldzame skelet niet voor het eiland behouden bleef. Buntgras Buntgras Buntgras is een pioniersplant van stuivend zand. Hij kan tegen vrijwel kalkloze, zure bodems. Je ziet hem niet alleen in de duinen, maar ook op zandverstuivingen in het binnenland. Hij heeft een voorkeur voor open vlakten. Hij is goed bestand tegen extreme omstandigheden zoals grote hitte, droogte en voedselarme situaties. In de duinen zie je buntgras vaak op zuidhellingen, waar de temperatuur kan oplopen tot 60 graden. Namen: Ned: Buntgras Lat: Corynephorus canescens Eng: Grey hair-grass Fra: Corynephore Dui: Silbergras Butjadingen Butjadingen Het schiereiland Butjadingen, dat bij Nedersaksen hoort, is gelegen tussen de Jade en de monding van de Weser. Ten noorden van Butjadingen ligt het Hohe-Weg-Wad, in het zuiden Stadland. Butjadingen is nu en dan een eiland geweest in perioden dat er `onderlangs` een verbinding tussen de Weser en de Jade was. Deze doorbraken werd later weer gedicht. Bij het schiereiland horen verschillende natuurgebieden. OntstaansgeschiedenisDe ontwikkeling van de noordoostkust van Butjadingen werd bepaald door de verplaatsing van de Weser-stroom in de richting van de kust van dit schiereiland. De stromingsomstandigheden langs de kuststrook tussen Langwarden en Blexen leidden steeds weer tot kustafslag. De dijken moesten meerdere malen landinwaarts verplaatst worden. Alleen tussen 1550 en 1690 gingen meerdere dorpen en ruim 1200 hectare land verloren. Het duurde tot het begin van de negentiende eeuw voor de erosie onder controle gebracht kon worden. Tegenwoordig worden de dijken nog altijd verbeterd en verhoogd.Het uiterlijk van de westkust van Butjadingen werd bepaald door de kusterosie van de Jade en de uitbreiding van de Jadebusen tijdens de grote Middeleeuwse stormvloeden. De stormvloeden veroorzaakten ook doorbraken in het vasteland tussen de Jade en de Weser, zoals het Lockfleth. Vanwege de bijzondere stromingsomstandigheden liggen voor de dijken aan de westkust van Butjadingen geen kwelders. Butjadingen is nu en dan een eiland geweest als er een verbinding tussen de Weser en de Jade tot stand kwam. Butskop Butskop Butskoppen zijn tandwalvissen zonder tanden: ze leven van plankton en kleinere zeedieren, vooral veel inktvissen. Behalve het ontbreken van tanden bezitten ze verder alle kenmerken van dolfijnen, tandwalvissen dus. De `bult` op de kop bevat spermaceti, net als bij potvissen. De butskop komt voor in de noordelijke Atlantische Oceaan. In de winter trekt hij naar het zuiden. Nu en dan strandt er een op de Nederlandse kust. Strandingen van butskoppen op de Nederlandse kustdatumplaats en bijzonderhedenaugustus 1584Zierikzee, mannetje15 augustus 1757Zaamslag, mannetjemei 1831Warffum16 september 1840Burghsluis, vrouwtje24 juli 1846Zandvoort, vrouwtjeVóór 1846Tzummei 1861Harderwijk15 november 1884Oudeschild, vrouwtje16 november 1927Eierlandse Gat, mannetje16 november 1931Waarde, mannetje29 augustus 1935Egmond, mannetje16 november 1942Oudeschild5 oktober 1946Hallum, mannetje17 januari 1954Schiermonnikoog, vrouwtje24 augustus 1956Oudeschild, Texel, vrouwtje26 augustus 1956Hollum, Ameland, mannetje19 augustus 1958Vlissingen, mannetje10 september 1984Breskens, mannetje25 augustus 1993Hargen aan Zee, levend vrouwtje10 november 1993Rottumeroog, vrouwtje Bron: Archief Naturalis, Chris Smeenk Verspreiding van butskoppen Namen: Ned: Butskop (hille) Lat: Hyperoodon ampullatus Eng: Northern bottlenosed whale Dui: der Nördlicher Entenwal (Faßkopf) Fra: hyperoodon boréal Dan: Nordlig døgling Nor: Nebbhval Buurderduinen Buurderduinen De Buurderduinen is een matig heuvelachtig duingebied met in het westen een aantal vochtige valleitjes en in het oosten een grote dichtbegroeide vallei. De vegetatie is vergelijkbaar met de Nesserduinen: afwisselend duingrasland met duinheide, in de valleien vochtige duinheide, kruipwilgstruweel en vochtig grasland. Het westelijk deel van de Buurderduinen staat onder invloed van de recreatie en de waterwinning. De zeeduinen zijn hier versterkt door middel van zandsuppletie.In de flora van de Buurderduinen is o.a. kleine ruit, geelhartje, kandelaartje en ronde wintergroen te vinden.Het totaal waargenomen broedvogelsoorten in dit gebied is 29. Hieronder valt de bruine kiekendief. Buurdergrie Buurdergrie De Buurdergrie was een stuk buitendijks gelegen land ten oosten van Buren. De grie bestond uit onontgonnen kleigrond en diende als weide voor het vee. De leden van de vereniging `De Boerenstand` in Buren hadden van oudsher het recht al hun vee in de grie te laten weiden. CO2-kringloop CO2-kringloop Kooldioxide vormt in zeewater 1,6% van het totaal van de opgeloste gassen. De jaarlijkse uitwisseling van CO2 tussen de oceaan en de atmosfeer is gigantisch, geschat wordt zo`n 100 gigaton koolstof per jaar. In totaal zit er zo`n 40.000 gigaton koolstof in de oceanen. Elke 7 jaar wordt alle kooldioxide in de atmosfeer (700 gigaton) met het oppervlaktewater van de zee uitgewisseld. Kooldioxide is van levensbelang voor alle ecosystemen op aarde: zonder CO2 zou geen (planten)leven mogelijk zijn. Het `geraamte` van eiwitten, vetten en suikers bestaat uit koolstof. Maar anderzijds is kooldioxide ook het voornaamste broeikasgas. Opname van kooldioxide door de NoordzeeZeewater kan op twee manieren kooldioxide opnemen. De eerste manier is door middel van een `fysische pomp`: CO2 uit de lucht wordt in het water opgenomen omdat de concentratie CO2 in de lucht hoger is dan die in het zeewater. Omdat de natuur het evenwicht altijd probeert te herstellen, stroomt de kooldioxide vanuit de lucht naar het oppervlak van het zeewater. In de winter koelt het oppervlaktewater in koude poolzeeën af en wordt iets zwaarder. Hierdoor zakt het water door z`n eigen gewicht naar de diepzee.De tweede manier is door vastlegging van kooldioxide in algen onder invloed van zonlicht (fotosynthese). Dit mechanisme is in de Noordzee belangrijk. Algen groeien in het oppervlaktewater en vormen hun celmateriaal door kooldioxide uit zeewater op te nemen. Zo is er in het water weer plaats voor kooldioxide uit de lucht. Cadmium Cadmium Cadmium is een zwaar metaal. Het komt in de natuur voornamelijk voor als een onzuiverheid in zinkmineralen. Het wordt gebruikt in oplaadbare batterijen, materialen voor de tandarts en als pigment in aardewerk en verf, vooral als felle kleurstoffen voor kunststof speelgoed en bierkratjes. Door lozingen door de industrie, en indirect door baggerwerkzaamheden, was de concentratie cadmium enkele decennia geleden in de kustwateren ongeveer vijf keer zo hoog als de natuurlijke concentratie. Cadmium is voor vrijwel alle organismen giftig. Daarom heeft het beperken van de lozingen van cadmium in de afgelopen decennia een hoge prioriteit gehad, en met succes: de lozingen zijn in de periode 1985-1995 met 81% verminderd. Bij de teelt van veel aardappels wordt kunstmest gebruikt. Bij de productie van voornamelijk fosfaathoudende kunstmest wordt cadmiumhoudende erts gebruikt. Cadmium komt daarbij ook terecht in het milieu, waar het neerslaat in het slib. Voordat dit gebeurt is het echter extreem giftig; een extreem kleine dosis is al genoeg om dieren te laten sterven. De streefwaarde in water zoals vastgesteld in de Vierde Nota Waterhuishouding (1999) voor cadmium is 0,08 microgram per liter. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau is vastgesteld op 0,4 microgram per liter. In het kustwater daalde de concentratie opgeloste cadmiumverbindingen al rond 1983 tot beneden de streefwaarde; in de Westerschelde was dat pas rond 1996 het geval. De afnemende concentraties in het milieu zijn vooral toe te schrijven aan het saneren van de lozingen door de industrie en de verbeterde inzameling van cadmiumhoudend afval, zoals batterijen. Callianassa (moddergarnaal) Callianassa (moddergarnaal) Callianassa subterranea, de moddergarnaal, is op de Oestergronden een veel voorkomend diertje. Het wordt niet groter dan 4,5 centimeter, en de rechter schaar is aanzienlijk groter dan de linker. Het kreeftje graaft complexe stelsels van gangen en kamers, tot 50 centimeter diep in de zeebodem. Omdat Callianassa zo diep ingegraven leeft is er weinig over bekend, ofschoon hij op enige afstand van de kust massaal voorkomt. Tegenwoordig worden dichtheden gevonden van meer dan 500 individuen per vierkante meter waardoor het sediment een gatenkaas is geworden. Callianassa eet het fijne deel van het sediment uit zijn gangenstelsel. De monddelen zijn daartoe uitgerust met een serie zeven. Wat de voedselbestanddelen in dit sediment zijn, is niet bekend. Naast bacteriën kan dit wellicht vers plankton zijn dat in de tunnels wordt gezogen tijdens verversing van het water in de burcht.Verversing vindt plaats als het zuurstof bijna op is. Callianassa kan dus goed tegen lage zuurstof spanningen. Door het graafactiviteit van Callianassa, wordt de bodem losgewoeld en ruw, waardoor sediment eerder opgewerveld wordt door stromingen. Dit heeft weer gevolgen voor de andere bodemdieren. Callianassa heeft dus een belangrijk effect op de hele bodemgemeenschap in de slibrijke sedimenten van de Noordzee. Chemische verontreiniging Chemische verontreiniging Vele jaren lang hebben grote steden en industrie- en landbouwgebieden grote hoeveelheden afval geloosd op de Noordzee, direct via leidingen en afvalschepen of indirect via rivieren en de lucht. Hoewel de laatste jaren een aanzienlijke vermindering is opgetreden, komen er nog steeds grote hoeveelheden afval in de Noordzee terecht. Ook wordt de zee van tijd tot tijd overbelast met voedingsstoffen waardoor algenbloei kan ontstaan. Chinese wolhandkrab Chinese wolhandkrab De Chinese wolhandkrab komt uit China. Hij kwam in 1912 in de Weser terecht, meeliftend met schepen die handel dreven met China. Hij komt nu algemeen voor in de Nederlandse getijdengebieden. Volwassen dieren leven in zoet water, maar ze trekken naar zout water om daar te paren en hun eieren te leggen. De jonge krabbetjes trekken weer naar zoet water. Hun rugschild wordt tot 7 centimeter lang, ze zijn bruin tot grijsgroen en hebben kenmerkende bruine `haren` op hun scharen. Tot enkele jaren geleden was de Chinese wolhandkrab niet van commerciële betekenis en werd het dier juist als plaag gezien. Maar sinds het zo slecht gaat met de paling, lijkt de visserij op deze krab een mooie aanvulling. Het gros van de wolhandkrabben wordt naar Italië en Tsjechië geëxporteerd. Veel vissers leveren ook echter ook rechtstreeks aan Chinese restaurants in Nederland. Vooral de in Nederland wonenende Chinezen en Thai eten graag wolhandkrabben. In 2003 was de opbrengst in Den Oever al 11 ton met een waarde van 36.000 euro, een jaar later 22 ton met een waarde van 83.600 euro. Namen: Ned: Chinese wolhandkrab Lat: Eriocheir sinensis Eng: Chinese mitten crab Dui: Wollhandkrabbe Dan: Uldhindskrabbe Chloor Chloor Chloor komt van nature in zee voor, voornamelijk als één van de twee bestanddelen van zeezout. Chloor is ook een belangrijke grondstof in de chemische industrie. Om chloor te produceren worden chloorzouten ge-elektrolyseerd. Hierbij wordt kwik gebruikt. Vooral in de vorm van organische chloorverbindingen vormt chloor een grote bedreiging voor de gezondheid en het milieu. Chroom Chroom Chroom is een zwaar metaal. Als sporenelement is chroom onmisbaar voor veel organismen, maar een teveel aan chroom en chroomverbindingen is giftig. Chroomverbindingen komen voor in kleurstoffen, in de middelen waarmee naaldhout wordt geconserveerd (wolmanzouten) en in afvalwater van leerlooierijen. Deze stoffen kunnen kankerverwekkend zijn, tot eczeem leiden of de slijmvliezen aantasten. Coastwatch Coastwatch Coastwatch is een milieu-educatief project voor het voortgezet onderwijs dat in het voor- en najaar wordt georganiseerd door Stichting De Noordzee. Centraal staat onderzoek naar zwerfvuil aan de kust, een activiteit die leerlingen zelfstandig uitvoeren. Het bijzondere is dat deze onderzoeksgegevens ook daadwerkelijk worden gebruikt. Rijkswaterstaat en de milieubeweging gebruiken de resultaten van Coastwatch om het (inter)nationale milieubeleid te toetsen en bij te stellen. In Nederland wordt het Coastwatch onderzoek al sinds 1988 uitgevoerd. In 2005 werden er gemiddeld 239 stuks vuil aangetroffen per 500 meter strand, 30% meer dan in 2004. Containerschepen Containerschepen Goederen die niet in bulk (als losse, droge lading) kunnen worden geladen noemt men stukgoed. Grote hoeveelheden stukgoed worden over zee doorgaans in containers vervoerd. Het gemiddelde containerschip vaart met drie of vier lagen containers aan dek. De containers kunnen in de haven direct op binnenschepen, treinen of vrachtwagens worden overgeladen. Het eerste containerschip voer vanuit Amerika naar Europa met zeshonderd containers aan boord. Nu zijn dat er doorgaans duizenden per schip. Op de grote werven in China zijn in 2003 enkele schepen met een capaciteit van 8000 standaardcontainers van stapel gelopen en schepen met een capaciteit van meer dan 9000 containers zijn in aanbouw.Tussen 1998 en 2002 groeide het containervervoer op wereldschaal van ruim 63 miljard standaardcontainers naar ruim 92 miljard standaardcontainers. De vijf belangrijkste West-Europese havens met uitgebreide faciliteiten voor de overslag van containers zijn Le Havre en de Noordzee-havens Antwerpen, Rotterdam, Hamburg en Bremen. In Rotterdam sloeg men in 2002 ongeveer 6500 miljoen standaardcontainers over. Daarmee is Rotterdam de grootste containerhaven in Europa. De groeiende vraag naar containerterminals is één van de redenen om de Maasvlakte uit te breiden. De aanleg van een containerterminal in Vlissingen voor 1.5 miljoen containers per jaar werd in 2003 afgewezen door de Raad van State. Nut en noodzaak waren niet duidelijk, dus was er geen reden om de natuur aan te tasten. GifgassenIn 2005 zorgde een rapport over de gifgassen die in zeecontainers gebruikt worden om ongedierte te bestrijden voor onrust. Copepoden (roeipootkreeftjes) Copepoden (roeipootkreeftjes) Roeipootkreeftjes zijn de `watervlooien van de zee`. De diertjes worden niet groter dan 1 tot 3 millimeter, afhankelijk van de soort. Ondanks hun geringe lichaamsgrootte, maken zij door hun enorme aantallen het hoofdaandeel uit van het dierlijk plankton in zee. Ze voeden zich met plantaardig plankton en klein dierlijk plankton. Met een fijnmazig netje van borstelharen op hun monddelen verzamelen ze hun voedsel uit het water. Daarbij kunnen ze onderscheid maken tussen de verschillende soorten plankton: ze tonen een duidelijke voorkeur voor diatomeeën en sommige soorten ééncellig diertjes. Grote soorten in het zoöplankton zoals kwallen en vislarven, maar ook jonge vissen en bijvoorbeeld volwassen haring voeden zich op hun beurt met roeipootkreeftjes. Roeipootkreeftjes zijn dan ook de belangrijkste schakel tussen het microscopische plankton en het overige dierlijk leven in zee. Ontwikkeling van roeipootkreeftjes De mannetjes roeipootkreeftjes ontwikkelen een spermatofoor, een zakje met sperma, die ze in het vrouwtje legen. Na de bevruchting legt het vrouwtje de eieren één voor één in het water of, bij sommige soorten, vormt ze eizakken die ze onder het achterlichaam draagt. De jonge roeipootkreeftjes komen na een paar dagen uit het ei, maar lijken dan nog niet op de volwassen vorm. Om die te bereiken moeten ze twaalf ontwikkelingsstadia doorlopen (zie foto). Net als bij andere kreeftachtigen vormt de huid een skelet dat hen belemmert om te groeien. Ze kunnen alleen maar groter worden door de oude huid af te werpen en dan snel te groeien voordat de nieuwe huid weer hard wordt. Cranberry (lepeltjesheide) Cranberry (lepeltjesheide) De cranberry of Amerikaanse veenbes is vooral bekend van Terschelling, maar groeit ook in de duinen van de andere waddeneilanden en hier en daar ook langs de vastelandskust. Bij de ontdekking in de 19de eeuw dachten botanici dat het ging om het terugvinden van een vroeger inheemse heidesoort. Later bleek dat een vat met bessen op het Terschellinger strand aangespoeld was en dat de bessen daar gekiemd waren. Kustvogels zorgden voor de verdere verspreiding. Rond 1900 ontdekten tuinders de mogelijkheid om de veenbes te exploiteren, vooral vanwege het sap. Men maakt tegenwoordig wijn, likeur, siroop, kruidenbitter, jam, saus, compote en azijn van cranberry`s. De professionele pluk vindt plaats op Vlieland en Terschelling. Cranberrysap blijft het belangrijkste product. De bitterzure veenbes heeft een geneeskrachtige werking. Het sap werkt tegen een nier- of blaaskwaal. Namen: Ned: Lepeltjesheide (Amerikaanse veenbes, grote veenbes, cranberry) Lat: Oxycoccus macrocarpos (Vaccinium macrocarpos) Eng: Cranberry Fra: Canneberge a gros fruits Dui: Krannbeere (Große Moosbeere, Großfrüchtige Moosbeere) Dan: Storfrugtet tranebær Cyanobacteriën (blauwwieren) Cyanobacteriën (blauwwieren) Cyanobacteriën behoren tot de oudste levensvormen op aarde. Ze behoren tot de bacteriën, hoewel ze op algen lijken. Van deze groep zijn fossiele exemplaren gevonden die ruim drie miljard jaar oud zijn. In het plankton van de zee spelen blauwwieren een kleinere rol dan andere wieren, wel komen ze soms in hoge concentraties voor. In tegenstelling tot wieren hebben blauwwieren en andere bacteriën geen celkern en planten ze zich door middel van celdeling voort. Als bewoners van de wadbodem en de zee (tot 500 meter diepte) zijn blauwwieren erg veelzijdig. Met behulp van hun blauw-rode tot gele pigmenten kunnen ze zonne-energie benutten, maar in zuurstofarme milieus (dieper in de bodem) kunnen ze, net als andere bacteriën, overleven door middel van chemosynthese. Bij chemosynthese wordt energie verkregen door de omzetting van chemische verbindingen zonder dat daar zuurstof voor gebruikt wordt. Een belangrijke functie van blauwwieren in het ecosysteem is dat ze stikstof kunnen binden. Hierdoor hebben ze geen toevoer van deze voedingsstoffen nodig, zoals de wieren die wel nodig hebben. Bloei van blauwwieren in zoete oppervlaktewaterenDoor de eutrofiëring van het oppervlaktewater planten blauwwieren zich bij warm heel snel voort en kunnen dan in de dikke drijvende lagen vormen. Het lijkt dan wel of er blauwgroene verf in het water is gegooid.Cyanobacteriën scheiden giftige stoffen af die bij hogere concentraties schadelijk zijn voor mens en dier. Deze bacteriën worden gegeten door algengrazers, zoals watervlooien en driehoeksmosselen. Cypergrassenfamilie Cypergrassenfamilie Dit is de familie van de planten die vaak `bies` of `zegge` in hun naam hebben. Uit deze familie behandelt de Vleet de vlozegge, de zandzegge, de knopbies, de heen (of zeebies) en het veenpluis. DDT DDT DDT is ontwikkeld als een chloorhoudend organisch insektenbestrijdingsmiddel. De afkorting staat voor dichloordifenyltrichloorethaan. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het op grote schaal gebruikt tegen muggen- en luizenplagen. Aanvankelijk dacht men dat er weinig risico`s aan dit gebruik verbonden waren, maar rond 1950 ontdekte men veel vergiftigingsverschijnselen bij vissen, vogels en andere dieren. Vanaf de jaren zeventig is het gebruik van DDT verboden in de westerse wereld, maar elders wordt het nog steeds gebruikt. Met name voor de grootschalige bestrijding van malariamuggen zijn nog geen goede alternatieven. DDT is een zeer moeilijk afbreekbare stof die zich via het (zee)water over de hele wereld verspreid heeft. Zelfs in het ijs van Antarctica wordt DDT aangetroffen. Van het bestrijdingsmiddel DDT (en zijn afbraakproducten DDD en DDE) is bekend dat het de hormoonbalans verstoort. Verder belemmeren deze stoffen de opname van calcium dat onder andere nodig is voor de aanmaak van eierschalen, tanden en botten. Het effect van DDT is dat de eierschalen dunner worden en sneller breken. Zo zakten in Florida broedende pelikanen door hun eieren als gevolg van DDT-vervuiling. Hoge doses DDT tasten het zenuwstelsel van mens en dier aan. Van het afbraakproduct DDE is bekend dat het kan leiden tot het ontregelen van borstvoeding en dat het de kans op vroeggeboorten vergroot. Darmwier Darmwier Darmwier is een groep groenwiersoorten die aan de voet van zeedijken gevonden wordt, maar ook op het wad en op het strand. Sommige soorten darmwier komen ook in zoet water voor. In Nederland worden zo`n tien soorten darmwier gevonden. Tot welke soort een exemplaar behoort is alleen te bepalen met een microscoop. In het algemeen zijn darmwieren buisvormig en vertakt, maar het uiterlijk van exemplaren binnen één soort is afhankelijk van de groeiplaats. Namen: Ned: Darmwier Lat: Enteromorpha spec. Eng: Gutweed Dui: Darmtang Dan: Tarmrørhinde Dauwbraam Dauwbraam Dauwbramen staan overal op zonnige plaatsen in de duinen, langs de grote rivieren en op spoordijken. Bramen groeien op plaatsen waar veel stikstof beschikbaar komt, bijvoorbeeld door snelle afbraak van plantenresten. Als er veel kalk in de bodem zit, gaat die afbraak sneller. Daarom komen bramen vooral in kalkrijke duinstreken voor. Dauwbramen kunnen gemakkelijk kruisen met andere bramensoorten, zoals bosbramen en frambozen. Namen: Ned: Dauwbraam Lat: Rubus caesius Eng: Dewberry Fra: Ronce bleue Dui: Kratzbeere Dan: Korbær De Cocksdorp De Cocksdorp De Cocksdorp in het noorden is het jongste dorp van Texel. Het telt bijna 1300 inwoners. Het dorp ontstond in 1835 bij het haventje, dat zich bevond op de plaats waar de Roggesloot uitmondde in het Eierlandse Gat. Het dorp heette aanvankelijk Nieuwdorp, maar werd al na een paar maanden vernoemd naar N.J. De Cock. De Cock was een Antwerpse reder die tijdens de Belgische opstand (1830 - 1839) naar Rotterdam was uitgeweken. Hij was de grondlegger van de polder Eijerland. De Dennen De Dennen De Dennen is het bosgebied tussen De Koog en Den Hoorn. Het is in het begin van de 20e eeuw aangeplant op de binnenrand van de duinen en op de zogenaamde mientgronden. Op de Fonteinsnol ontsprong vroeger een duinbeek. Door kunstmatige ingrepen (het plan Tureluur) probeert men de Dennen een gevarieerder aanzien te geven. Het bosbeheer is gewijzigd van houtproductie naar het streven naar een gevarieerd, natuurlijker bos. Ook de recreatie heeft een duidelijke plaats gekregen. De Geit De Geit Vlielanders werden wel uitgescholden voor `geiten`. Het gebeurde niet zolang geleden nog. Als Vlielanders op Terschelling liepen, stonden bakjes met schillen buiten. Dat was voor die `geiten` van Vlieland. Dit lieve dier heeft altijd een belangrijke rol gespeeld op Vlieland. We vinden nu nog een naam terug die hieraan herinnert: `Het Bokkendal`. Wat is, of liever gezegd, wat was dan de verbintenis tussen de geit en de bewoners van Vlieland?Landbouw en veeteelt zijn altijd van weinig of geen belang geweest op het eiland. De Luikse hoogleraar Mr. J. Ackersdijk schreef in zijn reisverslag van september 1826, dat er op Vlieland `eenige koijen (eendenkooien, J.H.) weinige schapen en ongeveer 80 geiten en bokken zijn`. De geit was erg in trek bij de Vlielanders. Het waren en zijn erg gemakkelijke dieren. `s Morgens liepen ze van huis, trokken het duin in en kwamen `s avonds gezamenlijk weer naar het dorp terug.Een plaats waar de geiten veel heen trokken was het gebied gelegen achter het Vuurboetsduin. Bij dreiging van slecht weer trokken de dieren zelf naar de diepe, beschut gelegen duinvallei ten noorden van het Vuurboetsduin. Nu noemt men dit dal nog steeds het Bokkendal.De geit was de melkkoe van de eilandbewoners. Het dier werd gemolken en naast het feit dat de melk gedronken werd, leverde de melk ook de speciale geitenkaas op. Uiteraard werd het dier ook geslacht voor vlees. In veel woningen was achter het huis een speciale geitenstal ondergebracht.Was en is Texel het schapenland bij uitstek, er is altijd beweerd dat de grond op Vlieland niet geschikt was om schapen te houden. De Geul De Geul De Geul is een lange vallei tussen twee duinenrijen in het zuidwestelijk Texels duingebied. Het gebied ontstond toen de zandplaat Onrust in het begin van de 20e eeuw vastgroeide aan Texel. De Geul is bekend om zijn lepelaarkolonie. Er is een uitkijkpunt, ook geschikt voor rolstoelgebruikers, waar men de kolonie kan gadeslaan. Het rietland wordt bevolkt door veel vogels. Er is een grote kolonie meeuwen. Het gebied ten noorden van de Geulvallei wordt begraasd door Schotse Hooglanders en Exmoor ponies. Afgesneden duinvalleienDe Geulvallei is één van de valleien op de zuidwestkant van Texel, die ontstaan zijn door insnoering van strandvlaktes. Oudere valleien zijn het Pompevlak met het Grote Vlak en de Schettersweid met het Noordvlak. De Horsmeertjes, de Kelderhuispolder en de Kreeftepolder zijn valleien die later ontstaan zijn.De ontstaansgeschiedenis van De Geul kan niet los gezien worden van de ontwikkeling van zandbanken voor het Marsdiep. Op de plaats waar nu ongeveer de Razende Bol zich bevindt, bevond zich halverwege de achttiende eeuw een andere zandbank. Deze zandbank werd Onrust genoemd. Hij verplaatste zich in de richting van Texel en groeide pas in 1910 of 1914 vast. Dit proces noemen we `verhelen`. Door de grote aanwas van zand vormde zich op de strandvlakten een reeks boogvormige duinenrijen.Rond een van deze reeksen werd De Geul afgesnoerd. Rond 1920 werd deze vallei door een kunstmatige duinenrij langs de westzijde van zee-invloeden afgesloten. In eerste instantie bleef de Geulvallei aan de oostzijde in open verbinding staan met de Mok. De Haukes De Haukes Vóór de aanleg van de Zuiderzeewerken was De Haukes de belangrijkste haven van Wieringen. Hier legde ook de handels- en postboot vanuit Ewijcksluis aan. Deze verbinding met het vasteland had een vaartijd van circa 30 minuten. De Haukeshaven is nu een jachthaven voor de watersporters op het aangrenzende Amstelmeer. De Hoge Berg De Hoge Berg Tussen Den Burg en Oudeschild ligt een heuvellandschap. Het hoogste punt is de Hoge Berg die 15 meter boven NAP ligt. Het gebied ontstond als stuwwal in de voorlaatste ijstijd. De graslanden worden van elkaar gescheiden door tuinwallen. Opvallend zijn de schapenboeten en de drinkputten die overal verspreid liggen. Aan de oostkant ligt een aantal bosjes, waarvan het Doolhof de bekendste is. Hier ligt ook het enige insectenreservaat van Nederland: de Zandkuil. Het geheel is een landschapsreservaat. Tuinwallen Het opvallendste landschapselement in het Hoge Berggebied is de tuinwal of, op z`n Tessels, tuunwal. De tuinwallen zijn ontstaan na het afschaffen van het `overal-weiden` in de tweede helft van de 16e eeuw. Boeren hadden toen het recht om de schapen overal te laten grazen. Omdat dit systeem niet goed werkte, werden perceelscheidingen ingesteld. In het hoge gebied konden geen sloten worden aangelegd. Men was aangewezen op wallen van graszoden. Gaas en draad bestonden nog niet en hout was een schaars artikel op het toen vrijwel boomloze Texel. De tuinwallen zijn ongeveer een meter hoog en breed met een kruin van een halve meter breed.Veel tuinwallen zijn in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw weggehaald. Ze stonden de moderne manier van bedrijfsvoering in de weg. In 1968 werd het gebied van de Hoge Berg aangewezen als landschapsreservaat. De boeren zijn sindsdien verplicht om hun tuinwallen goed te onderhouden. Zij krijgen daar een vergoeding voor. Een probleem bij het herstel van de tuinwallen is de kwaliteit van de graszoden. De Hon De Hon Op het meest oostelijke punt van Ameland ligt de Hon, een dynamisch duin- en plaatgebied met jonge duinen en een kwelder die onder natuurlijke omstandigheden wordt gevormd. Een paar honderd jaar geleden was de Hon er nog niet en eindigde Ameland bij de laatste duinen van het Oerd. Deze oostelijke vlakte is ontstaan toen, door de grillen van de natuur aan de zuidwest-zijde van het eiland, grote hoeveelheden strand en duin verloren gingen en de stroming het zand 25 kilometer verderop weer deponeerde. Ameland verplaatst zich dus naar het oosten. De Hors De Hors De Hors is de strandvlakte op het zuidwestelijke deel van Texel. De vlakte grenst aan het Marsdiep en het Molengat. Op de Hors vindt primaire duinvorming plaats. Dwergsterntjes broeden er op wisselende plaatsen. De Hors is onderdeel van het Staatsnatuurmonument de Waddenzee. In de Horspolders en de Kreeftepolder liggen duinmeertjes, die zijn ontstaan na de aanleg van stuifdijken. Het zijn gebieden met een bijzondere flora en fauna. De naam `hors` betekent `een in zee liggende zandplaat die bij vloed nagenoeg geheel ondervloeit`. Wandelende zandplaten Tot 1700 liep de zuidelijke vaarroute om Texel door het Spanjaardsgat. Deze zeearm liep ter hoogte van de huidige Mokbaai en westelijk van het huidige Loodsmansduin. Ten westen van het Spanjaardsgat lag een zandplaat: de Hors. Deze zandplaat verheelde in 1749 met Texel.Door het verhelen van de Hors met Texel breidde de kust enorm uit. Na het verzanden van het Spanjaardsgat groeide in de buitendelta de zandbank Onrust uit tot een plaat, die bij vloed boven water kwam te liggen. Deze bank verplaatste zich vanaf 1760 in zuidoostwaartse richting. Onrust verheelde pas met Texel in 1910 of 1914. Door de aanvoer van nieuw zand ontstonden nieuwe duinvalleien. Eerst ontstonden de Geul in 1927 en de Kelderhuispolder in 1930. Door het plaatsen van rietmatten en schermen van rijshout werd in 1953 het oostelijk Horsmeertje van zee-invloeden afgesloten. In 1964 volgde het westelijke Horsmeertje. Zuidwestelijk van het westelijke Horsmeertje is sinds kort een nieuwe vallei met water ontstaan: de Kreeftepolder: De plantengroei van de Horsmeertjes en de KreeftepolderDe Horsmeertjes en de Kreeftepolder zijn nieuwe gebieden die volop in ontwikkeling zijn. De Koger polders De Koger polders Op de lijn De Koog-de Westen ligt nu een landschap van bos, recreatieparken, bollengronden en weilanden. Eens was dit een landschap met een overgang binnen enkele kilometers van het duin in het westen naar kwelders en de Waddenzee in het oosten. Alleen de straatnamen (Oude Dijkje, Gerritslanderdijkje) en de aanduidingen van voormalige poldertjes (Everste Koog) herinneren eraan dat dit land lang geleden op de zee is veroverd. De Kollumerwaard De Kollumerwaard Aan de zuidkant van het Lauwersmeergebied, ligt het natuurgebied de Kollumerwaard. Een gebied dat gekenmerkt wordt door een gevarieerd landschap met moerassen, jonge loofbossen, uitgestrekte graslanden en watervlaktes. Sinds de inpoldering van de Lauwerszee is in de Kollumerwaard op de voormalige zandplaten een interessant natuurgebied met een zeer gevarieerd karakter ontstaan. Vossen, reeën en hazen kwamen vanaf het oude vasteland het nieuwe gebied binnen. Het afwisselende landschap zorgt ervoor dat in de Kollumerwaard een grote verscheidenheid aan vogelsoorten broedt. Diverse eendensoorten, grauwe gans en dodaars hebben hun toevlucht gezocht in de voedselrijke vlakten waar de rietvelden overgaan in open water. Deze oude prielen behoren tot de weinige nog duidelijk zichtbare overblijfselen van de Lauwerszee. Vanaf uitzichttoren De Baak in het zuidoosten en vanaf de uitkijkheuvel in het Zomerhuisbos in het zuidwesten heeft u een prachtig uitzicht over dit natuurgebied. U kunt er in voorjaar en zomer de roerdomp horen hoempen en jagende kiekendieven en foeragerende zilverreigers bewonderen.Tijdens de trek strijken veel vogels uit andere streken voor een bepaalde periode in het gebied neer. De slechtvalk, de smelleken en de ruigpootbuizerd zoeken er dan een veilig heenkomen. In najaar en winter wordt er zelfs regelmatig een zeearend gezien! De Koog De Koog In De Koog wonen bijna 1300 inwoners. Omstreeks 1930 schreef de Kamer van Koophandel in Alkmaar: `Wij twijfelen er niet aan, of binnen afzienbare tijd zal De Koog behoren tot de meest geliefde badplaatsen in ons land, omdat hier alle factoren aanwezig zijn die een plaats voor vreemdelingen aantrekkelijk kunnen maken`. Men zal tot deze uitspraak gekomen zijn, omdat De Koog vrijwel direct aan zee ligt, slechts van het strand gescheiden door twee duinenrijen. Lang voor de bloeiperiode als badplaats heeft De Koog een bloeiperiode als vissersdorp gekend. De naam De Koog ontleent het dorp aan de `cooghen`, de naam van inpolderingen in het begin van de veertiende eeuw. Op zeer bescheiden schaal werden drooggevallen gebieden door lage dijkjes van de zee afgenomen. Vele malen werden deze `cooghen` door de zee overstroomd, met als gevolg dat soms honderden schapen verdronken. Na iedere overstroming maakte men de dijken zwaarder om het gevaar van doorbreken te beperken. De Kooi-oerd-stuifdijkduinen De Kooi-oerd-stuifdijkduinen Dit gebied, met een grootte van 130 hectare, bestaat aan de westkant uit een droog jong duingebied met enkele droge valleien en veel bossages. Het duingebied wordt in het zuiden begrensd door de Kooi-oerdstuifdijk. Deze zanddijk is in 1882 kunstmatig aangelegd en in 8 jaar tijd stormvloed-vast opgestoven. De dijk maakte een verbinding tussen de Kooiduinen in het westen en de Oerderduinen in het oosten. Met de aanleg van deze dijk werd een brede slenkvlakte, die door de golven van de Noordzee bij hoge stormvloeden het eiland in tweeën deelde, afgesloten. Deze vlakte met slibafzetting uit de Noordzee wordt de Zoute weide genoemd. De Korverskooi De Korverskooi De Korverskooi, ten noordoosten van De Koog op Texel, is in beheer bij Staatsbosbeheer. De goed onderhouden eendenkooi wordt nog actief gebruikt. In het kooibos is een Helgolandval gebouwd, die uniek voor Nederland is. Er worden vogels gevangen voor ringonderzoek. Het terrein bestaat verder uit een laag duinterrein met gedeeltelijk vergraste heide, een boomgaard en enkele schrale graslandjes. Het terrein is niet vrij toegankelijk. De Middeleeuwen De Middeleeuwen Van de tijd vóór 1300 is over Schiermonnikoog niets met zekerheid bekend. We weten niet wie de eerste bewoners waren. Misschien hebben de Vikingen er een basis gehad. In de late Middeleeuwen waren er veel kloosters in Groningen en Friesland. De kloosters bezaten veel land, ook op de eilanden. Zo was Schiermonnikoog een `uithof`, landerijen met een gewijde kapel en begraafplaats, van het klooster Klaarkamp te Rinsumageest. Klaarkamp behoorde toe aan de orde der Cisterciënsers, die witte pijen droegen. De lekebroeders die op Schiermonnikoog het landwerk deden, droegen grijze pijen en naar hen is het eiland genoemd. Schier=grijs, oog=eiland: Schiermonnikoog, eiland der grijze monniken.In het Provinciaal Archief van Friesland bevindt zich een akte uit 1465, waarin de bisschop van Utrecht de kapel op `Schiramoneken aech` verheft tot parochiekerk. De Middelzee en de Marne De Middelzee en de Marne Het oude zeekleigebied in Friesland werd vroeger door een grote zeearm, de Middelzee, in tweeën gedeeld. Deze zeearm ontstond in de derde eeuw na Christus , toen het zeewater grip op de veengebieden kreeg. In het jaar 500 maakte de Marne contact met de Middelzee. Westergo werd een eiland. Na het ontstaan van de Zuiderzee verlandden de Marne en Middelzee en door diverse inpolderingen ontstonden tussen 1000 en de 1800 de Nieuwlanden en Het Bildt. Leeuwarden, eens een nederzetting aan zee, werd een stad in het binnenland. De vorming van de MiddelzeeZo`n 1000 jaar v.Chr. lag er nog een dik veenpakket op de plaats van de Middelzee. De Boorne, een rivier die bij Akkrum nog steeds zichtbaar is, mondde in zee uit. Een duinenrand beschermde het land, maar via geulen drong de zee het land binnen. De zee zette klei af op het veen, waardoor brede kwelderwallen ontstonden. De kwelderwal en de daarachter gelegen klei-op-veen gebieden trokken bewoning aan. Om vaker te kunnen beschikken over droog land voor hun vee groeven de bewoners een stelsel van sloten. Daardoor werd het veen ontwaterd en klinkte het in. De blootstelling aan zuurstof uit de lucht zorgde voor extra afbraak van het veen, waardoor uiteindelijk het woongebied daalde. In de derde eeuw n.Chr. kreeg het zeewater opnieuw grip op het binnenland en in de eeuwen daarna vormde zich de Middelzee door een verbreding van de Boorne. De MarneDe Marne was een ook zeearm, net als de Middelzee, en lag in het verlengde van de huidige geul tussen Harlingen en Terschelling. De Mokbaai De Mokbaai De Mokbaai is een inham van de Waddenzee tussen de Hors en de zuidpunt van Texel. Een groot deel van de baai valt droog bij laag water. Kwelders zijn tegenover de Geulplas en achter het militair oefenkamp te vinden. Aan de noordkant in het Hoornder Nieuwland liggen twee vogelreservaten: de Petten en `t Stoar. Onderzoekers van het NIOZ en Alterra (nu IMARES) gebruiken de Mokbaai regelmatig voor onderzoek. De Joost Dourleinkazerne ligt aan de Mokbaai. In 2005 zijn in de Mokbaai meer dan 5300 explosieven geruimd. In 2008 zal de beschoeiing van de Mokbaai worden vernieuwd. De Muy De Muy De Muy is een duincomplex gelegen tussen De Koog en De Slufter. De Muy bezit de oudste lepelaarkolonie van Texel. Ten zuiden van De Muy ligt het gebied De Nederlanden. Een markant punt is het bosje met de naam Oorlogsschip. Een gedeelte van het terrein wordt begraasd door runderen. Aan de zeekant ligt de botanisch rijke Buiten Muy. Tussen De Muy en De Slufter liggen de Slufterbollen, drogere duinen waar veel zilvermeeuwen broeden. Afwatering vindt via Slufter plaats. Uitgestrekte valleien in een door de mens geregisseerd landschap Het duingebied tussen De Koog en De Slufter is pas ontstaan na de aanleg van de Zanddijk over de strandvlakte tussen het oude land en het voormalige eilandje Eierland. De Zanddijk was in 1630 gereed. De Slufterbollen waren mogelijk voor de aanleg al in de vorm van een kleine duingroep op de strandvlakte aanwezig.In de 18e eeuw ontstond in het verlengde van de duinen bij De Koog in noordelijke richting een uitloper. Tussen deze uitloper en de Zanddijk vormde zich een kweldergebied dat Nieuw Nederland werd genoemd. Dit gebied werd in 1859 langs de noordzijde afgesloten met een dijkje en verkaveld als De Nederlanden. Dit dijkje lag zuidelijk van het dennen- en sparrenbosje, dat nu Oorlogsschip wordt genoemd.De Muyvallei werd gevormd door het afdichten van een geul in het strand. De naam Muy herinnert nog steeds aan deze monding (een mui is een diepte die twee zandbanken van elkaar scheidt). Door de aanleg van stuifdijken kon de voortdurende zandaanvoer uit zee nog geruime tijd doorgaan. De Nederlands Hervormde Kerk De Nederlands Hervormde Kerk In een oorkonde uit het jaar 1245 wordt al melding gemaakt van een kapel in Oost-Vlieland. Deze is gewijd aan St. Nicolaas, de beschermheilige van de zeelieden. De parochiekerk stond in West Vlieland, waar ook de pastoor woonde. De kapel kwam na de Reformatie in handen van de hervormden. Die vervingen de kapel in 1605 door het huidige gebouw. In 1647 onderging de kerk aan de lange zuid- en noordwand een uitbreiding tot kruiskerk. De rijkdom van de Gouden Eeuw is terug te vinden in het interieur. De kansel dateert uit hetzelfde jaar als de uitbreiding. In 1635 werd een erebank geplaatst voor de Vroedschap - de toenmalige gemeenteraad. Van de vijf kroonluchters is er een in 1644 geschonken door de Louis De Geer. Een andere draagt het wapen van M.A. de Ruyter, die enkele keren hier ter kerke gegaan moet zijn. In de kerk bevinden zich ook grafpalen, gemaakt van walviskaken. Deze stonden tot 1920 nog op het kerkhof. De Noordkop van Texel De Noordkop van Texel De Eierlandse Duinen is het noordelijkste duingebied van Texel. Het ligt op het voormalige eiland Eierland. De vuurtoren is opvallend in het landschap aanwezig. Ten zuiden van de vuurtoren liggen de bij vogelaars bekende `tuintjes`. Aan de Waddenzee tussen de vuurtoren en De Cocksdorp liggen enkele poldertjes en een stuk buitendijks gebied. Tussen De Cocksdorp en de Eierlandse Duinen liggen het nieuw aangelegde Krimbos en de Hanenplas. Het eiland Eierland Het huidige eiland Texel bestond voor 1630 uit twee delen: de stuwwal tussen Oost en Den Hoorn en het eilandje Eierland. Dit eilandje lag op de plaats waar nu de Eierlandse Duinen en de Hanenplas liggen. In 1630 werden Eierland en Texel verbonden door de aanleg van de Zanddijk.De naam Eierland komt heel waarschijnlijk van de aanwezigheid van een grote zilvermeeuwenkolonie. Eieren werden in de 17e en 18e eeuw bedrijfsmatig geraapt. De beheerder van Eierland stuurde circa 30.000 eieren jaarlijks door naar Amsterdam Zij werden gebruikt door de beschuit- en koekbakkers. Later werden ook konijnen in Eierland geteeld. De huiden van de konijnen gebruikte men voor de hoedenmakerij.De duinen zijn oud. Ze bestonden in ieder geval al in de 16e eeuw. Het ongelijke gebied laat naast droge duinen uitgestrekte vochtige en droge duingraslanden zien. Het is schaars met bosjes en struikgewas begroeid. De vuurtoren De vuurtoren op het noordelijke deel van Texel werd in 1864 gebouwd. Dit gebeurde op aandrang van de van Texel afkomstige J. De Noordoosthoek De Noordoosthoek De Noordoosthoek van Vlieland is een begrip voor zowel gasten als Vlielanders. Die laatsten hebben het meestal over `Noordestoek`. In vorige eeuwen sprak men ook wel van de Horn, een benaming die vaker voor een uitloper van een eiland gebruikt wordt. Nu is van een uitloper niet bepaald meer te spreken maar in de 19e eeuw vond men aan de noordoostkant van Vlieland een lange, brede strandvlakte. Deze vlakte strekte zich begin vorige eeuw wel meer dan twee kilometer oostwaarts en enige honderden meters noordwaarts van de huidige duinvoet uit. Om daar een idee van te geven: waar nu de veerboot door de Vliesloot vaart, graasden vroeger de koeien! Door het aanleggen van stuifdijken was de strandvlakte namelijk begroeid geraakt en geschikt als weidegrond. De hier gevormde vochtige vallei werd naar de uitvoerend opzichter van Rijkswaterstaat de Kooremansvallei genoemd.Doorbraak van de VlieslootRond 1905 is de Vliesloot noordwaarts doorgebroken en is de vallei van het eiland gescheiden waarna deze rond 1910 door de zee is heroverd. Na deze kustachteruitgang heeft men zoals eerder vermeld, de kust ter plekke met de dammen 54 tot en met 63 vastgelegd. Dit was nodig om verdere afname door opdringen van het Zuiderstortemelk (een belangrijke ebgeul) en de Vliesloot tegen te gaan. De dammen hebben, in combinatie met de havenhoofden, de oostkant van het eiland lang vastgelegd. Afslag gaat doorDoor de aanleg van strandhoofden langs de gehele Noordzeekust werd echter het door het getij getransporteerde zand vastgehouden en was de Noordoosthoek verstoken van zandaanvoer. De Ramsar Conventie De Ramsar Conventie In 1971 werd het Verdrag van Ramsar (de Ramsar Conventie) gesloten. Dit verdrag was de eerste aanzet om de vogels in waterrijke gebieden (zogenaamde wetlands) van internationale betekenis te beschermen. De Conventie verplicht de regeringen de gebieden te beschermen en het belang van de natuur in de gebieden zwaarder te laten wegen dan menselijke belangen. Helaas zijn veel staten niet erg voortvarend in het uitvoeren van de voorschriften van het Ramsar-verdrag. Nederlandse Ramsar-gebiedenIn totaal is er in Nederland 782.698 hectare gebied aangemeld als wetland van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie, ofwel de Ramsar Conventie, waarvan 63% uit de Waddenzee, de kustzone van de Waddeneilanden en het IJsselmeer bestaat. De laaste toevoegingen zijn in 2005 gemaakt. De bepalingen van de Ramsar conventie zijn minder bindend en dwingend dan die uit de Europese richtlijnen (Habitat-richtlijn, Vogelrichtlijn). De gebieden die onder deze Europese richtlijnen vallen heten Natura-2000 gebieden. Bijna alle Ramsar gebieden in Nederland zijn ook Natura-2000 gebied.Op de hele wereld zijn er nu 1429 gebieden aangemeld, met een oppervlakte van 125 miljoen hectare. De Richel De Richel De Richel is evenals de Vliehors een grote zandplaat die te laag ligt om permanent begroeid te kunnen raken. Jonge duinvorming komt hier nauwelijks voor. In tegenstelling tot de Vliehors ligt de Richel niet aan Vlieland vast. De veerboot moet om het eiland te kunnen bereiken een omweg maken over de Noordzee om de Richel te passeren. Voor vogels is De Richel van belang als hoogwatervluchtplaats. Vooral in extreme omstandigheden wordt De Richel gebruikt door grote aantallen wadvogels, mits de vloed niet zo hoog is dat de Richel ongeschikt is. Van de herfst tot aan de zomer is De Richel tevens verblijfplaats van een grote groep grijze zeehonden. De groep is vanaf de veerboot meestal goed te zien. De aantallen kunnen tegenwoordig, in 2004, al oplopen tot rond de 900 dieren. De Schorren De Schorren Een van de rijkste vogelgebieden van Texel is het buitendijkse kweldergebied De Schorren, achter polder De Eendracht. Het uitgestrekte gebied is ongeveer 6700 hectare groot. Het is een hoogwatervluchtplaats voor vele wadvogels. Sinds 1982 broeden hier lepelaars. Er broeden in wisselende aantallen kokmeeuwen en grote sterns. Tussen september en eind mei verblijven hier de rotganzen. De Schorren is eigendom van Natuurmonumenten. Ook een groot deel van de achterliggende wadvlakte, de Vlakte van Kerken, wordt door deze vereniging beheerd. De Slufter De Slufter Tussen de Muy en de Eierlandse Duinen ligt de Slufter. Dit unieke gebied staat in open verbinding met de Noordzee. De Zanddijk tussen polder Eijerland en de Slufter is daardoor de zeewering geworden. Het Sluftergebied bestaat uit een krekenstelsel met bijbehorende kweldervegetatie. In de zomer is de vlakte paars van het bloeiende lamsoor. Het grootste deel wordt als vogelreservaat beheerd; alleen het zuidelijke gedeelte is vrij toegankelijk en is ook voor rolstoelen bereikbaar. De eidereend is broedvogel in het reservaatdeel. Mislukte afsluiting Tussen 1629 en 1630 werd over de zandvlakten in het zeegat tussen Texel en Eierland een stuifdijk aangelegd, die de Zanddijk werd genoemd. Na de afsluiting van het zeegat groeide het gebied westelijk van deze stuifdijk meer en meer aan. De mens heeft zich met dit proces van duinvorming dan ook sterk bemoeid. In 1855 werd ongeveer anderhalve kilometer westelijk van de Zanddijk door Rijkswaterstaat een nieuwe stuifdijk aangelegd. Deze dijk wordt de Lange Dam genoemd. De Lange Dam verbond de Slufterbollen (het duingebied ten noorden van de Muy) met de Eierlandse Duinen.In 1858 brak de Lange Dam op twee plaatsen door. Er ontstonden twee diepe geulen die de achterliggende strandvlakte binnenstroomden. Deze geulen werden de Grote en de Kleine Slufter genoemd. Ter hoogte van de Muy was er een derde doorbraak.De Grote Slufter werd pas in 1887 na een aantal pogingen definitief gesloten. De Kleine Slufter werd echter steeds groter en bleek moeilijk te dichten. De Strandvlakte van Schiermonnikoog De Strandvlakte van Schiermonnikoog De Strandvlakte is een bijzonder gebied, dat door lage duinen van het strand wordt gescheiden. Op Schiermonnikoog zijn meerdere strandvlaktes te vinden, maar een grote ligt ter hoogte van paal 8 tot paal 10.4. Deze wordt De Strandvlakte genoemd. Het is een bijzonder gebied, omdat er zowel zout, zoet als brak water voorkomt. En dat trekt weer bijzondere planten en vogels. Het heeft wel iets van een slufter. Zowel de Noordzee als de Waddenzee dringen hier bij stormen binnen. OntstaanDe Strandvlakte is eigenlijk een oud strand. Het was van 1700 tot 1959 het noord-oostelijk gedeelte van het strand van Schiermonnikoog. Na de aanleg van een lange, rechte stuifdijk over dit strand, in 1959, werd een groot deel afgesneden van de Noordzee. Het oude strand begon begroeid te raken. In 1968 sloeg de Noordzee tijdens een storm een flink gat halverwege in de stuifdijk. Daardoor kon de Strandvlakte tijdens storm weer onder invloed van de Noordzee komen. Ook de Waddenzee kan bij winterse stormen nog binnendringen in de Strandvlakte via de derde slenk. Het is een uniek overgangsgebied tussen kwelder, duinen en strand. Het is in feite een grote duinvallei waar zoet regenwater valt, maar waar zo nu en dan ook nog invloed is van zout zeewater. De Vliehors De Vliehors De Vliehors is voor Nederlandse begrippen vooral landschappelijk een bijzonder gebied. De afmetingen van het panorama staan hier op geen enkele manier meer in verhouding met die van de mens. Men ziet een zandvlakte tot aan de horizon of tot aan de eindeloze zee rondom. Eens was deze zandplaat een duingebied waarin men het plaatsje West Vlieland kon aantreffen. De noordgrens van dat gebied en de locatie van West Vlieland liggen nu minstens een kilometer noordelijker in zee. Voor 1950 was de Vliehors een grote zandvlakte, zonder enige begroeiing. Vanaf deze periode begon Rijkswaterstaat takken en rietschermen op de Vliehors te plaatsen waardoor stuifdijken ontstonden. Hierdoor ontstonden de vaste dijk, vanaf het oefenkamp in westelijke richting, en de eerste en tweede stuifdijk, die westelijk van de luchtmachttoren liggen.De laatste jaren ontwikkelt zich in de luwte van deze stuifdijken een nieuw duingebied. Primaire duintjes groeien uit tot een duincomplex en in de laagtes tussen dit gebied ontwikkeld zich snel kwelderbegroeing. Op de kwelder en in het duin groeien interessante planten en er zijn ook al de eerste struiken gesignaleerd. Op de Vliehors is goed te zien hoe een zandplaat langzaam verandert tot duingebied. Je kunt er zien hoe een waddeneiland van een kale strandwal in een begroeid eiland is veranderd.De Vliehors is als hoogwatervluchtplaats van groot belang. Op de stuifdijken broeden meeuwen, scholeksters en wulpen. Hier en daar broeden strandplevieren of bontbekplevieren. De Waal De Waal Opgravingen bij de Waal wijzen al op bewoning in deze streek vanaf de Midden Steentijd. Een heuvel bij het dorp, de Sommeltjesberg, bleek een grafheuvel uit de Romeinse tijd te zijn. Tot in de Middeleeuwen lag De Waal aan een haven. Via een dam, de huidige Bomendiek, bereikte je het dorp. De haven lag aan de zuidkant van die dam. Als gevolg van de vele inpolderingen werd De Waal een agrarisch dorp. In het dorp staan veel fraaie gebouwen van cultuurhistorische waarde. De Waal is met ruim 400 inwoners het kleinste dorp van het eiland en evenals Den Burg, Oosterend en Den Hoorn gebouwd op de Texelse stuwwal. Aan de noordwestzijde van het dorp (Polderweg) is duidelijk zichtbaar hoe hoog het dorp ligt ten opzichte van de polder Waal en Burg. Voordat deze polder voor de eerste maal werd drooggemaakt (1436) kon de zee vrij tussen het dorp en het hoge land rond Den Burg stromen. Zoals eerder beschreven brachten de bewoners van verschillende buurtschappen door middel van dammen verbindingen tussen de hoger gelegen delen aan. De Bomendiek, de fraaie zuidelijke toegangsweg tot De Waal, één van die eerste dammen. Later werd deze dam verder verhoogd en kreeg tot de droogmaking van de polder Waal en Burg de functie van zeewering. Oorspronkelijk stond in De Waal een tufstenen kerkje, maar dit werd in de negentiende eeuw afgebroken en vervangen door een bakstenen kerk. Tijdens de opstand van de Georgiërs aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd deze kerk in brand geschoten en brandde tot de grond toe af. De Westen De Westen Het dorp De Westen bestaat niet meer. Het lag op de plaats waar nu de Jan Ayeweg uitkomt op de Westerweg. Het dorp ontstond in de vroege Middeleeuwen en was een tijd lang het belangrijkste dorp van Texel. Het lag aan een zeearm die ten noorden van het oude land liep. Toen deze zeearm halverwege de Middeleeuwen verzandde en westelijk van het dorp nieuwe duinen ontstonden, was het snel afgelopen met De Westen. Akkers en weiden werden overstoven, de havenfunctie verdween, en de bewoners trokken weg. De hoge toren bleef staan, als baken voor schepen. Pas in de negentiende eeuw werd hij afgebroken. De herinnering aan zijn bestaan leeft voort in de naam van de kleine stolpboerderij die ooit vlak naast de toren stond: het Torenhuus. De `IJsvloed` van 1511 De `IJsvloed` van 1511 Bij deze stormvloed speelde niet alleen water maar vooral ook ijs een rol. Er is grote schade aan de oostfriese kust en in het Jadegebied. Het grootste deel van Rüstringen werd vernield, het was door de voorafgaande stormvloeden al zwaar beschadigd. Veel land is ook verdronken, omdat de dijken nog niet hersteld waren. De Jadebusen is nu op zijn grootst, het water stroomde van Friedeburg tot aan Stollham. In de volgende jaren verbetert de dijkbouw in het oostelijke gebied van de Jadebusen. De verbindingen met de Weser worden gesloten, Stadtland en Butjadingen worden met het Oldenburger Land herenigd. De bossen op Ameland De bossen op Ameland Oorspronkelijk kwamen op de waddeneilanden en dus ook op Ameland geen bossen voor. De dorpen hadden dan ook veel last van de zoute zeewind en zandverstuivingen. Omstreeks 1895 begon Rijkswaterstaat op Ameland met het aanplanten van bos. Het doel was tweeledig: het stuivend duinzand vastleggen en bescherming van de dorpen tegen wind en zand. Per jaar werden er 5 tot 8 hectare naaldbomen geplant. De boomsoorten die men plantte waren hoofdzakelijk de Oostenrijkse en Corsicaanse den en de Sitkaspar, soorten die tegen het zware klimaat van een kustbos bestand zijn. De VleijenBosvorming kan een grote bijdrage leveren aan een meer afwisselend natuurlijk milieu en een vergroting van de landschappelijke waarden. Met dat doel heeft Staatsbosbeheer in de laatste decennia in het recreatiegebied de Vleijen een nieuw bosgebied aangeplant met zowel loof- als naaldboomsoorten. De inrichting en het beheer van dit bos zijn gericht op een recreatieve functie. Het KwekerijbosTussen 1895 en 1950 zijn op Ameland aan de noordkant van de dorpen bossen aangeplant. Het diende twee doelen: het stuivende duinzand werd vastgelegd en het beschermde de dorpen tegen wind en zand. Een voorbeeld van de bosaanplant en de natuurlijke ontwikkeling is het Kwekerijbos. In de Briksduinen, een oud binnenduin ten noordwesten van Nes, is het 48 hectare grote Kwekerijbos aangeplant. De naam van het bos is ontleend aan de kwekerij van jonge naaldbomen die hier in het begin van de 20e eeuw werd aangelegd voor de bosaanplant. De bossen op Vlieland De bossen op Vlieland De bossen op Vlieland zijn niet van natuurlijke oorsprong; ze zijn aan het begin van de 20e eeuw als dennenbossen aangeplant om de verstuiving van het duinzand tegen te gaan. Dennen verdampen bijna al het regenwater dat er valt. Daardoor verdroogt de bodem. Door bosomvorming (Integraal Waterbeheer) komt er steeds meer loofbos, dat minder water verbruikt. De dorpen van Ameland De dorpen van Ameland Op Ameland liggen vier dorpen, Hollum, Ballum, Nes en Buren. Ze zijn ontstaan uit de Markegenootschappen; vroege nederzettingen uit de Middeleeuwen. In het verleden waren er nog drie dorpen op het eiland: Sier, Oerd en Swartwoude. Door stormvloeden en zandverstuivingen zijn die in de zestiende eeuw verdwenen, verzwolgen door de zee. In de dorpen van Ameland wonen en werken 3400 mensen. Veel tastbare herinneringen aan een rijk en uniek verleden zijn er bewaard gebleven. Er zijn nog 220 beschermde monumenten of beeldbepalende panden te vinden. Door een actief gemeentelijk dorpsvernieuwings-beleid lukt het om het aanzien van de vier dorpen, o.a. door het planten van bomen, wegconstructies en passende restauraties te behouden. Hollum, Ballum en Nes hebben een beschermd dorpsgezicht. De ecologie van waterplanten De ecologie van waterplanten Waterplanten komen in alle soorten en maten voor in zoet water, van de witte waterlelie tot klein kroos. Ze vormen echter niet de belangrijkste basis voor de voedselketen in het zoete water. Die basis wordt gevormd door microscopisch kleine algen. Waterplanten zijn wel heel belangrijk, omdat ze voedsel en bescherming bieden aan talloze diertjes en planten die anders niet kunnen overleven in open water. Waterplanten gedijen het best in stilstaand ondiep water, zoals in ondiepe plassen, meren en sloten. In stromend water kunnen waterplanten met wortels nog wel goed groeien, maar vrijzwevende soorten spoelen daar weg, tenzij ze vastzitten tussen wortelende planten aan de oever. Als het water te diep of te troebel is krijgen vaste waterplanten niet genoeg licht en sterven ze af. Drijvende en zwevende waterplanten zijn hier in het voordeel, omdat ze wel genoeg zonlicht kunnen ontvangen voor de fotosynthese. De diepte en de helderheid van het water hebben dus grote invloed op de samenstelling van de plantengemeenschap.In schoon water is de bloei van algen vaak slechts van korte duur omdat er een beperkte hoeveelheid voedingsstoffen aanwezig is. Zijn de voedingsstoffen op, dan stopt de bloei en sterven de cellen af. Binnen een paar dagen zinken de dode of inactieve cellen naar de bodem, waardoor het water weer helder wordt. De waterplanten kunnen nu weer gaan groeien. Effecten van vervuilingAls er in water een teveel aan voedingsstoffen aanwezig is, kunnen kleine algen een ware plaag vormen. De eendenkooi De eendenkooi Een eendenkooi is iets bijzonders en maakt nieuwsgierig naar wat daar, verborgen in het kooibos, plaatsvindt. Een eendenkooi is een bij de Jachtwet erkende en geregistreerde vanginrichting voor in het wild levende eendachtigen. Het is een bedrijf; een `kooibedrijf` dat zich met vangen bezighoudt en waar met het oog daarop allerlei onderhoudswerkzaamheden worden verricht. In Nederland bestaan er nog 170 eendenkooien of restanten daarvan. Hiervan zijn er 16 gelegen op de waddeneilanden. Ook op de Oost- en Noord-Friese eilanden in het Duitse waddengebied zijn hier en daar kooien ingericht. Eendenkooien zijn speciale natuurgebieden met bijzondere cultuurhistorische waarden. Zij worden min of meer beschermd door een `afpalingsrecht`, dat zorgt voor de instandhouding van de rust binnen een cirkel die door kooipalen in het veld staat aangegeven. We beperken ons tot een weergave van de Zuid- en Noord-Hollandse eendenkooien. Elders in Nederland treffen we kooien aan die anders van opbouw kunnen zijn, hoewel de werking van het kooibedrijf daar op dezelfde principes berust. De erosie van de Nederlandse kust De erosie van de Nederlandse kust Door aanhoudende afbrokkeling van de kust, de kusterosie, wordt het waterkerend vermogen van duinen, zeedijken en andere waterkeringen langzaam maar zeker ondermijnd. De directe oorzaken zijn de inwerking van stromingen, getijden, golven, de wind en zeespiegelstijging. De problemen hebben een structureel karakter en doen zich langs de hele kust voor. Dit kaartje van 1995 laat zien dat de erosie van de zandige kust op z`n sterkst is langs de kust van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal tot aan de Slufter op Texel. Langs de Zuidhollandse kust en de Zeeuwse eilanden was er sprake van enige aanwas direct langs het strand, maar erodeerden de zeewaartse kustvakken ook sterk. De kust werd daar dus steeds steiler.In het waddengebied waren de problemen het grootst bij de noordoosthoek van Vlieland en in het aangrenzende zeegat, en ten noorden van Ameland en het aangrenzende zeegat.De grootste zandvangers in het Nederlandse kustsysteem zijn de Westerschelde en de Waddenzee. Erosie van de vooroever Verreweg de meeste erosie speelt zich, onzichtbaar voor de strandwandelaar, af op de vooroever. De zandduinen en richels onder de zeespiegel worden voortdurend verplaatst door inwerking van de zeestroming. Er is een netto verplaatsing van het zand in noordwestelijke richting, naar de ebdelta`s van de zeegaten tussen de waddeneilanden. Vanuit die ebdelta`s spoelt het zand de Waddenzee in. Het zandgebrek op de vooroever wordt weer aangevuld vanaf het strand. De fauna van de kustwateren De fauna van de kustwateren De kustwateren worden wel eens de `gouden rand` van de zee genoemd. Het water is hier, als gevolg van de aanvoer van stoffen door de rivieren, veel voedselrijker dan op volle zee. Het fytoplankton groeit hier sneller, waardoor er veel voedsel beschikbaar is voor dierlijk plankton en talloze soorten schelpdieren, slakken, kreeftachtigen en ander ongewervelden. De zeevissen en kustvogels profiteren hier van. Vooral veel jonge vis groeit niet ver van de kust op. Viseters zoals sterns en veel meeuwen zijn dan ook typische `kustvogels`. Uitwisseling tussen de wad- en kustfauna De gewone zeehonden uit de Waddenzee trekken vooral in de winter de zeegaten uit om te jagen. De platvis is dan immers het koude water op het wad ontvlucht en houdt zich in wat dieper Noordzee-water op. Waarnemingen vanaf schepen laten zien dat de meeste zeehonden te vinden zijn rond de 10-meter dieptelijn. Incidenteel jagen zeehonden tot aan de twintig meter diep. Meeuwen en sterns, die op de eilanden broeden, foerageren zowel in de Waddenzee als langs de kust in de Noordzee. Ook aalscholvers beschouwen de kuststrook en het wad als één geheel om te jagen op de kleine vissoorten waar ze van leven. Zwarte zee-eenden zijn tegenwoordig vooral bekend van de buitengaatse kustwateren. Maar tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werden zij ook regelmatig waargenomen in de westelijke Waddenzee. Iets dergelijks geldt ook voor bruinvissen. Die kwamen vroeger veelvuldig voor in de zeegaten en in de diepere geulen op het wad, maar worden nu alleen nog in de kustwateren waargenomen. De fauna van de zeebodem De fauna van de zeebodem Op het eerste gezicht is er niet veel te zien op de Noordzeebodem. Maar schijn bedriegt: de meeste dieren die er leven houden zich verborgen. Wormen, kreeftachtigen en schelpdieren leven in holen en gangen onder het bodemoppervlak. Als je goed kijkt zie je ook wel leven op de bodem: garnalen, krabben en zeesterren kruipen rond en andere dieren zitten vastgehecht aan stenen of scheepswrakken. Elke verschillende leefomgeving (zoals bodemtype) in de Noordzee kent zijn eigen karakteristieke diersoorten. Thuis in zand en slib Verreweg het grootste deel van de Noordzeebodem bestaat uit zand en slib. Er leven veel dieren die zich ingraven, zoals wormen en schelpdieren. Er zijn wormen, zoals de zeeduizendpoot (of zager), die zich gravend door de bodem voortbewegen. Andere leven permanent in kokers die net boven het bodemoppervlak uitsteken. Een voorbeeld daarvan is de zandkokerworm. Zijn koker is opgebouwd uit met slijm aan elkaar verkleefde zandkorreltjes. Als de koker bedolven wordt door zand kan het dier deze een stukje verlengen.De meeste soorten schelpdieren leven in de bodem. Ze houden contact met het oppervlak via hun sifonen. Deze buisjes verzorgen de aan- en afvoer van zeewater. De dieren gebruiken de zuurstof die in het water zit, en ze filteren de voedingsstoffen eruit. Bekende schelpdieren zijn het nonnetje, de kokkel en de strandgaper. In gebieden met veel slib komen meer dieren, en ook in andere soortsamenstellingen, voor dan op zandbodems. Slibbodems bevatten veel meer resten van afgestorven planten en dieren, waardoor er voor bodemdieren meer voedsel beschikbaar is. De geologische tijdschaal De geologische tijdschaal De planeet Aarde ontstond ruim 4.5 miljard jaar geleden. De geologische tijdschaal wordt ingedeeld in twee Eonen: het Precambrium en het Fanerozoïcum. Binnen het Fanerozoïcum, ruwweg de laatste 570 miljoen jaar, worden drie Era`s onderscheiden: Paleozoïcum (574 tot 247 miljoen jaar geleden), Mesozoïcum (247 tot 65 miljoen jaar geleden) en Kenozoïcum (65 miljoen jaar geleden tot heden). Belangrijke geologische gebeurtenissen, zoals perioden van gebergtevorming (orogenese), of opvallende veranderingen in de soorten fossielen die in de aardlagen worden aangetroffen, geven de criteria op grond waarvan men de geologische tijdschaal indeelt. Periodes worden weer ingedeeld in tijdvakken. Zo wordt de periode die de laatste 2.5 miljoen jaar omvat ingedeeld in de tijdvakken Pleistoceen (van 2.5 miljoen jaar geleden tot tienduizend jaar geleden) en Holoceen (van 10.000 jaar geleden tot nu). De geschiedenis van Schiermonnikoog De geschiedenis van Schiermonnikoog De geschreven geschiedenis van Schiermonnikoog begint in de Middeleeuwen, toen de monniken naar het eiland trokken. Vanaf die tijd tot de 18e eeuw speelde het leven op het eiland zich voornamelijk af in de buurtschappen Westerburen, Oosterburen , Dompen en Molenbuurt, gelegen op de plek van het huidige Westerstrand en de Westerduinen. Rond 1760 waren de oude buurtschappen in de golven verdwenen. Vanaf 1720 werd het huidige dorp de belangrijkste woonkern. Tussen 1638 en 1945 was het eiland particulier eigendom. Tussen 1895 en 1940 kwam op Schiermonnikoog het toerisme op. In de Tweede Wereldoorlog werd Schiermonnikoog als het laatste stukje Nederland bevrijd. Op de plaats van de huidige oostpunt lag vroeger het eiland Bosch. De geschiedenis van Vlieland De geschiedenis van Vlieland Dit hoofdstuk behandelt het ontstaan van Vlieland, de gunstige ligging van Vlieland langs de voornaamste handelsroutes in de 16e en 17e eeuw, enige historische panden op het eiland, de rol van Vlieland in de walvisvaart, de armoedige tijd rond 1900, de kunstenaars, die zich in het verleden op Vlieland vestigden, het voormalige dorp West Vlieland en de Tweede Wereldoorlog. De grenzen van de Waddenzee De grenzen van de Waddenzee Eén van de cruciale vragen op de Waddenzeeconferentie in Leeuwarden in 1994 was: hoe groot is de Waddenzee? De Waddenzee moet immers beschermd worden als een samenhangend natuurgebied, zoals was afgesproken op de voorgaande conferentie, in 1991 in Esbjerg. Het water in de Waddenzee hangt sterk samen met het Noordzeewater buiten de eilandenrij. Voedingsstoffen, vervuiling, planten en dieren houden zich vaak niet aan de grenzen die op de kaart getrokken zijn. Men besloot in Leeuwarden om ook een zone van 3 zeemijl uit de kust van de eilanden te rekenen tot de `trilateral co-operation area`. | ZoekTyp een term en klik op `Zoek`.Online taaltestDe NTR, de VPRO, de Universiteit Gent en Canvas hebben een wetenschappelijk onderzoek naar Taal opgezet en doen dit door middel van een online taaltest. Hoeveel woorden ken jij?
Recent gezochtDe laatste zoekopdrachten. Tussen haakjes staan resp. de resultaten en verwante resultaten.• phoenix dactylifera (2/0) • arteria abdominalis (1/0) • directorium (1/0) • Another Night (1/0) • hongaar (3/25) • Synema illustre (1/0) • oreïd (4/1) • BERGUMERDAM (2/0) • MESOFASE (1/0) • Imbroskloof (1/0) • gestreetdancet (1/0) • Indikken (5/0) • Yeni Kırşehirspor (1/0) • Station West Drayton (1/0) • Rosalyn Higgins (1/0) • Hongaars kanon (1/0) • amedeo modigliani (2/0) • Gigliola Cinquetti (1/0) • direct ma (1/21) • STOPZETTEN (3/0) • SKAR (1/25) • onze lieve heersbeestje (3/0) • Jon Kabat Zinn (1/0) • segmenteren (3/0) |
|||||||||||||||||||||
| © Encyclo MMXII | Contact | Privacy | Woorden toevoegen | ||||||||||||||||||||||