Kopie van `ZeeInZicht, digitale encyclopedie voor de wadden, kust en Noordzee`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


ZeeInZicht, digitale encyclopedie voor de wadden, kust en Noordzee
Categorie: Milieu > Zee
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 1390


Aalachtigen
Aalachtigen De Vleet behandelt de gewone paling en de congeraal.

Aalscholver
Aalscholver Aalscholvers horen tot de pelikaanachtigen. Zij broeden in kolonies. Meestal nestelen ze in bomen, maar er zijn ook gevallen bekend van kolonies die op de grond broeden. Op Vlieland doen ze dat bijvoorbeeld in de Kroon`s Polders. Aalscholvers zijn viseters die erom bekend staan dat zij erg goed naar vis kunnen duiken. Dat doen ze zowel in zoet, zout als brak water. Vroeger werd de aalscholver intensief bejaagd omdat men meende dat hij zo veel vis at dat de visserij er onder leed, nu zijn ze beschermd. De aalscholver heeft niet zo`n goede waterafstotende vetlaag als andere watervogels. Daarom zit de aalscholver vaak met gespreide vleugels in de zon om op te drogen. Vestiging van aalscholvers in het Nederlandse waddengebiedIn het Nederlandse waddengebied werd, na eeuwen van intensieve vervolging, het laatste broedpaar in 1904 op Texel gezien. Vanaf 1974 broedt de aalscholver weer in het waddengebied, en wel op het kunstmatige NAM-eilandje De Hond in de monding van de Eems. Lange tijd zijn deze broedgevallen niet gepubliceerd omdat de vogelliefhebbers nooit op dit eilandje kwamen. In 1998 broedden er 135 paartjes. Gedurende de jaren tachtig en negentig werden steeds meer foeragerende en rustende aalscholvers gemeld, ook vanuit de westelijke Waddenzee. De Razende Bol (Noorderhaaks), bij Texel, werd een steeds belangrijker pleisterplaats. Het Zwanenwater (Noord-Holland) werd in 1989 opnieuw gekoloniseerd. De vogels van deze kolonie foerageren tot in de Waddenzee.In 1994 werden voor het eerst broedgevallen gemeld in de westelijke Waddenzee: in de Kroon`s Polders op Vlieland broedden zes paren op grondnesten.

Aalscholvers
Aalscholvers In het Noordzeegebied spelen twee soorten aalscholvers een rol: in het noorden zijn dat vooral kuifaalscholvers, en in het zuiden de gewone aalscholver.

Aardbeivlinder
Aardbeivlinder De aardbeivlinder is een vrij zeldzame standvlinder, teruggedrongen tot enkele geïsoleerde locaties. Vroeger was de soort veel algemener. De aardbeivlinder is te vinden in de overgang van droge, schrale graslanden naar vochtige tot natte, schrale graslanden. De dauwbraam is de belangrijkste plant voor deze vlinder. In de duinen van Terschelling en Schiermonnikoog zijn nog grote populaties te vinden. Namen: Ned: Aardbeivlinder Lat: Pyrgus malvae Dui: Kleiner Würfel-Dickkopfalter (Gewönlicher Puzzlefalter) Eng: Grizzled skipper

Aardgaswinning
Aardgaswinning De Noordzeebodem is een belangrijke leverancier van aardgas. Dit gas is oorspronkelijk ontstaan vanuit ingekoold veen uit het Carboon-tijdperk, zo`n 300 miljoen jaar geleden. Ook onder de bodem van het wad bevinden zich aanzienlijke voorraden, waarvan een deel wordt gewonnen. De gaswinning in de Waddenzee staat al jaren ter discussie. De gaswinning in de Noordzee wordt uitgevoerd door Nederland, Engeland en Noorwegen. De totale productie bedroeg 266 miljoen kubieke meter aardgas in 2001. De winbare voorraad werd begin 2003 geschat op 5000 miljoen kubieke meter.

Aardgaswinning in de Waddenzee
Aardgaswinning in de Waddenzee In de Nederlandse deel van de Waddenzee wordt op één plek aardgas gewonnen: op de locatie Zuidwal, ten westen van Harlingen. De Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) gaat vanaf 2007 nog meer gas winnen in de Waddenzee. Een deel van de opbrengst vloeit naar het Waddenfonds. In het Nedersaksische waddengebied vindt aardgaswinning op twee locaties plaats, namelijk in de Leybucht en in de Eemsmond. In Denemarken en Hamburg is het winnen van olie en gas in het beschermde deel van het waddengebied verboden. De Nederlandse overheid en de mijnbouwmaatschappijen hadden tot 1995 de afspraak dat het waddengas niet verder zou worden opgespoord en-of gewonnen. Sinds die afspraak is verlopen wil de NAM in het oostelijk deel van het gebied gaan boren. Milieuorganisaties zijn fel tegen de boringen. Zij vrezen voor verstoring, ongelukken en daling van de wadbodem. Eind 1999 werd een verbod op gaswinning afgesproken, maar in 2004 werd er alweer door de Adviesgroep Waddenzeebeleid (`Commissie-Meijer`) voorgesteld om de gaswinning toe te staan. De Commissie was ingesteld om advies te geven over gaswinning en schelpdiervisserij in relatie tot de natuur. Bij het uitkomen van het rapport in 2004 werd voorgesteld om de kokkelvisserij in 7 jaar af te bouwen en gaswinning toe te staan. Maar in 2005 werd de kokkelvisserij in de Waddenzee al verboden. Het kabinet stond positief tegenover dit advies. Het gaat om tenminste 40 miljard kubieke meter, dat 3 miljard euro kan opleveren.

Aardgaswinning op de Noordzee
Aardgaswinning op de Noordzee In 2000 werd door de gasvelden op het Nederlandse deel van het continentale plat ruim 20 miljard kubieke meter gas geproduceerd. Dat was de kleine helft van de totale Nederlandse gasproductie. Men schat dat er in totaal nog meer dan 300 miljard kubieke meter onder de zeebodem te winnen is. Gaz de France wil op 7 kilometer uit de kust van Schiermonnikoog gaan boren, maar de gemeente Schiermonnikoog is hier tegen. Op het Nederlandse deel van de Noordzee begon de NAM al aan het eind van de jaren vijftig van de met seismisch onderzoek. De belangstelling voor dit gebied nam toe nadat in 1959 het Groningen-gasveld was ontdekt. Het vermoeden dat zich onder het zuidelijke deel van de Noordzee een soortgelijke geologische situatie als in de bodem van Groningen zou kunnen bevinden, leidde tot nader onderzoek. In 1961 werd door de NAM voor de kust bij Kijkduin de eerste verkenningsboring verricht. Dit was de eerste zeeboring in West-Europa. De NAM is erg actief op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat. De maatschappij beschikt over 16 gasproductie- platforms op zee. In totaal staan er zo`n 90 platforms in dit deel van de Noordzee. De NAM voert meestal zelf het werk uit, maar ze neemt ook deel in exploratie- en productieprojecten van andere maatschappijen. Van het aardgas dat de NAM `buiten Groningen` produceert, komt meer dan 40% uit de Noordzee. In mei 2000 kondigde de minister Jorritsma van Economische Zaken aan zo`n 45,5 miljoen euro uit te zullen trekken om oliemaatschappijen meer te interesseren voor exploitatie van de kleine gasvelden op het Nederlands Continentaal Plat.

Aardoliewinning
Aardoliewinning In 1969 werd het eerste olieveld op de Noordzee aangeboord. Sindsdien is vooral in het midden en noorden van de Noordzee een uitgebreide olie-industrie ontstaan, die voor het grootste deel in Britse en Noorse handen is. In 2002 was de Noordzeebodem goed voor een totaalproductie van 360 miljoen kubieke meter olie. Begin 2003 schatte de offshore-industrie de resterende voorraad op 2700 miljoen kubieke meter olie.

Aasgarnaal
Aasgarnaal Aasgarnalen heten in het Engels `chameleon shrimp`; ze kunnen hun lichaamskleur veranderen van doorzichtig tot bijna zwart. Meestal zijn ze echter grijs of geelachtig. Ze worden hooguit 25 millimeter lang. Er zijn verschillende soorten, die algemeen voorkomen in de Waddenzee en het kustwater van de Noordzee. Daarnaast zijn er ook typische brakwatersoorten. De aasgarnaal heeft een typische houding: met de kop omhoog zwemmen ze over de zeebodem.

Addertong
Addertong Addertong is in Nederland zeldzaam behalve in niet ontwaterde duinstreken. Addertong staat het liefst op enigszins vochtig terrein. In de duinvalleien valt addertong meestal te zien in kruipwilg struweel, in combinatie met diverse andere planten. In de rest van het land groeit deze plant op onbemeste, iets vochtige plaatsen, bijvoorbeeld in schrale hooilanden en veengraslanden. Namen: Ned: Addertong Lat: Ophioglossum vulgatum Eng: Adder`s tongue Fra: Ophioglosse vulgaire Dui: Gemeine Natternzunge (Gewöhnliche Natternzunge) Dan: Almindelig Slangetunge

Afsluiting van de Lauwerszee
Afsluiting van de Lauwerszee De afsluiting van de Lauwerszee is, net als die van andere zeearmen in ons land, eeuwenlang een geweldige uitdaging geweest voor onze waterbouwkundige voorouders. Het is opmerkelijk dat de plannen voor afsluiting van de Lauwerszee eigenlijk zijn ontstaan om de problemen van de afwatering op te lossen en dus niet om het land tegen de zee te beschermen of om land op de zee te winnen. Vooral door verzanding van de geulen in de Lauwerszee verslechterde de afwatering, waardoor in natte perioden grote gebieden in de provincies Groningen en Friesland konden overstromen. De eerste serieuze plannen over de afsluiting dateren uit 1849. Het grootste probleem van dit plan, net als van nieuwere plannen, was het verschil van 30 centimeter in het afwateringspeil tussen Friesland en Groningen. Door dit probleem en andere moeilijkheden werden deze plannen niet uitgevoerd. In de jaren dertig van de vorige eeuw was de Nederlandse Staat begonnen met landaanwinings-werkzaamheden, om zo meer banen te scheppen. Voor de Lauwerszee werd een commissie ingesteld die moest gaan onderzoeken of, en zo ja, hoe, de Lauwerszee het best kon worden afgesloten. De commissie kwam met verschillende plannen, maar die verdwenen uiteindelijk allemaal in de la. De stormvloed van 1953 en de kerstvloed van 1954 bliezen de plannenmakerij nieuw leven in. Men vond nu, in tegenstelling tot vroegere plannen, dat de veiligheid verhoogd moest worden en dat daarom de lengte van de kust zo kort mogelijk gemaakt moest worden.

Afvalconvenant voor de visserij
Afvalconvenant voor de visserij Sinds 1 januari 1995 functioneert het Convenant Afvalstoffen Visserij. Bijna 90% van de vissersvloot had in 2005 een abonnement bij de Stichting Financiering Afvalstoffen Visserij. De abonnementhouders kunnen in iedere Nederlandse vissershaven het oliehoudend afval inleveren. De hoeveelheid ingezameld afval begint door de werking van het convenant toe te nemen. Scheepsbezoeken door de Kustwacht en de waterpolitie in 1997 wezen uit dat de vissers nu doorgaans netjes omgaan met het afval. De kosten van het jaarabonnement voor de inzameling van het oliehoudend afval hangen af van het scheepstype. Voor kleine schepen tot 295 pk gaat het om 250 euro voor 1000 liter bilge en afgewerkte olie en voor grote schepen met meer dan 1200 pk om 1250 euro voor 8000 liter. De preciese bedragen per scheepstype staan op de website van de Stichting Financiering Afvalstoffen Visserij. Verder mogen deze schepen 50 tot 350 kilogram klein gevaarlijk afval aan wal zetten, zoals vetten, poetsdoeken, verfblikken en batterijen. In 2002 werd er op deze manier in Nederland bijna 1,5 miljoen liter bilge en afgewerkte olie, en 72 duizend kilo klein gevaarlijk afval opgehaald. Andere regelingenDe visserij trof eind 20e eeuw als één van de sectoren in de scheepvaart zelf een regeling met tien afvalinzamelaars in Nederlandse vissershavens. In Den Helder wordt de afgewerkte olie van vissersschepen al langer op abonnementsbasis ingenomen. En op Texel zorgt de plaatselijke visserijcoöperatie al jaren voor een eigen systeem van afvalinzameling en indirecte financiering.

Afvalverbranding op zee
Afvalverbranding op zee Van 1969 tot 1992 werd op de Noordzee chemisch afval verbrand. Per jaar ging het om honderdduizend ton vloeibaar organochloorafval afkomstig van de chemische industrie. De verbranding van organische chloorverbindingen levert onder meer zoutzuurgas op. Bij verbranding op het land zou dit gas zeer schadelijk zijn voor het milieu en voor de volksgezondheid. Op zee wordt het zoutzuurgas door het zeewater snel geneutraliseerd.

Agrarisch natuurbeheer
Agrarisch natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer is natuurbeheer op landbouwgronden. De belangrijkste functie van deze gronden is productie. Een boer kan tijdens de werkzaamheden rekening houden met de natuurlijke flora en fauna op zijn land. Dit houdt bijvoorbeeld in dat hij voor een bepaalde datum zijn weilanden niet maait, dat hij rekening houdt met de nesten van weidevogels, dat slootkanten niet gemaaid worden, dat het land niet bemest wordt, poelen gegraven worden voor amfibieën, enzovoort. Voor deze maatregelen krijgt de boer een vergoeding van de overheid. De resultaten van agrarisch natuurbeheer vallen in het algemeen echter tegen, zo bleek in 2006.

Akkerbouw
Akkerbouw Door talloze factoren, onder andere de veepest, zijn de Groninger boeren, vooral in de 19e eeuw, overgegaan op de akkerbouw. Vooral de lichtere kleigronden waren hier uitermate geschikt voor. Aan gewassen als tarwe, gerst, koolzaad en suikerbieten had men een goed, zo niet weelderig bestaan. Kapitale boerderijen sieren nog steeds in het oude kweldergebied het landschap. Vooral in dorpen als Warffum en Usquert, Beerta en Finsterwolde is te zien hoe goed het de akkerbouwers voor de wind ging in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. Op akkerbouw- boerderijen was veel meer personeel nodig dan op veebedrijven. Ook dit heeft z`n weerslag in het landschap door het ontstaan van kleine arbeidersdorpen als Kruisweg, Broek en Kleine Huisjes, allemaal in de buurt van Pieterburen. De laatste tientallen jaren gaat het minder met de akkerbouw. Veel boeren gaan weer over op veeteelt. Ook zoekt men het wel in de bollenteelt. Vooral in de buurt van Kloosterburen ziet men in voorjaar en vroege zomer de kleurige patronen van de bloembollenteelt.

Akkerbouw
Akkerbouw In de geschiedenis van de landbouw op Ameland was het verbouwen van gewassen alleen bedoeld voor eigen levensonderhoud en als voedergewas voor het vee. Op de hoge zandgronden achter de duinen, beschermd tegen het bij hoge vloed binnendringend zeewater, ontstonden nederzettingen, de Markegenootschappen, met gemengde veeteeltbedrijfjes. Een Markegenootschap was een sociale eenheid met bestuur en regelementen, waarin o.a. de beweiding was geregeld. Die eerste landbouwers hadden de beschikking over 3 soorten grond: - De lage zand en veengronden, miede of hooiland genoemd, voor de hooiwinning. - De duinen en de schrale buitengebieden: gemeenschappelijk weidegebied voor het vee. Oudste cultuurgebiedOp de hoge zandgronden, dicht bij de dorpen, werden de akkertjes aangelegd. Iedere landbouwer bezat een of meer perceeltjes met voornamelijk de voede

Akkerbouw
Akkerbouw Akkerbouw vindt vooral plaats op de vruchtbare kleigronden. In het Deense kustgebied en in Groningen zijn de grootste akkerbouwgebieden. In Denemarken vindt vooral graanproductie plaats. Tarwe en gerst vormen hier de hoofdmoot. In Sleeswijk-Holstein en Nedersaksen domineert ook de graanteelt op het bouwland. De teelt van voedermais neemt een steeds grotere plaats in. In Groningen vindt men vooral suikerbieten- en aardappelteelt. Het aandeel graan is hier relatief laag. In het westelijk gedeelte van de waddenregio (Noord-Holland en Texel) vindt een bijzondere vorm van akkerbouw plaats. De zanderige gronden aan de binnenduinrand zijn uitermate geschikt voor de teelt van bloembollen. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om tulpen, narcissen, lelies en krokussen.

Akkerbouw in Noord-Friesland
Akkerbouw in Noord-Friesland Het grootste deel van de akkergrond in Friesland wordt gebruikt voor snijmais. Op de tweede plaats staat de teelt van pootaardappels en consumptieaardappels en de derde plaats graan, met name wintertarwe en zomergerst. In 1990 was mais nog lang niet zo belangrijk, toen werden er vooral aardappels verbouwd.

Akkerbouw op Texel
Akkerbouw op Texel De akkerbouw op Texel concentreert zich voornamelijk in de jonge polders Eijerland, het Noorden en Prins Hendrik. Naast de klassieke teelten van aardappelen, granen en bieten is de vollegronds-groententeelt sterk in opkomst. Winterbloemkool kan hier goed worden geteeld vanwege het extra zachte klimaat. Ook de teelt van asperges neemt in omvang toe. Akkers die zijn ingezaaid met de groenbemester Phacelia zijn tijdens de bloei erg in trek bij de honingbijen.

Akoestische verontreiniging
Akoestische verontreiniging Naast alle andere invloeden op de zee kan ook geluid een bron van vervuiling op zee zijn. In de wereld onder water speelt geluid een andere, en soms belangrijkere, rol dan boven de zeespiegel. Uit recent onderzoek blijkt dat lawaai van scheepsmotoren en schokgolven die worden gebruikt bij geologisch onderzoek wel eens meer invloed kunnen hebben op het zeeleven dan men tot nu toe dacht. Het is onder normale omstandigheden vrij stil onder de zeespiegel. Veel zeedieren, zoals kreeftachtigen, vissen en zeezoogdieren, maken allerlei geluiden, die bij elkaar een geluidsniveau van ongeveer 40 decibel veroorzaken.Geluid gedraagt zich in het water anders dan in de lucht. Het plant zich vijf keer zo snel voort en draagt ook veel verder omdat er weinig obstakels zijn. Veel zeedieren maken daar dan ook dankbaar gebruik van. Zij gebruiken geluid (en vooral ook de echo`s) voor het opsporen van prooien, voor het waarnemen van obstakels als er geen licht is en voor hun onderling contact. De tandwalvissen (dolfijnen, bruinvissen en potvissen) zijn hier grootmeesters in: zij leven in een geluidswereld, zoals mensen in een visuele wereld, en honden vooral in een geurwereld leven. Maar ook baleinwalvissen communiceren met geluidssignalen over enorme afstanden met elkaar. Akoestische mistDe rust onder water wordt soms verstoord door natuurlijke omstandigheden. Vooral in de kustwateren kan een flinke storm of een hevige regenbui leiden tot een verhoging van het geluidsniveau tot zo`n 75 decibel.

Alexandrium
Alexandrium Eind jaren zestig van de vorige eeuw werd in Noordoost-Engeland een gif in algen gevonden dat tot verlamming kan leiden. Ruim 10 jaar later gebeurde dat ook in Denemarken. Nederland is tot nu toe gespaard gebleven, al werd de veroorzaker, de dinoflagellaat Alexandrium, in 1989 voor het eerst in het Nederlandse deel van de Noordzee gevonden. Sindsdien wordt deze algensoort ook gezien in monsters van het landelijke meetnet van Rijkswaterstaat. Alexandrium is een gifalg. Hij maakt onder bepaalde omstandigheden saxitoxine aan. Saxitoxine is één van de giftigste stoffen ter wereld en wordt daarom wel gebruikt in zelfmoordcapsules. Saxitoxine hoopt zich op in de voedselketen (bio-accumulatie). In 1968 en 1975 veroorzaakte een bloei van Alexandrium een sterfte van respectievelijk 80% en 60% van de zeevogels rond de Britse Farne Islands. In Canada stierven walvissen doordat ze met saxitoxine vergiftigde vis hadden gegeten.

Algemene Inspectiedienst (AID)
Algemene Inspectiedienst (AID) De AID is de uitvoerende instantie voor de diverse controles in de visserij. Allereerst is daar de steekproefsgewijze controle op de vangstquota. Dan volgt de controle op het gebruikte vistuig, de maaswijdte van de netten, de aanwezigheid van ondermaatse vis en de bijvangst. Verder controleert de AID of er niet gevist wordt in verboden wateren (langs de kust is visserij op tong en schol door zware vissersschepen bijvoorbeeld verboden vanwege de kinderkamerfunctie). Tenslotte voert de AID controles uit op motorvermogen, vergunningen en andere aan boord vereiste documenten.

Alikruiken
Alikruiken

Alk
Alk De alk lijkt qua uiterlijk veel op de zeekoet, maar onderscheidt zich door een dikkere snavel met daarop een fijn wit streepje. Alken broeden vooral op de Schotse kusten en de Orkney- en Shetland-eilanden, totaal zo`n 73.000 alkenparen. Na de broedtijd trekken de alken naar het zuiden tot in de zuidelijke Noordzee. Enkele exemplaren gaan nog verder, tot de kust van Marokko en het westelijk deel van de Middellandse Zee. Net als bij de zeekoet springen de jongen van alken nog voordat ze kunnen vliegen in zee. Het ei wordt dan ook op de richels van overhangende rotsen uitgebroed, zodat de jongen bij hun sprong in het onbekende niet op de rotsen terecht komen. Namen: Ned: Alk Eng: Razorbill Fra: Petit pingouin Dui: Tordalk Dan: Alk Nor: Alke Fries: Alk Ital: Gazzamarina Lat: Alca torda

Alkachtigen
Alkachtigen Soorten:zeekoet pagegaaiduiker kleine alk alk Alkachtigen lijken nogal op pinguïns. Ze zijn nogal stuntelig op het land. Hun poten zijn ook niet echt bedoeld voor een stevige wandeling, maar speciaal aangepast om te zwemmen. Hun vleugels gebruiken ze ook onder water om op visjes en andere prooien te jagen.Alk, zeekoet en papegaaiduiker duiken de diepte in om hun prooi te vangen. Ze lijken niet alleen uiterlijk op pinguïns, maar ook vanwege de manier waarop ze onder water `vliegen`, met half opengeslagen vleugels. Hun poten zijn voorzien van zwemvliezen en doen dienst als roer. Ze kunnen zo enorme dieptes bereiken. Zeekoeten zijn tot op 180 meter diepte waargenomen.

Allersmaborg
Allersmaborg Alles slingert in dit deel van Groningen. De wegen, de dijken, de sloten en vooral het Reitdiep. Vlakbij zo`n wijde lus van het Reitdiep ligt daar, rechthoekig en strak, het met bomen begroeide terrein van de Allersmaborg. Hoog opgaande loofbomen doen in de zomer het landgoedje helemaal schuilgaan onder het groen. Tegenwoordig is de borg in gebruik bij de Rijksuniversiteit Groningen. Rond en boven het gebied fladderen `s zomers opvallend veel vleermuizen. Net zo als op de andere Groninger borgterreinen groeien hier weer bloemen die men tot de stinsenflora rekent, niet zo zeer onder de bomensingels als wel binnen de slotgracht. Het betreft onder andere de boerencrocus en de wilde hyacint. Met al dat viswater in de buurt ontbreekt een reigerkolonie hier niet.

Ameland
Ameland natuur geschiedenis landbouw en visserij recreatiemilieuzaken musea Natuurcentrum Ameland

Ameland in de Middeleeuwen
Ameland in de Middeleeuwen Vanaf de Middeleeuwen ontstonden op Ameland op de hoge zandgronden achter de duinen beschermd tegen de stormvloeden van zee kleine nederzettinkjes. De bewoners hadden wat vee en leefden van het verbouwen van gewassen en visvangst. Het werden Markegenootschappen genoemd. Zo`n genootschap was een sociale eenheid met bestuur en regels. In die regels was o.a. de beweiding geregeld. Rondom de nederzettingen had iedere volwassen man een of meer akkertjes. De gewassen die werden verbouwd waren voornamelijk gerst en rogge en aardappelen. Het diende niet alleen als voedsel voor de bewoners maar ook voor het vee. Dat liep gezamenlijk op de schrale buitengebieden langs de Waddenzee en in de duinen. Het gebied tussen de bouwgrond en de buitenweiden werd als hooiland gebruikt. Het vee mocht daar alleen in het najaar en de winter grazen (wanneer er niet geoogst werd). De buitengebieden waren dan onbruikbaar door voortdurende overstromingen. Om de gewassen te beschermen tegen het loslopende vee, waren de akkertjes omgeven door veekerende dijkjes van zand en plaggen. Ook de dorpjes waren op die manier afgesloten voor het vee. De woonstee van die vroege bewoners moet er ongeveer uit hebben gezien als een Hallehuis (vroegste boerderij in het noorden van Nederland door terpafgravingen in kaart gebracht). `n Hallehuis bestond uit een langwerpige ruimte met aan de ene kant aan beide zijden stallen en in het andere deel een vuurplaats, opslagruimte voor de oogst en woonruimte voor de familie.

Amelander milieuzaken
Amelander milieuzaken De Vleet behandelt de watervoorziening, aardgaswinning, verkeer en vervoer en het afvalbeheer op Ameland.

Amerikaanse boormossel
Amerikaanse boormossel De Amerikaanse boormossel is een langgerekte, witte, tot 7 centimeter lange schelp. Deze soort werd aan het eind van de 19de eeuw in het zuidoosten van de Noordzee geïntroduceerd. De soort boort zich in stukken hout en veen met de getande ribbels. Ook de andere boormosselsoorten hebben deze leefwijze, al zijn de soorten niet verwant. De Amerikaanse boormossel verdringt de inheemse witte- en ruwe boormossel niet. Maar in Nederland komen deze beide soorten nog algemeen voor. In Duitsland staat de Amerikaanse boormossel zelfs op de Rode lijst van bedreigde dieren. Namen: Ned: Amerikaanse boormossel Lat: Petricola pholadiformis Eng: American piddock Dui: Amerikanische Bohrmuschel Dan: Amerikansk boremusling

Amerikaanse vogelkers
Amerikaanse vogelkers De Amerikaanse vogelkers is als sierboom uit Amerika ingevoerd. Daar kan hij 30 meter hoog worden. Begin vorige eeuw is in Nederland op grote schaal een struikvariëteit aangeplant als vulhout in productiebos. Hij ontwikkelde zich zeer voorspoedig ten koste van onze eigen bosplanten. Dit veroorzaakte zo`n plaag, dat bosbouwers hem de bijnaam `bospest` gaven. Het bestrijden van de bospest blijkt onbegonnen werk. Als er restanten in de grond achterblijven, groeien die weer uit. Namen: Ned: Amerikaanse vogelkers Lat: Prunus serotina Eng: Wild Cherry Dui: Späte, Virginische Traubenkirsche

Amfibieën en reptielen
Amfibieën en reptielen De kleine watersalamander komt algemeen voor in natte duingebieden. De rugstreeppad is de duin-amfibie bij uitstek. Zeldzamer soorten zijn de heikikker en de zandhagedis. De groene kikker en de bruine kikker komen nog algemeen voor, hoewel ze in het kustgebied zeldzamer geworden zijn. Meerdere soorten uit het kustgebied staan op de Rode Lijst van amfibieën en reptielen.

Amfipoden
Amfipoden Voor de diergroep amfipoden bestaat geen goede Nederlandse naam. Het is een groep van garnaalachtige diertjes, met als bekendste vertegenwoordiger de strandvlo. Op de bodem van de volle zee spelen een aantal amfipoden, die geen Nederlandse naam hebben een rol, waaronder Bathyporeia elegans. Daarnaast behandelt de Vleet de kwalvlo (of beter: kwalgarnaal), de aasgarnaal, de slijkgarnaal, de vlokreeftjes, het kreeftje Jassa en het wandelend geraamte. Ook de walvisluis (zie de foto hieronder) is een amfipode. Amfipoden zijn de meest voorkomende kreeftachtigen in de Noordzee. De vrouwtjes dragen, afhankelijk van de soort, hun eieren 2 tot 60 dagen met zich mee.

Amrum
Amrum Amrum ligt ten zuiden van Sylt, direct aan de Noordzee. Het eiland is in het westen, noorden en zuiden door bevaarbare geulen omgeven. Naar het oosten strekt zich een waddengebied uit tot aan Föhr. Amrum heeft een oppervlakte van ongeveer 20 vierkante kilometer (samen met het `Kniepsand` is het eiland ongeveer 29 vierkante kilometer groot) en de duinengordel langs de westkant is 15 kilometer lang. Er wonen op het eiland zo`n 2000 mensen in 5 dorpen. Amrum hoort bij Sleeswijk-Holstein. Het eiland is erg in trek bij de toeristen. OntstaansgeschiedenisFöhr, Amrum en Sylt hebben een andere ontwikkelingsgeschiedenis dan de andere Noordfriese eilanden. Ze bestaan uit de restanten van de ijstijd in het saalien. De afzettingen op Amrum die gevormd zijn in de ijstijden bestaan vooral uit smeltwaterzanden. Hier en daar valt ook keileem aan te treffen. VervoerVanuit Dagebüll vertrekt een veerboot naar Wyk op Föhr en Wittdün, de reis duurt 90 min. Ook vanuit Schlüttsiel is het mogelijk met een veerboot, via de Halligen, Amrum in 2,5 uur te bereiken. Bezoekers van het eiland kunnen hun auto meebrengen, maar gebruik van het openbaar vervoer op Amrum wordt op prijs gesteld, omdat er al grote problemen met de auto`s op het eiland bestaan.Amrum is ook lopend te bereiken. Er bestaat een 6 kilometer lange wadlooptocht van Föhr naar Amrum, die echter alleen onder deskundige begeleiding gelopen mag worden.

Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk)
Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk) Amsteldiepdijk gezien vanaf Ewijcksluis, Wieringen is op de achtergrond zichtbaar. Het Amstelmeer wordt aan de noordkant begrensd door de Amsteldiepdijk. Deze dijk (op Wieringen ook wel aangeduid als de Korte Afsluitdijk) werd gesloten op 31 juli 1924, hetgeen het einde van het eiland Wieringen betekende. Problemen bij de aanleg (verzakking door veenlagen in de ondergrond) deden een nieuw moerasnatuurgebiedje aan de binnenzijde van de dijk ontstaan (`De Verzakking`). Bij de Zuiderzeewerken hoorde ook de aanleg van de N99 (ondanks asfaltering op Wieringen nog steeds de Betonweg genoemd), de rijksweg die het oude eiland in tweeën splitste en een onophoudelijke bron van lawaai en verkeersslachtoffers vormt.

Andinet
Andinet Op 21 december 2003 verloor het Ethiopische vrachtschip Andinet in zwaar weer ten noordwesten van Texel een deel van de deklading. De containers bevatten vaten met het zwaar giftige Wolmanzout, een mengsel van arseen-, chroom- en koperverbindingen dat wordt gebruikt om naaldhout tegen houtrot te beschermen. Drie containers gingen als geheel overboord, een vierde container brak aan dek open zodat 63 losse gifvaten in zee rolden. Aanvankelijk was de overheid bang dat de containers en vaten op Texel of Vlieland aan land zouden spoelen. Als daarbij een ongeluk zou gebeuren en de kankerverwekkende arseenverbindingen vrij zouden komen was er sprake geweest van een acute giframp. De Kustwacht speurde het zeegebied af maar kon geen drijvende containers ontdekken. Toen eenmaal duidelijk was dat ze gezonken waren staakte men de zoektocht omdat het acute gevaar geweken was. Pas enkele weken na het ongeluk bleek dat de Andinet ook nog ongeveer vijftig lege gifvaten aan boord had staan en kwam aan het licht dat deze vaten al op 21 december waren stukgeslagen waardoor het gif in zee stroomde. Naar aanleiding van het ongeluk met de Andinet brachten milieu- en visserijorganisaties onder de aandacht dat de maatregelen rond het vervoer van milieugevaarlijke stoffen aangescherpt moeten worden. Containers met gevaarlijke lading moeten worden voorzien van een zendertje zodat ze snel zijn op te sporen. Het sjorwerk moet aan de strengste eisen voldoen. Ook kan men denken aan de verplichting om containers met gevaarlijke lading altijd benedendeks te zetten.

Anjerfamilie
Anjerfamilie De koekoeksbloemen, zeepostelein, zilte schijnspurrie, krielparnassia (of sierlijk vetmuur), kegelsilene, oorsilene, zeevetmuur en grondster zijn planten uit de anjerfamilie die een belangrijke rol spelen in het kustmilieu.

Ankerzegen-visserij en fly shooting
Ankerzegen-visserij en fly shooting De ankerzegen is een vistuig dat bestaat uit een kuilvormig net en twee lange, zware lijnen. Het wordt gebruikt om platvis te vangen, en is vooral in zwang bij de Deense kustvissers. Deze noemen deze techniek `snurrevaad`. Onder de Nederlandse vissers spreekt men wel van `snorders`. Het principe bestaat eruit dat de visser eerst een anker uitzet waar één van de lijnen aan is bevestigd. Dan vaart de boot een rondje en brengt tegelijk het net en de andere lijn uit. Teruggekomen bij het anker haalt de snorder de lijnen in. De platvis wordt dan door de over de zeebodem rollende lijnen in het kuilnet gedreven. De snurrevaadmethode is een typische vorm van kustvisserij. Recent is deze techniek verder ontwikkeld voor diepere wateren. Deze aanpassing staat bekend als `Icelandic seining` of `fly shooting`. De lijnen kunnen bij deze methode in totaal 8 kilometer lang zijn. Er waren in 1998 vijf Nederlandse visserijbedrijven die deze methode toepassen. De moderne ankerzegenvisserij wordt wel genoemd als één van de betere alternatieven voor het gebruik van de boomkor met zware wekkerkettingen. De invloed van het ankerzegen-tuig op de zeebodem is namelijk veel minder groot dan die van de wekkerkettingen. Daarnaast kost deze techniek betrekkelijk weinig energie omdat men geen zware vistuigen door de bodem hoeft te slepen. De ervaringen van de vissers die werken volgens deze methode bevestigen dit alleen maar. Als bijkomende voordelen noemen deze vissers dat het bedrijfsresultaat bij deze methode hoger is dan in de boomkorvisserij met wekkerkettingen, en de kwaliteit van de gevangen vis hoger is.

Anorganische verbindingen
Anorganische verbindingen Behandeld zijn silicium en zwavel.

Ansjovis
Ansjovis De ansjovis kwam voorheen massaal voor in de Zuiderzee en de westelijke Waddenzee. De grote scholen werden steevast vergezeld door grote aantallen bruinvissen. Met het dichten van de Afsluitdijk verloor de soort belangrijke paaigronden. Sinds ongeveer 1960 zijn de ansjovissen ook vrijwel geheel verdwenen uit de Waddenzee. In 1993 werd vastgesteld dat de ansjovis weer paaide in de Waddenzee, maar dit was geen voorbode van een echte terugkeer. Ansjovis wordt maximaal 20 centimeter lang. De rug is blauwgroen, de flanken zijn grijs met een zilverkleurige streep. Ansjovissen eten dierlijk plankton en algen. Ansjovis is wereldwijd de meest gevangen vis. In 1990 werd er wereldwijd 3,7 miljoen ton ansjovis gevangen, in 1992 5,5 miljoen ton en in 1994 11,9 miljoen ton. Deze vangsten bestaan voor een groot deel uit Peruaanse ansjovis. In de Middellandse Zee worden ansjovissen gevangen door ze te lokken met behulp van lampen. De vroegere visserij op ansjovis in de Wadden- en Zuiderzee In de Zuiderzee werd in de 19de eeuw zoveel ansjovis gevangen dat de vissers uit Stavoren er een speciaal soort boot voor ontwikkelden: de Staverse Jol. Behalve in de Zuiderzee werd ook in de westelijke Waddenzee gevist op ansjovis. Omdat de visserij na de afsluiting van de Zuiderzee evenveel ansjovis bleef vangen, kan geconcludeerd worden dat ansjovis ook in de westelijke Waddenzee heeft gepaaid. Deze visserij verdween in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. De vangsten liepen terug en door het massaal voorkomen van zeesla werden de netten beschadigd.

Aromatische verbindingen
Aromatische verbindingen Aromaten is een verzamelnaam voor een groep van organische verbindingen die afgeleid zijn van benzeen. In het milieu zijn de aromatische verbindingen giftig. Meestal gaat het om oplosmiddelen en stoffen die in olie- of benzine-achtige stoffen voorkomen. De complexere aromatische verbindingen worden PAK`s genoemd. De meer simpele zijn kleurloze vloeistoffen zoals benzeen, tolueen en xyleen.

Baardmannetje
Baardmannetje Het baardmannetje leeft verborgen in rietvelden in grote rietmoerassen. In de rietvelden moet zegge aanwezig zijn, soms neemt de vogel ook genoegen met lisdodde. Deze plantensoorten zijn nodig om een stevig nest te kunnen bouwen. Twee (soms zelfs drie!) keer per jaar wordt een nest van 5 à 7 eieren grootgebracht. Bij het tweede legsel helpen andere paren en de jongen uit het eerste nest mee. Baardmannetjes zijn ongeveer zo groot als mussen. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop met een zwarte verticale streep: de baardstreep. De vogel heeft een bruine rug. Het vrouwtje heeft een bruine kop, zonder baardstreep. De intensieve nestzorg heeft het baardmannetje voor uitsterven in Nederland behoed. De soort kwam rond 1940 bijna niet meer voor doordat er een aantal strenge winters waren geweest. Bij het droogleggen van de Flevopolders ontstonden rietvelden van duizenden hectares. Die werden snel door de baardmannetjes ontdekt en er ontstond een ware bevolkingsexplosie. Vanuit de Flevopolders heeft de soort zich daarna over heel Nederland kunnen verspreiden, tot in de rietmoerassen op de Waddeneilanden. De populatie in Nederland telt in 2006 minder dan 2000 broedparen. Het baardmannetje staat op de Nederlandse Rode Lijst van kwetsbare en bedreigde vogelsoorten. Echt trekken doet het baardmannetje niet. De meesten blijven overwinteren in hun broedgebied, enkelen gaan kleine stukjes naar het zuiden. De soort eet in de zomer vooral insecten, spinnen en kleine slakjes. In de winter worden deze vervangen door zaden van waterplanten.

Baars
Baars De baars is een zeer algemene zoetwatervis. De vis heeft zes tot acht verticale donkere strepen en twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste harde stekels heeft. In sloten en kleine wateren vind je minder baars dan in het IJsselmeer en andere grote wateren en rivieren. De gemiddelde lengte van de baars is tussen de 20 en 35 centimeter. Als de vis klein is leeft hij in scholen en eet hij zoöplankton. Tussen de 10 en 15 centimeter vreet de vis grotere ongewervelden zoals aasgarnalen en vlokreeften. Daarboven gaat de vis over op het jagen op zijn eigen soortgenoten en op spiering. Hij mijdt pos en blankvoorn als prooi. Oudere baars leeft solitair in dieper water. De paaitijd van de baars loop van half maart tot eind april bij watertemperaturen van meer dan 8 graden Celsius. De eieren worden in ondiep water afgezet boven waterplanten, boomwortels of dode takken in de vorm van brede grillig gevormde linten van meerdere eitjes breed.De baars is enigszins bestand tegen vermesting en troebelheid van het water, zolang er maar voldoende prooidieren (zoals aasgarnalen) van het juiste formaat zijn.De baars komt overal in Nederland voor. In Europa is hij te vinden ten noorden van de Alpen tot in Noordoost-Azië. Namen: Ned: Baars Lat: Perca fluviatilis Eng: Perch Fra: Perche fluviatile Dui: Barsch (Flußbarsch)

Baarsachtigen
Baarsachtigen De orde baarsachtigen omvat veel vissen die van belang zijn in de Noordzee en getijdenwateren. Het zijn onder meer: zeebaars pos baars snoekbaars horsmakreel harders botervis puitaalpitvis grondels lipvissen makreel pietermannen zandspiering smelt

Bacteriën
Bacteriën Bacteriën zijn zó klein dat ze alleen met een sterke microscoop te zien zijn. Verder hebben ze nauwelijks uitwendige kenmerken, zodat soorten vaak alleen op chemische eigenschappen zijn te onderscheiden. Het kenmerk van bacteriën is dat hun DNA niet opgesloten ligt in een celkern. Organismen zonder celkern worden wel prokaryoten genoemd. Alle andere organismen, zoals planten en dieren, hebben wel een celkern en heten eukaryoten. Bacteriën komen ook in zee voor en zelfs in grote aantallen: miljoenen per liter. Het aantal soorten bacteriën in de oceanen wordt tussen de 5 en 10 miljoen geschat. Bacteriën spelen een belangrijke rol in de natuur door hun plaats in de voedselkringloop. Daarnaast zijn bacteriële infecties de oorzaak van veel ziektes. Enkele voorbeelden zijn bacterievuur bij meidoorns, de ziekte van Lyme die door teken op mensen kan worden overgebracht, en besmetting met Campylobacter van oesters en mosselen. Bacteriën zijn nodig voor het voortbestaan van virussen die op hun beurt een belangrijke groep ziekteverwekkers zijn.

Baggerdepots
Baggerdepots Op dit moment wordt relatief schone baggerspecie op zee gedumpt op losplaatsen nabij de havens van Rotterdam-Europoort (Loswal Noord-West), Scheveningen en IJmuiden. Op deze losplaatsen stort men jaarlijks tientallen miljoenen ton slib. De `Slufter` op de Maasvlakte is in 1987 in gebruik genomen als stortplaats voor licht tot matig verontreinigde baggerspecie. Men stort daar jaarlijks 0,3 tot 0,5 miljoen ton verontreinigd slib.Op Loswal Noord, 5 kilometer uit de kust van Hoek van Holland, werd tot 1996 jaarlijks circa 14 miljoen kubieke meter baggerspecie uit de Euro-Maasgeul en het westelijk havengebied van Rotterdam gedumpt. Op de `Slufter` op de Maasvlakte kan uiteindelijk na 15 jaar 100 tot 150 miljoen kubieke meter licht tot matig verontreinigde baggerspecie (klasse 2 en 3) worden gestort. In 1996 beëindigde men het dumpen van baggerspecie op Loswal Noord. Een tweede baggerdepot, de Loswal Noordwest werd in gebruik genomen. Met het in gebruik nemen van deze nieuwe loswal kwam de behoefte om inzicht te krijgen in de milieueffecten van het storten van baggerspecie. Er werd een onderzoek gedaan door het NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee). Op de oude Loswal Noord bleek dat na een jaar de bodemfauna zich aan het herstellen was en de korrelgrootte van het zand was toegenomen. Op de nieuwe Loswal Noordwest was echter de bodemfauna verarmd en werden hoge slibconcentraties aangetroffen. Na het lossen van de baggerspecie op Loswal Noord bleef slechts 20% van het slib op de bodem liggen.

Baggeren
Baggeren Zand en slib worden met de rivieren aangevoerd en omdat bij de monding van een rivier de snelheid van het waterstroom sterk vermindert, hebben de zand en slib gelegenheid om te zinken. Om vaarwegen diep genoeg te houden voor schepen moet dit zand en slib regelmatig van de bodem weggehaald worden. Deze soort werkzaamheden heet baggeren. In Nederland wordt per jaar 50 miljoen kubieke meter slib uit vaargeulen en waterwegen gebaggerd. Omdat het opgebaggerde slib meestal verontreinigd is met olie, zware metalen en PAKs, worden strenge eisen gesteld aan de verwerking van het slib. Het gevolg is dat er minder gebaggerd wordt dan nodig is, waardoor rivieren en kanalen inmiddels zeer ondiep zijn geworden: binnenvaartschepen kunnen soms nog maar de helft van hun vracht vervoeren zonder vast te komen zitten. Om van de bagger af te komen wordt tweederde per schip naar de Noordzee afgevoerd.De bagger die op land gestort wordt, wordt traditioneel goed belucht en omgeschept, zodat bacteriën de moleculen kunnen afbreken. De olie en PAKs kunnen zo op natuurlijke wijze worden afgebroken. Een deel van de gevaarlijke stoffen blijft echter vastzitten aan gronddeeltjes en komt pas beschikbaar als er water aanwezig is dat voor diffusie van de stoffen zorgt. Een oplossing hiervoor is afkomtstig van een Wageningse milieuchemicus: beplant het slib met bomen en het resultaat is, dat door de boomwortels het natte slib toch belucht wordt. Het afbraakproces duurt hierdoor maar 6 tot 7 jaar in plaats van meer dan 30 jaar.

Baggerspecie
Baggerspecie Slib wordt aangevoerd via de rivieren en bezinkt in vaargeulen en havenbekkens. Dit slib is vaak verontreinigd met zware metalen, bestrijdingsmiddelen of ander gif, veroorzaakt door lozingen op het oppervlaktewater van industrieën, landbouw en huishoudens. Om havens toegankelijk te houden voor de scheepvaart moet het afgezette slib door baggeren verwijderd worden. Het wordt daarna geloosd op speciale stortplaatsen. De Noordzee-kuststaten loosden in 1996 in totaal 88 miljoen kubieke meter baggerspecie in de Noordzee.

Balgzand
Balgzand Balgzand is een grote wadplaat gelegen in de kop van Noord-Holland, ten noordoosten van Den Helder. Het is een deel van één van de grootste natuurgebieden van Nederland: de Waddenzee. Het gebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door het vaste land van Noord-Holland en aan de noord- en oostzijde door respectievelijk het Malzwin en het Amsteldiep. Er leven veel steltlopers, `s zomers nestelen er visdiefjes, kluten en bergeenden. Verder maken grote aantallen trekvogels (sterns en rotganzen) gebruik van het gebied. In 2006 is een vogelkijkscherm geplaatst. De oppervlakte bedraagt ongeveer 6600 hectare. Hiervan bevind zich op dit ogenblik 75 hectare boven de gemiddelde hoogwaterlijn. Door de voortdurende aanvoer van slib, versneld door de dijkverhogings-werkzaamheden, komt er in het zuidoostelijke gedeelte van het Balgzand een steeds grotere oppervlakte boven de gemiddelde hoogwaterlijn. De vegetatie breidt zich daar dan ook op een natuurlijke wijze uit.Het Balgzand is door zijn bijzondere ligging een op zichzelf staand getijdengebied. Het gebied functioneert door een geheel eigen stromingspatroom namelijk niet als doorstromingsgebied voor de rest van de Waddenzee. Het eerste vloedwater komt langs het Kuitje via de Balgzandgeul het gebied binnen. Een andere vloedstroom komt via de aan de oostkant gelegen Amsteldiepgeul het gebied in. Omdat het moment van hoogwater in de Amsteldiepgeul ongeveer 1 uur later is dan bij de Balgzandgeul en dus ook 1 uur langer doorstroomt, drukt deze stroom het afgaande water via de Balgzandgeul weg.

Balgzandpoldertje
Balgzandpoldertje Het Balgzandpoldertje bevindt zich aan de westzijde van het Spuikanaal Oostoever. Deze binnendijkse polder lag voor de aanleg van de Balgzanddijk (ongeveer in 1928) nog buitendijks. Het was een belangrijk kweldergebied en had grote waarde als hoogwatervluchtplaats. Tijdens stormperiodes met hoge waterstanden lagen daar dan in de luwte van de dijk duizenden ganzen en eenden te dobberen. Door zijn ligging zou het Balgzandpoldertje een belangrijke hoogwater-vluchtplaats kunnen zijn in de periodes met hoge waterstanden waarbij de buitendijkse Balgzandschorren onder water staan. Door de inrichting als industrieterrein Oostoever van het noordelijke gedeelte is de waarde als slecht-weer-hoogwatervluchtplaats volledig verloren gegaan. Het zuidelijke gedeelte is nog steeds in gebruik als hoogwatervluchtplaats. Dit tot groot ongenoegen van de grondgebruiker, die diverse keren gebruik heeft gemaakt van een carbitkanon om de vogels te verjagen. Dit is slechts 80 meter van een broedgebied!! De reservaatopzichter heeft er daarom lang op aangedrongen het terrein een natuurbestemming te geven. De meest zuidelijke punt is in 2000 en 2001 ingericht als hoogwatervluchtplaats voor vogels die bij extreem hoogwater buitendijks geen rustplaats meer kunnen vinden. Aan de rand van dit natuurontwikkelingsgebied is een vogelobservatiepost ingericht, die uit een aantal oude sluisdeuren bestaat.Tijdens stormperiodes met sterk verhoogde waterstanden, waarbij de schorren onder water verdwijnen, trokken duizenden steltlopers van het Balgzand naar vliegveld De Kooy en de omgeving daarvan.

Ballumer en Hollumer mieden
Ballumer en Hollumer mieden De lage zand- en veengronden, de mieden, dienden in de oude Markgenootschappen als hooiland voor de hooiwinning. Het vee mocht er tijdens de groeiperiode niet op grazen om vertrapping van de bodem te voorkomen. Iedere boer had een aandeel in de miede. Maaitijd-afsprakenEr waren geen wegen tussen de percelen. Om bij zijn land te komen moest men over andermans aandeel heen. Voor de maaitijd werd daarom in gemeenschappelijk overleg beslist met welk stuk land men zou beginnen. De mieden hadden een slechte waterafvoer omdat de lager gelegen moerasgrond als een spons het water opzoog en hele stukken onbegaanbaar maakte. Hierdoor was de maaitijd kort. Men begon eind juni. De oogst duurde ongeveer 4 weken zodat pas tegen augustus alles binnen was. `n Tweede oogst was hierdoor meestal niet mogelijk. De ruilverkavelingAan het begin van de 20e eeuw werden de Markegenootschappen opgeheven. Het land werd verdeeld in zeer veel stukjes particulier bezit. Door vererving steeds verder verdeeld, bestonden de Ballumer mieden uit 3659 piepkleine perceeltjes op een oppervlakte van 190 hectare. Moeilijkheden bij het maaien kwamen dan ook dikwijls voor. De percelen waren zo smal, dat iemand soms zonder erg een stuk van het perceel van zijn buurman erbij maaide. In 1916 kwam er een ruilverkaveling tot stand. Het aantal stukjes land werd teruggebracht tot 219 percelen. Verbeteren van arme cultuurgrondIn 1915 werd er bij Hollum en Ballum een zeedijk aangelegd. Het schrale zoute weidegebied van de mieden veranderde hierdoor in zoetwatergebied.

Ballumerduinen
Ballumerduinen Ballumerduinen is een oud kalkarm duingebied van 201 hectare groot. Het bestaat uit een complex van lage duintjes met vochtige valleien. Nabij de zee komt wat kalkhoudend zand voor.

Baltrum
Baltrum Het eiland Baltrum ligt tussen de eilanden Norderney in het westen en Langeoog in het oosten en hoort bij de deelstaat Nedersaksen. Het eiland is tegenwoordig 6,5 vierkante kilometer groot, 5 kilometer lang en 1 kilometer breed. Er wonen ruim 500 mensen. Er komen vooral gezinnen, ongeveer 50.000 bezoekers per jaar, naar dit eiland van rust. Baltrum geldt naast Langeoog als het beste surfgebied in het Nedersaksische waddengebied. NatuurZoals alle Oostfriese eilanden heeft ook Baltrum een kenmerkende opbouw van landschapstypen. Achter het Noordzeestrand liggen de duinen, die het eiland tegen overstromingen beschermen. De duinen op Baltrum zijn nog erg natuurlijk en in de vochtige duinvalleien groeien zeldzame planten. De zoetwatervoorraad in de Baltrumse duinen is niet aangetast omdat er een drinkwaterleiding van het vasteland naar het eiland loopt. Achter de duinen liggen de kleigronden, die door een dijk beschermd zijn tegen de Waddenzee. De kwelders staan nog onder de invloed van het getij, zij vormen de overgang tussen het eiland en de wadden. VervoerHet autoloze eiland is met een veerverbinding binnen 30 min te bereiken vanaf Neßmersiel. De boot vaart bij hoog water. In Neßmersiel zijn parkeergarages voor de auto`s van de bezoekers. Het eiland is ook bereikbaar per vliegtuig. Onder leiding van een wadgids is het mogelijk om binnen twee uur naar het eiland te lopen.

Bedreigingen
Bedreigingen De bedreigingen voor het Balgzand bestaan voornamelijk uit menselijke activiteiten, zoals: de inrichting van industriegebieden, het storten van al of niet verontreinigde baggerspecie (deze activiteit veroorzaakt vertroebeling van het water), het inrichten van baggerdepots voor de opslag van zwaar verontreinigde baggerspecie, overbevissing op mosselen en andere schelpdieren, garnalenvisserij, die veel jonge vis als bijvangst verloren doet gaan, de altijd weer dreigende inrichting van nieuwe zeehavens. Denk hierbij aan de wens van de gemeente Den Helder om het verkeer naar de TESO (de veerdienst naar Texel) uit de stad te weren. Deze plannen zullen moeten voldoen aan eisen uit de PKB-Waddenzee. Nieuwe HavenDit gebied is als militair terrein in gebruik bij de Marine en is noordwestelijk van het Balgzand gelegen. Dwars op het terrein ligt op het wad een stenen dam, bij velen bekend als de Napoleondam. Op en om de dam foerageren veel toppereenden, eidereenden en scholeksters. Tot ongeveer 1988 lagen er op het haventerrein grote oppervlakten ongebruikt. Nu is het terrein voor het grootste gedeelte bebouwd. Op een klein buitendijks gebiedje aan het begin van de Napoleondam broeden nu nog enige paartjes dwergstern. In periodes met vorst, als de Balgzandschorren en -slikken met een laag ijs bedekt zijn, trekken veel vogels naar de randen van dit gebied en foerageren van daaruit aan de randen van het Marsdiep en het Malzwin. Vele duizenden scholeksters, tureluurs, kanoet- en bonte strandlopers foerageren en pleisteren dan langs het nieuwe havengebied.

Begaanbaarheid
Begaanbaarheid Het beste vervoermiddel op Terschelling is de fiets of de benenwagen. Er is een uitgebreid fietspadennet (60 kilometer) en wandelen kunt u er op de talloze paden bijna onbeperkt. Met de auto komt u niet zo ver. De dorpen en buurtschappen zijn per auto bereikbaar, maar daar is dan ook vrijwel alles mee gezegd. Veel Terschellingers hebben een vergunning om met een auto op het strand te rijden, waar vooral in de wintermaanden veel gebruik van gemaakt wordt.

Begrafenissen op Vlieland
Begrafenissen op Vlieland Zoals het in ieder mensenleven gaat, spelen geboorte en overlijden de belangrijkste rol. Vreugde en verdriet worden op het kleine eiland Vlieland door iedere bewoner nog altijd intens (mee)beleefd. De bijzondere gebruiken (bij overlijden en begraven) hebben zich op dit eiland tot ver in de negentiende eeuw gehandhaafd. Bij een sterfgeval was het traditie dat, nadat de naaste buurvrouwen het lijk hadden afgelegd, er in de rouwkamer een nachtlicht geplaatst werd en zogenaamde waaksters de wacht bij de dode hielden. Eigenlijk wilde dit gebruik, dat reeds bij de Romeinen voorkwam, uitdrukken dat de overledene een `kind des lichts` was. Toch was het enigszins verwonderlijk dat men dit op Vlieland bleef doen, omdat bijna alle eilanders protestanten waren en deze gewoonte alleen bij katholieken in gebruik was. Een tweetal vrijwilligsters ging, stemmig gekleed, van deur tot deur om mede te delen wie er was overleden. Dit gebruik is in 1964 gestopt. Tot die periode werd de overledene altijd naar het kerkhof gedragen. Vrijwilligers, vaak de buren, waren dan de dragers.Sinds enige tientallen jaren wordt de dode op een rijdende baar naar de laatste rustplaats gebracht. Dit gebeurt in vandaag nog altijd door vrijwilligers. Om toerbeurt wordt men aangewezen. Onder klokgelui wordt de overledene grafwaarts gebracht. Een ieder die eerbied wil betonen sluit zich bij de rouwstoet aan om aan de begrafenis deel te nemen.Nog steeds is het de gewoonte dat de gordijnen van de woningen waarlangs de stoet zich - te voet- beweegt, worden gesloten.

Begrazen
Begrazen Er zijn heel veel verschillende soorten dieren die grazen. Deze dieren kunnen groot zijn, zoals koeien en schapen, maar ook klein, zoals ganzen, konijnen en insecten. Heel vroeger graasden in Nederland allerlei wilde grote zoogdieren zoals oerossen, wilde paarden, elanden en edelherten. Om de landschappen van toen weer terug te krijgen worden tegenwoordig soortgenoten van deze wilde dieren in natuurgebieden ingezet. Begrazing leidt tot meer variatie in een natuurterrein (variatie in soorten planten, soorten dieren, structuur en successiefasen) en voorkomt het ontstaan van bos. Begrazen verschilt van maaien doordat grazers niet overal even intensief grazen. Ook hebben de grazers door betreding en door de mest die zij laten vallen invloed op de variatie in een natuurgebied.Deze positieve effecten treden alleen op als de begrazing niet te intensief is. Bij overbegrazing van het gebied, of van een deel van het gebied omdat dit voor de grazer het aantrekkelijkst is, neemt de biodiversiteit juist af. In broedgebieden kan het nodig zijn om ruim voor het begin van het broedseizoen de begrazing te stoppen. Het gras kan dan hoog genoeg worden om bijvoorbeeld grutto`s en andere weidevogels voldoende dekking te bieden.Op de voedselrijkdom van een gebied heeft begrazen grofweg twee effecten. De voedingsstoffen fosfaat en kalium blijven in het systeem, op een zeer kleine fractie na die in de vorm van vlees wordt afgevoerd. Pleksgewijs ontstaan voedselarme plekken (waar veel gegraasd wordt) en voedselrijke plekken (waar veel mest valt).

Begrippen uit de milieu-toxicologie
Begrippen uit de milieu-toxicologie GrenswaardeDe grenswaarde is de concentratie van een stof in het milieu, bij overschrijding van deze concentratie moeten maatregelen worden genomen om de uitstoot te beperken. De grenswaarde voor een bepaalde stof wordt in het milieubeleid voor langere termijn vastgelegd. actualiteit? Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR)Het maximaal toelaatbaar risiconiveau is een berekende waarde voor de concentratie van een bepaalde stof op een bepaalde plaats, waarbij 95% van de daar levende organismen geen waarneembare nadelen van die stof ondervinden. MTR-waarden worden regelmatig herzien als er nieuwe kennis beschikbaar komt over de gevolgen van bepaalde stoffen in het milieu. Als er te weinig bekend is over de effecten van een bepaalde stof, dan wordt een een indicatieve MTR (i-MTR) vastgesteld.De MTR-waarde is meestal de basis voor de grenswaarde, maar bij de vaststelling van de grenswaarde worden ook economische en maatschappelijke belangen meegewogen. StreefwaardeDe streefwaarde voor de concentratie van een bepaalde stof geeft het niveau aan waar men in het beleid op de langere termijn naar toe wil. De streefwaarde ligt lager dan de grenswaarde. Vaak wordt de streefwaarde vastgesteld door het MTR-niveau door 100 te delen.

Beheer van de binnenwateren
Beheer van de binnenwateren Het waterbeheer in het waddengebied is erop gericht het zeewater buiten de polders te houden. Anderszijds kan het zoete water dat als neerslag in het gebied neerkomt niet allemaal worden gebruikt. Een deel van dit water wordt afgevoerd naar zee, samen met het water dat via rivieren en beken het gebied binnenkomt. Het waterbeheer moet inspelen op het veranderende klimaat: de stijgende zeespiegel en het grilliger worden van het neerslagpatroon. Enkele waddeneilanden, zoals Schiermonnikoog, voorzien nog helemaal in hun eigen behoefte aan zoet drinkwater. Op deze eilanden heerst vaak, meestal in het toeristenseizoen, een dreigend tekort aan zoet water. In de Afsluitdijk komt waarschijnlijk een extra sluis die rond 2013 klaar moet zijn. De sluis is volgens Rijkswaterstaat nodig omdat het nu af en toe al moeilijk is het waterpeil in het IJsselmeer te kunnen beheren. Door de klimaatveranderingen zullen er extra moeilijkheden optreden. Per seconde moet de nieuwe sluis 5000 kubieke meter weg kunnen zetten.

Beheer van de visstanden
Beheer van de visstanden Het beheer van de visbestanden in de Noordzee is noodzakelijk omdat gebleken is dat belangrijke soorten, zoals de haring en de kabeljauw, als gevolg van overbevissing vrijwel kunnen verdwijnen. Men doet veldonderzoek naar het paaibestand en de aanwas van de belangrijke soorten en voert deze gegevens in in visserijmodellen. Zo ontstaan voorspellingen voor de toekomst van vissoorten. Die voorspellingen spelen weer een grote rol bij het vaststellen van de vangstquota voor de verschillende soorten vis. Als het bestand van een vissoort er erg slecht voorstaat wordt soms besloten over te gaan tot het uitzetten van kweekvis: restocking.

Beheer van de zeereep
Beheer van de zeereep De zeereep is de duinenrij die grenst aan het strand. Na een storm is soms een deel van de zeereep afgeslagen. Dit zand ligt op het strand en wordt door de wind teruggeblazen naar de duinen. Het beheer van de zeereep is gericht op het vastleggen van het zand door het plaatsen van rietschermen en het planten van helm. Daarnaast voorkomt men het verstuiven door het betreden te verbieden. Zandsuppleties op het strand bevorderen de aanvoer van zand naar de zeereep. Kerven in de zeereep Door het vastleggen van stuivend zand met rietschermen en helm lijkt de zeereep op veel plaatsen langs de kust op een rechte stuifdijk, zonder pieken en dalen. Dat is niet altijd zo geweest. Op oude schilderijen is te zien dat er in de oorspronkelijke zeereep vele stuifkuilen en kerven zaten. Enkele duinvalleien liepen regelmatig bij hoge waterstanden onder. Hierdoor bestond een kenmerkend brakwatermilieu met unieke planten en dieren, dat nu vrijwel verdwenen is uit het Nederlandse duinlandschap. Men is nu van plan om, waar de veiligheid het toelaat, weer kerven in de zeereep aan te brengen. Voorbeelden zijn de kerf die men in de zeereep tussen Bergen en Schoorl heeft aangebracht en de Strandvlakte op Schiermonnikoog. Riet- en takkenschermen Rietschermen worden aan de zeezijde aan de voet van de duinen geplaatst. De schermen vangen stuifzand op, dat van het strand richting duinen waait. Maar een rietscherm kan er ook voor zorgen dat het zand van het duin op zijn plaats blijft.

Beheersplan Waddenzee (1996-2001)
Beheersplan Waddenzee (1996-2001) De rijksoverheid, de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland en de waddengemeenten hebben in 1996 een gezamenlijk beheersplan voor de Waddenzee vastgesteld. Het beheersplan was geldig tot en met 2001. Elk jaar verscheen er een maatregelenprogramma en een rapportage over het voorafgaande jaar. Na 2001 is er geen nieuw beheerplan opgesteld.

Beheersvisie Noordzee 2010
Beheersvisie Noordzee 2010 De Beheersvisie Noordzee 2010 is opgesteld omdat er veel nieuwe ontwikkelingen op de Noordzee afkomen (o.a. bouw van windmolenparken, zandwinning, nieuwe boorplatforms, pijpleidingen en kabels, vliegveld in zee) en de drukte steeds groter wordt, waarvoor de tot nu toe beschikbare beheersinstrumenten tekortschieten. Daarnaast wordt een betere afstemming van het beleid van de betrokken departementen noodzakelijk geacht. Het rapport geeft een visie op het gebruik en beheer van de Noordzee tot 2010 en is opgesteld door samenwerking tussen de verschillende departementen die te maken hebben met het Noordzeebeleid. VisserijDe visserij op de Noordzee komt in de Beheersvisie vooral naar voren als een probleemsector. De bestanden voor de commercieel interessante vissoorten staan allemaal onder druk en er zijn veel ongewenste effecten op het zee-ecosysteem. Ook de communicatie tussen de verschillende overheden, de ecologen, de visserijbiologen en de visserijsector wordt als een probleem gezien.De overheid streeft naar een evenwichtige visserij op de Noordzee. De vissers spelen daarin zelf een grote rol bij het beheer van duurzame visbestanden, waarbij er ook veel plaats is voor langlevende zeedieren, zoals roggen, haaien, dolfijnen en kwetsbare bodemorganismen.Volgens de Beheersvisie is het vooral nodig dat er een open communicatieproces tussen alle betrokkenen op gang komt om het gestelde einddoel te bereiken. De opgroeigebieden voor de vis moeten beter worden beschermd.

Bergeend
Bergeend In Nederland zitten de bergeenden vooral rond de Waddenzee, waar ze wadslakjes, schaaldiertjes, insecten, visjes en wormen eten. Ze leven echter ook in zoetwatergebieden. Na het broedseizoen trekken ze naar speciale ruiplaasten in de Duitse Bocht en op het Balgzand in de Waddenzee. In Nederland overwinteren zo`n 65.000 bergeenden. Bergeenden broeden in goed verscholen holen en gaten, bijvoorbeeld verlaten konijnenholen in de duinen. Omdat de nestplaats goed verstopt zit, kan ook het vrouwtje zich een opvallend verenkleed veroorloven. Namen: Ned: Bergeend Eng: Common Shelduck Fra: Tadorne de Belon Dui: Brandgans (Brandente) Dan: Gravand Nor: Fagergis (Gravand) Fries: Berchein Ital: Volpoca Lat: Tadorna tadorna

Bescherming tegen het water
Bescherming tegen het water De historie van Vlieland is er één van strijd tegen de zee. Het ontstaan van het eiland zelf omstreeks het midden van de dertiende eeuw is een gevolg van het graven van een kanaal door de duinen (de Monnikesloot) door de monniken van Ludinga die deze landstreek toen beheerden. De zee kreeg vrij spel in deze `sloot` en vormde er het Eierlandse Gat, dat samen met een kanaal zuidelijk van Vlieland het eiland vormde. In de eeuwen die volgden wisselden groei en afslag van de kust elkaar af. Op de lange duur was er echter meer afslag en spoelde er land in zee. In de zeventiende eeuw werd West Vlieland voortdurend aangevallen door de golven en verdween de duinenrij langzaam maar zeker. Het eerder genoemde zeegat tussen Texel en Eierland verdween zodat stromingen de zandplaat konden wegslijten terwijl ook de invloed van het Eierlandse Gat tussen Texel en Vlieland verminderde. Als gevolg hiervan kwam West Vlieland kwetsbaar te liggen voor de langs de kust lopende stromingen. Aan het einde van de eeuw werd de duinenrij echt zwaar beschadigd en kwam het dorp aan open zee te liggen.In de eerste tientallen jaren van de achttiende eeuw werd het toen al arme en bouwvallige dorp na enkele reddingspogingen weggevaagd. Het gehele vruchtbare westelijke deel van het eiland veranderde in een strandvlakte die we nu nog kennen als de Vliehors maar die toen verder in zee lag. Langs de Noordzeekust van het eiland ontstonden in de negentiende eeuw hier en daar doorbraken in de duinenrij zodat duinvalleien onder water kwamen te staan.

Bestrijdingsmiddelen
Bestrijdingsmiddelen Er worden veel verschillende stoffen gebruikt voor het bestrijden van ziekten en plagen in de landbouw, de bosbouw en het groenbeheer. Ze kunnen van natuurlijke oorsprong zijn, maar de meeste zijn synthetisch. Veel van die stoffen komen uiteindelijk in het milieu terecht. Van een aantal zijn de gevolgen bekend maar de meeste stoffen zijn nog niet getest op milieu-effecten. Voorbeelden van bestrijdingsmiddelen zijn dichloorvos, lindaan, simazine en toxafeen.

Bezoekerscentra
Bezoekerscentra In het waddengebied en langs de Noordzeekust zijn op vele plekken bezoekerscentra ingericht. In deze centra kan de bezoeker of omwonende in principe alle mogelijke informatie over de omringende natuur vinden. In de Vleet is informatie opgenomen over Ecomare op Texel, Het bezoekerscentrum op Schiermonnikoog, het Natuurcentrum op Ameland, en het het Waddencentrum in Pieterburen.

Bezoekerscentrum Schiermonnikoog
Bezoekerscentrum Schiermonnikoog In het Bezoekerscentrum kun je van alles te weten komen over de natuur op en rondom Schiermonnikoog. In het Bezoekerscentrum is ten eerste een permanente expositie. Deze tentoonstelling geeft een overzicht van de acht landschappen van Schiermonnikoog en vooral de planten en dieren in deze landschappen. Ook bescherming en beheer van het natuurgebied komt aan de orde. Daarnaast zijn er ook nog wisselexposities, met steeds weer andere onderwerpen. In 1993 werd de inrichting van het gebouw helemaal vernieuwd. Het Bezoekerscentrum zit in een gebouw wat vroeger de elektriciteits-centrale was. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd in dit gebouw het Bezoekerscentrum ondergebracht. Er zijn vergaande plannen voor uitbreiding van het gebouw en de expositie. Bezoekerscentrum Schiermonnikoog Torenstreek 20 Postbus 32 9166 ZP Schiermonnikoog Tel: 0519-531641 Fax: 0519-531615Openingstijden: van maandag t-m zaterdag 10.00 - 12.00 uur en 13.30 - 17.30 uur

Biesheuvel-groepen
Biesheuvel-groepen Vissers in Nederland werken zelf mee aan het beheer van visbestanden in de Biesheuvelgroepen, die als doel hebben om samen de vangstquota te beheren. De Biesheuvelgroepen ontstonden begin jaren negentig van de vorige eeuw op advies van de Commissie Biesheuvel, die moest adviseren hoe de overbevissing van de Noordzee kon worden voorkomen.In de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw voerden de Noordzee-vissers veel meer vis aan dan door het beleid was toegestaan. De vissers kregen toen voor miljoenen euro`s boetes opgelegd. Controles van de Algemene Inspectie Dienst moesten begeleid worden door de mobiele eenheid. Het ministerie van Landbouw en Visserij riep twee commissies in het leven die moesten onderzoeken hoe de visserijtak het beste kan worden gesaneerd en overbevissing in de toekomst kan worden voorkomen. In juni 1992 rapporteerde de commissie Biesheuvel, een stuurgroep die de toenmalige minister Bukman van LNV moest adviseren hoe in de toekomst overschrijding van de vangstquota kan worden voorkomen. Deze commissie stelde een nauwere samenwerking tussen vissers onderling voor. De visser was destijds te sterk afhankelijk van zijn collega`s. Als die hun quota overschreden, werd de visser geconfronteerd met vroegtijdige sluiting van het visserijseizoen. In de praktijk betekende dat dat vissers zo snel mogelijk hun quota binnenhaalden. In het begin van het seizoen was de aanvoer van vis daarom erg hoog, hetgeen de prijs drukte. Door betere afspraken tussen groepen samenwerkende vissers en meer onderlinge controle zou de aanvoer beter kunnen worden gespreid over het jaar en zou iedere visser in staat gesteld worden zijn eigen contingent op te vissen.

Biessum
Biessum Wie hier nog nooit gewandeld heeft, kent het Groninger wierdenlandschap niet. Waar men ook loopt, overal steken de oer-Groningse kerkjes van Holwierde, Uitwierde, Marsum en Appingedam boven het weide- en waterrijke landschap uit. De laaggelegen weilanden zijn een eldorado voor vogels als kieviten, grutto`s, scholeksters en leeuweriken. Ook groepen wulpen kan men hier regelmatig zien. Niet voor niets dat veel percelen hier als vogelbroedgebied zijn aangemerkt.De recent aangelegde bosjes doen geen afbreuk aan het open karakter van het kleilandschap. Enkele wandelpaden volgen de straalsgewijze structuren in het landschap die uitkomen in het dorpje Biessum, veel meer dan 1000 jaar ouder dan de plaats Delfzijl. Ook het dorpje Uitwierde is zeer de moeite waard.

Biestarwegras
Biestarwegras Biestarwegras levert de eerste aanzet voor het onstaan van duinen. Op het strand groeit deze grijsblauwe pioniersplant net zoals zeeraket op het vloedmerk. Hij is een goede zandvanger en bovendien goed bestand tegen zout water. Zodra het duintje zo hoog is dat eronder een zoetwaterreservoir ontstaat, en zodra het niet meer regelmatig door zeewater bereikt wordt, neemt helm de plaats van biestarwegras in. Biestarwegras zie je overal langs de Nederlandse kust. Namen: Ned: Biestarwegras Lat: Elymus farctus Eng: Sand couch Fra: Agropyre a feuilles de jonc Dui: Strandquecke (Binsenquecke) Dan: Strandkvik

Bijvangsten
Bijvangsten Bijvangsten zijn een groot probleem: zo wordt er voor elke kilo platvis nog ten minste 0,8 kilo andere ongewenste dieren opgevist. Maatregelen zoals het instellen van grotere maaswijdtes moeten de bijvangst beperken. Ook veel zeezoodieren zijn het slachtoffer van visserij. Zo vinden wereldwijd dagelijks bijna 1000 walvissen, dolfijnen en bruinvissen de dood in netten en vistuig. Bijvangst door boomkorvisserijDe boomkorvissers halen nogal wat bijvangst naar boven, waaronder vis (kabeljauw, schar, rode en grauwe poon, ondermaatse tong en schol, maar ook zeldzamere soorten zoals haaien en roggen), zeesterren en schelpdieren. Hierbij worden twee soorten bijvangst onderscheiden: waardevolle bijvangst (verhandelbare vissoorten en kreeftachtigen, waar niet gericht op gevist werd) en bijvangst die na het sorteren overboord gaat (de discards).Over de hoeveelheden van de bijvangst bestaan sterk uiteenlopende schattingen: van 2 tot 6 kilo ongewenste bodemdieren en -vissen per kilo platvis (schatting Greenpeace) tot gemiddeld 0,8 kilo bijvangst per kilo platvis (schatting RIVO). Volgens het RIVO zijn de bijvangsten door de platvisvisserij in de afgelopen jaren sterk teruggelopen door verschillende oorzaken: het instellen van een verplichte grote maaswijdte boven de 56 graden Noorderbreedte, het instellen van scholbox en de markt die er is ontstaan voor schar en bot. De markt voor schar en bot heeft er inderdaad voor gezorgd dat er minder discards zijn, maar de vangst van deze soorten zelf blijft natuurlijk gelijk.

Bijzondere vangsten en vondsten
Bijzondere vangsten en vondsten In de zuidelijke Noordzee komen, naast de in detail behandelde soorten, vele andere soorten vis voor, die echter zelden worden gevangen of waargenomen. Deze zeldzaamheden behoren grofweg tot vier groepen. De eerste groep bestaat uit soorten die thuishoren in de koude, noordelijke wateren en vooral in de winter terecht komen in de zuidelijke Noordzee. De tweede groep bestaat uit warmwatervissen, die meestal in de zomer worden waargenomen en de derde groep bestaat uit de nu zeldzame groep van vissen die leven in zee, maar de rivieren optrekken om te paaien. De vierde groep zijn vissen die met ballastwater mee zijn gekomen. Gasten uit koudere strekenEr is een groep vissen die leven in de diepere, koudere wateren in het uiterste noorden van de Noordzee, de noordelijke Atlantische Oceaan en-of de IJszee. Nu en dan komen deze soorten, als `gast` ook terecht in de zuidelijke Noordzee. Het gaat dan bijvoorbeeld om de groenlandse haai, de scherpsnuit (een vleet-achtige rog), de zandrog, de kaardrog, de draakvis (een echte diepzeevis), de grote zilversmelt, de grenadiersvis (ook een diepzeesoort), de heek, de zilverkabeljauw, de blauwe wijting, de lom, de blauwe lang, de gewone leng, de parelvis, de scharretong, het witje, de heilbot en de dikrugtong. De pollak en de koolvis zijn ook bewoners van de noordelijke Noordzee. Jonge exemplaren komen, vooral in de winter, regelmatig in de zuidelijke Noordzee terecht. De heek en de driedradige meun komen zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden de Noordzee binnen.

Binnenkwelder
Binnenkwelder De Binnenkwelder ligt ingeklemd tussen de Kooiduinen en de Kobbeduinen. Deze kwelder ontstond pas na het ontstaan van de Kobbeduinen rond 1850. In het gebied loopt het jongvee van de eilander boeren rond. Deze zorgen ervoor dat de vegetatie laag blijft en er plek blijft voor karakteristieke kwelderplanten. Het water van de Waddenzee dringt soms het gebied binnen. BegrazingDe kwelder is vanaf het ontstaan gebruikt als weide voor vee en voor hooi. Er graasde een kudde begeleid door een herder. In 1958 is dat gestopt. De kudde mocht daarna alleen nog maar in een klein deel vlak bij de kooiduinen binnen een hek lopen. Een deel van de kwelder op het eiland groeide na 1960 dicht met kleine boompjes, zoals kruipwilg en berk. Hierdoor gingen veel andere planten dood. Men begon daarom al weer snel met maaien om dit tegen te gaan. In 1975 werd de begrazing door koeien van eilander boeren weer uitgebreid. Het hielp, de kleine boompjes groeiden niet meer en de zeldzame planten kwamen terug. Bij de instelling van het Nationaal Park is men gestopt met maaien en is het gebied waar begraasd wordt nog weer uitgebreid. In het Beheers- en Inrichtingsplan voor het Nationaal Park is aangegeven dat ongeveer 1000 hectare van de kwelder begrazen mag worden. Inmiddels wordt er van de Reddingsweg tot aan de derde slenk bij de Kobbeduinen gegraasd door vee.

Bio-accumulatie
Bio-accumulatie Voedingsstoffen, slibdeeltjes en giftige stoffen plakken in het water vaak aan elkaar. Met hun voedsel krijgen organismen ook schadelijke stoffen binnen. Het lichaam slaat ze op of scheidt ze uit. Door ze op te slaan kunnen de concentraties van deze giftige stoffen in het lichaam hoog worden, veel hoger dan die in het omringende milieu. Dit verschijnsel heet bio-accumulatie. Hierdoor kunnen roofdieren aan het eind van de voedselketen (zeehond, roofvissen, vis-etende vogels, de mens) zeer hoge concentraties aan giftige stoffen accumuleren.

Biologische landbouw
Biologische landbouw De biologische landbouw maakt geen gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen. Biologische producten worden vaak verkocht met een speciaal keurmerk, zoals het Eko-keurmerk. In 2005 werd op 2% van de landbouwgrond in Nederland (39.700 hectare) biologisch gewerkt. De vraag naar biologische producten is groter dan het binnenlandse aanbod, daarom worden veel producten geïmporteerd. Het Ministerie van LNV streeft naar een uitbreiding van de biologische landbouwgrond tot 10% van het totaal in 2010.

Biotopen
Biotopen Noordzeewaddenkweldersstrand flora en fauna in de Noordzeeflora en fauna op de wadden flora en fauna van kweldersflora en fauna op het strand havenszeedijkenduinen graslanden flora en fauna in havensflora en fauna van zeedijkenflora en fauna in de duinenflora en fauna in graslandenbermenzoet water flora en fauna van bermenflora en fauna van zoete wateren

Bitterling
Bitterling Bitterling komt massaal voor op enkele van de zee afgesneden strandvlakten. Daar groeit hij op de wat drooggevallen plekken. Deze plant houdt van redelijk vochtige, kalkrijke zandgrond, bijvoorbeeld in de duinen op de plekken waar veel schelpengruis voorkomt. Je vindt hem ook langs wandelpaadjes en soms op molshopen of op grazige terreinen (maar nooit tussen een dichte, gesloten grasmat). In Nederland is het een zeldzame soort. Hij dankt zijn naam aan de bittere smaak van de wortel; die is trouwens typerend voor alle gentianen. Namen: Ned: Bitterling Lat: Blackstonia perfiolata Eng: Yellow-wort Dui: Verwachsenblättriger Bitterling

Bittervoorn
Bittervoorn De bittervoorn is een kleine karperachtige van 5 tot 8 centimeter die bitter smaakt, zodat predatoren hem mijden. Het merkwaardige van de bittervoorn is, dat hij alleen voorkomt op plekken waar zich ook zoetwatermosselen (schildersmosselen of zwanemosselen) bevinden. Deze mosselen dienen namelijk als draagmoeder voor de bittervoorn. Als de mossel in gevaar is, sluit deze zich, waardoor de bittervoorn-eitjes veilig zijn. Tijdens de paaitijd zorgt de mannetjes-bittervoorn ervoor dat hij een territorium met een mossel erin heeft. Wanneer een vrouwtje haar eieren (kuit) door de kieuwopening binnenin de mossel heeft gelegd met een legbuis, spuit het mannetje zijn sperma in de buurt van de mossel die dit naar binnen zuigt. De bevruchte eieren ontwikkelen zich nu veilig in deze draagmoeder. Als door baggerwerkzaamheden of ander onderhoud van de sloot of plas de mosselen verdwijnen, is het gedaan met de paaibiotoop van de bitternvoorn. De mossel gebruikt op haar beurt de bittervoorn voor de verspreiding van haar nakomelingen. Jonge mosseltjes zich aan de randen van de vinnen van de bittervoorn om zich te verspreiden.De bittervoorn komt vooral voor in stilstaand water, zoals sloten, vijvers en de begroeide randen van meren. De bittervoorn is aangepast aan een dieet met veel plantaardig materiaal zoals kiezelalgen, wat blijkt uit zijn lange darm. De algen graast hij van stenen. Maar de vis eet ook kleine kreeftachtigen en wormen (tubifex).In Europa komt de vis voor in grote delen van Centraal- en Oost-Europa tot de Oeral.

Blaasjeskrab
Blaasjeskrab De blaasjeskrab komt van oorsprong uit het westelijk deel van de Stille Oceaan bij Japan, China en Korea. In 2004 is deze soort voor het eerst in grote getale waargenomen op de dijk op Texel. De krab is een alleseter, maar houdt vooral van zeewier. Het diertje heeft een rood rugschild van maximaal 4 centimeter breed en heeft stevige scharen en poten. Al geruime tijd is de krab bezig zich te verspreiden over de wereld. Zo werd het dier in 1988 bij de Amerikaanse oostkust (New Jersey) gezien. Inmiddels heeft het zich daar over meer dan 900 kilometer kust verspreid. In 1999 dook het voor het eerst op aan de Franse kust, bij Le Havre. Waarschijnlijk zijn de dieren verspreid met het ballastwater van schepen. Bioloog Rob Dekker van het NIOZ verwacht dat de krab de komende jaren explosief in aantal toe zal nemen in de Waddenzee. Met name op de dijken zou het dier de strandkrab kunnen verdringen. Namen: Ned: Blaasjeskrab Lat: Hemigrapsus sanguineus Eng: East Asian shore crab

Blaaswier
Blaaswier Blaaswier is een bruinwier. Het is meestal te herkennen aan de drijfblazen, maar sommige blaaswieren hebben deze luchtkussentjes niet. Met behulp van deze drijfblazen kan het verticaal groeien in het water. Blaaswier kan gevonden worden langs de dijken, op houten palen en op het wad. Daar hecht het zich vast op mosselen, stenen of andere objecten. Het wier kan zo`n halve meter lang worden. Het is olijfbruin tot bruingroen van kleur. Vroeger werd blaaswier gebruikt als mest en ook wel als medicijn tegen gewrichtspijnen, zwellingen en huidziekten. Namen: Ned: Blaaswier Lat: Fucus vesiculosus Eng: Bladder wrack Dui: Gemeiner Blasentang Dan: Blæretang

Blankvoorn
Blankvoorn De blankvoorn wordt zelden groter dan 35 centimeter en is een vis van zowel stromend als stilstaand water. Hij zwemt in scholen die eten in de buurt van begroeiing (riet, biezen), maar ook wel in open water. De blankvoorn is een echte alleseter. Jonge blankvoorn eet vooral watervlooien, terwijl de oudere dieren slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen eten. De schelpdieren kan hij opeten omdat hij in zijn keel keeltanden heeft, die hij als een soort notenkraker gebruikt om de schelp kapot te krijgen. Daarnaast consumeert de blankvoorn ook plantaardig materiaal, vooral algen en detritus. De blankvoorn lijkt op de bittervoorn, maar wordt een stuk groter. De vis is geslachtsrijp bij een lengte van ongeveer 15 centimeter die ze na 3 tot 5 jaar bereiken. Net als bij de bittervoorn zijn de mannetjes eerder geslachtsrijp dan de vrouwtjes. De maximale lengte van de blankvoorn is 45 centimeter, maar in Nederland zijn exemplaren van meer dan 35 centimeter zeldzaam.De vis plant zich van eind april tot eind mei voort bij een watertemperatuur van 10 tot 16 graden Celsius. De eieren worden afgezet op waterplanten. Larven en juveniele blankvoorn blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing.De blankvoorn komt van boven de Alpen tot aan de Oeral en de Aralzee voor en kent ondersoorten tot in Oost-Azië. In Nederland komt hij overal voor. Namen: Ned: Blankvoorn (röts, ruts) Lat: Rutilus rutilus Dui: Plötze (Rotauge) Eng: Roach Fra: Gardon ordinaire

Blauwborst
Blauwborst De blauwborst is een vrij zeldzame moerasvogel die vooral in waterrijke gebieden met veel begroeiing leeft. Hij leeft van insecten, larven en ook wel van zaden.De blauwborst is beschermd via de Vogelrichtlijn van de EU. De vogel broedt in Nederland in zulke grote aantallen dat Nederland extra beschermde gebieden voor de soort moet instellen.In tegenstelling tot veel andere moerasvogels gaat het goed met de blauwborst. In de afgelopen 20 jaar is het aantal broedpaartjes verveelvoudigd. In deze periode heeft de vogel nieuwe gebieden gekoloniseerd en heeft oude gebieden weer in gebruik genomen. Het succes van de vogel kan gedeeltelijk verklaard worden door verdroging. Blauwborsten zoeken hun voedsel op de grond en door de verdroging zijn er `drogere moerassen` ontstaan. Daarnaast is door het wegvallen van het getij in de Biesbosch de bodem daar droog komen te liggen. Ook de ontwikkeling van de Oostvaardersplassen heeft bijgedragen aan het succes van de blauwborst. Aangenomen wordt dat vanuit de Biesbosch en de Oostvaardersplassen de kolonisatie van nieuwe gebieden begonnen is. Namen: Ned: Blauwborst Eng: Bluethroat Fra: Gorgebleue à miroir Dui: Blaukehlchen Dan: Blihals Nor: Blistrupe Fries: Blauboarstke Ital: Pettazzurro Lat: Luscinia svecica

Blauwe haarkwal
Blauwe haarkwal De blauwe haarkwal is een middelgrote (tot 30 centimeter in doorsnede), platte kwal. Ze zijn meestal blauw, maar er komen ook gele of rode exemplaren voor. Aan de rand van de schijf zitten lange haarachtige tentakels met gemeen stekende netelcellen. In het water kunnen de tentakels wel een oppervlakte van 5 vierkante meter bedekken. Ongelukkig genoeg komen blauwe haarkwallen vooral met oostenwind voor de kust. Dan is het meestal ook juist goed strandweer. Strandexploitanten raken nooit gewend aan dit verschijnsel. Elk jaar dat er een kwalleninvasie is, `is het nog nooit zo erg geweest`.

Blauwe kiekendief
Blauwe kiekendief Blauwe kiekendieven komen vooral voor in de duinen, op heidevelden, in moerassen en op braakliggende velden. De waddeneilanden zijn in Nederland zeer belangrijk voor de blauwe kiekendief. Maar liefst 96% van de Nederlandse blauwe kiekendieven broedt daar. Deze roofvogel leeft van kleine zoogdieren (muizen, ratten, jonge konijnen en hazen) en van vogels (fazanten, weidevogels en zangvogels). Laag zwevend boven open terrein zoekt hij naar prooien. Namen: Ned: Blauwe kiekendief Eng: Hen harrier Fra: Busard Saint-Martin Dui: Kornweihe Dan: Bli kærhøg Nor: Myrhauk Fries: Blauwe Hoarnskrobber Ital: Albanella reale Lat: Circus cyaneus

Blauwe reiger
Blauwe reiger In de kuststreken zijn vooral de blauwe reiger en de kleine zilverreiger van betekenis. De blauwe reiger is in Nederland een algemeen voorkomende broedvogel. Hij eet vooral zoetwatervis, maar ook wel muizen, mollen, kikkers, rivierkreeftjes, slakken, regenwormen en zelfs jonge konijnen. De prooi wordt gespiest aan de lange, puntige snavel. De blauwe reiger mijdt brakke sloten en akkerbouwgebieden. In 2003 broedden er naar schatting 12.900 paartjes in Nederland. De blauwe reiger is de enige reigersoort die voorkomt in bijna heel Europa. Namen: Ned: Blauwe reiger Eng: Grey heron Dui: Fischreiher Fra: Héron cendré Dan: Fiskehejre Nor: Grihegre Fries: Lelreager Lat: Ardea

Blauwe zeedistel
Blauwe zeedistel Blauwe zeedistel is een wettelijk beschermde plant. De plant groeit op open, stuivend, kalkrijk duinzand, met name in de zeereep. Dit leefgebied is sterk achteruit gegaan door de vastlegging van de duinen. Nu en dan wordt de plant ook meer landinwaarts gevonden. De blauwe zeedistel is een vlinderplant, met name de dagpauwoog en de kleine parelmoervlinder bezoeken hem regelmatig. Namen: Ned: Blauwe zeedistel Lat: Eryngium maritimum Eng: Sea holly Fra: Panicaut des dunes Dui: Stranddistel Dan: Strand-mandstro

Blauwe zwemkrab
Blauwe zwemkrab Blauwe zwemkrabben zijn immigranten van de oostkust van Noord-Amerika. Daar zijn ze algemeen en wordt er uitgebreid op gevist. Blauwe zwemkrabben worden sporadisch gevangen in de Noordzee en aangrenzende wateren. Of de dieren zich hier ook kunnen voortplanten is onzeker. Mogelijk worden met schepen regelmatig larven aangevoerd, die hier dan uitgroeien. De blauwe zwemkrab op de foto is een volgroeid vrouwtje van 16 centimeter doorsnee. Het dier is in 2006 levend aangevoerd door de Texelse viskotter TX43 van Biem van der Vis in de Noordzee bij de Bruine Bank.

Bloedzuigers
Bloedzuigers Bloedzuigers zijn wormen die van bloed leven. Ze hebben twee zuignappen, voor en achter. Er komen in Nederland ongeveer 25 soorten voor, waarvan de meeste voor mensen niet gevaarlijk zijn. Hoewel ze van dierlijk bloed leven, zijn ze vaak op donkere plekken op de bodem of tussen planten te vinden. Een lastige parasiet voor vissen is de visbloedzuiger, en voor watervogels de eendenbloedzuiger. Vroeger werd de medicinale bloedzuiger voor aderlatingen gebruikt. Bloedzuigers zijn vooral te vinden in plantenrijk water tot een halve meter diepte. Bloedzuigers zijn hermafrodiet (mannetje en vrouwtje ineen) en de voortplanting is vaak wederkerig, dus twee wormen bevruchten elkaar.Hongerige bloedzuigers springen toe als de gastheer beweging in het water of een schaduw veroorzaakt. De bloedzuiger richt zich dan op en maakt zoekbewegingen met het bovenlichaam, terwijl hij zich met de zuignap die op het achterlichaam zit vast houdt. Als de gastheer dichtbij genoeg is, zet de bloedzuiger zich af en zuigt hij zich met zijn voorste zuignap aan de gastheer vast. Namen: Ned: Bloedzuigers Lat: Hirudinea Eng: Leeches Dui: Egel Fra: Sangsues Dan: Igler

Bloembollenteelt
Bloembollenteelt De bloembollenteelt in het waddengebied neemt ongeveer éénderde van het totale Nederlandse areaal aan bollen in. Het ging in 1996 om de deelgebieden Texel (386 hectare), Land van Zijpe (4976 hectare), de Wieringermeer (478 hectare), Noord-Friesland (137 hectare) en de Marne (114 hectare). In 2000 zijn er in Nederland zo`n 3000 bloembollenbedrijven, met in totaal 20.000 hectare grond. Bij de teelt van bloembollen worden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Bollenvelden worden na de oogst soms onder water gezet. Hierdoor verdrinkt het ongedierte dat in de grond zit en hoeven geen of minder grondontsmettingsmiddelen gebruikt te worden.

Bodemvervuiling door munitie
Bodemvervuiling door munitie Als gevolg van militaire oefeningen komen granaathulzen en kogels in het milieu terecht. Daar zitten nogal wat zware metalen in die de bodem vervuilen. Een ander probleem vormen explosieven (mijnen, bommen, torpedo`s) die tijdens oorlogen op de zeebodem terecht zijn gekomen en nog regelmatig worden opgevist. Ook afgedankte munitie is soms bewust in zee gedumpt. Bij Vlieland houdt de luchtmacht al bijna 40 jaar oefeningen. In de buurt van de schietlocatie op de Vliehors vonden onderzoekers in slibmonsters dan ook een 2 keer zo`n grote concentratie van koper dan elders. Ze vonden tevens van de andere metalen (chroom, nikkel, zink, aluminium, magnesium en vanadium) een hogere waarde dan op locaties in het Waddengebied waar geen schietoefeningen plaats hebben. Het gehalte aan cadmium in de bodem is niet gemeten. De vervuiling van het water door de kogels was te verwaarlozen. Dit is wellicht te verklaren door de getijden. Door de vloed wordt het water rond de schietterreinen immers twee maal per dag ververst, zodat de watervervuiling zich in het zeemilieu verspreidt. Zouden de oefeningen gehouden worden in een stilstaand vennetje worden gehouden, dan zou het beeld er heel anders uit zien. Aldus het rapport `het Wad en munitie` van Rijkswaterstaat.De militairen die in de Marnewaard komen oefenen moeten het schieten waarschijnlijk nog leren. Dat blijkt wel uit de grote hoeveelheden kogels die over de dijk vliegen, de zogenaamde `afzwaaiers`. Deze missers, zo`n 40% van het totaal aantal afgevuurde kogels, komen terecht op het wad.

Bollenteelt op Texel
Bollenteelt op Texel Veel percelen op Texel zijn door de vrij lichte bodemstructuur geschikt voor de bollenteelt. Bovendien zorgt het relatief zachte klimaat er regelmatig voor dat de Texelse telers een betere oogst hebben dan hun collega`s aan de `overkant`. Door de verschillen in bodemstructuur hebben delen van het eiland zo hun specialiteiten: bijvoorbeeld hyacinthen, tulpen en crocussen in de Prins Hendrikpolder, narcissen in de Koger polders en lelies rond de Hoge Berg.

Bontbekplevier
Bontbekplevier Bontbekplevieren komen het hele jaar voor in de Nederlandse kuststreek. Er is een ondersoort die broedt in noordelijker streken, in het najaar via de Nederlandse kust naar Afrika trekt en in het voorjaar weer langskomt op de terugweg. Een andere ondersoort broedt in Nederland, bij voorkeur op rustige stranden en langs kwelderranden. Een relatief klein aantal overwintert hier. Bontbekplevieren broeden vooral in het waddengebied (159 paar in 1996) en het deltagebied (149 paar in 1996). Sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw neemt het aantal broedgevallen in de Delta af. De bontbekplevier staat op de Rode Lijst van beschermde vogelsoorten. Namen: Ned: Bontbekplevier Eng: Great Ringed Plover Fra: Grand Gravelot Dui: Sandregenpfeifer Dan: Stor Præsterkrave Nor: Sandlo Fries: Bünte Wilster Ital: Corriere grosso Lat: Charadrius hiaticula

Bonte mantel
Bonte mantel Bonte mantels leven los op de zeebodem of vastgehecht aan stenen of andere schelpen. Ze komen voor tot op 80 meter diepte. Het is een zuidelijke soort, die op de Nederlandse stranden alleen als fossiel (uit de eemtijd) gevonden wordt. Ook worden wel levende jonge bonte mantels op drijvende voorwerpen aangetroffen. De schelp kan tot 7 centimeter groot worden maar is meestal kleiner. Namen: Ned: Bonte mantel Lat: Chlamys varia Eng: Variegated scallop Dui: Bunte Kammuschel Dan: zie Latijnse naam

Bonte strandloper
Bonte strandloper De bonte strandloper is in Europa op de meeste plekken de talrijkste strandloper. Het voedsel van de bonte strandloper bestaat uit allerlei zeediertjes die opgepikt worden terwijl de vogel in ondiep water staat. De bovendelen zijn in de zomer bruin, de borst witgestreept en de buik is zwart. In de winter is de bonte strandloper grijsbruin van boven en wit van onderen. Namen: Ned: Bonte strandloper Eng: Dunlin Fra: Bécasseau variable Dui: Alpenstrandläufer Dan: Klire (Almindelig Ryle) Nor: Myrsnipe Fries: Bünte Gril Ital: Piovanello pancianera Lat: Calidris alpina alpina

Boomkorvisserij
Boomkorvisserij Een boomkor is een vistuig dat wordt opengehouden door een stalen buis. Aan de uiteinden van de buis zitten sloffen. Een kotter sleept twee van deze korren over de zeebodem. Op het wad en in de kustwateren wordt de boomkor gebruikt voor de vangst van garnalen. Men doet dat met een rollenpees: een touw met ronde klossen die over de bodem rollen en de garnalen opschrikken. Voor de vangst van platvis worden de korren voorzien van zware kettingen die over de zeebodem schrapen. De platvisvisserij met boomkorren vindt voornamelijk plaats in de zuidelijke en centrale Noordzee, in het kustgebied en in de zeegaten. De boomkorvisserij is voor Nederland de belangrijkste vorm van bodemvisserij. Nederland bezit de grootste en modernste boomkorkottervloot. Ongeveer 80% van alle door Nederlanders gevangen vis komt via de boomkor boven water. Voor België ligt dit percentage op ongeveer 65%. De kotters met een groot vermogen hebben tuigen tot 12 meter breed en een gewicht van circa 9000 kilo. De boomkorren zijn aan de onderkant uitgerust met tien tot twintig kettingen die de vis, vooral schol en tong, uit de zeebodem moeten opjagen.Op gronden waar veel stenen liggen worden de wekkerkettingen soms vervangen door een mat van kettingen. Het risico dat het vistuig kapot gevaren wordt is dan veel kleiner.Wanneer een snel schip met te lichte boomkortuigen vaart, bestaat de kans dat de vistuigen door de snelheid die het schip maakt, omhoog komen en niet meer vissen. Omdat er met een zwaarder tuig meer vis gevangen wordt, zijn de Nederlandse schippers met steeds krachtigere schepen en dus ook zwaardere boomkortuigen gaan varen.

Boormosselen
Boormosselen

Boorplatforms
Boorplatforms Er stonden in 1996 475 grote olie- en gasplatforms op de Noordzee. Groot-Brittannië en Noorwegen beschikten over het merendeel, respectievelijk 250 en 80. Nederland had 107 platforms in de Noordzee staan, Denemarken 36 en Duitsland 2.Op de productieplatforms staan de installaties die de olie of het gas uit de bodem winnen. Deze platforms zijn soms voorzien van bemanningsverblijven, maar kunnen ook onbemand zijn. Andere platforms zijn speciaal ingericht voor de overslag van de aardolie of voor de behandeling van het gas zodat dit door de transportleiding naar de wal kan. Voor proefboringen zijn er speciale booreilanden. Tussen 1980 en 1996 nam het aantal productieplatforms op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat (NCP) toe van 20 naar 92. In 1996 vonden er op het NCP 11 nieuwe exploratieboringen naar olie en-of gas plaats, en eveneens 11 proefboringen. In totaal lag er op of in de bodem van het NCP 2499 kilometer pijpleiding ten behoeve van de delfstoffenwinning. Veiligheidsmaatregelen rond de platforms Mijnbouwplatforms kunnen een obstakel voor de scheepvaart vormen. Omgekeerd kan de scheepvaart een gevaar voor de mijnbouwinstallaties opleveren. Ongeveer twintig van de 71 olie- en gasplatforms liggen dicht bij belangrijke scheepvaartroutes. De routes zelf moeten op grond van internationale scheepvaartregels gevrijwaard blijven van plaatsing van installaties.Het grootste risico betreft aanvaringen tussen stuurloos geraakte schepen en platforms. Het komt ongeveer dertig keer per jaar voor dat een zeeschip op de Noordzee stuurloos raakt.

Boorspoeling en -gruis
Boorspoeling en -gruis Bij het boren naar olie of gas komen per boring honderden tonnen vergruisd bodemmateriaal vrij. Men gebruikt een soort pap, de boorspoeling, om dit gruis naar boven te pompen. Deze spoeling dient ook als smeer- en koelmiddel voor de boorbeitel en om tegendruk te bieden als een onder druk staand olie- of gasveld wordt aangeboord. Vroeger gebruikte men hiervoor meestal een oliehoudende vloeistof, waardoor het boorgruis ernstig verontreinigd raakte met olie. Tegenwoordig wordt waar mogelijk boorspoeling op waterbasis gebruikt. Deze bevat geen olie, maar nog wel chemicaliën. Het oliehoudende gruis werd tot 1993 geloosd in zee, waar het zorgde voor vervuiling van de zeebodem in een straal van 200 meter rond het platform. De hoeveelheid boorgruis die bij boringen vrijkomt, is aanzienlijk. De diameter van een boorgat verloopt van circa 90 centimeter aan de oppervlakte tot circa 15 centimeter op de einddiepte (op 300 tot 4500 meter onder zeeniveau). Als zo`n gat wordt geboord, komt daar zo`n 500 tot 1000 ton gruis uit. Het gebruik van boorspoeling is tegenwoordig een nagenoeg gesloten systeem. Het boorgruis dat met de boorspoeling naar boven komt, wordt op de boorvloer door zeven van de boorspoeling gescheiden. De boorvloeistof kan opnieuw worden gebruikt. Het gruis dat is verkregen door een boring met vloeistof op waterbasis mag overboord gezet worden als het oliegehalte minder dan 1% is. Hier kunnen nog wel restanten van de boorvloeistof aan kleven.Nadat de boorspoeling een aantal keren hergebruikt is, wordt de bruikbaarheid minder.

Boortechniek
Boortechniek Boorkop in aardgas bevattend Perm-zandsteen De aardgas bevattende gesteenten liggen in de Noordzee tussen de twee- en vierduizend meter onder het continentaal plat. Een roterende stalen boorkop, die bedekt is met industriediamantjes moet door een groot aantal gesteentelagen boren tot in de aardgas bevattende laag. Door de steel van de boor wordt boorvloeistof in de boorschacht geperst. De vloeistof zorgt voor de nodige tegendruk en smeert de boorkop die, afhankelijk van het soort gesteente waar doorheen geboord wordt, zwaar belast kan worden. De tegendruk moet een zogenaamde blow out, waarbij het gas ongecontroleerd uit de putmond spuit, verhinderen. De putmond wordt door een constructie met verschillende afsluitkleppen, ventielen en drukmeters afgesloten; de blow-out preventor. Met de huidige techniek is het risico dat zo`n blow out plaatsvindt zeer klein. Het boorgruis (afkomstig van het gesteente waarin geboord wordt) gemengd met de boorspoeling stijgt in de boorschacht op en wordt naar een scheider gevoerd. Hier wordt de boorvloeistof uit deze `boormodder` teruggewonnen voor hergebruik.Al enige tijd is het ook mogelijk om aardgas bevattende gesteentelagen schuin aan te boren. Een groot voordeel hiervan is dat bijvoorbeeld ver uit elkaar liggende aardgasvoorraden vanuit één platform te winnen vallen, of dat gasvoorraden in het kustgebied vanaf land aangeboord kunnen worden. Aardgas en het affakkelen Bij de opsporing en winning van aardgas staat op die plek vaak een lange pijp met daarop een grote bulderende vlam.