Kopie van `ZeeInZicht, digitale encyclopedie voor de wadden, kust en Noordzee`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


ZeeInZicht, digitale encyclopedie voor de wadden, kust en Noordzee
Categorie: Milieu > Zee
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 290


Agrarisch natuurbeheer
Agrarisch natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer is natuurbeheer op landbouwgronden. De belangrijkste functie van deze gronden is productie. Een boer kan tijdens de werkzaamheden rekening houden met de natuurlijke flora en fauna op zijn land. Dit houdt bijvoorbeeld in dat hij voor een bepaalde datum zijn weilanden niet maait, dat hij rekening houdt met de nesten van weidevogels, dat slootkanten niet gemaaid worden, dat het land niet bemest wordt, poelen gegraven worden voor amfibieën, enzovoort. Voor deze maatregelen krijgt de boer een vergoeding van de overheid. De resultaten van agrarisch natuurbeheer vallen in het algemeen echter tegen, zo bleek in 2006.

Akkerbouw
Akkerbouw Door talloze factoren, onder andere de veepest, zijn de Groninger boeren, vooral in de 19e eeuw, overgegaan op de akkerbouw. Vooral de lichtere kleigronden waren hier uitermate geschikt voor. Aan gewassen als tarwe, gerst, koolzaad en suikerbieten had men een goed, zo niet weelderig bestaan. Kapitale boerderijen sieren nog steeds in het oude kweldergebied het landschap. Vooral in dorpen als Warffum en Usquert, Beerta en Finsterwolde is te zien hoe goed het de akkerbouwers voor de wind ging in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. Op akkerbouw- boerderijen was veel meer personeel nodig dan op veebedrijven. Ook dit heeft z`n weerslag in het landschap door het ontstaan van kleine arbeidersdorpen als Kruisweg, Broek en Kleine Huisjes, allemaal in de buurt van Pieterburen. De laatste tientallen jaren gaat het minder met de akkerbouw. Veel boeren gaan weer over op veeteelt. Ook zoekt men het wel in de bollenteelt. Vooral in de buurt van Kloosterburen ziet men in voorjaar en vroege zomer de kleurige patronen van de bloembollenteelt.

Akkerbouw
Akkerbouw In de geschiedenis van de landbouw op Ameland was het verbouwen van gewassen alleen bedoeld voor eigen levensonderhoud en als voedergewas voor het vee. Op de hoge zandgronden achter de duinen, beschermd tegen het bij hoge vloed binnendringend zeewater, ontstonden nederzettingen, de Markegenootschappen, met gemengde veeteeltbedrijfjes. Een Markegenootschap was een sociale eenheid met bestuur en regelementen, waarin o.a. de beweiding was geregeld. Die eerste landbouwers hadden de beschikking over 3 soorten grond: - De lage zand en veengronden, miede of hooiland genoemd, voor de hooiwinning. - De duinen en de schrale buitengebieden: gemeenschappelijk weidegebied voor het vee. Oudste cultuurgebiedOp de hoge zandgronden, dicht bij de dorpen, werden de akkertjes aangelegd. Iedere landbouwer bezat een of meer perceeltjes met voornamelijk de voede

Akkerbouw
Akkerbouw Akkerbouw vindt vooral plaats op de vruchtbare kleigronden. In het Deense kustgebied en in Groningen zijn de grootste akkerbouwgebieden. In Denemarken vindt vooral graanproductie plaats. Tarwe en gerst vormen hier de hoofdmoot. In Sleeswijk-Holstein en Nedersaksen domineert ook de graanteelt op het bouwland. De teelt van voedermais neemt een steeds grotere plaats in. In Groningen vindt men vooral suikerbieten- en aardappelteelt. Het aandeel graan is hier relatief laag. In het westelijk gedeelte van de waddenregio (Noord-Holland en Texel) vindt een bijzondere vorm van akkerbouw plaats. De zanderige gronden aan de binnenduinrand zijn uitermate geschikt voor de teelt van bloembollen. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om tulpen, narcissen, lelies en krokussen.

Akkerbouw in Noord-Friesland
Akkerbouw in Noord-Friesland Het grootste deel van de akkergrond in Friesland wordt gebruikt voor snijmais. Op de tweede plaats staat de teelt van pootaardappels en consumptieaardappels en de derde plaats graan, met name wintertarwe en zomergerst. In 1990 was mais nog lang niet zo belangrijk, toen werden er vooral aardappels verbouwd.

Akkerbouw op Texel
Akkerbouw op Texel De akkerbouw op Texel concentreert zich voornamelijk in de jonge polders Eijerland, het Noorden en Prins Hendrik. Naast de klassieke teelten van aardappelen, granen en bieten is de vollegronds-groententeelt sterk in opkomst. Winterbloemkool kan hier goed worden geteeld vanwege het extra zachte klimaat. Ook de teelt van asperges neemt in omvang toe. Akkers die zijn ingezaaid met de groenbemester Phacelia zijn tijdens de bloei erg in trek bij de honingbijen.

Akoestische verontreiniging
Akoestische verontreiniging Naast alle andere invloeden op de zee kan ook geluid een bron van vervuiling op zee zijn. In de wereld onder water speelt geluid een andere, en soms belangrijkere, rol dan boven de zeespiegel. Uit recent onderzoek blijkt dat lawaai van scheepsmotoren en schokgolven die worden gebruikt bij geologisch onderzoek wel eens meer invloed kunnen hebben op het zeeleven dan men tot nu toe dacht. Het is onder normale omstandigheden vrij stil onder de zeespiegel. Veel zeedieren, zoals kreeftachtigen, vissen en zeezoogdieren, maken allerlei geluiden, die bij elkaar een geluidsniveau van ongeveer 40 decibel veroorzaken.Geluid gedraagt zich in het water anders dan in de lucht. Het plant zich vijf keer zo snel voort en draagt ook veel verder omdat er weinig obstakels zijn. Veel zeedieren maken daar dan ook dankbaar gebruik van. Zij gebruiken geluid (en vooral ook de echo`s) voor het opsporen van prooien, voor het waarnemen van obstakels als er geen licht is en voor hun onderling contact. De tandwalvissen (dolfijnen, bruinvissen en potvissen) zijn hier grootmeesters in: zij leven in een geluidswereld, zoals mensen in een visuele wereld, en honden vooral in een geurwereld leven. Maar ook baleinwalvissen communiceren met geluidssignalen over enorme afstanden met elkaar. Akoestische mistDe rust onder water wordt soms verstoord door natuurlijke omstandigheden. Vooral in de kustwateren kan een flinke storm of een hevige regenbui leiden tot een verhoging van het geluidsniveau tot zo`n 75 decibel.

Ameland
Ameland natuur geschiedenis landbouw en visserij recreatiemilieuzaken musea Natuurcentrum Ameland

Ameland in de Middeleeuwen
Ameland in de Middeleeuwen Vanaf de Middeleeuwen ontstonden op Ameland op de hoge zandgronden achter de duinen beschermd tegen de stormvloeden van zee kleine nederzettinkjes. De bewoners hadden wat vee en leefden van het verbouwen van gewassen en visvangst. Het werden Markegenootschappen genoemd. Zo`n genootschap was een sociale eenheid met bestuur en regels. In die regels was o.a. de beweiding geregeld. Rondom de nederzettingen had iedere volwassen man een of meer akkertjes. De gewassen die werden verbouwd waren voornamelijk gerst en rogge en aardappelen. Het diende niet alleen als voedsel voor de bewoners maar ook voor het vee. Dat liep gezamenlijk op de schrale buitengebieden langs de Waddenzee en in de duinen. Het gebied tussen de bouwgrond en de buitenweiden werd als hooiland gebruikt. Het vee mocht daar alleen in het najaar en de winter grazen (wanneer er niet geoogst werd). De buitengebieden waren dan onbruikbaar door voortdurende overstromingen. Om de gewassen te beschermen tegen het loslopende vee, waren de akkertjes omgeven door veekerende dijkjes van zand en plaggen. Ook de dorpjes waren op die manier afgesloten voor het vee. De woonstee van die vroege bewoners moet er ongeveer uit hebben gezien als een Hallehuis (vroegste boerderij in het noorden van Nederland door terpafgravingen in kaart gebracht). `n Hallehuis bestond uit een langwerpige ruimte met aan de ene kant aan beide zijden stallen en in het andere deel een vuurplaats, opslagruimte voor de oogst en woonruimte voor de familie.

Amelander milieuzaken
Amelander milieuzaken De Vleet behandelt de watervoorziening, aardgaswinning, verkeer en vervoer en het afvalbeheer op Ameland.

Amerikaanse boormossel
Amerikaanse boormossel De Amerikaanse boormossel is een langgerekte, witte, tot 7 centimeter lange schelp. Deze soort werd aan het eind van de 19de eeuw in het zuidoosten van de Noordzee geïntroduceerd. De soort boort zich in stukken hout en veen met de getande ribbels. Ook de andere boormosselsoorten hebben deze leefwijze, al zijn de soorten niet verwant. De Amerikaanse boormossel verdringt de inheemse witte- en ruwe boormossel niet. Maar in Nederland komen deze beide soorten nog algemeen voor. In Duitsland staat de Amerikaanse boormossel zelfs op de Rode lijst van bedreigde dieren. Namen: Ned: Amerikaanse boormossel Lat: Petricola pholadiformis Eng: American piddock Dui: Amerikanische Bohrmuschel Dan: Amerikansk boremusling

Amerikaanse vogelkers
Amerikaanse vogelkers De Amerikaanse vogelkers is als sierboom uit Amerika ingevoerd. Daar kan hij 30 meter hoog worden. Begin vorige eeuw is in Nederland op grote schaal een struikvariëteit aangeplant als vulhout in productiebos. Hij ontwikkelde zich zeer voorspoedig ten koste van onze eigen bosplanten. Dit veroorzaakte zo`n plaag, dat bosbouwers hem de bijnaam `bospest` gaven. Het bestrijden van de bospest blijkt onbegonnen werk. Als er restanten in de grond achterblijven, groeien die weer uit. Namen: Ned: Amerikaanse vogelkers Lat: Prunus serotina Eng: Wild Cherry Dui: Späte, Virginische Traubenkirsche

Amfibieën en reptielen
Amfibieën en reptielen De kleine watersalamander komt algemeen voor in natte duingebieden. De rugstreeppad is de duin-amfibie bij uitstek. Zeldzamer soorten zijn de heikikker en de zandhagedis. De groene kikker en de bruine kikker komen nog algemeen voor, hoewel ze in het kustgebied zeldzamer geworden zijn. Meerdere soorten uit het kustgebied staan op de Rode Lijst van amfibieën en reptielen.

Amfipoden
Amfipoden Voor de diergroep amfipoden bestaat geen goede Nederlandse naam. Het is een groep van garnaalachtige diertjes, met als bekendste vertegenwoordiger de strandvlo. Op de bodem van de volle zee spelen een aantal amfipoden, die geen Nederlandse naam hebben een rol, waaronder Bathyporeia elegans. Daarnaast behandelt de Vleet de kwalvlo (of beter: kwalgarnaal), de aasgarnaal, de slijkgarnaal, de vlokreeftjes, het kreeftje Jassa en het wandelend geraamte. Ook de walvisluis (zie de foto hieronder) is een amfipode. Amfipoden zijn de meest voorkomende kreeftachtigen in de Noordzee. De vrouwtjes dragen, afhankelijk van de soort, hun eieren 2 tot 60 dagen met zich mee.

Amrum
Amrum Amrum ligt ten zuiden van Sylt, direct aan de Noordzee. Het eiland is in het westen, noorden en zuiden door bevaarbare geulen omgeven. Naar het oosten strekt zich een waddengebied uit tot aan Föhr. Amrum heeft een oppervlakte van ongeveer 20 vierkante kilometer (samen met het `Kniepsand` is het eiland ongeveer 29 vierkante kilometer groot) en de duinengordel langs de westkant is 15 kilometer lang. Er wonen op het eiland zo`n 2000 mensen in 5 dorpen. Amrum hoort bij Sleeswijk-Holstein. Het eiland is erg in trek bij de toeristen. OntstaansgeschiedenisFöhr, Amrum en Sylt hebben een andere ontwikkelingsgeschiedenis dan de andere Noordfriese eilanden. Ze bestaan uit de restanten van de ijstijd in het saalien. De afzettingen op Amrum die gevormd zijn in de ijstijden bestaan vooral uit smeltwaterzanden. Hier en daar valt ook keileem aan te treffen. VervoerVanuit Dagebüll vertrekt een veerboot naar Wyk op Föhr en Wittdün, de reis duurt 90 min. Ook vanuit Schlüttsiel is het mogelijk met een veerboot, via de Halligen, Amrum in 2,5 uur te bereiken. Bezoekers van het eiland kunnen hun auto meebrengen, maar gebruik van het openbaar vervoer op Amrum wordt op prijs gesteld, omdat er al grote problemen met de auto`s op het eiland bestaan.Amrum is ook lopend te bereiken. Er bestaat een 6 kilometer lange wadlooptocht van Föhr naar Amrum, die echter alleen onder deskundige begeleiding gelopen mag worden.

Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk)
Amsteldiepdijk (Korte Afsluitdijk) Amsteldiepdijk gezien vanaf Ewijcksluis, Wieringen is op de achtergrond zichtbaar. Het Amstelmeer wordt aan de noordkant begrensd door de Amsteldiepdijk. Deze dijk (op Wieringen ook wel aangeduid als de Korte Afsluitdijk) werd gesloten op 31 juli 1924, hetgeen het einde van het eiland Wieringen betekende. Problemen bij de aanleg (verzakking door veenlagen in de ondergrond) deden een nieuw moerasnatuurgebiedje aan de binnenzijde van de dijk ontstaan (`De Verzakking`). Bij de Zuiderzeewerken hoorde ook de aanleg van de N99 (ondanks asfaltering op Wieringen nog steeds de Betonweg genoemd), de rijksweg die het oude eiland in tweeën splitste en een onophoudelijke bron van lawaai en verkeersslachtoffers vormt.

Andinet
Andinet Op 21 december 2003 verloor het Ethiopische vrachtschip Andinet in zwaar weer ten noordwesten van Texel een deel van de deklading. De containers bevatten vaten met het zwaar giftige Wolmanzout, een mengsel van arseen-, chroom- en koperverbindingen dat wordt gebruikt om naaldhout tegen houtrot te beschermen. Drie containers gingen als geheel overboord, een vierde container brak aan dek open zodat 63 losse gifvaten in zee rolden. Aanvankelijk was de overheid bang dat de containers en vaten op Texel of Vlieland aan land zouden spoelen. Als daarbij een ongeluk zou gebeuren en de kankerverwekkende arseenverbindingen vrij zouden komen was er sprake geweest van een acute giframp. De Kustwacht speurde het zeegebied af maar kon geen drijvende containers ontdekken. Toen eenmaal duidelijk was dat ze gezonken waren staakte men de zoektocht omdat het acute gevaar geweken was. Pas enkele weken na het ongeluk bleek dat de Andinet ook nog ongeveer vijftig lege gifvaten aan boord had staan en kwam aan het licht dat deze vaten al op 21 december waren stukgeslagen waardoor het gif in zee stroomde. Naar aanleiding van het ongeluk met de Andinet brachten milieu- en visserijorganisaties onder de aandacht dat de maatregelen rond het vervoer van milieugevaarlijke stoffen aangescherpt moeten worden. Containers met gevaarlijke lading moeten worden voorzien van een zendertje zodat ze snel zijn op te sporen. Het sjorwerk moet aan de strengste eisen voldoen. Ook kan men denken aan de verplichting om containers met gevaarlijke lading altijd benedendeks te zetten.

Anjerfamilie
Anjerfamilie De koekoeksbloemen, zeepostelein, zilte schijnspurrie, krielparnassia (of sierlijk vetmuur), kegelsilene, oorsilene, zeevetmuur en grondster zijn planten uit de anjerfamilie die een belangrijke rol spelen in het kustmilieu.

Ankerzegen-visserij en fly shooting
Ankerzegen-visserij en fly shooting De ankerzegen is een vistuig dat bestaat uit een kuilvormig net en twee lange, zware lijnen. Het wordt gebruikt om platvis te vangen, en is vooral in zwang bij de Deense kustvissers. Deze noemen deze techniek `snurrevaad`. Onder de Nederlandse vissers spreekt men wel van `snorders`. Het principe bestaat eruit dat de visser eerst een anker uitzet waar één van de lijnen aan is bevestigd. Dan vaart de boot een rondje en brengt tegelijk het net en de andere lijn uit. Teruggekomen bij het anker haalt de snorder de lijnen in. De platvis wordt dan door de over de zeebodem rollende lijnen in het kuilnet gedreven. De snurrevaadmethode is een typische vorm van kustvisserij. Recent is deze techniek verder ontwikkeld voor diepere wateren. Deze aanpassing staat bekend als `Icelandic seining` of `fly shooting`. De lijnen kunnen bij deze methode in totaal 8 kilometer lang zijn. Er waren in 1998 vijf Nederlandse visserijbedrijven die deze methode toepassen. De moderne ankerzegenvisserij wordt wel genoemd als één van de betere alternatieven voor het gebruik van de boomkor met zware wekkerkettingen. De invloed van het ankerzegen-tuig op de zeebodem is namelijk veel minder groot dan die van de wekkerkettingen. Daarnaast kost deze techniek betrekkelijk weinig energie omdat men geen zware vistuigen door de bodem hoeft te slepen. De ervaringen van de vissers die werken volgens deze methode bevestigen dit alleen maar. Als bijkomende voordelen noemen deze vissers dat het bedrijfsresultaat bij deze methode hoger is dan in de boomkorvisserij met wekkerkettingen, en de kwaliteit van de gevangen vis hoger is.

Anorganische verbindingen
Anorganische verbindingen Behandeld zijn silicium en zwavel.

Ansjovis
Ansjovis De ansjovis kwam voorheen massaal voor in de Zuiderzee en de westelijke Waddenzee. De grote scholen werden steevast vergezeld door grote aantallen bruinvissen. Met het dichten van de Afsluitdijk verloor de soort belangrijke paaigronden. Sinds ongeveer 1960 zijn de ansjovissen ook vrijwel geheel verdwenen uit de Waddenzee. In 1993 werd vastgesteld dat de ansjovis weer paaide in de Waddenzee, maar dit was geen voorbode van een echte terugkeer. Ansjovis wordt maximaal 20 centimeter lang. De rug is blauwgroen, de flanken zijn grijs met een zilverkleurige streep. Ansjovissen eten dierlijk plankton en algen. Ansjovis is wereldwijd de meest gevangen vis. In 1990 werd er wereldwijd 3,7 miljoen ton ansjovis gevangen, in 1992 5,5 miljoen ton en in 1994 11,9 miljoen ton. Deze vangsten bestaan voor een groot deel uit Peruaanse ansjovis. In de Middellandse Zee worden ansjovissen gevangen door ze te lokken met behulp van lampen. De vroegere visserij op ansjovis in de Wadden- en Zuiderzee In de Zuiderzee werd in de 19de eeuw zoveel ansjovis gevangen dat de vissers uit Stavoren er een speciaal soort boot voor ontwikkelden: de Staverse Jol. Behalve in de Zuiderzee werd ook in de westelijke Waddenzee gevist op ansjovis. Omdat de visserij na de afsluiting van de Zuiderzee evenveel ansjovis bleef vangen, kan geconcludeerd worden dat ansjovis ook in de westelijke Waddenzee heeft gepaaid. Deze visserij verdween in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. De vangsten liepen terug en door het massaal voorkomen van zeesla werden de netten beschadigd.

Buizerd
Buizerd De buizerd broedt en overwintert in Nederland en Vlaanderen. Er broeden meer dan 4000 paren. Buizerds broeden nog niet zo lang in het waddengebied omdat de bomen tot voor kort te jong waren. Op Texel broedt de buizerd bijvoorbeeld pas sinds 1994. Voor die tijd waren ze alleen in de trektijd en in de winter hier te vinden. Het gaat zo goed met de buizerds op het eiland dat ze ook broeden in oudere bosjes in het cultuurland, zoals eendenkooien. De baltsroep (een miauwend geluid) is vanaf februari overal te horen. Namen: Ned: Buizerd Eng: Common Buzzard Dui: Bussard (Mäusebussard) Lat: Buteo buteo Fr: Buse variable

Bulkcarriers
Bulkcarriers Bulkcarriers zijn zeeschepen die vaste stoffen in grote hoeveelheden als losse lading (`bulk`) vervoeren. Het gaat daarbij voornamelijk om erts, graan, veevoer, steenkool en bruinkool en om plastics in ruwe vorm (`pellets`). Op de foto zijn de negen grote luiken te zien die elk een ruim over de volle breedte van het schip afsluiten.

Bultrug
Bultrug De bultrug komt voor van pool tot pool in alle oceanen. Het is een baleinwalvis, die zich voedt met krill en kleine vissoorten. Hij kan tot 18 meter lang worden en een gewicht bereiken van 30 tot 40 ton. Bij geboorte is hij vier tot vijf meter lang. De vorm van het dier is zeer karakteristiek, met lange voorvinnen, een pokdalige kop en een voor elk individu kenmerkend zwart-wit vlekkenpatroon op de staart, voorvinnen en buik. In Nederland is de stranding van een bultrug bijzonder. Op dinsdagmiddag 22 juni 2004 strandde op de Vliehors aan het Noordzeestrand van Vlieland een bultrug. Om de kop van de walvis zat een nylontouw gewikkeld, dat diep in het lichaam had gesneden. Mogelijk is dat de doodsoorzaak geweest. Het ging om een jong mannetje van circa 8 meter lengte. Het skelet van de bultrug is vervolgens geprepareerd door Naturalis en is vanaf maart 2005 in Ecomare tentoongesteld.De berging van de bultrug op de Vliehors had nog enige voeten in aarde. Het dier was binnen een paar uur na de ontdekking onder het zand begraven, omdat de burgemeester van Vlieland niet wist dat het om een zeldzame walvis ging. Nadat specialisten de foto`s hadden gezien, werd geconstateerd dat het een bultrug betrof. De burgemeester gaf Ecomare toestemming om het kadaver te bergen. De volgende dag stuurde Ecomare een snijploeg onder leiding van preparateur Chris Walen naar Vlieland. De walvis werd opgegraven en daarna uitgebeend. De Vlielanders waren teleurgsteld over de gang van zaken omdat het zeldzame skelet niet voor het eiland behouden bleef.

Buntgras
Buntgras Buntgras is een pioniersplant van stuivend zand. Hij kan tegen vrijwel kalkloze, zure bodems. Je ziet hem niet alleen in de duinen, maar ook op zandverstuivingen in het binnenland. Hij heeft een voorkeur voor open vlakten. Hij is goed bestand tegen extreme omstandigheden zoals grote hitte, droogte en voedselarme situaties. In de duinen zie je buntgras vaak op zuidhellingen, waar de temperatuur kan oplopen tot 60 graden. Namen: Ned: Buntgras Lat: Corynephorus canescens Eng: Grey hair-grass Fra: Corynephore Dui: Silbergras



Butjadingen
Butjadingen Het schiereiland Butjadingen, dat bij Nedersaksen hoort, is gelegen tussen de Jade en de monding van de Weser. Ten noorden van Butjadingen ligt het Hohe-Weg-Wad, in het zuiden Stadland. Butjadingen is nu en dan een eiland geweest in perioden dat er `onderlangs` een verbinding tussen de Weser en de Jade was. Deze doorbraken werd later weer gedicht. Bij het schiereiland horen verschillende natuurgebieden. OntstaansgeschiedenisDe ontwikkeling van de noordoostkust van Butjadingen werd bepaald door de verplaatsing van de Weser-stroom in de richting van de kust van dit schiereiland. De stromingsomstandigheden langs de kuststrook tussen Langwarden en Blexen leidden steeds weer tot kustafslag. De dijken moesten meerdere malen landinwaarts verplaatst worden. Alleen tussen 1550 en 1690 gingen meerdere dorpen en ruim 1200 hectare land verloren. Het duurde tot het begin van de negentiende eeuw voor de erosie onder controle gebracht kon worden. Tegenwoordig worden de dijken nog altijd verbeterd en verhoogd.Het uiterlijk van de westkust van Butjadingen werd bepaald door de kusterosie van de Jade en de uitbreiding van de Jadebusen tijdens de grote Middeleeuwse stormvloeden. De stormvloeden veroorzaakten ook doorbraken in het vasteland tussen de Jade en de Weser, zoals het Lockfleth. Vanwege de bijzondere stromingsomstandigheden liggen voor de dijken aan de westkust van Butjadingen geen kwelders. Butjadingen is nu en dan een eiland geweest als er een verbinding tussen de Weser en de Jade tot stand kwam.

Butskop
Butskop Butskoppen zijn tandwalvissen zonder tanden: ze leven van plankton en kleinere zeedieren, vooral veel inktvissen. Behalve het ontbreken van tanden bezitten ze verder alle kenmerken van dolfijnen, tandwalvissen dus. De `bult` op de kop bevat spermaceti, net als bij potvissen. De butskop komt voor in de noordelijke Atlantische Oceaan. In de winter trekt hij naar het zuiden. Nu en dan strandt er een op de Nederlandse kust. Strandingen van butskoppen op de Nederlandse kustdatumplaats en bijzonderhedenaugustus 1584Zierikzee, mannetje15 augustus 1757Zaamslag, mannetjemei 1831Warffum16 september 1840Burghsluis, vrouwtje24 juli 1846Zandvoort, vrouwtjeVóór 1846Tzummei 1861Harderwijk15 november 1884Oudeschild, vrouwtje16 november 1927Eierlandse Gat, mannetje16 november 1931Waarde, mannetje29 augustus 1935Egmond, mannetje16 november 1942Oudeschild5 oktober 1946Hallum, mannetje17 januari 1954Schiermonnikoog, vrouwtje24 augustus 1956Oudeschild, Texel, vrouwtje26 augustus 1956Hollum, Ameland, mannetje19 augustus 1958Vlissingen, mannetje10 september 1984Breskens, mannetje25 augustus 1993Hargen aan Zee, levend vrouwtje10 november 1993Rottumeroog, vrouwtje Bron: Archief Naturalis, Chris Smeenk Verspreiding van butskoppen Namen: Ned: Butskop (hille) Lat: Hyperoodon ampullatus Eng: Northern bottlenosed whale Dui: der Nördlicher Entenwal (Faßkopf) Fra: hyperoodon boréal Dan: Nordlig døgling Nor: Nebbhval

Buurderduinen
Buurderduinen De Buurderduinen is een matig heuvelachtig duingebied met in het westen een aantal vochtige valleitjes en in het oosten een grote dichtbegroeide vallei. De vegetatie is vergelijkbaar met de Nesserduinen: afwisselend duingrasland met duinheide, in de valleien vochtige duinheide, kruipwilgstruweel en vochtig grasland. Het westelijk deel van de Buurderduinen staat onder invloed van de recreatie en de waterwinning. De zeeduinen zijn hier versterkt door middel van zandsuppletie.In de flora van de Buurderduinen is o.a. kleine ruit, geelhartje, kandelaartje en ronde wintergroen te vinden.Het totaal waargenomen broedvogelsoorten in dit gebied is 29. Hieronder valt de bruine kiekendief.

Buurdergrie
Buurdergrie De Buurdergrie was een stuk buitendijks gelegen land ten oosten van Buren. De grie bestond uit onontgonnen kleigrond en diende als weide voor het vee. De leden van de vereniging `De Boerenstand` in Buren hadden van oudsher het recht al hun vee in de grie te laten weiden.

DDT
DDT DDT is ontwikkeld als een chloorhoudend organisch insektenbestrijdingsmiddel. De afkorting staat voor dichloordifenyltrichloorethaan. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het op grote schaal gebruikt tegen muggen- en luizenplagen. Aanvankelijk dacht men dat er weinig risico`s aan dit gebruik verbonden waren, maar rond 1950 ontdekte men veel vergiftigingsverschijnselen bij vissen, vogels en andere dieren. Vanaf de jaren zeventig is het gebruik van DDT verboden in de westerse wereld, maar elders wordt het nog steeds gebruikt. Met name voor de grootschalige bestrijding van malariamuggen zijn nog geen goede alternatieven. DDT is een zeer moeilijk afbreekbare stof die zich via het (zee)water over de hele wereld verspreid heeft. Zelfs in het ijs van Antarctica wordt DDT aangetroffen. Van het bestrijdingsmiddel DDT (en zijn afbraakproducten DDD en DDE) is bekend dat het de hormoonbalans verstoort. Verder belemmeren deze stoffen de opname van calcium dat onder andere nodig is voor de aanmaak van eierschalen, tanden en botten. Het effect van DDT is dat de eierschalen dunner worden en sneller breken. Zo zakten in Florida broedende pelikanen door hun eieren als gevolg van DDT-vervuiling. Hoge doses DDT tasten het zenuwstelsel van mens en dier aan. Van het afbraakproduct DDE is bekend dat het kan leiden tot het ontregelen van borstvoeding en dat het de kans op vroeggeboorten vergroot.

Dwergmuis
Dwergmuis De dwergmuis leeft in hoog gras, ruigten, dijkbegroeiing, kreupelhout, graan- en rietvelden. Ze kunnen zeer goed klimmen, de grond wordt zoveel mogelijk vermeden. Nesten worden gemaakt door levende grassprieten te splijten en in elkaar te wriemelen tot een soort balletje, dat na verwerking nog lang groen blijft (schutkleur). Dwergmuizen zijn vooral `s nachts actief. Ze eten zaden, bessen, fruit en grasloten, maar ook paddestoelen, mos, plantenwortels en insecten. De dwergmuis heeft een lichaamslengte van 5-8 centimeter, een staartlengte van 4,5-7,5 centimeter en een gewicht van 4 tot 12 gram. De dwergmuisis het kleinste knaagdier van Europa. De vacht is tweekleurig: aan de bovenkant licht- tot geelbruin, naar achter toe oranjebruin en aan de buikzijde (vuil)wit. Met hun staart kunnen dwergmuizen zich vastgrijpen aan takjes en dergelijke. Namen: Ned: Dwergmuis Eng: Harvest mouse (dwarf mouse) Fra: le rat des moissons Dui: Zwergmaus Lat: Micromys minutus

Dwergspitsmuis
Dwergspitsmuis De dwergspitsmuis is het kleinste zoogdier van West-Europa. Op de waddeneilanden Terschelling, Ameland, Borkum, Norderney en Wangerooge komt deze soort voor, op de andere eilanden ontbreekt hij. Op het vasteland kunnen ze plaatselijk in vrij grote aantallen voorkomen. Ze eten insecten, spinnen, insectenlarven en soms aas. Hiervan moeten ze tot twee maal hun eigen lichaamsgewicht per dag eten, vanwege hun extreem hoge stofwisseling. Namen: Ned: dwergspitsmuis Eng: pygmy shrew, lesser shrew Fra: musaraigne pygmée Dui: Zwergspitzmaus Lat: Sorex minutus

Dwergstern
Dwergstern De dwergstern is de kleinste Europese stern. De dwergstern broedt in kleine kolonies op kale strandjes en zandplaten, in de buurt van open visrijk water. Hij eet vooral kleine vis, zoals zandspiering en sprot. In Nederland broeden zo`n 450 paren, waarvan een groot deel op Vlieland. Dwergsterns broeden het liefst op plaatsen waar andere vogels het niet meer aandurven. Op deze manier hebben ze geen last van concurrenten. Door de risicovolle plaatsen van de kolonies komt het voor dat de nesten van een kolonie wegspoelen bij hoog water of dat de kuikens verkleumen door gebrek aan beschutting. Omdat de vogels in kleine kolonies broeden, spreiden ze de risico`s toch nog zoveel mogelijk. Namen: Ned: Dwergstern Eng: Little tern (least tern) Fra: Sterne naine Dui: Zwergseeschwalbe Dan: Dværgterne Nor: Dvergterne Fries: Lytse stirns Ital: Fraticello Lat: Sterna albifrons

Dwergvinvis
Dwergvinvis De dwergvinvis is de kleinste baleinwalvis. De soort komt overal ter wereld voor, behalve in de tropen. In de noordelijke Noordzee leeft een vaste populatie. Soms trekken ze verder naar het zuiden, op jacht naar Noordzeeharing. In tegenstelling tot andere baleinwalvissen eet de dwergvinvis vooral vis. Vooral in Noorwegen gaan veel stemmen op om weer op dwergvinvissen te gaan jagen. Japan heeft zichzelf eind 2005 een vergunning gegeven om 935 dwergvinvissen te vangen. Dwergvinvissen worden 7 tot 10 meter lang. Ze wegen tot 10.000 kilo. Dwergvinvissen leven in groepen van vijf tot tien dieren. Op het noordelijk halfrond zijn ze meer dan 50 jaar bejaagd, voornamelijk vanuit kuststations. Vooral na de achteruitgang van de blauwe, gewone en noordse vinvissen, kwam de dwergvinvis onder zware jachtdruk te staan. Het aantal exemplaren van de dwergvinvis in de Noordzee ligt niet hoog, hoewel ze de laatste jaren weer in behoorlijke aantallen voorkomen in het noorden van de Noordzee, net buiten de Nederlandse wateren. Aan de Nederlandse kust strandden sinds 1306 net iets meer dan twintig dwergvinvissen, waarvan 15 in de afgelopen eeuw. Onderzoekers die in de zomer van 1994 deelnamen aan een eerste grootschalige onderzoek naar walvisachtigen in de Noordzee, kwamen uit op een schatting van ongeveer 9300 dwergvinvissen, waarvan de meeste aan de Engelse en Schotse oostkust rondzwommen. De jacht op dwergvinvissen Noorwegen jaagt sinds de zomer van 1994 opnieuw volop op dwergvinvissen.

Edelhert
Edelhert Edelherten behoren tot de oorspronkelijke fauna van het kustgebied, zoals die rond het begin van de jaartelling in Nederland leefde. De jagende mens heeft de wilde kuddes uitgeroeid. Sinds kort worden edelherten ook ingezet bij het beheer van natuurgebieden. Edelherten grazen in open graslanden, maar ook in struweelrijke ruigten en aan de rand van moerassige gebieden. Ze eten grassen, bladeren van bomen en twijgjes. Het edelhert is een goede aanvulling op paarden en runderen in het begrazingsbeheer van natuurgebieden. Namen: Ned: Edelhert Lat: Cervus elaphus Eng: red deer Dui: Rothirsch (Edelhirsch, Rotwild)

Eekhoorn
Eekhoorn Namen: Ned: eekhoorn (gewone eekhoorn, rode eekhoorn) Eng: red squirrel Fra: écureuil Dui: Eichhörnchen Lat: Sciurus vulgaris

Eemshaven
Eemshaven Begin jaren zeventig van de vorige eeuw heeft men op het Noord-Groninger wad een industriehaven van 600 hectare opgespoten. In 1999 was het gebied nog voor het grootste gedeelte leeg. Er staan een elektriciteitscentrale, een suikerfabriek en een windmolenpark. De haven wacht op schepen, en het industrieterrein wacht op de vestiging van grootschalige scheepsbouw. Een nieuw project in de Eemshaven is Ecodock, een werf waar schepen op milieuvriendelijke wijze gesloopt zullen worden. In 2011 wil de NUON hier een tweede electriciteitscentrale, van 1200 megawatt en gebaseerd op kolenvergassing, in gebruik nemen. De reden voor de aanleg van de Eemshaven was de ontlasting die men al in de jaren zestig van de vorige eeuw nodig achtte voor de steeds voller wordende Randstad. Bovendien kwamen er in het noorden van Nederland veel agrarische arbeiders op straat te staan als gevolg van de mechanisatie van de landbouw. Een grootschalige industriële ontwikkeling aan de oever van de Eems zou wel eens een oplossing voor beide problemen kunnen bieden. Men moest er wel een populair recreatiestrand en waardevolle wadplaten voor opofferen. Als haven is de Eemshaven tot nu toe niet goed tot ontwikkeling gekomen. In 1998 loste er gemiddeld slechts één schip per week zijn lading. Wat wel redelijk goed draait is de veerdienst naar het Duitse waddeneiland Borkum. De vestiging van industrietakken in het havengebied is vooral een verhaal van mislukkingen. Plannen voor vestigingen van de chemieconcerns DSM en Monte Edison, de overslag van vloeibaar aardgas, opslag van petroleum, een kerncentrale en een kolenvergasser zijn nooit doorgegaan.

Een gunstige ligging
Een gunstige ligging Vlieland lag in de late Middeleeuwen en de 16e en 17e eeuw aan de `poort` van de belangrijkste zeevaartroutes voor de Nederlanden. Het belangrijkst was de Hanze-handel op de Oostzee-landen, later kwamen daar de koloniale routes naar Azië en Amerika bij. De steden langs de IJssel en enkele Friese steden waren lid van de Hanze. Deze bond uit de late Middeleeuwen omvatte verder vele Noordduitse steden, havens in Polen en verder oostwaarts. In die tijd moest de stad Kampen zorgen voor de betonning en bebakening van het `Oude Vaarwater`: de route door de Zuiderzee tot en met de laatste boei - de Uiterton - voorbij Vlieland. De handel op de Oostzee is eeuwenlang de bron van de Hollandse welvaart gebleven en werd daarom `de moedernegocie` genoemd, ook toen later de koloniale handel opbloeide.Het Vlie bleek een geschikte aanloop om in alle richtingen uit te zeilen. In de 16e eeuw nam de handel met het Oostzeegebied verder toe. In de Lage Landen was grote behoefte aan graan en hout. De Commissaris op het Vlije - een functionaris die toezicht hield op het scheepvaartverkeer - zat op een gunstige plek. Dat beseften ook de admiraliteiten van het Noorderkwartier (Hoorn/Enkhuizen) en Amsterdam, toen ze in 1596 diens kantoor op Vlieland overnamen en herdoopten tot Gemeene Landhuys.De expedities in 1644 en `45 (het `forceren` van de Sonttol om de handelsbelangen veilig te stellen) vertrokken van de Vlierede. Dat gold ook voor de tocht naar de Deense wateren tijdens de Noordse Oorlog (1655 - 1660) als bondgenoot van Denemarken tegen Zweden.

Een wierdedorp
Een wierdedorp Een wierdedorp (terpdorp) werd praktisch ingedeeld. Op het hoogste punt kwam een zoetwatervijver te liggen, een zogenaamde dobbe. Rondom de dobbe stonden de boerderijen in een kring. De wierde was in het midden het hoogst en liep naar de randen af. De boerderijen stonden dan ook altijd enigszins onder een helling. In het hoogste deel van de boerderij woonde men, de stallen voor het vee lagen dus lager. Doordat men de koeien niet over de wierde liet lopen maar eromheen als men de kwelder op ging, ontstond op den duur automatisch een soort rondweg. Ze noemden dit de `ossengang`. In sommige dorpen liggen ze nog steeds.

Eendagsvliegen (haften)
Eendagsvliegen (haften) Er bestaan in Nederland wel 59 soorten eendagsvliegen. Als larve (nymf) leeft de eendagsvlieg onder water. In het voorjaar kruipen ze uit het water en vormen ze grote zwermen van miljoenen individuen. Omdat eendagsvliegen vaak slechts enkele uren tot maximaal 20 dagen leven hebben ze geen mond en geen spijsverteringskanaal. Het enige waar de volwassen eendagsvlieg zich druk over maakt is de voortplanting. Namen: Ned: Eendagsvliegen (haften) Lat: Ephemeroptera Eng: Mayflies Dui: Eintagsfliegen

Eenden
Eenden Soorten: slobeendwintertalingbergeendwilde eendsmientkuifeendeidereendzwarte zee-eendbrilduiker

Eendenbloedzuiger
Eendenbloedzuiger De eendenbloedzuiger is vrij groot en groen, komt algemeen voor, en is een probleem voor watervogels: hij vestigt zich in neusholtes, mondholtes en ademhalingwegen van watervogels en kan dan veel narigheid veroorzaken, zoals verstikking en overbrenging van ziektes. Bij jonge kuikens kunnen ze de dood veroorzaken. Namen: Ned: Eendenbloedzuiger Lat: Theromyzon tessulatum Eng: Duck leech Dui: Entenegel Dan: Andeigle

Eendenkooi Nieuw Onrust
Eendenkooi Nieuw Onrust Het kooikersvak, nu vrijwel uitgestorven, wordt nog op twee plaatsen in Groningen beoefend: in de kooi van Nieuw Onrust en even verderop in een particuliere kooi. Mits optimaal onderhouden, is een eendenkooi een verzamelplaats van diverse kleinschalige natuurwaarden, omdat aan zeer veel landschappelijke elementen aandacht moet worden besteed. Er moet water zijn. Er moeten hoge bomen zijn. Er moet hakhout groeien. Er moet zeer dicht struikgewas zijn. Hier en daar moeten open, lichte plekken voorkomen. Als dit allemaal wordt bijgehouden, en dat doet men terdege op deze kooiplaats, dan is zo`n terreintje een ware toevluchtsoord voor (zeldzame) dieren en planten.

Eendenkooien op Terschelling
Eendenkooien op Terschelling Eendenkooien vormen markante punten in het landschap. In een ver verleden door mensenhand aangelegd, en steeds in stand gehouden. Nu zou er vast geen toestemming komen ze aan te leggen: té karakter bepalend voor de polder. Maar gelukkig liggen ze er al vele eeuwen, en mogen dus helemaal niet meer weg, omdat ze zo karakter bepalend zijn. Voor wie nog nooit een eendenkooi heeft gezien zijn ze makkelijk herkenbaar aan de opduikende boomgroepen (de kooibossen) in een meestal open landschap. Zeven zijn er nog op Terschelling. Drie in de open polder: de Landerumerkooi, de Formerumerkooi en de Hoornerkooi. Vier liggen er `buitendijks`, op de Grië. De Grië zou je kunnen omschrijven als het eens maar nu niet meer omdijkte stuk van de polder achter de dwarsdijk van Oosterend. Achtereenvolgens zijn het de Takkenkooi, de JanWillemskooi, de Horrekooi en de Rimkeskooi.

Eendenmossel
Eendenmossel Een enkele keer zit er aan een aangespoelde balk of fles een tros eendenmossels: blauw-witte huisjes van een centimeter of 5, die aan een zwart slurfje hangen. Ze steken regelmatig een `schepnetje` naar buiten om voedsel uit het water te vissen. Eendenmossels hebben een misleidende naam: ze horen, net als de echte zeepokken, bij de krabben en kreeften. Eendenmossels horen thuis in zuidelijker zeeën; hier gevonden trossen zijn met de stroming deze kant op gekomen. Tot in de 17e eeuw dacht men dat eendenmossels aan bomen groeiden, en zelf dat ze de larven waren van rotganzen. Eendenmossels, en wel bijzonder de stelen (die niet op de foto te zien zijn) worden wel gegeten in Zuidwest-Europa. Namen: Ned: Eendenmossel Lat: Lepas anatifera Eng: Goose barnacle Dui: Gemeine Entenmuschel Dan: Langhalse

Egel
Egel Behalve op Texel en Langeoog kwam de egel lange tijd niet voor op de waddeneilanden, maar gaandeweg zijn egels vrijwel op alle eilanden uitgezet. Egels leven in gebieden met voldoende ondergroei en een niet te drassige bodem, waar ze in het donker jagen op kevers, rupsen, slakken, regenwormen, kleine zoogdieren en amfibieën. Ook eten ze wel eieren, reptielen, vruchten en paddestoelen. Overdag slapen egels op beschutte plaatsen. Het zijn solitaire dieren, ontmoetingen met andere egels worden vermeden. Namen: Ned: Egel (westelijke egel) Eng: Hedgehog (West European hedgehog, Western hedgehog) Fra: Hérisson (le hérisson d` Europe de l` Ouest, le hérisson occidental) Dui: Westigel (der Braunbrustigel) Lat: Erinaceus europaeus

Ekenstein
Ekenstein Achter de tot hotel verbouwde borg Ekenstein ligt een oud parkbos met slingerpaadjes, destijds in Engelse stijl aangelegd. Dit bos dient als uitvalsbasis voor de vele reigers die in de waterrijke omgeving hun voedsel zoeken. Maar de omgeving biedt veel meer. Jong aangelegd bos, de ruïne van een steenfabriek, de borg Rusthoven en aan de overkant van de provinciale weg, een oude boomgaard op een perceel dat de oude verbinding vormt van de afgegraven wierde Bolhuis met de madelanden aan de andere kant van het Damsterdiep. Via deze boomgaard, de Bolhuislaan en de Zuiderweg is een wandeling naar een van de hoogste wierden van Groningen, die van Wirdum, aan te bevelen. Ten westen van de boomgaard liggen weilanden die in de winter gedeeltelijk blank staan: een eldorado voor watervogels.

Ekster
Ekster Eksters zijn alleseters met een voorkeur voor grote insecten. Op Texel zijn eksters overal te vinden. Ze maken al vroeg in het voorjaar hun nest in hoge bomen. Het nest is een ingenieuze takkenconstructie. Eksternesten zijn te herkennen aan het dak van takken, waardoor het geheel veel hoger wordt dan het nest van een kraai. Eksters zijn geen trekvogels. Omdat het alleseters zijn, kunnen ze ook in de winter hun kostje gemakkelijk opscharrelen bij agrarisch afval of andere rommelhoekjes. Ook bij voertafels komen ze graag. Ze hebben de reputatie veel eieren en jonge vogels te eten. Dat doen ze ook wel, maar het aantal zang- en weidevogels neemt er niet door af. De nachtelijke zwerftochten van onze huiskatten kosten waarschijnlijk heel wat meer jonge vogeltjes het leven! Namen: Ned: Ekster Eng: Magpie Fra: Pie bavarde Dui: Elster Ital: Gazza Lat: Pica pica

Elbe-Weser regio
Elbe-Weser regio De vastelandskust van de Elbe-Weser regio, die bij Nedersaksen hoort, wordt onderverdeeld in de Wurster kust en de gewesten Hadeln en Kehdingen. Het land tussen de beide riviermondingen was ooit een moerasgebied met kwelders die regelmatig werden overstroomd. De bewoners woonden op terpen, die hier `warften` werden genoemd. Nog steeds is op veel plekken te zien dat de dorpen op terpen zijn ontstaan. De vele slaperdijken (voormalige zeedijken) in het landschap herinneren aan de geleidelijke inpoldering van de kwelders.

Elfenwasplaat
Elfenwasplaat De elfenwasplaat komt vooral in de duinen van de waddeneilanden voor. Namen: Ned: Elfenwasplaat Lat: Hygrocybe ceracea Eng: Butter waxcap Dui: Zerbrechlicher Saftling

Erwtenkrabbetje
Erwtenkrabbetje Het erwtenkrabbetje leeft tussen de schelphelften van weekdieren. Het enige wat hij daar zoekt is bescherming; hij brengt zijn gastheer geen schade toe. De vrouwtjes zijn zo doorzichtig dat de gele en rode ingewanden goed zichtbaar zijn. Zij worden tot 13 millimeter lang. De mannetjes zijn geel-grijs met donkerder gekleurde, symmetrische tekening en worden hooguit 6 millimeter lang. Erwtenkrabbtjes komen vrij algemeen voor in de Noordzee en het deltagebied, maar niet in de Waddenzee. Erwtenkrabbetjes zitten graag in mosselen, maar ook in grote strandschelp, halfgeknotte strandschelp en andere soorten worden ze wel gevonden.

Eutrofiëring
Eutrofiëring Een ecosysteem is ingesteld op een bepaalde aan- en afvoer van bouwstoffen. Als de aanvoer van deze stoffen zo hoog wordt dat er duidelijk waarneembare veranderingen in het systeem optreden is er sprake van eutrofiëring. In het watermilieu neemt de hoeveelheid algen dan explosief toe. Waterplanten en wieren die op de bodem groeien verdwijnen omdat de algen het water troebel maken en het licht niet meer tot op de bodem doordringt. Als de algenmassa afsterft kan het water tijdelijk zuurstofloos worden. Veel dieren die in het water leven sterven dan. AlgenbloeiFytoplankton kan in het zeewater in enorme hoeveelheden voorkomen. Het vermenigvuldigt zich snel. De kleinste soorten kunnen zich al in aantal verdubbelen binnen 1 uur, de grootste binnen 1 dag. Onder gunstige omstandigheden - veel zonlicht in combinatie met een groot aanbod aan voedingsstoffen - kan het aantal planktonplantjes in het water zodanig toenemen dat het water erdoor verkleurt. Die kleur kan groen, rood of bruinig zijn, afhankelijk van de algensoort. Een dergelijke groei-explosie noemt men algenbloei. In de relatief ondiepe Noordzee komen natuurlijke algenbloeien regelmatig voor. Dat komt doordat de gemiddelde temperatuur van het zeewater gunstig is en het Noordzeewater zeer veel voedingsstoffen bevat. Van de zeker vijfhonderd fytoplanktonsoorten die in de Noordzee voorkomen vertonen zo`n vijftig explosieve groeiverschijnselen. De vermesting van het zeemilieu De verhoogde toevoer van meststoffen heeft geleid tot een toename van algen.

Folklore en gebruiken op Vlieland
Folklore en gebruiken op Vlieland Op een eiland kunnen gebruiken en tradities vaak langer in ere blijven dan in de minder geïsoleerde gemeenten op het vaste land. Op Vlieland zijn bijvoorbeeld de begrafenissen, het pierepauwen, het opkleden en de oudejaarsviering typerend. Tenslotte behandelt dit hoofdstuk ook het dier, waar de Vlielanders hun bijnaam aan te danken hebben: de geit.

Fonteinkruidfamilie
Fonteinkruidfamilie De fonteinkruidfamilie bestaat alleen uit waterplanten. De Vleet behandelt het zeegras en de spiraalruppia. In 2001 werd op Texel draad-fonteinkruid gevonden, een soort die niet alleen op het eiland, maar ook in heel Nederland nog niet eerder was gezien.

Fopzwam
Fopzwam Fopzwammen zijn in vochtige toestand licht rood, maar kunnen sterk verbleken als ze opdrogen. Aan deze metamorfose hebben ze hun naam te danken. Ze groeien vooral onder dennen, maar ook wel onder beuken. Ze zijn eetbaar.

Formerumer Bos
Formerumer Bos Voor de bebossing was het gebied van het tegenwoordige Formerumer Bos een vochtige duinvallei, onder andere begroeid met dophei. Het gebied is middels een diep sloten- en greppelstelsel flink ontwaterd. De valleien in het tegenwoordige bos zijn daardoor merendeels verdroogd. In 1919 is begonnen met de aanplant van een meer gemengd naaldhout/loofhout bos, waarbij uitgebreid gebruik werd gemaakt van de Terschellinger boomplantmethode. Naast de Oostenrijkse en Corsicaanse den verscheen er in eerste instantie veel zomereik.Daarnaast zijn in het Formerumer Bos aan boomsoorten onder andere aan te treffen: berk, beuk, witte abeel en op de duintoppen zeeden met zijn diepgegroefde schors, lange naalden en grote kegels.Op een vroeger proefveldje, voor het uitproberen van boomsoorten in verband met vochthuishouding en voedselarmoe van de bodem, komt de naaldboom de Amerikaanse hemlock voor en ook hulst.

Fosforverbindingen
Fosforverbindingen Fosfaat is een verbinding van fosfor met zuurstof. Fosforverbindingen zijn, net als stikstofverbindingen, voedingsstoffen. Fosfor is van levensbelang voor alle organismen omdat het een bouwstof is voor verschillende eiwitten en voor de skeletopbouw. Het zeemilieu bevat een natuurlijke concentratie aan fosfor. Daarnaast kwam er veel extra fosfor in het milieu vanuit ongezuiverde riolen en de veehouderij. Overmaat aan fosforverbindingen leidt tot eutrofiëring van het zeewater. In het waterbeleid streeft de Nederlandse overheid naar een natuurlijke achtergrondconcentratie van 0,02 milligram fosfor per liter zeewater. De grafiek laat zien dat de gehalten aan fosforverbindingen in de getijden- en kustwateren nog lang niet in de buurt van dit streven komen. De dalende trend tussen 1980 en 1995 is vooral toe te schrijven aan de verbetering van de rioolstelsels en de maatregelen in het kader van het mestprobleem. Na 1995 stabiliseren de gehaltes. Alleen in het kustwater bij Noordwijk en de westelijke Waddenzee is er nog sprake van een licht dalende trend. In de grafiek is te zien dat het fosforgehalte in het midden van de Noordzee rond de 0,02 milligram per liter bedraagt. In het waterbeleid van de Nederlandse overheid wordt dit als de natuurlijke concentratie beschouwd. Het is duidelijk dat het fosforgehalte in de kustwateren nog niet op deze natuurlijke waarde terug is. De dalende trend tussen 1980 en 1995 is vooral toe te schrijven aan de verbetering van de rioolstelsels en de maatregelen in het kader van het mestprobleem.

Fossiele hartschelpen
Fossiele hartschelpen Veel hartschelpen op het strand zijn fossiel: resten uit de eemtijd of jongere tijden. Toendertijd heerste er in het waddengebied een warmer klimaat. Er zijn veel verschillende soorten: tere hartschelpen, grote hartschelpen, geknobbelde hartschelpen of scheve kokkels. De meeste lijken op de huidige kokkels of gedoornde hartschelpen, maar zijn in de regel een stuk groter, dikker, ondoorschijnend en donkerbruin tot zwart verkleurd. De kalk van de schelp is meestal afgesleten. Namen: Ned: Hartschelpen (fossiel), (tere hartschelpen, grote hartschelpen, geknobbelde hartschelpen, scheve kokkels) Lat: Cardidae (Parvicardium exiguum, Acanthocardia tuberculata, A. aculeata) Eng: Little cockle (rough cockle, spiny cockle) Dui: Fossile Herzmuscheln Dan: Fossile hjertemusling

Fotosynthese
Fotosynthese Groene planten en, ook de anders gekleurde, zeewieren zijn in staat met behulp van zonlicht als energiebron koolzuurgas en water om te vormen tot suikers. Op basis van die suikers maken ze allerlei verbindingen waarmee ze zichzelf kunnen opbouwen. Bij dit proces, dat fotosynthese heet, komt zuurstof vrij, dat in het water en in de lucht terecht komt. In zee zorgt het fytoplankton zo voor de basis van al het leven, op het land wordt deze rol vervuld door planten.

Fuikenvisserij
Fuikenvisserij Een fuik is een langwerpig, taps toelopend, rondgebreid net met een wijde opening en meerdere `kelen`: versmallingen met daarin een netwerk dat het terugzwemmen van de vis belemmert. Een fuik met maar één keel wordt een korf genoemd. Fuiken worden in getijdenwateren vooral ingezet voor de vangst van paling. De fuiken worden dan opgesteld in de geulen en wel zo dat de vis die met de ebstroom mee zwemt er in terecht komt. Bovendien worden vaak staande netten opgesteld die de vis naar de opening van de fuik geleiden.

Futen
Futen Soorten:fuut geoorde fuut dodaars

Fuut
Fuut De fuut komt het hele jaar in Nederland voor. In de winter vormen deze vogels vaak grote groepen op meren, kanalen, grachten, vijvers en op zee. In de vroege herfst komen de futen die in het noorden hebben gebroed ook naar Nederland. In het vroege voorjaar verlaten deze futen onze streken weer om naar hun broedgebieden te gaan. Futen eten waterdieren. Om deze te vangen duiken ze onder en achtervolgen ze hun prooi. De verspreiding van futen in het Noordzeegebied Namen: Ned: Fuut Eng: Great Crested Grebe Fra: Grèbe huppé Dui: Haubentaucher Dan: Toppet Lappedykker Nor: Toppdykker Fries: Hjerringslynder Ital: Svasso maggiore Lat: Podiceps cristatus

Fytoplankton
Fytoplankton Plankton is de verzamelnaam voor alle vrij in het water zwevende organismen. Het fytoplankton is het plantaardige deel hiervan. In de Noordzee zitten in een liter zeewater tussen de 100 duizend en 100 miljoen planktonalgen. Al het andere leven in zee voedt zich - direct of indirect - met deze algen. Zij zijn in staat om organische stoffen te maken met behulp van zonlicht als energiebron. Fytoplankton groeit snel waardoor de massa per jaar een veelvoud kan toenemen. Zo ontstaat aan de basis van de voedselketen een grote hoeveelheid voedingsstoffen. Bij dit proces van fotosynthese komt zuurstof vrij dat in het water of in de lucht terecht komt. Het overige leven in zee kan zelf geen organische stoffen maken en is dus vrijwel volledig van het fytoplankton als voedselbron afhankelijk. De vrijkomende zuurstof is een belangrijke aanvulling van de voorraad zuurstof die voor dieren noodzakelijk is.

Gierzwaluw
Gierzwaluw Geen vogel kan zo goed vliegen als de gierzwaluw. Ze slapen zelfs vliegend. Op de broedplaats maken ze een hoog gierend geluid, vandaar de naam. In de vlucht vangen ze insecten. In een volkomen natuurlijke situatie nestelen ze op rotsen. Bij gebrek aan gebergtes stellen ze zich in ons land tevreden met gebouwen. Ze broeden vooral onder de dakpannen. Het is dus geen wonder dat de gierzwaluwen op Texel alleen in de dorpen met oude gebouwen nestelen: in Den Burg, Oudeschild en Oosterend. Gierzwaluwen zoeken hun voedsel tot vele tientallen kilometers van het nest. Boven de Horsmeertjes zijn in de zomer vaak groepjes jagende gierzwaluwen te zien. Het zijn vogels die in Den Helder broeden. Het Marsdiep oversteken is voor hen een peulenschil. Moderne gebouwen zijn doorgaans minder geschikt voor gierzwaluwen om op te nestelen. Daarom zijn nu bij Vogelbescherming speciale dakpannen en nestkasten voor gierzwaluwen te bestellen, om de soort een handje te helpen.De meeste tijd brengen gierzwaluwen door in Afrika. Ze komen pas laat in ons land aan, en vertrekken vroeg. Namen: Ned: Gierzwaluw Eng: Swift Fra: Martinet noir Dui: Mauersegler Ital: Rondone Lat: Apus apus

Golven
Golven De wind die over het zee-oppervlak waait veroorzaakt een golfbeweging van het wateroppervlak. Tijdens een storm loopt de golfhoogte op de Noordzee op tot enkele meters. Op enige afstand uit de kust komen soms golven voor van meer dan 6 meter. De kracht waarmee golven op de kust rollen kan tijdens stormen, en dan vooral tijdens springtij, plaatselijk voor een forse afslag van de duinen zorgen.

Gorzen
Gorzen Gorzen zijn kleine zangvogels die nog het meeste van vinken weg hebben. Gorzen leven echter onder meer extreme omstandigheden. Het is de familie die het meest noordelijk broedt. Gorzen leven het liefst op de grond en vermijden zoveel mogelijk bewoonde gebieden. Voorbeelden zijn de ijsgors, de sneeuwgors en de rietgors.

Goudhaantje
Goudhaantje Goudhaantjes leven in gebieden met naaldhout. Daar zoeken ze, hoog in de bomen, naar insecten en spinnen. Het broedseizoen begint in maart en eindigt in juli. Begin september trekt een gedeelte van de Nederlandse broedvogels naar het zuiden. Een ander gedeelte blijft hier en krijgt gezelschap van goudhaantjes uit het noorden. In de trektijden zijn goudhaantjes ook buiten de dennen- en sparrenbossen te zien, tot in de struiken in de zeereep. Namen: Ned: Goudhaantje Eng: Goldcrest Fra: Roitelet huppé Dui: Wintergoldhänchen Dan: Fuglekonge Nor: Fuglekonge Fries: Goudtúfke Ital: Regolo Lat: Regulus regulus

Goudkammetje
Goudkammetje Het goudkammetje is een borstelworm die zich beschermt in een taps toelopend kokertje van aaneen geklitte zandkorrels. Het dier dankt zijn naam aan de goudkleurige borstels aan de brede kopzijde van het zalmroze lichaam. Het kokertje is aan beide zijden geopend. Ze kunnen regelmatig op het strand gevonden worden. De worm zelf graaft zich in zandige bodems tot 10 meter diep in, op zoek naar algen en kleine diertjes. In slikkige bodems maken goudkammetjes ook wel u-vormige buizen. Ze komen algemeen voor rond het Friese Front en op enkele plaatsen voor de kust. In sommige jaren komt het goudkammetje algemeen voor in de Waddenzee. Namen: Ned: Goudkammetje Lat: Lagis koreni (Pectinaria koreni) Eng: Trumpet worm Dui: Köcherwurm

Goudknopje
Goudknopje Goudknopje komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika. De soort komt pas sinds 1972 in Nederland voor, het eerst in Zuidelijk Flevoland. Nu komt hij ook voor op enkele plaatsen langs de Groningse kust, in een veengebied in Noord-Friesland en bij de Volkeraksluis in Zeeland. Goudknopje heeft in het verleden op enkele van de Duitse en Deense waddeneilanden gestaan maar komt daar nu niet meer voor. Goudknopje is een pioniersplant. Hij komt voor op brakke tot zilte klei- en veengronden, die `s winters onder water staan en zomers niet te ver indrogen. De verspreiding van het zaad gebeurt waarschijnlijk door water- en oevervogels die de vruchten met de modder aan hun poten meenemen. Namen: Ned: Goudknopje Lat: Cotula coronopifolia Eng: Brass buttons Dui: Krähenfuß-Laugenblume Dan: Firkløft

Goudplevier
Goudplevier Goudplevieren broeden in het hoge noorden. Al in juli vertrekken ze weer naar het warmere zuiden. In zachte winters verblijven ze in Nederland, tot ze in mei weer noordwaarts trekken. Ze zijn vaak in gemengde groepen met kieviten op zoek naar voedsel op weilanden.Goudplevieren broeden niet op Texel, maar ze zijn wel veel te zien op het eiland. De Texelaars noemen de vogel `wilster`, net als de Friezen. Er is zelfs een straat naar ze genoemd: de Wilsterstraat in Den Burg. Soms zijn er duizenden wilsters op het eiland. In de zeventiende en achttiende eeuw werd er met slagnetten (wilsterflappen) op goudplevieren gejaagd. Namen: Ned: Goudplevier Eng: European golden plover Dui: Goldregenpfeifer Fries: Wilster Lat: Pluvialis apricaria Fr: Pluvier doré

Goudwieren
Goudwieren Soorten:kiezelwieren Pseudonitschia

Hippolytushoef
Hippolytushoef Hippolytushoef is het grootste dorp van Wieringen met ruim 4500 inwoners. Het is gelegen op een langgerekte lage stuwwal. Hier bevindt zich ook een aantal centrale voorzieningen als het gemeentehuis, de openbare bibliotheek (waarin ook de VVV is gevestigd), en het zwembad De Venne.

Hippolytushoeverkoog
Hippolytushoeverkoog Dit gebied ligt tussen Oosterklief en de Elft ten zuiden van de N99. Het is een open weidelandschap dat uitstekend geschikt is voor weidevogels. Het wordt doorsneden door de Hippolytushoeverkruisweg die een prachtig uitzicht biedt over het gehele gebied. De meest interessante stukken zijn de weilanden ten zuiden van de Elft, het natuurontwikkelingsgebied aan de Wierdijk ten westen van de Julianalaan en het kooibosje. Dit bosje is ontstaan uit een voormalige eendenkooi. Het is recent flink onder handen genomen en er is nu een prachtig bosje ontstaan met in het midden de voormalige eendenplas. Het wemelt het hele jaar door in het bosje van de vogels, in de zomer is vooral de plas geliefd bij vleermuizen en er is een grote variatie aan planten en bomen.Tussen Westerklief en de Haukes (goed te zien vanaf de Hoelmer Wierdijk) en ten oosten van Hippolytushoef (Stroeërkoog) bevinden zich nog twee kooien. Alle eendenkooien dateren uit de 17e eeuw. De twee laatstgenoemde zijn nog steeds in gebruik, maar fungeren ook als natuurreservaat (de kooi in de Stroeërkoog is eigendom van Staatsbosbeheer). Het `kooirecht` houdt onder andere in dat in de omgeving van deze kooien geen lawaai mag worden gemaakt - zo mag de plaatselijke Harmonie uit Hippolytushoef niet musiceren ten oosten van de Slingerweg...

Historische bronnen over Wieringen
Historische bronnen over Wieringen In de protohistorie hebben we beperkt toegang tot geschreven historische bronnen. Zo weten we dat rond 680 de Friese koning Aldgisl het hele Nederlandse kustgebied onder zijn gezag heeft. Zijn opvolger Radboud wordt door de Frankische hofmeijer Pippijn in 689 bij Dorestad verslagen. Pippijn neemt het beheer over het hele Friese gebied (dat zich uitstrekt van noord-oost Nederland tot aan Zeeuws-Vlaanderen) van de Friese koningen over. Zes jaar later wordt Willibrord door de paus benoemd tot aartsbisschop van de Friezen. Hij krijgt Utrecht als zetel, wijdt een kerk aan de Frankische heilige St. Maarten en de kerk krijgt vervolgens van Pippijn het tiende deel van alle koninklijke bezittingen en inkomsten binnen het op de Friezen veroverde gebied.

ICES
ICES ICES (International Council for Exploration of the Seas, gevestigd in Kopenhagen) is een internationaal samenwerkingsverband van visserijbiologen en opgericht in 1902. In de praktijk houdt de ICES zich voor een groot deel bezig met visserij-onderzoek. Ze heeft echter ook onderzoek gedaan naar de effecten van zand- en grindwinning en doet doorlopend onderzoek naar de gevolgen van diverse vormen van verontreiniging. Daarnaast geeft ICES aanbevelingen voor visquota aan de EG. Momenteel zijn 19 landen, waaronder alle Noordzee-kuststaten, lid van ICES.

Iepenfamilie
Iepenfamilie De iepenfamilie kent wereldwijd honderd tot honderdvijftig soorten, waarvan er in Europa maar vier voorkomen. In Nederland kennen we de veldiep, de bergiep en de steeliep. De veldiep is hiervan het meest algemeen. Ook komen er kruisingen voor, zoals de Hollandse iep (kruising tussen de veld- en de bergiep). Iepen zijn makkelijk te herkennen aan de `ongelijke bladvoet`. Zoals overal in Nederland bezwijken de laatste jaren op Texel veel iepen aan de iepziekte. Dat is een schimmelinfectie die door een kever verspeidt wordt. Iepen bepalen onder meer het karakter van de Molenlaan, de zuidelijke toegangsweg van De Cocksdorp. De gemeente Texel verwacht dat de bomen de komende jaren allemaal aangetast zullen worden.

Iers mos
Iers mos Iers mos is een roodwier dat in groepen voorkomt op stenen en rotsen tot in ondiep water. Het wier is te vinden in de Atlantische Oceaan, de Noordzee en komt soms ook voor in de Baltische Zee. De soort heeft een bladvormig thallus, dat uitloopt in brede vertakkingen. Iers mos wordt gebruikt om carrageen te winnen, een stof die in de farmaceutische industrie gebruikt wordt. Namen: Ned: Iers mos Lat: Chondrus crispus Eng: Irish moss, (carragheen moss) Dui: Knorpeltang

IJsgors
IJsgors IJsgorzen broeden in de vochtige toendra rond de Noordpool. Het liefst broeden ze op het mos of tussen de struiken net rond de boomgrens. Als er te weinig voedsel is of als het weer te slecht wordt trekken de vogels óf naar de landen rond de Noordzee óf naar het zuidoosten, landinwaarts. Dat ze richting Noordzee trekken is vrij nieuw. Voor 1850 trokken ze alleen in zuidoostelijke richting weg. Waarom het trekgedrag veranderd is, is niet bekend. Namen: Ned: IJsgors Eng: Lapland Bunting Fra: Bruant lapon Dui: Spornammer Dan: Laplandsværling Nor: Lappspurv Fries: Iesfink Ital: Zigolo di Lapponia Lat: Calcarius lapponicus

It Fryske Gea
It Fryske Gea It Fryske Gea is een vereniging die zich inzet voor natuurbescherming in Friesland. Een goed leefmilieu met schone lucht, schoon water en voldoende leefruimte staat daarbij voorop. Dit komt meer en meer in het gedrang door menselijke activiteiten. It Fryske Gea probeert daarom de natuur meer kansen te geven door bestaande natuurgebieden te vergroten of op elkaar aan te laten sluiten. It Fryske Gea beheert niet alleen bestaande natuur, maar doet ook aan natuurontwikkeling. Zo ontstaat er meer natuur en kunnen er verbindingen gemaakt worden tussen natuurgebieden. Op deze manier zorgt It Fryske Gea voor een gezond leefmilieu voor mens, plant en dier. It Fryske Gea heeft ruim 19.000 leden. It Fryske Gea beheert meer dan 17.500 hectare aan natuurgebieden, verdeeld over 52 terreinen. Langs de kust zijn dat onder andere `t Oerd op Ameland en `Noord-Friesland buitendijks`. It Fryske Gea is te bereiken op het volgend adres: Postbus 3, 9244 ZN, Beesterzwaag. Telefoon: (0512) 381448.

Kiekendieven
Kiekendieven Kiekendieven zijn slanke, redelijk grote roofvogels. Het ronde gezicht is een beetje uilachtig. Van de drie inheemse soorten kiekendieven spelen er twee een belangrijke rol in de kustgebieden: de bruine kiekendief en de blauwe kiekendief.

Kieuw- en warnetten
Kieuw- en warnetten Kieuwnetten zijn gebaseerd op het principe dat een vis wel zijn kop door een maas van een net kan steken, maar er niet meer uit terug kan omdat hij dan achter de kieuwdeksels blijft hangen. Warnetten bestaan uit meerdere lagen. Eén of meer fijnmazige netten hangen voor een grootmazig net. De vis trekt het fijnmazige net door de grote mazen heen en raakt zo verstrikt. Deze netten worden met behulp van drijvers en een verzwaarde lijn aan de onderzijde van het net (onderpees) `staand` in het water opgesteld, en na verloop van tijd binnengehaald. De visserij met kieuwnetten is bijzonder selectief. Te kleine vis zwemt door de mazen heen en te grote vis komt er niet in vast te zitten. De grote volwassen exemplaren die voor veel nakomelingen kunnen zorgen kunnen ook worden gespaard. Door de netten uit te zetten op uitgekiende plekken en dieptes kan de visser bovendien redelijk goed mikken op de soort vis die gevangen wordt. De bijvangst aan ondermaatse vis en ongewenste soorten is bij deze methode dan ook laag in vergelijking met de sleepnetvisserij (waarbij de mazen van het net vaak worden dichtgetrokken).De visserij met warnetten is minder selectief omdat het hier gaat om een combinatie van fijnmazige en grofmazige netten. De Deense en Noorse staand-wantvisserij op grotere vissoorten (kabeljauw, tarbot, zalm) eist veel slachtoffers onder zeezoogdieren. Naar schatting sterven in de Noordzee jaarlijks 7000 bruinvissen op deze manier. Een ander voorbeeld is de massale sterfte onder zadelrobben, in 1987 voor de Noorse kust.

Kievit
Kievit De kievit is een typische weidevogel. Het is een van de eerste lenteboden in het weiland. In de vlucht vallen de brede vleugels op. De Engelse naam `lapwing` heeft betrekking op die brede `lappen van vleugels`. Kieviten komen in het waddengebied algemeen voor in de weilanden. Ze broeden hier en trekken in het najaar naar het zuiden. Zoeken en rapen van kievitseierenVroeger werden veel kievitseieren geraapt. Tegenwoordig gebeurt dat nog maar sporadisch. In de nieuwe Flora- en Faunawet is voor het zoeken en rapen van kievitseieren altijd een vergunning nodig. Veel nesten worden juist beschermd. Het rapen van kieviteieren werd in 2005 door de Raad van State verboden, maar kon worden voortgezet als er een ontheffing van de provincie kwam. Maar eerst moest worden vastgesteld dat het rapen van kievitseieren geen schadelijk effect had voor de kievitenstand. Het argument dat het rapen toegestaan moet worden omdat de Friezen aan nazorg doen is daarmee van tafel.Door het raapseizoen in 2006 met acht dagen in te korten dachten gedeputeerde staten toch aan de regels te voldoen die door de Raad van State waren gesteld. De rapers zouden dan 6900 eieren mogen rapen. Uiteindelijk heeft de provincie ontheffing verleend en mochten rapers niet meer dan 15 eieren per persoon oprapen. Het radioprogramma `Vroege Vogels` looft het `Gouden Kievitseitje` uit voor de raper die het eerste eitje laat liggen. Effect van klimaatveranderingenTegenwoordig wordt het eerste kievitsei gemiddeld twaalf dagen eerder gevonden dan in 1900.

Kiezelwieren (diatomeeën)
Kiezelwieren (diatomeeën) Diatomeeën zijn algen en vormen een belangrijke groep binnen het fytoplankton in zee. Ze kunnen veel energie vastleggen en zijn daarom een belangrijke voedselbron voor de planktoneters. Diatomeeën hebben een pantser, opgebouwd uit kiezel. Ze worden daarom ook wel kiezelwieren genoemd. Ze worden tot enkele tienden van millimeters groot. Elk diatomeeën-huisje bestaat uit twee delen, die als een dekseltje en doosje op elkaar passen. Diatomeeën-huisjes hebben prachtige vormen, met op het oppervlak patronen van gaatjes en puntjes. Net als andere planktonplantjes kunnen diatomeeën zich snel vermenigvuldigen. De manier waarop ze dat doen is kenmerkend. De twee delen van het skelet scheiden zich van elkaar en aan elk deel wordt met behulp van speciale eiwitten een nieuw kiezelpantser gevormd. Daarbij wordt altijd een kleinere schaal bijgemaakt, zodat na iedere deling één van de twee nieuw gevormde algen even groot is als de oorspronkelijke cel en de andere iets kleiner. Als de nieuw gevormde kleinere cel zich steeds opnieuw deelt, blijft er uiteindelijk een te klein doosje over. Op dat moment groeit zo`n kleine cel weer tot de normale omvang uit. Vaak blijven na deling de nieuwe cellen aan elkaar klitten, zodat ze ketens en linten vormen. In zo`n keten van cellen leidt iedere cel onafhankelijk van de anderen zijn eigen leven. Bij diatomeeën wordt het drijfvermogen vergroot door allerlei uitsteeksels in de vorm van haren en stekels. Sommige soorten hebben een oliedruppeltje in hun huisje om hun zweefvermogen te vergroten.

Kinderkamers
Kinderkamers Vislarven groeien het best op in zeegebieden met een grote voedselrijkdom: de kinderkamers. De ouderdieren paaien op plaatsen van waaruit de eieren en larven door de stromingen naar een kinderkamergebied kunnen worden getransporteerd met een reistijd die is afgestemd op de ontwikkelingsduur van de larve tot een jonge vis. Het kustwater en de Waddenzee zijn belangrijke kinderkamers voor vele soorten. Overzichten van de paaiplaatsen en kinderkamers in de Noordzee van de belangrijkste soorten voor de visserij zijn te vinden via de volgende links: haring, kabeljauw, schol.

Klapmuts
Klapmuts De klapmuts is een zeehondensoort die voorkomt rond Newfoundland, Groenland, IJsland en Spitsbergen. De mannetjes kunnen tot maximaal 3 meter lang worden en ruim 400 kilo wegen. De mannelijke klapmuts heeft een opvallende neus en een holte in het voorhoofd die hij kan opblazen. Tijdens het baltsritueel wordt de neus nog eens extra opgeblazen, waardoor het net een soort muts lijkt. Klapmutsen zijn zeldzaam in de zuidelijke Noordzee. De laatste keer dat een klapmuts in Nederland is gesignaleerd was in juli 2005 op het strand van Camperduin. In Noorwegen en Canada wordt de klapmuts bejaagd. Het leefgebied van de klapmuts Waarnemingen van klapmutsen in West-Europa waren tot 1996 een uitzondering, sindsdien worden ze wat vaker gezien. Bij Ecomare is op 31 augustus 1996 een jonge klapmuts opgevangen, dat was nog niet eerder gebeurd. Deze mannelijke klapmuts had koorts en ontstekingen op de rug. Hij werd gevonden in de haven van Oudeschild op Texel. Deze klapmuts woog 36 kilo. Het dier at vanaf het begin goed en genas snel van de oppervlakkige verwondingen.Klapmutsen kunnen niet tegen gevangenschap omdat ze veel moeten kunnen zwemmen. Het was dus zaak om zo snel mogelijk vervoer naar noordelijker water te vinden. Uiteindelijk is de zeehond na anderhalve maand uitgezet in de Noordzee. Op diezelfde dag zette ook de zeehondencrèche Pieterburen een klapmuts uit. Dit dier, een vrouwtje van een half jaar oud, was op 5 oktober op Vlieland aangespoeld. Naast twee levende dieren spoelden er in de nazomer van 1996 ook zes dode klapmutsen aan: twee in Nederland, twee in Duitsland, één in Frankrijk en één in België.

Klein darmwier
Klein darmwier Klein darmwier is een groenwier, dat lijkt op een kleine, dunne versie van darmwier. Het groeit op harde substraten zoals dijken, palen, havenkades en pontons. Het is het meest kenmerkende wier van de spatzone, dat is de zone waar de golven bij hoogwater net tegenaan spatten. Men noemt deze zone dan ook wel de `Blidingia-zone`. Bij vochtig weer is een met klein darmwier begroeide helling vaak spekglad! De soort wordt gegeten door onder meer alikruiken. Namen: Ned: Klein darmwier Lat: Blidingia minima Eng: Blindingia minima Dui: Kleiner Darmtang, Fadentang

Klein kroos
Klein kroos Klein kroos drijft vrij op het water en bestaat uit een paar kleine groene bladschijfjes van 3 tot 5 millimeter met onder elk bladschijfje een worteltje. Samen met andere kroossoorten uit de eendenkroosfamilie behoort de plant tot de kleinste planten die er bestaan. Ze planten zich voort door te delen. Een kroosplantje leeft niet langer dan een maand. Door de snelle groei kunnen zuurstofloze wateren ontstaan, waarin verder geen leven mogelijk is. Als een plas dichtgegroeid is met kroos, krijgen de zwevende microscopisch kleine algen niet genoeg licht, en komen ze niet tot ontwikkeling. Dit heeft tot gevolg dat ook de rest van de voedselketen geen voedsel heeft. Andere waterplanten lijden ook een kwijnend bestaan. Dergelijke met kroos dichtgegroeide wateren zijn vaak min of meer levenloos. Namen: Ned: Klein kroos (eendenkroos) Lat: Lemna minor Eng: Lesser duckweed Dui: Kleine Wasserlinse Fra: Petite lentille d`eau Dan: Liden Andemad

Klein wintergroen
Klein wintergroen Klein wintergroen is in Nederland een zeldzame plant die je bijna alleen in de duinen tegenkomt. De plant groeit op alle vijf de grote waddeneilanden en in de kop van Noord-Holland. In de duinen komt de plant voor in kruipwilgstruwelen, vaak in gezelschap van kraaiheide. Het is een liefhebber van kalkarme bodems en niet te droge duinhellingen. Namen: Ned: Klein wintergroen Lat: Pyrola minor Eng: Small wintergreen Dui: Kleines Wintergrün Fra: Petite pyrole Dan: Liden vintergrøn

Kleine achtarm
Kleine achtarm De kleine achtarm is verwant aan de octopus, maar blijft een stuk kleiner. Hij wordt tot 50 centimeter lang en heeft dan een spanwijdte van 70 centimeter. Meestal blijven ze echter kleiner en wegen dan een kleine kilo. Het zijn echte rotskustbewoners, maar ze worden ook in de zuidelijke Noordzee gevangen. Er zijn zelfs vangsten bekend uit de Waddenzee en de voormalige Zuiderzee. Op de acht slanke, maar sterke armen staat een rij zuignappen. Daarmee vangt de kleine achtarm zijn buit, die meestal uit krabben of kreeften bestaat. Namen: Ned: Kleine achtarm Lat: Eledone cirrhosa Eng: Curled octopus (lesser octopus) Dui: Kleiner Oktopus (Cirrenkrake) Dan: 8-armede blæksprutte

Kleine alk
Kleine alk Kleine alken broeden in kolonies op rotshellingen op Spitsbergen en Groenland. De winter wordt op open zee doorgebracht, daarbij komen ze het meest voor in de noordelijke Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat. Van het aantal kleine alken dat in Europa broedt, is dan ongeveer 30% in deze gebieden aanwezig. Vanaf de Nederlandse kust is de kans om een kleine alk te zien het grootst na een flinke novemberstorm uit het westen. De kleine alk heeft een zwarte rug en kop. De buik is wit en in de zomer heeft de vogel ook een witte kin. Ze lijken een beetje op heel kleine pinguïns door hun zwart-witte verenkleed en rechtop zittende houding. Vergeleken met de andere alken is de kleine alk echt klein: de vogel is niet groter dan een merel. In de zomer eet de vogel vooral zoöplankton, maar omdat daar in de winter maar weinig van is, leeft de kleine alk dan van kleine visjes als sprot. Zoals bij alle zeevogels is ook het voorkomen van de kleine alk langs de kust sterk afhankelijk van het weer en andere omstandigheden op zee. Soms kunnen er echte invasies zijn, op 23 oktober 2005 werden alle records gebroken toen op Schiermonnikoog in 9 uur 3287 kleine alken werden geteld. Namen: Ned: Kleine alk Eng: Little auk Fra: Mergule nain Dui: Krabbentaucher Dan: Søkonge Nor: Alkekonge Fries: Seerotsje Ital: Gazza marina minore Lat: Alle alle

Kleine luchtvaart
Kleine luchtvaart In het waddengebied liggen een paar vliegvelden voor de kleine burgerluchtvaart, onder andere op Texel, Ameland, Borkum en Juist. Naast privévluchten en zakelijke vluchten stijgen hier ook toestellen op voor parachutespringen, zweefvluchten en rondvluchten. Sinds 1 juli 1999 geldt het `besluit beperkingen burgerluchtverkeer Waddenzee`. Dit besluit heeft tot doel de geluidsbelasting van de wadden te verminderen. Zo mogen burgervliegtuigen voortaan niet lager vliegen dan 450 meter boven het milieubeschermingsgebied (voorheen stiltegebied) van de wadden. Er is een aantal uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld bij slecht zicht of als de wolken lager hangen dan 450 meter. Om de waddeneilanden voor luchtverkeer bereikbaar te houden mogen vliegtuigen dan, binnen een vastgestelde corridor, lager vliegen (minimaal 300 meter). Het verbod geldt natuurlijk niet voor de gebieden waar de vliegtuigen opstijgen en landen. Ook als de vliegveiligheid in het geding is, zoals bij hulpverlening, reddingsacties, toezicht, opsporingen en metingen, is het toegestaan boven de wadden lager dan 450 meter te vliegen.Hoger vliegen is niet per definitie beter voor het milieu. Het geeft wel minder geluidsoverlast, maar het brandstofgebruik is hoger als het vliegtuig op grote hoogte vliegt.Het vliegverbod onder de 450 meter is niet van toepassing op de militaire luchtvaart. De luchtmacht mag bij oefeningen nog altijd zeer laag over het wad vliegen.In 2003 besloot de landelijke overheid dat de kleine luchtvaart op minimaal 450 meter boven stiltegebieden mag blijven vliegen.

Kleine mantelmeeuw
Kleine mantelmeeuw Kleine mantelmeeuwen vestigden zich in 1926 in Nederland. Sindsdien is de soort langzamerhand uitgegroeid tot een gewone verschijning in de kuststreken. Ze zijn nauw verwant aan de zilvermeeuw, maar hebben een donkerder tekening op de rug en vleugels. Ze broeden in Nederland voornamelijk in de kuststreek, met de Maasvlakte/Europoort (18.000 broedparen in 1998) en Terschelling (9600 broedparen in 1996) als grootste bolwerken. In de winter zoeken ze zuidelijker streken op. De kleine mantelmeeuw leeft van allerlei dierlijk voedsel. Verspreiding van kleine mantelmeeuwen in het Noordzeegebied Namen: Ned: Kleine mantelmeeuw Eng: Lesser black-backed gull Fra: Goéland brun Dui: Heringsmöwe Dan: Britisk sildemige Nor: Sildemike Fries: Lytse sjouwerman Ital: Zafferano Lat: Larus fuscus

Kleine modderkruiper
Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper komt in Nederland vooral in sloten en beken met dikke modderlagen voor. Het is een grijsbruin tot gelige vis met een bijzonder fraai donkerbruin vlekkenpatroon. De mannetjes zijn na twee jaar geslachtsrijp en worden maximaal acht centimeter lang. De vrouwtjes zijn pas na drie jaar geslachtsrijp en worden langer, maximaal 14 centimeter. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper via zijn darmen ademhalen. Hij zoekt zijn voedsel met tastdraden op de bodem. De vis eet wormen (tubifex) en larven van muggen en andere insecten van een klein formaat. Daarnaast eet de vis ook microscopisch kleine algen en detritus. De kleine modderkruiper is een bedreigde vissoort en wordt beschermd krachtens de Natuurbeschermingwet. Wereldwijd komt de kleine modderkruiper van West-Europa tot Japan voor. Namen: Ned: Kleine modderkruiper (smeerling, steenbijter) Lat: Cobitis taenia En: Gibbaud loach (groundling, spined loach) Dui: Dorngrundel (Flußschmerle, Steinbeißer) Fra: Loche de rivière (loche épineuse, mordpierre, perce-pierre) Da: Pigsmerling

Kleine strandloper
Kleine strandloper De kleine strandloper broedt in het noorden van Lapland en overwintert in het zuiden van Afrika. Onderweg gebruikt de vogel, vooral tijdens de najaartrek, slikkige gebieden in West-Europa om bij te komen. De vogel heeft geen voorkeur voor zoutwater- of zoetwatergebieden en eet allerlei dierlijk materiaal. In Nederland komen de vogels dan voor in de Oostvaardersplassen, het Lauwersmeergebied, het IJsselmeergebied, het Westelijke waddengebied en het Deltagebied. Namen: Ned: Kleine strandloper Eng: Little stint Fra: Bécasseau minute Dui: Zwergstrandläufer Dan: Dværgryle Nor: Dvergsnipe Fries: Griltsje Ital: Gambecchio Lat: Calidris minuta

Kleine watersalamander
Kleine watersalamander Het mannetje van de kleine watersalamander wordt maximaal 11 centimeter lang, maar blijft meestal kleiner. De kleine watersalamander komt veel voor. Ze zijn verschillend gekleurd, maar de bruingele kleur overheerst. In het voorjaar hebben deze dieren deels een roodachtige kleur. Het mannetje heeft een kam op de rug. Namen: Ned: Kleine watersalamander Lat: Triturus vulgaris Eng: Smooth newt Dui: Kleiner Teichmolch

Kleine zonnedauw
Kleine zonnedauw Kleine zonnedauw is een zeldzaam vleesetend plantje, en is in Nederland wettelijk beschermd. Zijn bladeren zijn bedekt met lange, kleverige haren waaraan insecten blijven plakken. Het grootste deel van de slachtoffers zijn muggen en vliegjes. Deze plant komt hier en daar voor op de waddeneilanden en in de veengebieden. Kleine zonnedauw voelt zich thuis op vochtige, kalkarme grond, zoals heiden, moerassen en hoogveen. In sterk ontwaterde gebieden is deze plant geheel verdwenen. Namen: Ned: Kleine zonnedauw Lat: Drosera intermedia Eng: Long-leaved sundew Fra: Rossolis intermediaire Dui: Mittlerer Sonnentau Dan: Liden soldug

Kleine zwaan
Kleine zwaan Kleine zwanen broeden op de Noord-Russische toendra`s. Ongeveer tweederde van de hele wereldpopulatie overwintert in Nederland. Die concentratie is ooit veroorzaakt door de grote hoeveelheden fonteinkruid in het verzoetende IJsselmeer. Nu daar niet zo veel fonteinkruid meer groeit zoeken de meeste overwinterende kleine zwanen nog steeds hun kostje bij elkaar rond de Randmeren. Maar ook het waddengebied wordt steeds populairder als winterverblijf. Op Texel is de kleine zwaan sinds 1975 een vaste wintergast. Bij honderden zijn ze tussen oktober en februari te zien in de noordelijke polders op het eiland. Opmerkelijk is dat ze daar vooral leven van het oogstafval op de bieten- en aardappelakkers. Namen: Ned: Kleine Zwaan Eng: Bewick`s Swan Fra: Cygne de Bewick Dui: Zwergschwan Ital: Cigno minore Lat: Cygnus columbianus

Klimaat en weer
Klimaat en weer De weersgesteldheid is voor een belangrijk deel afhankelijk van de toestand in de oceanen. De warme golfstroom in de Atlantische Ocaan zorgt voor het milde klimaat in Noordwest-Europa. Veranderingen in de zeestromingen zorgen voor veranderingen in het klimaat. Een bekend voorbeeld hiervan is El Niño, voor de kust van Peru. Dit verschijnsel verstoort eens in de 3 tot 8 jaar het weer over de hele aarde gedurende langere tijd. Langs de kust en op de waddeneilanden is het vaak ander weer dan in het binnenland. Het verloop van de temperatuur wordt getemperd door het zeewater. Het water van de Noordzee warmt in het voorjaar langzamer op dan het land. Het is dus aan de kust in de zomer minder snel warm, maar er valt in het algemeen minder regen en de zon schijnt er vaker. In het najaar heeft het kustgebied te kampen met buien vanaf zee. In de herfst blijft het zeewater nog lange tijd warm. Hierdoor ontstaan gemakkelijk buien die de kustprovincies binnendrijven. De kans op onweer is daar dan veel groter dan in het binnenland.Ondernemers en de VVV`s van de kustgemeenten en de waddeneilanden klagen vaak dat ze recreanten mislopen omdat de weersvoorspellingen voornamelijk op het binnenland gericht zijn. Daarom hebben een aantal eilanden en kustgemeenten webcams geplaatst, zodat mensen zelf kunnen zien wat voor weer het daar is. Onderwerpen de ozonlaag klimaatverandering klimaatschommelingen broeikaseffect zeespiegelstijging

Klimaatschommelingen
Klimaatschommelingen Een klimaatschommeling is een telkens weer terugkerende, tijdelijke verandering in het klimaat. Het bekendste voorbeeld is El Niño: de klimaatstoring die met tussenpozen van 3 tot 8 jaar het weer en de zeestromingen in de Stille Oceaan ontregelt. In het Noord-Atlantische gebied treedt een vergelijkbaar verschijnsel op: de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO), waarin het verschil in luchtdruk boven de Azoren en IJsland een beslissende rol speelt. Deze satellietfoto toont een algenbloei in de Stille Oceaan als gevolg van een afwijkende zeewatertemperatuur. De ontwikkeling van een nieuwe El Niño voor de kust van Peru is goed te zien.

Klimaatverandering
Klimaatverandering Het klimaat is het gemiddelde weer over een periode van minstens enkele tientallen jaren. Er zijn relatief snelle veranderingen die het best kunnen worden omschreven als klimaatschommelingen. Daarbij is bijvoorbeeld de gemiddelde temperatuur enkele tientallen jaren hoger dan normaal. Andere klimaatveranderingen spelen zich af op een veel grotere tijdschaal. Zo ligt het ritme van de ijstijden in de orde van tienduizenden jaren. De laatste 10.000 jaar vindt de overgang van de laatste ijstijd naar een warmere periode plaats. Een ander deel van de huidige opwarming is het gevolg van het broeikaseffect. De verhouding tussen deze twee processen is bepalend voor een goed begrip van klimaatverandering; deze verhouding is nog intensief in onderzoek.