Kopie van `Ministerie van Buitenlandse Zaken - ontwikkelingssamenwerking`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Ministerie van Buitenlandse Zaken - ontwikkelingssamenwerking
Categorie: Mens en samenleving > Ontwikkelingssamenwerking
Datum & Land: 19/04/2007, NL
Woorden: 26


Alignment
Alignment houdt in dat donoren de hulp in lijn brengen met het beleid en de procedures van de partnerlanden. Nederland streeft naar zoveel mogelijk alignment, waarbij wel als voorwaarde geldt dat het beleid past binnen de eigen doelstellingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Harmonisatie en alignment dragen bij aan de vermindering van de transactiekosten van de hulp en de verbetering van de effectiviteit. In internationaal verband zijn hierover heldere afspraken en doelstellingen geformuleerd in de Paris Declaration on Aid Effectiveness. Binnen de EU zijn aanvullende afspraken gemaakt die bijdragen aan het bereiken van deze doelstellingen. Interessante voorbeelden in de praktijk zijn Mozambique waar zeventien donoren hun begrotingsteun verstrekken op basis van één systeem; in Zambia waar donoren en de overheid een gezamenlijk actieplan hebben geformuleerd om harmonisatie gestalte te geven en Bangladesh waar een aantal donoren de hulp voor basisonderwijs kanaliseert via de Aziatische Ontwikkelingsbank.

Capaciteitsopbouw
Capaciteitsopbouw richt zich op versterking en verbetering van capaciteiten en mogelijkheden op zowel het individuele, organisatorische als institutionele niveau. Capaciteitsopbouw gaat niet alleen om het vergroten van vaardigheden en verbeteren van procedures, maar ook om het veranderen van motivatie- en beloningsstructuren.
De Nederlandse overheid gaat ontwikkelingsrelaties aan met overheden van partnerlanden en dat resulteert vaak in een focus op organisatieversterking van overheidsdiensten. Capaciteitsopbouw beperkt zich echter niet tot steun aan overheidsdiensten, maar bevat ook steun aan het maatschappelijk middenveld en aan de dialoog en samenwerking tussen verschillende ontwikkelingspartners.

Civil society
Tussen markt en staat bevinden zich in elke samenleving heel veel verschillende vormen waarin mensen samenwerken. Dat brede scala aan activiteiten, organisaties en informele verbanden valt onder de noemer civil society. De meest gangbare vertaling van civil society is ‘maatschappelijk middenveld’. Overheden en alle overheidsinstanties en staatsorganen, inclusief het parlement, behoren niet tot de civil society. Ook het particuliere bedrijfsleven en alle organisaties met een winstoogmerk vallen buiten het begrip. Maar bijvoorbeeld kerken, vakbonden, milieuorganisaties, buurtcomités en sportverenigingen wel. Een sterke civil society kan tegenwicht bieden tegen een repressieve of afwezige overheid. Door op te komen voor mensenrechten, door verkeerd beleid aan de kaak te stellen, of door de gaten te dichten die overheden laten vallen uit onmacht of onwil. Het ontwikkelingsbeleid mikt op een goede balans tussen de staat, de markt en de civil society.Circa 15 procent van het Nederlandse ontwikkelingsgeld wordt besteed via non-gouvernementele organisaties (ngo’s). Zij kunnen armoede bestrijden in landen waar Nederland niet met de overheid wil samenwerken. Hetzij omdat er geen aanspreekbare overheid is (denk aan landen als Somalië), hetzij omdat de overheid een uitgesproken slecht beleid of bestuur voert.Daarnaast loopt een deel van de steun aan particuliere organisaties in ontwikkelingslanden ook rechtstreeks via de Nederlandse ambassades in die landen.

Coherentie
Bij alle beleidsbeslissingen bewust rekening houden met mogelijke effecten op armoede in ontwikkelingslanden. Dat is het streven naar coherentie vanuit de doelstelling armoedevermindering. Het impliceert dat de overheid steeds nagaat hoe beslissingen op terreinen buiten de hulp zich verhouden tot de doelstellingen en de inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Donorcoördinatie
Het beter op elkaar afstemmen van de activiteiten van donoren. Enerzijds door de activiteiten beter af te stemmen op de vraag van de ontvangende landen, bijvoorbeeld door de procedures van de donoren te harmoniseren. Anderzijds door betere afstemming van de donoren onderling.Een gecoördineerde aanpak vermindert de ‘transactiekosten’ voor ontvangende landen: zij worden niet opgescheept met allemaal verschillende procedures en prioriteiten.Ownership is het uitgangspunt bij die coördinatie: de overheid van het ontwikkelingsland bepaalt de beleidskaders, niet de afzonderlijke donoren. Onder leiding van de betreffende overheid of een sectorministerie moet een beleidsdialoog plaatsvinden met nationale partners en donoren.

Empowerment
Het werkwoord ‘to empower’ betekent: ’in staat stellen’. Het heeft alles te maken met kracht en met macht. Dat is ook de essentie van het begrip. De armste groepen in ontwikkelingslanden - en vrouwen zijn daarbij in de meerderheid - moeten meer zeggenschap krijgen over hun eigen situatie om aan de armoede te kunnen ontsnappen.Uit onderzoek blijkt dat de armste groepen in veel landen weinig vertrouwen hebben in staatsinstanties, ambtenaren en politici. Een betrouwbare overheid, niet corrupt, die hen niet achterstelt, zien veel van de armsten als een gouden sleutel voor een betere toekomst.Ook de Wereldbank is nu doordrongen van het belang van empowerment. In het verleden ging de bank er te zeer van uit dat economische groei als vanzelf ook tot verbetering onder de armste groepen zou leiden. In het World Development Report 2000 brak de Wereldbank met dit gedachtegoed. Armoede heeft ook te maken met politieke, sociale en culturele factoren.Empowerment vergroten kan op veel manieren aangepakt worden. Van groot belang is vaak dat de rechtspositie verbetert. Maar ook scholing en steun bij het vormen van belangenorganisaties is een vorm van empowerment. Veel van dergelijke initiatieven steunt Nederland via de medefinancieringsorganisaties.

Gebonden hulp
Gebonden hulp is hulp op voorwaarde dat het ontvangende land de hulp op een door de donor bepaalde manier zal besteden. Hulpontvangende landen moeten bijvoorbeeld expertise of machines kopen uit het hulpgevende land.
Binding van de hulp staat haaks op het streven naar kwalitatief goede ontwikkelingshulp. Ontvangers zijn duurder uit dan wanneer ze zelf mogen kiezen waar ze hun geld besteden. Schattingen over het prijsopdrijvend effect lopen uiteen van tien tot dertig procent.Een ander groot bezwaar is dat ontwikkelingslanden worden opgescheept met een grote diversiteit aan merken, methodes en technieken. Met name voor landen met een bescheiden technische know how is dit een niet te onderschatten bezwaar.

Gender
Het overgrote deel van de armen in de wereld is vrouw. Dat bewijst dat er een verschil is tussen de positie van mannen en van vrouwen in de samenleving. Er is geen‘gendergelijkheid’.De Engelse term ‘gender’ staat voor de verschillende sociale status en rollen van mannen en vrouwen in de samenleving. Tradities, culturele en sociale omstandigheden bepalen in belangrijke mate hoe men in een samenleving tegen de rol en taken van vrouwen en mannen aankijkt. Het gaat bij gender dus niet om biologische verschillen maar om de verwachtingen en de kwaliteiten die men toeschrijft aan een vrouw of een man, en de waardering die men daaraan geeft.Alleen al vanwege het hoge percentage vrouwen onder de armen is het logisch dat gender een belangrijke rol moet spelen bij armoedebestrijding. Uit onderzoek van de Wereldbank is gebleken dat de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen een grote bijdrage levert aan vermindering van armoede. Zo blijkt bijvoorbeeld dat regeringen die gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen – bijvoorbeeld door meer meisjes naar school te laten gaan, vrouwen op te leiden voor een beroep, te helpen met het opzetten van een bedrijfje en hun gezondheid te verbeteren door betere zorg – de economie in hun landen gemiddeld met meer dan een procentpunt per jaar extra zien groeien.Het nastreven van een zo groot mogelijke gendergelijkheid is een belangrijk doel van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.Nederland draagt concreet bij aan grotere gendergelijkheid door vrouwenorganisaties in ontwikkelingslanden te steunen en er zo voor te zorgen dat vrouwen beter voor zichzelf kunnen opkomen (empowerment). Ook komt Nederland op voor de mensenrechten van vrouwen. In de Verenigde Naties maakt Nederland zich al jaren sterk om vrouwenbesnijdenis en eerwraak tegen te gaan. Ook worden projecten ondersteund die vrouwenhandel bestrijden.

Gender mainstreaming
Veel landen en organisaties hanteren nog, net als vroeger Nederland, het ‘ doelgroepenbeleid’: het versterken van de positie van vrouwen op ‘microniveau’: het dagelijks leven en werk van vrouwen. Via maatschappelijke organisaties doet Nederland dat nog steeds. Veel belangrijker is echter dat Nederland organisaties en deskundigen in deze landen ondersteunt die eraan mee helpen dat iedereen in zijn of haar werk goede resultaten behaalt voor mannen én vrouwen.Daarom financiert Nederland bijvoorbeeld afdelingen binnen ministeries van Economie, Landbouw, Financiën, Gezondheidszorg en Onderwijs die ervoor zorgen dat alle medewerkers in deze ministeries in hun beleid aandacht besteden aan gender. Nederland kiest er dus voor om vrouwen niet alleen maar rechtstreeks te helpen, maar om te zorgen dat er door gender mainstreaming van het beleid van ontwikkelingslanden op andere terreinen veel meer oog voor vrouwen komt.

Harmonisatie
Harmonisatie betekent dat donoren de coördinatie van de hulp vastleggen in concrete afspraken. Het gaat dan om harmonisatie van zowel beleid als financië le procedures. Harmonisatie van beleid gebeurt onder meer door het op één lijn brengen van de armoedevisies en -strategieën van de donoren. Ook aan de beheerskant is nog veel winst te boeken: spreek bijvoorbeeld één procedure af voor de opstelling van een accountantsverklaring door ontwikkelingslanden, in plaats van per donor verschillende voorwaarden. Bij de harmonisatie van financieringen is de huidige praktijk van ‘basket funding’, het bewaren van donorgeld in één gezamenlijk fonds, een eerste stap.

Institutionele ontwikkeling
Institutionele ontwikkeling heeft betrekking op ondersteuning van instituties. Instituties zijn de regels, structuren en sociale normen die het menselijk handelen bepalen. Ze worden ook wel aangeduid als de 'spelregels' van de samenleving waarbinnen de spelers (organisaties) hun werk verrichten. Ze zijn formeel – bijvoorbeeld wetgeving en het parlement – of informeel – bijvoorbeeld gedragsregels en sociale netwerken. Instituties spelen een centrale rol bij armoedebestrijding. Zij kunnen een positieve bijdrage leveren aan armoedevermindering, maar zij kunnen armoedevermindering ook in de weg staan. Veel van de bestaande instituties in ontwikkelingslanden zijn gecreëerd of worden in stand gehouden door het rijke, machtige deel van de bevolking en benadelen de armen. Zonder institutionele hervorming hebben programma’s voor armoedebestrijding weinig zin. In ontwikkelingslanden zijn informele instituties vaak invloedrijker dan de formele instituties.Nederland ondersteunt initiatieven die erop gericht zijn zwakke instituties te versterken en beter gebruik te maken van bestaande instituties die een bijdrage kunnen leveren aan armoedebestrijding. Dit doet het ministerie van Buitenlandse Zaken op basis van analyses over de rol die instituties spelen - hoe zij eruitzien en wie er aan de touwtjes trekt – en het effect op organisaties en individuen.Institutionele oorzaken van armoede:

Macrosteun
Geld dat ter beschikking gesteld wordt aan de minister van Financiën van het ontvangende land.Macrohulp is in feite de overtreffende trap van sectorsteun. Het geeft nog meer ownership, omdat de hulp niet aan een bepaalde sector gebonden is. Schuldverlichting is een voorbeeld van macrosteun.Macrohulp wordt gegeven op basis van een lijst van prestaties (‘track record ’) die wordt opgesteld door de Nederlandse ambassade in het betreffende land. In zo’n track record moeten vier clusters worden opgenomen:de visie van de multilaterale organisaties (met name Wereldbank en IMF) op het macro-economische beleid en de ruimte voor beleidsdialoog (bilateraal, multilateraal);
de kwaliteit van het macro-economisch beleid;
de kwaliteit van bestuur en institutionele capaciteit;
de kwaliteit van het sociale beleid (armoedebestrijding, gender).
Bij macrohulp wordt vooral het begrotingsproces van het ontvangende land gecontroleerd.

Medefinanciering
Medefinancieringsorganisaties (MFO’s) zijn organisaties in Nederland die partnerorganisaties in ontwikkelingslanden steunen. Ze krijgen daarvoor geld van de Nederlandse regering, die zo meebetaalt aan de versterking van de civil society in de ontvangenden landen.Momenteel zijn er zes MFO’s: Cordaid, ICCO, Novib, Hivos, Terre des Hommes en Plan Nederland. Ook andere organisaties kunnen een beroep doen op dit programma. Voorwaarden zijn dat ze een breed programma hebben, met partners in meerdere landen en met een eigen invalshoek of benadering, die niet overlapt met de vijf genoemde organisaties.Jaarlijks wordt in het budget voor Ontwikkelingssamenwerking 11 tot 14 procent gereserveerd voor de medefinanciering. De uiteindelijke omvang van deze vorm van hulp hangt af van de kwaliteit van de projecten en programma’s. Tot voor kort konden de medefinancieringsorganisaties (MFO’s) rekenen op een vast percentage van de begroting. De nieuwe, meer flexibele, benadering beoogt de transparantie en kwaliteit van het programma te verhogen.

MFO
Medefinancieringsorganisatie, zie uitleg bij Medefinanciering

MFS
Medefinancieringsstelsel, zie uitleg bij Medefinanciering

Millennium Ontwikkelingsdoelen
In het jaar 2000 hebben 189 landen de Millenniumverklaring ondertekend. Daarin staat dat die landen zich actief gaan inzetten om de wereldwijde armoede te bestrijden. Er zijn acht concrete en meetbare doelstellingen geformuleerd: de Millennium Ontwikkelingsdoelen (Millennium Development Goals - MDG's). In 2015 moeten deze doelen gehaald zijn.Het gaat onder andere om onderwijs voor alle jongens en meisjes, terugdringen van moeder- en kindsterfte en een halt toeroepen aan ziektes als aids en malaria.

ODA(-norm)
In de jaren zeventig hebben de rijke landen beloofd minstens 0,7 procent van hun Bruto Nationaal Product uit te trekken voor ontwikkelingssamenwerking. De meeste landen halen dat percentage lang niet. Maar wel wordt elk jaar precies uitgerekend hoe hoog de score van elk land is. Daarbij is het van belang dat helder is welke uitgaven wel en welke niet als ontwikkelingshulp mogen worden aangemerkt. De echte ontwikkelingshulp wordt meestal aangeduid met ODA, de afkorting van de Engelse term Official Development Assistance.De criteria voor ODA worden opgesteld door een comité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat comite heet de DAC: Development Assistance Committee. Het luistert nauw met die criteria en de controle daarop. Regeringen zouden graag goede sier maken met een hoger bedrag aan ontwikkelingshulp dan wat ze feitelijk aan hulp uitgeven. De ODA-norm voorkomt bijvoorbeeld dat landen ook militaire steun mee kunnen tellen bij hun ontwikkelingshulp. Of dat alle kosten van de opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden worden meegerekend.De afgesproken norm om 0,7 procent van het BNP voor hulp uit te trekken wordt alleen gehaald door Noorwegen, Nederland, Zweden, Denemarken en Luxemburg. De Nederlandse regering trekt er 0,8 procent voor uit. Ook in het nieuwe regeerakkoord wordt dit percentage gehandhaafd. Daarbij stelt het akkoord uitdrukkelijk dat er geen uitgaven uit het hulpbudget gedaan zullen worden, die volgens de internationale norm niet meegeteld mogen worden: geen ’vervuiling’ van de hulp.Tijdens de internationale top ‘Financing for Development’(Monterrey, maart 2002) zei de Europese Unie toe dat de lidstaten in 2006 gemiddeld 0,39 procent van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking zullen uitgeven (is nu 0,33 procent).
Ook de Verenigde Staten zeiden toe hun hulpbudget te verhogen: met 5 miljard dollar structureel per jaar, binnen enkele jaren te realiseren.
Dit was voor het eerst sinds jaren dat de donoren weer meer geld voor ontwikkelingssamenwerking willen uittrekken.

Ownership
De wensen en ideeën van de hulpontvanger moeten centraal staan in de ontwikkelingsrelatie. De praktijk heeft uitgewezen dat van buitenaf opgelegde beleidsadviezen niet werken. ‘Wij’ ontwikkelen geen landen, maar landen ontwikkelen zichzelf. Betrokkenheid van regering, parlement en maatschappelijke organisaties bij het bepalen en uitvoeren van het armoedebeleid is van het grootste belang.In het verleden werd de inhoud van de ontwikkelingssamenwerking veelal bepaald door de donoren. Zij beschikten over het geld en meenden te weten wat goed voor de ontwikkelingslanden was. De laatste jaren is uit verschillende onderzoeken en evaluaties gebleken dat een dergelijke invalshoek weinig oplevert. Internationaal bestaat inmiddels grote consensus over het feit dat ownership in plaats van donorship – de vraag van de ontwikkelingslanden in plaats van het aanbod van de donoren –centraal moet staan in de ontwikkelingsrelatie.Ownership betekent voor Nederland dat de overheid van het ontvangende land – en niet de donoren - de beleidskaders, de prioriteiten en de plannen van aanpak bepaalt. Nederland bepleit dat de overheid zich daarbij baseert op intensieve consultaties met de bevolking. Ook de civil society dient een actieve inbreng te hebben. Overleg met maatschappelijke organisaties, particuliere sector, parlement (inclusief oppositie), deskundigen, onderzoekers, vakbonden en andere sleutelinstellingen moet onderdeel zijn van de formulering en uitvoering van het beleid.Ownership moet echter niet verward worden met absolute eenzijdige zeggenschap over het geld dat donoren overdragen. Ownership zal in de praktijk partnership zijn: een partner is meer dan een adviseur, een partner is iemand die zich op samenwerking richt. Een relatie tussen partners is op vertrouwen gebaseerd. Partnership is vooral ook wederzijdse betrouwbaarheid.

Paris Declaration
Het gedrag van donoren draagt niet altijd bij aan effectieve en kwalitatief goede hulpinterventies. Zij hebben hun eigen beleid en belangen die soms niet goed aansluiten bij lokale prioriteiten, binnenlandse processen en instituties. Het gedrag van donoren leidt vaak tot hulpverslaving en draagt niet bij aan duurzaamheid en het probleemoplossend vermogen van arme bevolkingsgroepen. Maar de donorgemeenschap ziet de noodzaak tot een andere opstelling. In een gezamenlijke verklaring (de Paris Declaration) spreken donoren de intentie uit om beter samen te werken, uit te gaan van de prioriteiten en mogelijkheden van de partnerlanden en zich bij hun beleid en procedures aan te sluiten. Voor Nederland en vele andere donoren is daarbij de kwaliteit van het PRSP proces maatgevend. Voor effectieve capaciteitsversterking is een balans van ondersteuning en afstand houden essentiëel. Vanuit het oogpunt van hulpeffectiviteit zijn verder voorspelbaarheid van de omvang van de hulp, het geven van verantwoordelijkheid aan nationale en lokale instellingen en coherentie van groot belang. Daarbij spelen verantwoording afleggen aan politiek en samenleving een rol. Donoren spreken elkaar ook steeds vaker aan op de wijze waarop zij in andere landen werken en het beleid uitvoeren (zg. peer reviews). Bovendien worden ook hulpgevers tegenwoordig door de ontvangers beoordeeld op hun gedrag en prestaties (zg. mutual accountability). Het ministerie van Buitenlandse Zaken ondersteunt trainingsprogramma’s gericht op attitude en gedragsverandering en werkt aan verbeterde verantwoording naar parlement en Nederlandse bevolking door ontwikkeling van analyse- en meetinstrumenten en resultaten rapportages.

Partnerschap
Een partnerschap is een bijzondere vorm van samenwerking tussen partners uit verschillende sectoren, bijvoorbeeld tussen regeringen, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en kennisinstellingen. Elke partner brengt ‘zijn’ middelen in, bijvoorbeeld geld, kennis, netwerken of menskracht. De partners van een partnerschap delen risico’s, verantwoordelijkheid en successen.

PFM
Zie uitleg bij Public Finance Management

Public Finance Management (PFM)
Public Finance Management (PFM) is gericht op begrotingsbeleid en -beheer. Uitgaven staan voorop, maar ook inkomsten en het saldo van uitgaven en inkomsten, het financieringstekort en de financiering daarvan, dus het schuldenbeleid, komen aan de orde. Goed PFM dient goed bestuur.Goed PFM kan, met name door middel van goede aanbestedingspraktijken van de overheid bijdragen aan vermindering van corruptie. Verder houdt PFM rekening met de macro-economische effecten van belastingheffing en overheidsbestedingen; de effecten ervan op de economische ontwikkeling. PFM is een aandachtspunt voor ontwikkelingssamenwerking. Dit geldt in het bijzonder wanneer de inzet van OS-middelen verloopt via begrotingsprocessen in het ontwikkelingsland.
Beter PFM moet ertoe bijdragen dat ontwikkelingslanden die schuldverlichting krijgen niet opnieuw, door slecht begrotingsbeleid en –beheer, in de schuldenproblemen komen.

Regionale Benadering
Nederland werkt met andere landen samen op basis van wederzijdse afspraken tussen twee staten. Soms zijn echter afspraken met meer landen nodig, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van grensoverschrijdende conflicten of de opbouw van de samenleving na een conflict. Dan kiest Nederland voor een regionale benadering en werkt met meerdere landen samen aan conflictbeheersing, afspraken over grensgeschillen en economische integratie.Nederland kiest voor een dergelijke aanpak in de Hoorn van Afrika, de regio om de Afrikaanse Grote Meren en de Westelijke Balkan.

Sectorale benadering/steun
In 1999 koos Nederland voor een omslag naar de sectorale benadering als nieuwe manier van werken in alle landen waarmee een structurele OS-relatie bestaat. Uit een groot aantal evaluaties was gebleken dat de ongecoördineerde, projectmatige hulp uit het verleden de fundamentele oorzaken van armoede en gebrekkige sociale dienstverlening niet kon wegnemen. In de sectorale benadering bieden donoren gezamenlijk meerjarige steun aan de totstandkoming en uitvoering van meerjarig beleid voor een hele sector of subsector, met het partnerland in de leidende rol.Nederland werkt per partnerland samen in twee of drie sectoren. In 2003 is gekozen voor een concentratie op onderwijs, gezondheid (met speciale aandacht voor reproductieve gezondheid en HIV-AIDS), water en milieu. In de beleidsdialoog spits Nederland zich toe op de mate waarin het sectorbeleid ten goede komt aan de armen. Daarbij wordt gelet op sectoroverstijgende aspecten van goed bestuur zoals knelpunten in het begrotingsproces.

Stabiliteitsfonds
Armoedebestrijding is de hoofddoelstelling van ontwikkelingssamenwerking. Dit lukt echter niet in landen waar oorlog en onveiligheid zijn: stabiliteit is noodzakelijk voor ontwikkeling. Het Stabiliteitsfonds financiert activiteiten die de veiligheid van mensen vergroten in arme landen waar oorlog heerst of net geweest is. Als er veiligheid is kunnen mensen hun dagelijks leven weer oppakken, werken en kunnen kinderen weer naar school. Zo kunnen ze zich ontwikkelen en krijgt armoedebestrijding een kans.Na een oorlog duurt het meestal nog vele jaren voordat alles weer bij het oude is. Er moet veel gebeuren, zoals het sluiten van een vredesakkoord tussen de strijdende partijen, het opruimen van mijnen en het demobiliseren van oud-strijders. Aan dat proces van vredesopbouw kan het Stabiliteitsfonds bijdragen. De Nederlandse ambassades dienen daartoe voorstellen in. Internationale organisaties, zoals de VN, voeren de activiteiten meestal uit, maar een ontwikkelingsland kan dit natuurlijk ook zelf doen.

Track Record
Dit is een beoordelingskader dat wordt opgesteld door de medewerkers op de ambassades in de landen die hulp ontvangen. In dat Track Record wordt niet alleen gekeken naar de kwaliteit van de armoedebestrijdingstrategie en de begrotingssystemen, maar bijvoorbeeld ook naar de kwaliteit van het macro-economische beleid en andere vormen van goed bestuur, zoals mensenrechten en het functioneren van het rechtssysteem. De mate waarin Nederland in staat is om met de regering van het ontvangende land over dat beleid te praten wordt daarin eveneens beoordeeld. Worden al deze onderdelen over het algemeen als voldoende beschouwd, dan kan sectorsteun of begrotingssteun worden ingezet.Worden een of meerdere onderdelen als onvoldoende beoordeeld, dan gaat men over op projecthulp, waarvan formulering, uitvoering en verantwoording volledig onder Nederlandse verantwoording vallen.