Kopie van `Ministerie van Buitenlandse Zaken - ontwikkelingssamenwerking`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Ministerie van Buitenlandse Zaken - ontwikkelingssamenwerking
Categorie: Mens en samenleving > Ontwikkelingssamenwerking
Datum & Land: 19/04/2007, NL
Woorden: 8


Civil society
Tussen markt en staat bevinden zich in elke samenleving heel veel verschillende vormen waarin mensen samenwerken. Dat brede scala aan activiteiten, organisaties en informele verbanden valt onder de noemer civil society. De meest gangbare vertaling van civil society is ‘maatschappelijk middenveld’. Overheden en alle overheidsinstanties en staatsorganen, inclusief het parlement, behoren niet tot de civil society. Ook het particuliere bedrijfsleven en alle organisaties met een winstoogmerk vallen buiten het begrip. Maar bijvoorbeeld kerken, vakbonden, milieuorganisaties, buurtcomités en sportverenigingen wel. Een sterke civil society kan tegenwicht bieden tegen een repressieve of afwezige overheid. Door op te komen voor mensenrechten, door verkeerd beleid aan de kaak te stellen, of door de gaten te dichten die overheden laten vallen uit onmacht of onwil. Het ontwikkelingsbeleid mikt op een goede balans tussen de staat, de markt en de civil society.Circa 15 procent van het Nederlandse ontwikkelingsgeld wordt besteed via non-gouvernementele organisaties (ngo’s). Zij kunnen armoede bestrijden in landen waar Nederland niet met de overheid wil samenwerken. Hetzij omdat er geen aanspreekbare overheid is (denk aan landen als Somalië), hetzij omdat de overheid een uitgesproken slecht beleid of bestuur voert.Daarnaast loopt een deel van de steun aan particuliere organisaties in ontwikkelingslanden ook rechtstreeks via de Nederlandse ambassades in die landen.

Empowerment
Het werkwoord ‘to empower’ betekent: ’in staat stellen’. Het heeft alles te maken met kracht en met macht. Dat is ook de essentie van het begrip. De armste groepen in ontwikkelingslanden - en vrouwen zijn daarbij in de meerderheid - moeten meer zeggenschap krijgen over hun eigen situatie om aan de armoede te kunnen ontsnappen.Uit onderzoek blijkt dat de armste groepen in veel landen weinig vertrouwen hebben in staatsinstanties, ambtenaren en politici. Een betrouwbare overheid, niet corrupt, die hen niet achterstelt, zien veel van de armsten als een gouden sleutel voor een betere toekomst.Ook de Wereldbank is nu doordrongen van het belang van empowerment. In het verleden ging de bank er te zeer van uit dat economische groei als vanzelf ook tot verbetering onder de armste groepen zou leiden. In het World Development Report 2000 brak de Wereldbank met dit gedachtegoed. Armoede heeft ook te maken met politieke, sociale en culturele factoren.Empowerment vergroten kan op veel manieren aangepakt worden. Van groot belang is vaak dat de rechtspositie verbetert. Maar ook scholing en steun bij het vormen van belangenorganisaties is een vorm van empowerment. Veel van dergelijke initiatieven steunt Nederland via de medefinancieringsorganisaties.

MFO
Medefinancieringsorganisatie, zie uitleg bij Medefinanciering

MFS
Medefinancieringsstelsel, zie uitleg bij Medefinanciering

ODA(-norm)
In de jaren zeventig hebben de rijke landen beloofd minstens 0,7 procent van hun Bruto Nationaal Product uit te trekken voor ontwikkelingssamenwerking. De meeste landen halen dat percentage lang niet. Maar wel wordt elk jaar precies uitgerekend hoe hoog de score van elk land is. Daarbij is het van belang dat helder is welke uitgaven wel en welke niet als ontwikkelingshulp mogen worden aangemerkt. De echte ontwikkelingshulp wordt meestal aangeduid met ODA, de afkorting van de Engelse term Official Development Assistance.De criteria voor ODA worden opgesteld door een comité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat comite heet de DAC: Development Assistance Committee. Het luistert nauw met die criteria en de controle daarop. Regeringen zouden graag goede sier maken met een hoger bedrag aan ontwikkelingshulp dan wat ze feitelijk aan hulp uitgeven. De ODA-norm voorkomt bijvoorbeeld dat landen ook militaire steun mee kunnen tellen bij hun ontwikkelingshulp. Of dat alle kosten van de opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden worden meegerekend.De afgesproken norm om 0,7 procent van het BNP voor hulp uit te trekken wordt alleen gehaald door Noorwegen, Nederland, Zweden, Denemarken en Luxemburg. De Nederlandse regering trekt er 0,8 procent voor uit. Ook in het nieuwe regeerakkoord wordt dit percentage gehandhaafd. Daarbij stelt het akkoord uitdrukkelijk dat er geen uitgaven uit het hulpbudget gedaan zullen worden, die volgens de internationale norm niet meegeteld mogen worden: geen ’vervuiling’ van de hulp.Tijdens de internationale top ‘Financing for Development’(Monterrey, maart 2002) zei de Europese Unie toe dat de lidstaten in 2006 gemiddeld 0,39 procent van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking zullen uitgeven (is nu 0,33 procent).
Ook de Verenigde Staten zeiden toe hun hulpbudget te verhogen: met 5 miljard dollar structureel per jaar, binnen enkele jaren te realiseren.
Dit was voor het eerst sinds jaren dat de donoren weer meer geld voor ontwikkelingssamenwerking willen uittrekken.

Ownership
De wensen en ideeën van de hulpontvanger moeten centraal staan in de ontwikkelingsrelatie. De praktijk heeft uitgewezen dat van buitenaf opgelegde beleidsadviezen niet werken. ‘Wij’ ontwikkelen geen landen, maar landen ontwikkelen zichzelf. Betrokkenheid van regering, parlement en maatschappelijke organisaties bij het bepalen en uitvoeren van het armoedebeleid is van het grootste belang.In het verleden werd de inhoud van de ontwikkelingssamenwerking veelal bepaald door de donoren. Zij beschikten over het geld en meenden te weten wat goed voor de ontwikkelingslanden was. De laatste jaren is uit verschillende onderzoeken en evaluaties gebleken dat een dergelijke invalshoek weinig oplevert. Internationaal bestaat inmiddels grote consensus over het feit dat ownership in plaats van donorship – de vraag van de ontwikkelingslanden in plaats van het aanbod van de donoren –centraal moet staan in de ontwikkelingsrelatie.Ownership betekent voor Nederland dat de overheid van het ontvangende land – en niet de donoren - de beleidskaders, de prioriteiten en de plannen van aanpak bepaalt. Nederland bepleit dat de overheid zich daarbij baseert op intensieve consultaties met de bevolking. Ook de civil society dient een actieve inbreng te hebben. Overleg met maatschappelijke organisaties, particuliere sector, parlement (inclusief oppositie), deskundigen, onderzoekers, vakbonden en andere sleutelinstellingen moet onderdeel zijn van de formulering en uitvoering van het beleid.Ownership moet echter niet verward worden met absolute eenzijdige zeggenschap over het geld dat donoren overdragen. Ownership zal in de praktijk partnership zijn: een partner is meer dan een adviseur, een partner is iemand die zich op samenwerking richt. Een relatie tussen partners is op vertrouwen gebaseerd. Partnership is vooral ook wederzijdse betrouwbaarheid.

PFM
Zie uitleg bij Public Finance Management

Sectorale benadering/steun
In 1999 koos Nederland voor een omslag naar de sectorale benadering als nieuwe manier van werken in alle landen waarmee een structurele OS-relatie bestaat. Uit een groot aantal evaluaties was gebleken dat de ongecoördineerde, projectmatige hulp uit het verleden de fundamentele oorzaken van armoede en gebrekkige sociale dienstverlening niet kon wegnemen. In de sectorale benadering bieden donoren gezamenlijk meerjarige steun aan de totstandkoming en uitvoering van meerjarig beleid voor een hele sector of subsector, met het partnerland in de leidende rol.Nederland werkt per partnerland samen in twee of drie sectoren. In 2003 is gekozen voor een concentratie op onderwijs, gezondheid (met speciale aandacht voor reproductieve gezondheid en HIV/AIDS), water en milieu. In de beleidsdialoog spits Nederland zich toe op de mate waarin het sectorbeleid ten goede komt aan de armen. Daarbij wordt gelet op sectoroverstijgende aspecten van goed bestuur zoals knelpunten in het begrotingsproces.