Kopie van `Paranormale verschijnselen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Paranormale verschijnselen
Categorie: Religie en filosofie
Datum & Land: 27/04/2007, BE
Woorden: 25


Amulet
Amuletten of 'gelukshangers' zijn voorwerpen die ofwel hun eigenaar geluk brengen of hem tegen kwaad beschermen. Ze kunnen gedragen worden of bewaard worden op een passende plek - bijvoorbeeld boven de haard. In de moderne westerse samenleving zijn de meest voorkomende amuletten het hoefijzer (ijzer verslaat demonen) en de konijnenpoot. De veronderstelde kracht van amuletten schijnt niet in het voorwerp zelf te schuilen maar in de eigenaar, die de amulet gebruikt als focus voor zijn psychische beschermende energieën.

Aura
Levende wezens worden door een elektrisch energieveld omgeven. In de jaren '30 slaagde Harold Saxton Burr erin de 'levensvelden' door middel van elektrische apparatuur te meten: hij kon aantonen dat het levensveld (of L-veld) van een boom wisselde al naargelang de zonnevlekactiviteiten en de fasen van de maan. Aan het einde van de jaren '30 dachten de Kirlians dat zij erin geslaagd waren deze L-velden te fotograferen. Het denkbeeld van een vitale 'aura' gaat vele duizenden jaren terug: de oude Egyptenaren omgaven op afbeeldingen de hoofden van goden of belangrijke mensen soms met halo's: zo ook de Hindoes, Grieken en Romeinen: christelijke heiligen worden eveneens traditioneel afgebeeld met een aureool. Vele eeuwen hebben occultisten en mystici geschreven over een halo dat het gehele menselijke lichaam omgeeft. Phoebe Payne beschrijft in één van haar boeken hoe zij als kind gekleurde uitstralingen om levende wezens kon zien en dacht dat iedereen dat ook zag. Dr. Karagulla, een psychologe, begon een onderzoek naar wat zij 'hogere zintuiglijke waarneming' noemde: zij kwam tot de overtuiging dat een groot aantal gewone huisartsen over het vermogen beschikte het 'levensveld' van hun patiënten te zien, en aan de hand daarvan diagnoses stelde. In de negentiende eeuw werd het denkbeeld van een vitale aura voor korte tijd wetenschappelijk bespreekbaar door een publicatie over het magnetisme, waarin proefnemingen werden beschreven met 'zieke mediums' die allen een rood licht zagen komen uit de zuidpool van een magneet en blauw licht uit de noordpool. Helderzienden konden de aanwezigheid van een magneet door dikke muren heen waarnemen, zelfs wanneer zij sliepen. Men ontdekte dat zij ook licht konden zien stromen uit kristallen en vingertoppen. Rond 1900 trachtte dr.Kilner in Londen de 'aura' wetenschappelijk te bestuderen. Hij beweerde dat wanneer men een mens die tegen een zwarte achtergrond staat door glas, gekleurd met een cyaninekleurstof, bekijkt, de aura die het lichaam omgeeft in drie afzonderlijke lagen gezien kan worden. Hij vond de 'Kilnerbril' uit, die iedereen in staat zou stellen deze aura te zien. Kilner zei dat het lichaam in de eerste plaats door een donkere laag omgeven wordt, waaromheen de 'eigenlijke aura' in twee lagen kan worden gezien. Na zijn dood in 1920 raakte zijn werk in diskrediet. Dr. Karagulla kwam tot de slotsom dat het lichaam wordt omgeven door een fysisch energieveld, met daaromheen een emotioneel veld dat zich ongeveer 45 cm uitstrekt en ten slotte een mentaal veld, dat zich nog eens zo'n 15 cm uitstrekt. Deze theorie stemt overeen met de hindoe-opvatting dat de mens als een energietransformator beschouwd kan worden, die zijn energie op dezelfde manier opvangt als een radioantenne dat doet met signalen uit de omgevende 'ether'. Wetenschappelijk bewijsmateriaal duidt steeds meer in de richting dat de 'aura' werkelijk bestaat - hoewel er hier de nadruk op moet worden gelegd dat hier geen 'occulte' gevolgtrekkingen aan verbonden kunnen worden.

Automatisch schrijven
Het spreken en schrijven in trancetoestand werd aan het einde van de 18e eeuw populair, zelfs toen werd erkend dat veel van het materiaal uit de onderbewuste geest van de spreker of schrijver kwam. Maar sommige geschriften heetten het dictaat van geesten te zijn. In 1852 vond Planchette een potlood op wieltjes uit om het automatisch schrijven te vergemakkelijken, en dit werd buitengewoon populair. Het ouija-bord (van oui en ja, Frans en Nederlands voor ja), een driepoot op rollers, die zich onder de druk van de hand beweegt om verschillende letters aan te wijzen, was ook veel in gebruik. Het was een ouija-bord dat tijdens een 'seance' in St. Louis in 1913 te kennen gaf een geest te zijn die Patience Worth heette: het dicteerde enkele interessante historische romans, waarvan het inzicht in vroegere tijdperken geschiedkundigen intrigeerde: volgens hen ging dit de vermogens van het 'medium' waardoor het ontvangen werd verre te boven. Zoals zo veel automatische schrifturen zijn de romans van Patience Worth waarschijnlijk in hoofdzaak van belang als bewijs van de opmerkelijke vermogens van het onderbewuste.

Bezetenheid
Volgens de psychiater William Sargant was 'bezetenheid' een klinisch probleem en verder niets. In een groot aantal gevallen is dit ongetwijfeld waar, zoals Aldous Huxley duidelijk maakte in 'De duivels van Loudon', waarin de nonnen die kronkelend over de vloer in hun klooster godslasteringen uitten, ongetwijfeld alleen maar 'bezeten' waren van een onbewust seksueel verlangen naar hun geliefde biechtvader Urbain Grandier. Hun gedrag kwam overeen met dat van moderne tieners bij een popconcert. Maar niet elke bezetenheid kan zo eenvoudig worden verklaard. Om te beginnen bestaat er interessant bewijsmateriaal voor wat 'de overdracht van persoonlijkheid' genoemd zou kunnen worden. In 1877 begon de dertienjarige Lurancy Vennum geregeld stuiptrekkingen te krijgen en in trance te geraken. Onder hypnose vertelde zij de dokter dat zij problemen had met boze geesten, maar dat een 'engel' die Mary Roff heette, had aangeboden haar te beschermen. Al spoedig begon Lurancy gedetailleerde herinneringen te krijgen uit het leven van Mary Roff, een meisje dat in dezelfde stad, Watseka, gestorven was, een jaar nadat Lurancy werd geboren. Mary Roffs familie was zo overtuigd door deze 'herinneringen' dat Lurancy bij hen mocht komen wonen: na drie maanden hield de 'bezetenheid' op en kon Lurancy weer terug naar huis. Het geval is bijzonder goed gedocumenteerd, evenals een overeenkomstig geval, dat van Jasbir Lal Jat (zie *reïncarnatie). Het is vermeldenswaardig dat in beide gevallen de 'bezittende' persoonlijkheid stierf nadat de 'bezeten' persoon geboren werd. Gevallen van multipele persoonlijkheid bieden vaak hetzelfde interessante probleem, namelijk dat een van de 'persoonlijkheden' vaak veel rijper is dan de patiënt zelf. Jung beschouwde van nabij het geval van een nichtje, dat in trance kon geraken en dan met verschillende stemmen sprak, sommige mannelijk. Een persoonlijkheid, een vrouw die Ivenes heette, gaf voor 'de ware S.W.' te zijn (de initialen die Jung zijn nichtje gaf) en was duidelijk veel 'volwassener' dan het vijftienjarige meisje. Zij stierf overigens toen zij in de twintig was, hetgeen Jung ertoe bracht zich af te vragen of zij haar eigen dood voorzag en dit min of meer compenseerde door haar 'toekomstig zelf' een kans op leven te geven. Veel gevallen van zogenaamde bezetenheid zijn ongetwijfeld een soort 'Poltergeistverschijnsel'. De roman 'De exorcist' is gebaseerd op het geval van Douglas Deen, een veertienjarige jongen uit Washington. Allerlei soorten poltergeistverschijnselen vonden in zijn huis plaats - aardewerk dat kapot werd gegooid, meubelen die uit zichzelf bewogen enzovoort. Terwijl hij sliep, ging zijn bed hevig schudden: toen pogingen tot uitdrijving gedaan werden, begon de jongen te vloeken en schelden. De priester die het exorcisme uitvoerde, zegt dat Douglas vaak in het Latijn sprak, hoewel hij die taal nooit had geleerd. Maar afgezien hiervan - hij zou onbewuste herinneringen kunnen hebben aan Latijn dat hij eens gehoord had - klinkt het geval toch als een typisch poltergeistverschijnsel, dat bijna zeker voortkomt uit dat 'andere zelf' in de rechterhersenhelft. Als wij de mogelijkheid van leven na de dood kunnen aanvaarden, worden veel gevallen zeker gemakkelijker te verklaren. Alan Vaughan beschreef in 'Patterns of Prophecy' hoe hij 'bezeten' werd door de 'geest' van een huisvrouw in Nantucket, nadat hij enkele keren een ouija-bord had gebruikt: ten slotte werd hij 'ontzet' met behulp van een andere 'geest' die door een vriend was opgeroepen. Interessant is dat hij op het moment van de 'ontzetting' plotseling in de toekomst kon zien. Wij moeten ook de mogelijkheid onder ogen zien dat er sprake kan zijn van zoiets als bezetenheid door vreemde entiteiten. Velen die uittredingen hebben meegemaakt, vermeldden ontmoetingen met onaangename of kwaadaardige entiteiten in hun 'lichaamloze' toestand. Maar in de meeste gevallen van bezetenheid moet een oordeel open blijven. Het geval van Michael Taylor, uit Barnsley in het Engelse Yorkshire, is typerend. In september 1974 werden Taylor en zijn vrouw Catherine lid van een christelijke broederschap. Op een bijeenkomst van deze groep begon een tweeëntwintigjarige onderwijzeres, Marie Robinson, 'in tongen te spreken', waarna een groepsexorcisme plaatsvond waarbij ook Taylor 'in tongen' begon te spreken - een verschijnsel dat als glossolalie bekend staat. Enkele dagen later verkondigde Taylor - die een depressie had omdat hij geen betrekking kon vinden - dat hij door de duivel bezeten was: hij werd gewelddadig en lawaaiig. Ten slotte besloot de plaatselijke dominee dat hij van boze geesten bevrijd moest worden, en zes geestenuitdrijvers voerden zes uur lang ceremonies uit in de sacristie van de kerk. Volgens hen hadden zij Taylor van minstens veertig duivels bevrijd. Maar toen Taylor met zijn vrouw naar huis terugkeerde, viel hij haar aan en rukte haar tong en ogen uit: naderhand werd hij naakt en bewusteloos op straat gevonden. Berecht wegens moord op zijn vrouw, werd hij onschuldig bevonden en naar Broadmoor (misdadigerskrankzinnigengesticht) gestuurd. Maar klaarblijkelijk hadden de 'demonen' hem verlaten. Naderhand werd hij vrijgelaten om voor zijn kinderen te zorgen. In Chicago begon onlangs een vrouw uit de Filippijnen, getrouwd met een arts, te spreken met de stem van een Filipinoverpleegster, Teresita Basa, die door een onbekende aanvaller in haar flat was vermoord en zij noemde de naam van de moordenaar. De man - Allen Showery, een collega van de vermoorde vrouw in het Edgewaterziekenhuis - werd gearresteerd, bekende, en werd berecht, waarbij het getuigenis van de doktersvrouw werd toegelaten.

Dromen en visioenen
In maart 1893 getroostte V. Hilprecht van de universiteit van Pennsylvania zich enorme inspanning om een spijkerschrifttekst op twee kleine stukjes agaat te ontcijferen. Uitgeput ging hij naar bed en droomde dat een priester van Nippoer hem een schatkamer binnenleidde, waarin een houten kist stond en stukjes agaat en lapis lazuli op de grond lagen. De priester zei hem dat de twee fragmenten die hij op twee afzonderlijke bladzijden van zijn boek gepubliceerd had in feite samenhoorden en dat het geen vingerringen waren. Het waren oorringen, uit een votiefrol gesneden: en volgens de priester moest er ergens nog een derde stuk van de rol zijn. Hilprecht werd wakker en haastte zich naar zijn eigen boek. En inderdaad zag hij op de twee genoemde bladzijden twee fragmenten die samenpasten: bovendien bevestigde de inscriptie wat de priester had gezegd. Hier hebben wij blijkbaar een voorbeeld van het vermogen van 'onbewuste waarneming' in dromen - het onderbewuste van Hilprecht had opgemerkt dat de twee fragmenten bij elkaar hoorden. Maar deze theorie verklaart één vreemd feit niet. Later dat jaar vond hij in het museum van Constantinopel het derde fragment. Het is voorstelbaar dat zijn onderbewuste het verband tussen de twee fragmenten had opgemerkt: maar hoe wist het van het bestaan van een derde fragment af? Freuds erkenning dat dromen uitingen van het onderbewuste zijn, betekende een fundamentele doorbraak. Maar de erkenning, veel later, dat de rechter- en linkerhersenhelften verschillende functies hebben, was misschien nog belangrijker, want daaruit vloeide het besef voort dat terwijl 'jij' in de linkerhelft woont, het 'rechterego' feitelijk iemand anders is. Bovendien bestaat er bewijs voor het standpunt dat deze andere persoon toegang heeft tot paranormale informatie en paranormale vermogens kan uitoefenen (zie: wichelroedelopen, poltergeistverschijnselen,) . De 'visionaire gave' heeft uiteraard nauwe verwantschap met het dromen. William Blake zei dat hij de onderwerpen van zijn tekeningen zelfs pure fantasieonderwerpen, zoals de geest van een vlo - zo duidelijk kon zien alsof zij aanwezig waren. Zo kon de uitvinder Tesla in zijn hoofd berekeningen op een schoolbord maken, en zijn uitvindingen zo duidelijk visualiseren dat ze volkomen echt leken. In beide gevallen waren de vermogens van de rechterhersenhelft abnormaal ontwikkeld - of misschien kwam de linkerhelft minder tussenbeide. Tesla stierf in zijn kinderjaren bijna aan een ernstige ziekte: het is opmerkelijk dat zo veel helderzienden hun vermogens ten gevolge van ziektes of ongelukken verkregen. Voorspellende dromen zijn uitvoerig bestudeerd. P.D. Ouspensky raakte in 'occulte' onderwerpen geïnteresseerd doordat hij al in zijn jeugd belang stelde in dromen. Hij ontdekte dat het mogelijk was in een halve waaktoestand te blijven waarin dromen gewoon doorgingen en bestudeerd konden worden (de 'halfslaap'). Ouspensky's besef dat dromen gewoon doorgaan terwijl wij blijkbaar 'klaarwakker' zijn, bereidde hem voor op de stelling dat mensen in essentie slapen, zelfs wanneer zij denken wakker te zijn. Een belangrijke studie over dromen werd in 1913 gepubliceerd door de Nederlandse schrijver en zenuwarts Frederik van Eeden. Hij zei dat zijn eigen lucide dromen vaak gedurende meerdere nachten werden voorafgegaan door dromen over vliegen. In een van de heldere dromen, waarin hij prachtige landschappen zag die volkomen werkelijk leken, zei iemand hem dat hij van een grote som geld beroofd zou worden, een voorspelling die juist bleek. Van Eeden merkte ook op dat als hij droomde op zijn buik te liggen - terwijl hij wist dat hij op zijn rug in bed lag, hij zelf langzaam wakker werd en de gewaarwording meemaakte van het ene lichaam - dat op zijn buik lag in het andere te glijden. Dit overtuigde hem van het bestaan van wat hij 'het droomlichaam' noemde. Hij ging ingespannen proberen heldere dromen op te wekken door er geconcentreerd aan te denken voordat hij in slaap viel. Al spoedig kreeg hij dit onder de knie en hij raakte ervan overtuigd dat zijn 'droomlichaam' in deze toestand ook werkelijk andere plekken bezocht.

Dubbelgangers
Dubbelgangers, 'verschijningen van levende mensen' zijn de meest bekende, maar ook de meest raadselachtige vormen van 'verschijningen' ( zie spoken). De Engelse occultist Lewis Spence heeft de dubbelganger beschreven als 'de etherische tegenhanger van het fysieke lichaam, die zich ... tijdelijk in de ruimte kan ophouden. . .' In zijn autobiografie schrijft de Ierse dichter W.B. Yeats: 'Op een middag ... dacht ik heel intens aan een medestudent voor wie ik een boodschap had. Na enkele dagen kreeg ik een brief afkomstig van een plaats op honderden kilometers afstand, waar de student zich bevond. Op de middag dat ik zo intens aan hem had gedacht was ik daar plotseling tussen een menigte mensen in een hotel verschenen en ik scheen zo solide alsof ik van vlees en been was. Mijn medestudent was de enige die me had gezien, en hij had me gevraagd terug te komen als de anderen weg waren. Ik verdween daarop, maar kwam midden in de nacht terug om hem de boodschap te geven. Zelf had ik geen idee van beide verschijningen.' Op het eerste gezicht klinkt dit alsof Yeats' verlangen de boodschap over te brengen telepathisch contact met de student had teweeggebracht, maar aangezien hij - op verzoek - terugkwam om de boodschap over te brengen, lijkt dit onwaarschijnlijk. De 'dubbelganger' gedroeg zich als iemand met een eigen wil. En dat is in dergelijke gevallen een van de vreemdste problemen: het lijkt alsof de 'dubbel' geen enkel verband heeft met het bewuste ego, en hem zelfs moeilijkheden en last kan veroorzaken. Emilie Sagée, een aantrekkelijke Franse schooljuffrouw, raakte tussen 1829 en 1845 achttien keer haar baan kwijt, omdat haar 'astrale dubbel' de gewoonte had naast haar te verschijnen, tot grote schrik van haar leerlingen. Tijdens een van deze gelegenheden was Emilie in de tuin, voor iedereen zichtbaar, bloemen aan het plukken. Plotseling verscheen de vorm van Emilie in de stoel van een lerares die even was weggegaan. Twee meisjes probeerden haar aan te raken, en zeiden dat zij als mousseline aanvoelde. Emilie zei later dat zij de klas had binnengekeken, had opgemerkt dat de lerares was weggegaan en zich bezorgd had gemaakt over de orde: klaarblijkelijk was de 'dubbel' dus een spontane 'projectie', ongewild en niet bedoeld. Een meisje had opgemerkt dat de 'echte Emilie' in de tuin heel bleek was geworden toen haar dubbel in de klas verscheen. Zo wist ook de Engelse romanschrijver Cowper zich te projecteren in de huiskamer van zijn Amerikaanse vriend en collega. Zij hadden samen gegeten en de vriend ging gehaast weg om de trein terug naar zijn woonplaats te halen. Bij het weggaan zei hij tot Dreiser dat hij naderhand weer zou 'verschijnen'. Dreiser dacht dat hij een grapje maakte. Twee uur later keek Dreiser van zijn boek op en zag Cowper in de deuropening staan. Hij stond op en zei: 'Wel, je hebt je aan je woord gehouden - maar zeg me nu hoe je dat deed.' Toen hij naar Cowper toeliep, verdween deze. Hij belde ogenblikkelijk Cowper thuis op, maar deze weigerde, toen en ook later, te zeggen 'hoe hij dat deed'. Als theorie bij de al genoemde hypothese betreffende 'links en rechts' zouden wij kunnen zeggen dat 'dubbelgangers' in principe beelden zijn die door de rechterhersenhelft op het onbewuste worden geprojecteerd.

Galactische Club
Als er buitenaardse beschavingen zijn, waar zijn zij dan allemaal? Een antwoord is dat als zij van ons af weten, zij zich opzettelijk onthouden van antwoorden. Ronald Bracewell heeft geopperd dat er een Galactische Club zou kunnen bestaan, een alliantie van intelligente levensvormen die gewend zijn geraakt aan het verschijnen van nieuwe beschavingen. Daardoor zouden zij er ook de nodige ervaring mee hebben en zouden zij willen vermijden een verrijzende beschaving te vernietigen door een te vroeg contact: er zijn talloze voorbeelden in onze eigen recente geschiedenis van primitieve samenlevingen die verwoest werden door de aanraking met meer geavanceerde beschavingen. Er is geopperd dat, als de Galactische Club van ons af weet, zij kan wachten totdat wij problemen als overbevolking en oorlog, die onze beschaving kunnen vernietigen, hebben opgelost, alvorens ons te beschouwen als geschikt voor contact, net zoals mensen aan bepaalde eisen moeten voldoen voordat zij kunnen worden toegelaten tot een universiteit. Het is best mogelijk dat een buitenaardse beschaving op dit ogenblik een radioboodschap naar ons uitzendt, maar onze kansen deze te ontvangen zijn gering. Er zijn immers duizenden sterren waar zo'n boodschap vandaan zou kunnen komen, en bovendien weten we niet op welke golflengte wij moeten luisteren. En eigenlijk doen we ook niet veel moeite om signalen te ontvangen. Wel zijn er plannen gemaakt voor een stelsel dat meer dan duizend radiotelescopen zou omvatten, maar tot op vandaag is het idee nog niet uitgewerkt.

Handleeskunde
Het lezen van de hand is een oude occulte wetenschap die gebaseerd is op de studie en interpretatie van de lijnen in de handpalmen en de vleeskussentjes bij de vingers en de duim. Chirologen leggen er de nadruk op dat het ingewikkeld is, dat interpretaties op een combinatie van factoren gebaseerd zijn, dat de lengte van een lijn of de verdikking van een vleeskussentje op zichzelf niet voldoende is om het karakter en de bestemming van iemand te beoordelen, en dat een grondige lezing de karakteristieken van beide handen in ogenschouw moet nemen. Als wij dit in gedachten houden, kunnen wij de eerste principes van het handlezen beschouwen, gebaseerd op de interpretatie van de vier belangrijke lijnen die in de handpalm gegrift zijn. Relevante factoren zijn lengte en diepte, of zij recht zijn dan wel afwijken, en of zij door andere lijnen gekruist worden. In het algemeen duidt een lange en diepgegroefde levenslijn, die zich met een bocht uitstrekt van ongeveer het midden van de handpalm tussen de duim en de wijsvinger tot ongeveer het midden van de pols, op een tendens tot lang leven en een sterk gestel. Als de lijn rechtuit loopt, wijst dat op een koude en zelfzuchtige instelling, en als de lijn door andere gekruist wordt, duidt dat op het voorkomen van belemmeringen en hinderpalen in het leven. Soms is de lijn gebroken, en dit duidt op het voorkomen van ernstige ziekten gedurende het leven. De lotslijn wordt niet in alle handen aangetroffen, en soms slechts in een van de handen. Als dit de linkerhand is, wil dit zeggen dat iemand zijn eigen lot zal vormen, en als het de rechterhand is, geeft dat aan dat zijn leven zal worden bepaald door omstandigheden en erfelijke invloeden. Als iemands hoofdlijn recht over de handpalm gaat, zal hij geneigd zijn een realistische instelling te hebben: als deze met een bocht omlaag gaat, zal hij waarschijnlijk en creatief type zijn. De lengte van de hartlijn toont de mate van gevoeligheid aan. Omlaaggaande lijnen duiden op het voorkomen van afgebroken verhoudingen, terwijl opgaande lijnen wijzen op een neiging vrienden te maken en te houden.

Helderziendheid
Helderziendheid stelt iemand in staat dingen te zien die in feite niet voor de gezichtszintuigen aanwezig zijn. De welbekende helderziende Bert Reese werd wegens 'orde verstorend gedrag' gearresteerd en bevolen zijn vermogens ter plekke te tonen. Hij vroeg de rechter iets op drie papiertjes te schrijven, die tot propjes te vouwen en ze goed door elkaar te schudden: daarna werd de rechter gevraagd elk propje afzonderlijk tegen het voorhoofd van Reese te houden. Reese kon vertellen wat er op elk van de drie papiertjes stond. Hij werd vrijgesproken. Helderziendheid is slechts een ontwikkelde vorm van intuïtie van de rechterhersenhelft. Als deze theorie correct is, is die 'ander' die in de rechterhersenhelft woont, van nature helderziend. Maar zijn inzichten worden door het 'praktisch' ego van de linkerzijde onderdrukt, dat zich slechts om het heden bekommert. Om helderziende vermogens te activeren volstaat het - in theorie - slechts de tussenkomst van de linkerhersenen te onderdrukken door deze tot rust te 'sussen'. De oudst bekende methode om dit te doen was het staren in water, of in een kaarsvlam. Het is duidelijk dat deze methoden neerkomen op zelfhypnose: het is dus niet verrassend dat hypnose even goed werkt. Dit werd in het begin van de 19e eeuw ontdekt. Puységur, de ontdekker van de hypnose, constateerde dat deze telepathie of helderziendheid kon teweegbrengen: hij bracht bijvoorbeeld een meisje, Madeleine, in trance, om dan zelf naar een voorwerp in de kamer te staren. Madeleine ging er dan met dichte ogen heen en raakte het aan. Strenge controles overtuigden sceptici dat er geen trucs in het spel waren. (Een van hen staarde haar een paar seconden aan waarna zij, als reactie op een mentaal bevel, drie schroefjes uit zijn zak haalde.) Een van de bekendste hypnotische mediums was Alexis Didier. Zijn vader was gehypnotiseerd geweest en raakte vaak spontaan in trance. Didier ontdekte dat als zijn vader hardop de krant las terwijl hij in trance raakte, hij gewoon door bleef lezen als de krant hem werd afgepakt. Didier zelf kon geblinddoekt kaartspelen. Hij gaf ook demonstraties van helderziende reizen, waarbij hij de woning van zijn ondervrager betrad en deze in details beschreef. In het midden van de 19de eeuw had de medische wereld als mening aangenomen dat het onzin was te veronderstellen dat hypnose paranormale vermogens kon teweegbrengen - een bewering die in de meeste moderne werken over hypnose nog kan worden aangetroffen.

Hypnose
Op een dag in 1780 probeerde markies de Puységur een boer van een kwaaltje te genezen door hem te 'magnetiseren'. De 21-jarige schaapherder werd aan een lindeboom gebonden en De Puységur maakte daarna met een grote magneet strijkbewegingen over zijn hoofd en lichaam met de bedoeling een bepaalde mysterieuze vitale energie rond het lichaam te doen stromen. Tot De Puységurs verbazing viel de schaapherder in slaap. De Puységur beval hem wakker te worden en zichzelf los te binden: Race deed dit zonder zijn ogen te openen. De Puységur kon zien dat hij een trancetoestand had teweeggebracht, maar hij stond verbijsterd over de aard ervan. Hij had, uiteraard, het 'hypnotisme' ontdekt (van het Griekse woord hypnos, slaap). En voor de medische stand is de aard ervan nog altijd een mysterie. Toch schijnt de erkenning dat er letterlijk twee verschillende personen in ons hoofd wonen - een in de linker-, en de andere in de rechterhelft van onze hersenen - een duidelijke verklaring te bieden. Het is duidelijk dat tijdens de hypnose het bewuste ego - de 'ik' die in de linkerhersenhelft gesitueerd is - in slaap valt. Het feit dat er nog altijd 'iemand daar' is om bevelen uit te voeren, maakt het even duidelijk dat dat die 'andere' persoon is die in de rechterhersenhelft woont. Gedurende de negentiende eeuw raakte hypnotisme zodanig in diskrediet, dat elke medicus die het serieus durfde te nemen het risico liep belachelijk te worden gemaakt. De verwerping door de medische wereld was gedeeltelijk ook te wijten aan het geloof van occultisten en 'spiritisten' dat de hypnose bijna magische uitwerking kon hebben. Geloofd werd dat er helderziendheid door teweeg werd gebracht, en het bewijs hiervoor is nogal steekhoudend. Freud kwam diep onder de indruk van demonstraties met hypnose: hij besefte onmiddellijk dat er een veel krachtiger deel van de geest is dan de bewuste wil. Een vrouw kon niet welbewust haar buik doen opzwellen in een 'schijnzwangerschap': een groot verlangen om zwanger te worden kon dat wel. Freud concludeerde dat deze onbekende geest het 'onderbewustzijn' was. En hij deed nog een belangrijke veronderstelling: dat als de onderbewuste geest veel krachtiger is dan het bewuste, het onderbewuste de ware meester moet zijn - het onbekende zelf dat het poppetje doet dansen, zo te zeggen. Deze veronderstelling werd de basis van de psychoanalyse. Is de rechterhersenhelft de zetel van het onderbewuste? Het schijnt heel duidelijk dat het rechterbrein in elk geval de poort naar het onderbewuste is. Wat wél duidelijk lijkt, is dat de rechterhersenen de intuïtieve helft van de mens zijn en als zodanig zijn energietoevoer schijnen te beheersen. Wanneer je vermoeid bent van een zware dag in een kantoor (linker-breinwerk) moet je je ontspannen, misschien door naar muziek te luisteren (rechter-breinwerk) of op een andere manier het gestaltvermogen, het kunnen herkennen van patronen en doeleinden, ertoe te zetten zich te oefenen. Vijf minuten diepe aandacht kunnen vitaliteit en energie herstellen. Na Freud was de hypnose niet langer een ondergeschoven kind in de medische wetenschap. In de laatste jaren heeft men ontdekt dat ongeveer vijf procent van de mensheid 'diepe-trancepersonen' zijn en dat de meest verrassende hypnotische effecten bij dergelijke mensen kunnen worden teweeggebracht: dat bijvoorbeeld hun wratten door suggestie kunnen worden genezen. Wat nog vreemder lijkt, is dat iemand die gelooft door een heet stuk ijzer te zijn aangeraakt een blaar kan krijgen, terwijl iemand die wél door gloeiend ijzer is aangeraakt, maar verteld wordt dat het een stuk ijs is, geen blaar hoeft te krijgen. Kortom, het lijkt alsof de mens inderdaad een fundamentele beheersing over zijn autonome zenuwstelsel heeft, hoewel deze beheersing niet bewust is. Als derhalve bepaalde paranormale vermogens, zoals helderziendheid of polter-geistverschijnselen te maken hebben met de 'onderbewuste geest , is er niets onlogisch aan de opvatting dat zij door hypnose kunnen worden bewerkstelligd. In welk geval wij onze afwijzende ideeën over sommige 19de-eeuwse experimentatoren, die ervan overtuigd waren dat de hypnose wellicht met het 'bovennatuurlijke' te maken had, moeten herzien. In elk geval is het meest interessant en opwindend aan de hypnose dat duidelijk wordt aangegeven dat wij over vermogens beschikken die normaal gesproken niet toegankelijk zijn voor onze 'persoonlijke beheersing'. Toch zijn zij blijkbaar wél toegankelijk voor de hypnotiseur. Hoe komt dat? Het antwoord is uiteraard dat hij een 'gezaghebbende figuur' van buitenaf is, en dat als hij dat 'andere zelf' (wat George Groddeck het 'Es' of 'Het' noemde) zegt dat het toegang heeft tot enorme vermogens, dit prompt gehoorzaamt. Waarom gehoorzaamt het dan niet aan ons linkerbreinego als dit dergelijke bevelen geeft? Omdat het dit niet gelooft. Het linkerbrein is te zwak: het mist vertrouwen.

Leven na de dood
Wij zijn ons er allen van bewust dat de 'persoonlijkheid' gevormd wordt door ervaring en sociaal contact, en daarom zo te zeggen een 'kunstproduct' is. Waarom zou dit dan de dood overleven? Aan de andere kant weet elke moeder dat de persoonlijkheid van haar kind ingebakken is vanaf de eerste ademhaling. Een van de meest interessante argumenten voor het 'voortbestaan' is wel dat bij gevallen van multipele persoonlijkheid totaal verschillende persoonlijkheden hetzelfde lichaam kunnen bewonen, wat aangeeft dat de persoonlijkheid niet slechts een voortbrengsel van lichamelijke processen hoeft te zijn. Alle beschavingen hebben aangenomen dat de 'geest' het lichaam overleeft. Veel vooraanstaande mediums werden bestudeerd, van wie de meest opmerkelijke mevrouw Piper was. De meeste serieuze onderzoekers kwamen tot de slotsom dat zij oprecht was en dat 'geesten van de doden' werkelijk via haar spraken. Het grootste probleem met mediums is dat zelfs als zij oprecht zijn, zij hun informatie telepathisch zouden kunnen verkrijgen. Toch schijnt dit in enkele gevallen onmogelijk. Dit bewijst het volgende voorbeeld. Iemand werd door een vrachtwagen overreden en stierf drie dagen later zonder bij bewustzijn te zijn geweest. In een seance werd jaren later de broer van de man door het medium meegedeeld dat zijn broer aanwezig was. De dode man vertelde hem dat hij niet door een schedelbreuk gestorven was, maar dat het 'uit de beenderen kwam'. Jaren later werden de feiten in het ziekenhuisrapport opgezocht, waarna inderdaad bleek dat de dood was veroorzaakt door een bloedvatverstopping in de hersens, te wijten aan een trombose in de onderbenen. Telepathie schijnt hier onmogelijk. Een andere wetenschapper maakte een studie van sterfbedvisioenen nadat hij ontdekt had dat vele mensen die op het punt stonden dood te gaan, ervan overtuigd zijn dat dode bloedverwanten de kamer binnenkomen om hen naar de andere kant te helpen. Hij raakte vooral onder de indruk van een vrouw die in het kraambed in een ziekenhuis van Clapton stierf. Haar was niet verteld dat haar zuster was gestorven nadat zij in het ziekenhuis was opgenomen, maar toch staarde zij vlak voor haar dood verbijsterd ergens naar en zei dat haar overleden vader met haar zuster, die zij nog in leven waande, de kamer was binnengekomen. Men maakte eveneens een uitgebreide studie van mensen die op het punt hebben gestaan te sterven en soms medisch dood waren verklaard en daarna 'terugkwamen'. Steeds weer zijn deze mensen ervan overtuigd dat zij hun lichaam hebben verlaten, dat zij huilende verwanten hebben gezien, enz. en dat zij zich bewust zijn van hun voortgezet bestaan 'buiten het lichaam'. Veel gevallen lijken op dat van Bertrand, een protestantse dominee. Hij was in Zwitserland met een groep mensen bergen aan het beklimmen: op een gegeven ogenblik liet hij de anderen een top bestijgen terwijl hij achterbleef om een pijp te roken. Hij had de koude onderschat en plotseling besefte hij dat hij zich niet meer kon bewegen. Terwijl alle gewaarwordingen zijn lichaam verlieten, zat hij daar en merkte op dat hijzelf in de lucht zweefde, met een soort koord aan zijn lichaam verbonden. Hij kon zien hoe de anderen de berg opklommen, en merkte op dat zij een ander pad naar de top hadden ingeslagen dan hij had aangeraden. Ook zag hij dat de gids stiekem van een fles Madeirawijn dronk en een kippenboutje stal. Even later kwam de groep terug en vond hem 'dood'. Zij wisten hem te doen herleven door zijn lichaam met sneeuw in te wrijven. Bertrand vond het niet prettig tot het leven te worden teruggebracht, een reactie die verrassend algemeen is in veel van deze gevallen: hij vond het aangenaam 'dood' te zijn. Eenmaal herleefd, kon hij de groep zeggen dat zij zijn instructies over de juiste route niet hadden opgevolgd, en hij kon de gids confronteren met de diefstal van het kippenboutje. Ook had hij in zijn 'dode' toestand 'gezien' dat zijn vrouw in zijn afwezigheid een dag eerder dan bedoeld een reis naar Luzern had ondernomen. Dit is natuurlijk geen bewijs voor het voortbestaan: het is mogelijk dat Bertrand alleen maar een uittredingservaring had meegemaakt. Maar zeker is het dat dergelijke gevallen het bewijs dat er sprake kan zijn van 'voortbestaan' ondersteunen. In 1960 besloot een Amerikaanse psycholoog 'sterfbedhallucinaties' te onderzoeken en hij zond enquêteformulieren naar duizenden artsen en verpleegkundigen. Hij ontdekte dat deze 'hallucinaties' in de diverse culturen niet verschillen. De meeste mensen schijnen een staat van vrede en gelukzaligheid te ervaren, die ongeveer twee uur voor de dood aanvangt: in veel gevallen was de patiënt ervan overtuigd dat gestorven bloedverwanten bij zijn bed waren aangekomen. Hij beantwoordde de tegenwerping dat dit wensdenken zou kunnen zijn met het feit dat velen er hevig tegen hadden geprotesteerd door hun verwanten te worden meegenomen. Het is jammer dat de opvatting van het 'voortbestaan' voor zovelen onaanvaardbaar is geworden door het naïeve enthousiasme van 'spiritisten', die de christelijke leer van hemel en hel tot iets gezelligs en aangenaams hebben gemaakt Toch zijn veel bewijzen indrukwekkend.

lycantroop/lycantropie
Het woord lycantropie suggereert dat weerwolven niet bestaan, want een lycantroop is letterlijk iemand die denkt een wolf te zijn. Toch worden weerwolven al voor onze jaartelling beschreven. Ovidius beschreef de metamorfose van een koning: 'Tevergeefs trachtte hij te spreken: vanaf dat ogenblik bespatte schuim zijn kaken, en hij dorstte naar bloed, raasde door kuddes en hijgde naar slachtingen. Zijn kleren waren in haar veranderd, zijn ledematen bogen naar binnen: een wolf, die nog de trekken van zijn vroegere zelf had. Grauw als tevoren, dol en met woest schitterende ogen, het toonbeeld van razernij.' Dit biedt een aanknopingspunt: misschien was het 'dolle' uiterlijk letterlijk aan hondsdolheid te wijten. Een eeuw later gaf Petronius een ander, minder verklaarbaar voorbeeld, maar met de klassieke elementen van de legende. De bediende van een officier op reis was verbijsterd te zien hoe deze zich uitkleedde en in een wolf veranderde. Toen de bediende bij een boerderij kwam, werd hem verteld dat een wolf was binnengebroken, vee had gedood en met een zwaard moest worden verjaagd. Zich terughaastend naar de weg zag hij dat de kleren van de officier verdwenen waren, maar op dezelfde plek lag een plas bloed. Thuis vond hij zijn heer die verzorgd werd voor een zwaardwond in de hals. In Auvergne werd een dergelijk verhaal in 1558 verteld. In dit geval had een jager een edelman beloofd een deel van zijn jachtbuit te komen brengen, maar hij werd aangevallen door een wilde wolf die hij verdreef door een van de poten af te hakken. Hij zocht de edelman op om hem het verhaal te vertellen, en hij haalde de afgehakte poot als bewijs uit zijn wildtas om te ontdekken dat deze een tere vrouwenhand geworden was. De schrik van zijn vriend was groter dan de zijne, want deze herkende een ring aan een van de vingers, stormde de trap op naar zijn vrouw en zag dat zij een verband om de stomp van haar pols bond. Na bekend te hebben, werd zij verbrand. Verrassend vaak werden bekentenissen afgelegd: ongetwijfeld zijn veel onschuldige mensen gemarteld en veroordeeld. Zelden werd geopperd dat de aanvaller een echte wolf kon zijn geweest! De legende kan ook zijn aangewakkerd door ouders die hun kinderen wilden waarschuwen tegen boswandelingen in de avond. Er zijn natuurlijk ook bewezen gevallen van achtergelaten kinderen die door wolven werden opgevoed. De wolfskinderen van Midnapore, in 1920 gered, en de 'wilde jongen' die in 1797 in een Frans woud werd aangetroffen, zijn beroemde voorbeelden van een dergelijke kinderopvang: als zo'n mensengedaante op handen en voeten in een troep wolven gezien werd, werd de legende uiteraard bekrachtigd. Al wordt de legende van weerwolven tegenwoordig niet meer geloofd, toch blijft ze nog fascineren.

Mediums
Mediums worden door spiritisten gezien als bemiddelaars tussen de levenden en de doden. Een van de opmerkelijkste was Edward Kelley. Kelley schijnt in een lichte trance te zijn gegaan, soms door kristalkijken, waarbij hij contact met 'geesten' kreeg, vaak via een 'gids'. De gezusters Fox waren de eerste erkende 'mediums' van de moderne tijd. Ook een zekere Home werd hierdoor bekend. Homes vermogens - levitatie bijvoorbeeld - lijken op poltergeistverschijnselen, waarvan naderhand paranormale onderzoekers beseften dat zij in het onderbewuste van levende mensen ontstaan. Toch was Home er zelf volkomen van overtuigd dat zijn vermogens van de geesten der doden kwamen, en veel is er om dit geloof te bekrachtigen. Hij had bijvoorbeeld in een kamer in een Italiaans huis een gesprek met een 'spook' dat Italiaans sprak: toch was zijn Italiaans gebrekkig en hij moest de opmerkingen van de geest laten vertalen. Leonora Piper besefte als kind dat zij 'mediamiek' was, toen een stem in haar hoofd ging spreken en zei dat ze 'Tante Sara' was - van wie men naderhand ontdekte dat zij op precies datzelfde moment overleden was. Toen zij even in de twintig was, consulteerde zij een helderziende dokter, viel spontaan in trance en krabbelde woorden op een vel papier dat zij aan een rechter in dezelfde kamer overhandigde: het was een boodschap van zijn gestorven zoon. Zij werd al snel befaamd, maar weigerde experimenten met haar mediumschap te laten uitvoeren totdat de schoonmoeder van James contact met haar opnam. Haar resultaten waren zo opmerkelijk dat James geïnteresseerd raakte en door haar klaarblijkelijke oprechtheid 'bekeerd' werd. Toen James niet langer haar seances leidde, kwam Richard Hodgson uit Engeland over: hij was een scherpzinnig jager op fraude: hij liet Piper door een privé-detective volgen om zich ervan te verzekeren dat zij haar informatie niet 'op normale wijze' verkreeg. Zij mocht geen kranten lezen en de meeste mensen die voor haar 'zaten', waren haar onbekend. Zij doorstond alle tests. Zouden mediums informatie telepathisch van hun aanzittenden kunnen verkrijgen, of zelfs van mensen die niet aanwezig zijn? Het is moeilijk een grens te trekken tussen helderzienden en 'paragnosten' die een voorwerp kunnen betasten en 'paranormale' informatie verkrijgen, en mediums als Piper. Toch is het heel moeilijk om na een studie van de carrières van beroemde mediums en paragnosten te zien waarom een scheidslijn getrokken moet worden: alle verschijnselen schijnen zich aan een natuurlijke verklaring te onttrekken.

Piramiden
Piramiden zijn altijd min of meer een mysterie geweest. Men heeft vooreerst jaren gedacht dat ze bijna allemaal koningsgraven waren. In de 9de eeuw van onze jaartelling ontstond de legende dat de Grote Piramide van Cheops een geheime kamer vol oude landkaarten bevatte. Onderzoekers probeerden zich daarom een weg in het metselwerk te banen. Nadat zij dertig meter gevorderd waren, vonden zij een tunnel die omhoog naar een vergeten ingang aan de noordzijde van de piramide leidde, en omlaag naar een kamertje vol afval. In de zoldering van de doorgang was een gat waarin een steen in de vorm van een prisma had gezeten: het zag eruit als de ingang naar een andere omhoogleidende doorgang. Ze vonden verder nog heel wat gangen en kamers, maar de meeste waren leeg. Slechts in 1 kamer stond een lege sarcofaag. Deze kamer werd bekend als de koningskamer, en de kleinere kamer daaronder als de koninginnekamer. Wat was dan de bedoeling van de piramiden? Degene die volgens het oordeel van velen het probleem van de piramide heeft opgelost, was R.A. Proctor, die in de vorige eeuw een opmerking van Proclus vond, volgens welke de piramide voor zijn voltooiing als sterrenkundig observatorium gebruikt werd. Enkele Arabische geschiedkundigen hadden eveneens opgemerkt dat de piramide als 'observatorium' ontworpen was. Maar hoe? Een observatorium heeft merktekens nodig, en de Grote Piramide is vlak. Maar voor de voltooiing zou het een perfect observatorium geweest zijn, als de Grote Gaanderij als 'telescoop' was gebruikt, met de bovenkant open om de sterren daarboven te observeren. De eerste stap bij de bouw van zo'n observatorium moet zijn: ervoor zorgen dat de richting van het ware noorden erin vastgelegd wordt: in feite wijst de oorspronkelijke afdalende doorgang in de richting van het ware noorden - de poolster ligt in het verlengde ervan. Maar in de dagen dat de Grote Piramide werd gebouwd - ongeveer 2500 v.Chr. - nam onze poolster een andere plaats aan de hemel in dan tegenwoordig, als gevolg van de 'schommeling' van de aardas: de Egyptenaren zouden Thuban als richtster hebben moeten gebruiken: in dat geval zouden ze de doorgang onder een hoek van 26° 17' met de horizon hebben moeten bouwen - en dat is precies de hellingshoek van de tunnel. Volgens Proctor maakten de Egyptenaren de piramide dus af tot aan de Grote Gaanderij, en gebruikten daarop de piramide om met weergaloze nauwkeurigheid een kaart van de hemel te maken, evenals een kalender waarmee zij precies de tijd van opkomst en de posities van verschillende sterren konden bepalen. Maar waarom zouden zij zich zoveel moeite hebben getroost om een hemelkaart te maken? De enige ster die voor hen van belang was, was Sirius, die achter de zon opkwam als de Nijl zelf begon te rijzen, en zodoende de basis van de kalender werd. Maar wij moeten dan ook rekening houden met het bewijs, door Norman Lockyer in The Dawn of Astronomy geleverd, dat ook de tempels - lang voordat de Grote Piramide werd gebouwd -'sterrenklokken' waren. Als de Egyptenaren al duizend jaar voor de Grote Piramide de sterren observeerden, zouden zij het merkwaardige feit hebben opgemerkt dat de aardas schommelde. De sterren komen ieder jaar ongeveer twintig minuten later op, zodat een tempel uit het jaar 4000 v.Chr. als sterrenklok een eeuw later hopeloos onnauwkeurig zou zijn. Maar aangezien de Egyptenaren niet wisten dat de aarde rond haar as draait - zij dachten dat zij het middelpunt van het heelal was, en dat de zon eromheen draaide - moet het hen als een gewijd geheim zijn voorgekomen dat de sterren op zo'n regelmatige wijze onbestendig waren. Degene die voornamelijk verantwoordelijk was voor de 'piramiderage' in de jaren '70 was Lyall Watson, die het volgende verhaal vertelde. De heer (monsieur) Bovis ging de grote Piramide binnen om voor de zon te schuilen, waarop hij ontdekte dat afval in de vuilnisbakken, waaronder een dode kat, eerder aan het mummificeren dan aan het rotten was: hij vroeg zich af of de proporties eigen aan de piramide het geheim bevatten, en door een schaalmodel te bouwen ontdekte hij dat een dode kat, daarin gelegd, inderdaad niet tot ontbinding overging. Daarop ontdekte een Tsjechische ingenieur, Karel Drbal, dat als tussen scheerbeurten in scheermesjes in een piramide werden geplaatst zij nooit bot schenen te worden. Watson zei dat hij zelf hetzelfde mesje tientallen keren had kunnen gebruiken door het in een piramide te bewaren. Piramiden, scheen het, konden de een of andere mysterieuze kracht vasthouden. Proefnemingen op zaadjes, die zijn uitgevoerd door Art Rosenblum van de Aquarian Research Foundation in Philadelphia, hebben aangetoond dat zaadjes die onder piramiden werden gekweekt even lange tijd nodig hadden om te ontkiemen als andere zaadjes, en dat geen enkele bewering over piramide-energie op feiten schijnt te berusten.

Poltergeistverschijnselen
Verslagen van reutelende spoken komen al vóór de christelijke jaartelling voor. Zij veroorzaken klappen, verplaatsen voorwerpen en veroorzaken allerlei andere vervelende stoornissen. Maar het was pas in de 19de eeuw dat men besefte dat het helemaal niet om 'geesten' of 'spoken' gaat, maar om uitingen van onderbewuste mentale stoornissen, meestal bij kinderen of tieners. Het bekende spook van Cock Lane, onderzocht door dr. Johnson, was duidelijk een klopgeest afkomstig van de elfjarige Elizabeth Parsons, die in de woning van haar vader de gebruikelijke dreunen en rondvliegende voorwerpen veroorzaakte. Ten gevolge van een wijdverbreide twist werd haar vader naar de gevangenis gebracht, daar hij als verantwoordelijke voor de gebeurtenissen werd beschouwd. Poltergeistverschijnselen kunnen ook een griezelige overeenkomst vertonen met 'demonische bezetenheid'. Het 'Amherst-mysterie' in Schotland is daar een voorbeeld van. Esther Cox woonde met haar zuster en zwager, de heer en mevrouw Daniel Teed, samen. In 1878 scheen haar vriend een poging te hebben gewaagd haar te verkrachten waarop hij geschrokken de streek uit vluchtte. Korte tijd daarna werden ritselgeluiden gehoord in de slaapkamer die zij met een andere ongetrouwde zuster deelde, die gevolgd werden door luide knallen. Ten slotte zwol Esther als een ballon op en steeg in de lucht omhoog, terwijl in aanwezigheid van getuigen een onzichtbare hand op het pleisterwerk in de muur de woorden kraste: 'Esther Cox, het is aan mij je te doden.' De poltergeistverschijnselen werden gewelddadiger: een mes vloog door de lucht en stak haar in de rug: ijzeren spaken die in haar schoot werden gelegd waren te heet om aan te raken, onverwachte branden ontstonden plotseling. Van brandstichting verdacht, werd Esther ten slotte tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld, en de manifestaties hielden op. Het is duidelijk dat Esthers seksuele frustraties aan de wortel van het probleem lagen, zoals bij de nonnen van Loudon. De woorden die op de muur werden gekrast, het steken van het mes, duiden op een masochistisch verlangen om 'bezeten' te worden seksueel, niet demonisch. Het raadsel is hoe het mogelijk is dat iemand voor zulke destructieve handelingen 'verantwoordelijk' kan zijn en er toch volkomen onbewust van is dat hij of zij de oorzaak is. De ontdekking dat wij letterlijk twee verschillende personen in ons hoofd hebben wonen en dat degene die in de rechterhersenhelft woont, de 'niet-jij' is, geven een mogelijke verklaring. Toch zijn de gestoorde kinderen, die met poltergeistgevallen te maken hebben, geen gespleten breinpatiënten. En dit onderstreept op zijn beurt iets dat wij ons allen bewust zijn: wij zijn in onszelf verdeeld, en het 'andere zelf' is geneigd zijn eigen gang te gaan. Blijft nog altijd de vraag hoe het 'andere zelf' in staat is voorwerpen door de lucht te laten vliegen of ijzer gloeiend heet te laten worden. Wij kunnen enkel veronderstellen te maken te hebben met energievelden die op dit moment wetenschappelijk nog niet bekend zijn. Een opmerkelijk onderzoek werd in Toronto uitgevoerd. Een groep onderzoekers besloot een spook te ontdekken, door het zelf te maken en het dan 'op te roepen'. Zij stelden de levensgeschiedenis en de achtergrond op van een figuur die zij Philip noemden, die een tijdgenoot van Cromwell was en een verhouding had gehad met een zigeunermeisje dat veroordeeld wegens hekserij op de brandstapel kwam, waarop Philip zelfmoord pleegde. Maandenlang probeerde de groep Philip 'op te roepen', zonder resultaat. Op een avond, toen zij na een seance uitrustten, hoorden zij een klop op de tafel. Zij ondervraagden de 'kloppende' op de gebruikelijke manier (1 klop is ja, 2 kloppen is nee) en hoorden dat het Philip was, die het voor hem uitgevonden verhaal vertelde. Naderhand kon 'hij' een tafel door de kamer laten dansen: eenmaal liet hij die voor de tv-camera's in het trappenhuis omhoog gaan. Wij kunnen natuurlijk liever geloven dat het wezen dat zich Philip noemde, een vreemde entiteit was die niets beters te doen had: maar een minder vergezochte hypothese is dat de onderbewuste geest van de groep hun ten slotte een dienst had gedaan en een 'spook' had geschapen. Een andere verleidelijke hypothese komt hieruit voort: dat alle paranormale voorvallen geen bewijs voor de 'duistere zijde van de natuur' zijn, maar de 'duistere zijde van de menselijke geest'. Zo'n hypothese komt niet in tegenspraak met de meeste, zo niet alle, gevallen van spookverschijnselen of verschijningen. Het is waarschijnlijker dat het echte antwoord ligt in een veel groter en alomvattende theorie van het paranormale.

Reïncarnatie
Geloof in reïncarnatie komt overal in het Oosten voor, maar in het Westen is het zeldzamer. Er is echter een aanzienlijke hoeveelheid bewijzen voor reïncarnatie, hoewel deze uit de aard der zaak nauwelijks proefondervindelijk kan worden onderzocht. Een van de meest bekende gevallen is dat van Shanti Devi, die in 1926 in Delhi geboren werd. Toen zij zeven was, deelde zij haar moeder mee eerder te hebben geleefd in een stad die Muttra heette. In de twee daaropvolgende jaren schenen haar herinneringen toe te nemen, totdat zij haar ouders kon vertellen van haar vorige echtgenoot, hun huis en hun drie kinderen. Toen zij negen was, kwam een vreemdeling op bezoek om met haar vader over zaken te spreken en Shanti beweerde dat zij hem herkende als de neef van haar echtgenoot. De man woonde inderdaad in Muttra en gaf toe dat de vrouw van zijn neef, Ludgi, tien jaar tevoren was gestorven. De echtgenoot kwam haar bezoeken en zij wierp zich in zijn armen, hem onmiddellijk herkennende. Naar Muttra gebracht, kon zij de wagen de weg naar Ludgi's woning wijzen en zij wees haar schoonvader aan die voor het huis zat. Zij herkende ook haar twee oudste kinderen, maar niet de jongste, waarvan de geboorte aan Ludgi het leven had gekost. Dit verhaal, hoewel goed gedocumenteerd, werd niet met wetenschappelijke nauwgezetheid onderzocht. Maar in India heeft professor Hemendra Banerjee van de Universiteit van Rajasthan vele jaren gewijd aan het bestuderen van zulke gevallen. Meestal bestaat er een overeenkomst met het geval van Shanti Devi. De driejarige Jasbir Lal Jat, uit Uttar Pradesh, stierf aan de pokken. Aangezien het al laat was, besloot zijn vader hem pas de volgende dag te begraven. Enkele uren later bewoog het kind zich, en bleek weer levend. Het duurde enkele weken voordat Jasbir zich weer duidelijk kon uiten, en toen scheen hij volkomen veranderd. Hij zei de zoon te zijn van een brahmaan die Shankar heette, uit het dorp Vehedi, en hij weigerde voedsel in zijn nieuwe woning tot zich te nemen, aangezien hij tot een hogere kaste dan zijn vader behoorde. Een brahmaanse dame loste dat probleem op door voor hem te koken: dit duurde twee jaar. Het kind beschreef hoe het, in zijn vorige bestaan, vergiftigde snoepjes had gekregen en van een wagen was gevallen, waarna hij was gestorven aan een hoofdwonde. In 1957 bezocht een brahmaanse dame uit Vehedi het dorp van Jasbir, Rasulpur, en Jasbir herkende haar als zijn tante. Zij bevestigde dat een jongeman die Sobha Ram heette en 22 jaar oud was, inderdaad aan de pokken was gestorven. Jasbir werd onder geleide naar Vehedi gebracht en hij kon de ingewikkelde weg naar zijn vroegere woning wijzen: hij spreidde een uitgebreide kennis van het gezin en de aangelegenheden daarvan ten toon. Daarna ging hij vaak naar Vehedi terug om er zijn vakanties door te brengen: de vergiftiging werd nooit bevredigend verklaard. Het meest verbazingwekkende aan dit geval is uiteraard dat Sobha Ram stierf ná de geboorte van Jasbir. Het is alsof de 'geest' van Sobha Ram Jasbirs lichaam 'binnentrok'. Was Jasbir toen werkelijk dood? In het Westen lijken reïncarnatiegevallen zeldzamer, maar toch kunnen wij ook hier voorbeelden aanhalen. De ervaringen van mevrouw Smith bijvoorbeeld wezen er volgens haar op dat zij als Kathaar rond 1244 verbrand was. Haar dromen uit die tijd waren vol juiste gegevens betreffende de Katharen. Volgens haar waren de Kathaarse priesters in het blauw gekleed, en niet in het zwart: dit bleek zo te zijn. Zij verklaarde haar minnaar broodsuiker te hebben gegeven toen hij ziek was, wat onwaarschijnlijk overkwam. Maar nauwgezet onderzoek bracht aan het licht dat niet alleen broodsuiker in die tijd kon worden verkregen, maar ook dat het als geneesmiddel werd beschouwd. Als wij de waarschijnlijkheid van reïncarnatie kunnen accepteren, evenals het feit dat sommige mensen over herinneringen aan voorafgaande levens beschikken, dan is het zelfs mogelijk dat we meerdere keren geboren worden.

Rituele magie
Rituele magie is een uitgebreid toepassen van ceremonieel om de bovennatuurlijke wereld te bereiken en geesten of demonen op te roepen om kennis van hen te verkrijgen of hun hulp in te roepen. Zulk ceremonieel gebruik is al heel oud en wordt in bijna alle culturen aangetroffen. De slechte naam die de rituele magie in onze cultuur heeft gekregen, is voornamelijk het gevolg van het feit dat de Kerk haar verbood en haar beoefenaars vervolgde. Maar dat de rituele magie dit alles gedurende een lange tijd overleefde, terwijl de beoefenaars afschrikwekkende straffen te wachten stonden, is een duidelijk bewijs dat het doeltreffend moet zijn geweest. Meer dan genoeg getuigenissen. Een van de meest bekende is te vinden in Cellini's autobiografie. Hij vertelt hoe hij en zijn twaalfjarige leerling Cenci op een nacht met twee vrienden en een magiër uit Sicilië naar het lege Colosseum in Rome gingen. De magiër trok cirkels op de grond en liet de groep daar als bescherming binnenin stappen. Hij liet Cellini's vrienden Romoli en Gaddi een vuur ontsteken en er parfum overheen gieten. Cellini zelf moest een pentagram vasthouden en deze laten wijzen in de richting die de magiër aanwees. Toen de uitgebreide ceremoniële voorbereidingen voltooid waren, riep de magiër een grote menigte demonen aan in het Hebreeuws, Grieks en Latijn. Bijna onmiddellijk werd het amfitheater door hen gevuld. Cellini, aangemoedigd een verzoek te doen, vroeg verenigd te mogen worden met zijn Siciliaanse geliefde. 'Hoor je wat ze je gezegd hebben?' zei de magiër. 'Binnen een maand zul jij zijn waar zij zich bevindt.' Al gauw maakte de magiër zich ongerust aangezien er duizend keer zoveel boze geesten waren als hij had opgeroepen en zij waren gevaarlijk. Hij vroeg Cellini moedig te zijn en hem te steunen terwijl hij, zoals het ritueel vereiste, probeerde hen beleefd en zachtmoedig weg te zenden. Ondertussen kromp de jonge Cenci van angst ineen en verklaarde dat hij door een miljoen woeste mannen bedreigd werd, terwijl vier gewapende reuzen probeerden zich een weg tot in de cirkel te banen. De magiër, trillend van angst, probeerde alle zachte woorden die hij kende om hen te overreden weg te gaan. Cellini stelde ondertussen de anderen gerust maar Cenci begon met het hoofd tussen de knieën te weeklagen dat zij verdoemd waren. Cellini probeerde hem ervan te overtuigen dat alle demonen onder controle waren en verzekerde hem dat hij alleen maar rook en schaduwen zou zien als hij opkeek. Cenci keek op en schreeuwde het uit van angst: hij zei dat het hele Colosseum in brand stond en dat de vlammen op hen afkwamen. De magiër probeerde een laatste redmiddel. Hij brandde wat duivelsdrek, een stinkende substantie uit de wortel van een bepaalde plant. Dit en wellicht Gaddi's onvrijwillige bijdrage aan de smerige stank, verbrak de betovering. Cenci verklaarde al spoedig dat de demonen woedend begonnen zich terug te trekken. De groep bleef in de veiligheid van de cirkel tot aan de dageraad, en intussen bleef de magiër uitbanningrituelen herhalen. Zelfs toen zij alles ingepakt hadden en huiswaarts keerden, hield Cenci nog vol dat twee boze geesten hen vergezelden, springend over de daken en de weg. Wat er in feite ook in het Colosseum gebeurd mag zijn, het is duidelijk dat de mannen ervan overtuigd waren dat zij door demonen omringd waren, en buiten zichzelf van angst. Heden ten dage zouden psychologen kunnen zeggen dat zij allen hallucineerden en de jongen nog het levendigst. Dit kan waar zijn, maar wij moeten vragen: hoe werkelijk zijn hallucinaties? De Franse onderzoeker Eliphas Lévi verbleef eens in Londen. Op een dag keerde hij naar zijn hotel terug en vond daar een aan hem gerichte envelop. Er zat een halve diagonaal afgesneden kaart in, met de zespuntige ster van het Salomonszegel erop getekend. Een bijgevoegde mededeling luidde: ' Morgen, om drie uur, voor de Westminster Abbey, zal u de andere helft van deze kaart gegeven worden.' Hij kon uiteraard de gelegenheid niet voorbij laten gaan. Hij werd door een livreiknecht begroet en een koets binnengeleid waar een zwart gesluierde vrouw hem de andere helft van de kaart gaf. Zij had via een vriendin van hem gehoord, zei ze, en zij wilde hem de gelegenheid bieden een ritueel van geestenoproeping te voltrekken. Zij reden naar haar woning, waar zij hem een volledig magisch kabinet en een verzameling gewaden, instrumenten en zeldzame boeken over magie toonde. Hij besloot de geest van een der grote legendarische magiërs uit de Oudheid, Apollonius van Tyana, op te roepen. Het hiertoe voorgeschreven ritueel vereiste een meditatie van een maand op het leven, het werk en de persoonlijkheid van de betrokken dode. De voorbereiding hield ook een vegetarisch dieet van drie weken in, evenals een week vasten. Dit was geen gering offer voor Lévi, die als de meeste Fransen verzot was op lekker eten. Toen de nacht van de aanroeping was gekomen, voelde hij de aarde schudden. De grote gestalte van een man verscheen. Maar voordat Lévi de twee vragen kon stellen die hij in gedachten had, viel hij in een van dromen vervulde bezwijming. Toen hij bijkwam, scheen het alsof de vragen in zijn geest beantwoord waren. 'Moet ik nu uit dit alles besluiten dat ik werkelijk de grote Apollonius van Tyana opriep, zag en aanraakte?' vroeg Lévi. Hij besefte dat de omstandigheden die hij geschapen had hem in wat psychologen tegenwoordig een 'veranderde bewustzijnsstaat' hadden gebracht.

Spook/Spoken
Alle beschavingen hebben in spoken geloofd - er is zelfs een boeddhistische tekst die beschrijft hoe de Boeddha zichzelf oefende angst te boven te komen door te gaan zitten op een kerkhof waar het spookte. Meestal wordt aangenomen dat zij de geesten der doden zijn. In de twintigste eeuw is het steeds duidelijker geworden dat minstens één soort spook, de poltergeist, ontstaat uit de onbewuste geest van levende mensen. In de afgelopen jaren is er ook een toegenomen tendens merkbaar een theorie te aanvaarden die door sir Oliver Lodge naar voren werd gebracht, en die luidt dat sommige spoken een soort opnamen zouden kunnen zijn die hebben plaatsgevonden op plekken waar zich de een of andere tragedie heeft afgespeeld. Een interessant experiment werd ondernomen door Robert Morris van de Psychical Research Foundation in Durham, Noord-Carolina. Daarbij werden een rat, een kat, een hond en een ratelslang naar een huis in Kentucky waar het zou spoken gebracht: gewelddadige sterfgevallen waren daar in twee kamers voorgekomen. In een van de kamers ging de hond grommen en trok zich terug: de kat sprong op de schouders van zijn eigenaar en zette daar zijn nagels in en de ratelslang nam een aanvalshouding aan tegen een lege stoel. Alleen de rat vertoonde geen enkele reactie. Het is interessant je af te vragen waarom de rat onverschillig bleef. Een moderne spokenjager, Andrew Green, haalt een kenmerkend geval aan. In september 1975 stond een jonge priester bij een telefooncel in Birmingham, die bezet was door een jonge vrouw in een donkerblauw mantelpak. Plotseling verdween zij. Dit was volgens Green niet een spook, maar een 'verschijning van een levende' (zie dubbelgangers), veroorzaakt door iemand die zeer dringend een telefoongesprek wilde voeren en zich verbeeldde in de cel te staan. Deze vorm van 'telepathie' schijnt ook verantwoordelijk te zijn voor een andere vaak vermelde ervaring: verschijningen van mensen die op het punt staan te sterven of die (minder vaak) in gevaar verkeren. In zulke gevallen kijkt een naaste bloedverwant op en ziet iemand de kamer binnenkomen, om dan te verdwijnen: in de meeste gevallen komt de verschijning overeen met de dood van de persoon die gezien wordt. Opgemerkt moet worden dat de meeste 'geestverschijningen' er heel normaal en solide uitzien. Sommige gevallen zijn moeilijk te verklaren. Louisa Rhine haalde een geval aan waarbij een vrouw stond te kijken hoe haar man een tweedehandse motorfiets repareerde, toen een jongeman de binnenplaats opliep en ook ging staan kijken. Zij vroeg haar man hem voor te stellen en de jongeman verdween. De beschrijving van de vrouw was duidelijk en stelde haar echtgenoot in staat te zeggen dat het de vorige eigenaar van de motor was geweest, die twee jaar tevoren was gedood. Was het de echtgenoot geweest die de verschijning had gezien, dan zou een hallucinatie verondersteld kunnen worden: het is echter moeilijk te verklaren waarom de vrouw de man moest zien. In een ander door mevrouw Rhine aangehaald geval merkte een jonge vrouw die in de rij stond bij een bank in een andere rij een man op die zij goed kende: hij zag er ziek uit. Toen zij het woord tot hem wilde richten, liep hij naar buiten. Toen zij het voorval naderhand aan een kennis vertelde, hoorde zij dat de man enige tijd tevoren was overleden. Het spiritisme gaat er vanuit dat er veel aardgebonden geesten zijn die niet beseffen dat ze dood zijn, en die daarom plekken uit hun voormalige leven blijven bezoeken. Er bestaat een aantal goed gedocumenteerde verslagen van klaarblijkelijke terugkeer van doden. Een schoorsteenveger, Samuel Bull, was aan kanker overleden en liet zijn gezinsleden achter in een huisje dat veel te klein voor hen was. Zijn vrouw was bedlegerig en iedereen ging gebukt onder grote spanningen. Negen maanden na zijn dood werd Bull gezien in de kamer waar hij gestorven was en waar zijn vrouw in bed lag: hij legde zijn hand op haar voorhoofd. Zij zei dat die koud, maar overigens normaal aanvoelde. Dit gebeurde twee maanden lang herhaaldelijk en werd door het hele gezin waargenomen: eerst waren ze ontsteld, maar langzamerhand raakten zij eraan gewend. Bij een gelegenheid bleef de verschijning langer dan een uur aanwezig, Toen het gezin verhuisde, hielden de verschijningen op.

Uittreding
De ervaring om gescheiden van het lichaam te bestaan, en zelfs in staat te zijn aan de kant te staan en je eigen als een onafhankelijk voorwerp te zien, is inderdaad heel vreemd, maar komt opmerkelijk vaak voor. Uittredingen, buitenlichamelijke ervaringen (BLE's), kunnen niet worden afgedaan als louter hallucinaties of fantasie, omdat iemand vaak door anderen werd gezien terwijl hij of zij reisde in zijn of haar ''tweede lichaam' (zie dubbelgangers) of in staat bleek bewijsbare informatie te kunnen verschaffen over verafgelegen gegevens. Een vrouw bijvoorbeeld die de gewoonte had zich uit haar lichaam te projecteren vond op een van haar reizen haar droomhuis. Een jaar lang keerde ze er regelmatig terug, en elke keer beviel het haar meer. Zij en haar echtgenoot waren van plan te verhuizen en zij dacht dat het huis ideaal geschikt zou zijn, als zij maar wist waar het lag. Zij gingen in Londen op huizenjacht en tot haar genoegen vonden zij het huis dat zij zo goed kende. Alles, inclusief de meubelen en de stoffering, was precies zoals zij het gezien had. Bovendien was het huis opmerkelijk goedkoop omdat ervan gezegd werd dat het er spookte. Toen zij de eigenaar ontmoette, staarde deze naar haar en riep: 'U bent het spook!' De meeste BLE's zijn eenvoudige autoscopie-ervaringen - d.w.z. dat men zichzelf van een afstand ziet. Het blikveld is meestal van bovenaf en komt meestal tijdens de slaap voor, vaak vlak na een geboorte of een operatie. Zij die dit meemaken, zijn er altijd vast van overtuigd dat zij zich zelf zo duidelijk als nooit tevoren zagen, helder, levendig en gedetailleerd van buitenaf. Aan het Stanford Onderzoekingsinstituut voerden Harold Fluthoff en Russel Targ enkele succesvolle experimenten uit, waarin de proefpersoon zich uit zijn lichaam moest projecteren tot aan de zoldering van het laboratorium, vanwaar hij voorwerpen en meetkundige vormen moest identificeren die op een platform hoog boven zijn hoofd waren geplaatst. Eén proefpersoon, Ingo Swann, die zeer goede resultaten had behaald, opperde een ander experiment waarbij het doel geen stoffelijk voorwerp moest zijn, maar een plaats op het aardoppervlak die bepaald was door lengte- en breedtegraad. Tijdens één proefneming kreeg hij een positie opgegeven, waarop hij als volgt reageerde: 'Ik zie wat een berg schijnt te zijn die uit de wolken steekt: nee niet alleen maar een berg, het moet een eiland zijn.' De experimentleider zei dat hij het verkeerd had: de plaats was midden in de zuidelijke Indische Oceaan. Nadere controle bracht echter aan het licht dat op de aangegeven plaats een eiland lag, met bergen die aan de oostzijde verrezen. Swann ging verder met zijn peiling, en maakte een schets van een deel van het eiland, die later bleek overeen te komen met de werkelijkheid. Duizenden verslagen werden verzameld en geanalyseerd door Robert Crookall. Hier volgt een kenmerkend voorbeeld. Een jonge Engelse was zojuist getrouwd en reisde met haar man naar Amerika, waar zij zouden gaan wonen. Zij was verschrikkelijk zeeziek op de eerste dag van de bootreis. Haar moeder, die in Engeland in de keuken zat, dacht op dat moment aan haar dochter. Plotseling voelde zij zich uit haar lichaam treden en over de oceaan vliegen. Zij vond de juiste hut, ging daar naar binnen, nam haar dochter bij de hand en zei haar dat zij zich beter zou voelen als zij zich waste, aankleedde en aan dek ging. Toen vloog zij naar huis terug. Zij merkte op dat slechts vijf minuten waren verstreken. Een paar dagen later kreeg zij een brief van haar dochter die elk detail van de vreemde ontmoeting bevestigde. Dit soort verhalen brengt meestal een beleefde glimlach of een ongelovig schouderophalen teweeg. Maar het systematische en gecontroleerde onderzoek dat parapsychologen naar BLE's verrichten, maakt hun onwaarschijnlijkheid steeds minder.

Verdwijningen van mensen
Elk jaar verdwijnen duizenden mensen opzettelijk. De redenen daarvoor zijn even verschillend als die waarom mensen zelfmoord plegen. Het merendeel van de vermisten bestaat uit jonge mensen die het gezag van hun ouders ontvluchten: de overigen zijn volwassenen die de een of andere verantwoordelijkheid uit de weg gaan of vluchten voor een werkelijke of vermeende bedreiging van hun vrijheid of veiligheid. Maar er zijn enkele gevallen waarbij blijkbaar geen motief bestaat, waarbij het is alsof iemand spoorslags verdwenen is zonder enige voorbereiding. Deze mensen zijn dan niet gewoon verdwenen, maar in rook opgegaan of door de aarde verzwolgen. Er zijn diverse beroemde gevallen van verdwijningen in het groot. Het meest bekende is dat van de bemanning van de Marie Céleste. In 1872 trof men het schip onbemand drijvend in de Atlantische Oceaan aan. De verhalen dat pas bereide maaltijden en potten hete thee in de kombuis stonden, dat de tabaksgeur nog in de hut van de kapitein hing en dat de reddingsboten op hun plaatsen hingen, zijn uit de duim gezogen. Er was geen reddingsboot te bekennen en het was duidelijk dat de gehele bemanning het schip had verlaten, dus hoeft men zich niet af te vragen wat er met de bemanning is gebeurd. Wat onderzoekers toen echter zo raadselachtig voorkwam, en wat nog steeds een raadsel is, is waarom de Céleste werd achtergelaten. Afstand doen van een schip is een uiterste noodhandeling en een stap waartoe men slechts overgaat als er geen enkele andere mogelijkheid tot overleven is, en toch was het schip in goede staat, was er meer dan voldoende voedsel en vers water aan boord, en verschafte het geen enkele aanwijzing over het gevaar waarvoor de bemanning ongetwijfeld gevlucht was. Er zijn een aantal theorieën geopperd, maar in geen enkel geval zijn alle feiten samengebracht en het mysterie van de Marie Céleste is nog onverklaard. Interessanter wat betreft 'verdwijning' is een geval dat drieënzestig jaar eerder, in 1809 geschiedde. Benjamin Bathurst was bij een herberg in Perlberg stilgehouden om uit te rusten en te eten. Hij maakte zich klaar om weer verder te gaan en liep ook even de binnenplaats van de herberg op om naar zijn paard te kijken. Hij werd nooit meer gezien noch is er ooit meer iets van hem vernomen, ondanks een langdurig en intensief onderzoek door zowel zijn familie als de Britse regering. Hoewel ook Napoleon edelmoedig te hulp schoot, werd nooit ontdekt wat er van hem geworden was. Mensen blijven onder de meest vreemde omstandigheden verdwijnen. Bijzonder onverklaarbare gevallen worden regelmatig in de kranten vermeld, en soms worden zij onderwerp van landelijke belangstelling. Een uitzonderlijk geval vond in 1975 plaats. Jackson en Martha Wright reden naar New York. In de Lincolntunnel stopten zij om sneeuw van de ruiten te vegen. Terwijl Jackson de voorruit schoonmaakte, liep zijn vrouw naar de achterkant van de auto om de achterruit te doen en verdween. Zelfs met een zorgvuldige voorbereiding en een tot in de details uitgewerkt plan, is het niet gemakkelijk een geslaagde verdwijning te volvoeren, vooral niet in de moderne samenleving, maar het plotselinge verdwijnen van Martha Wright en duizenden anderen lijkt ongelooflijk. Het is niet verrassend dat zulke gebeurtenissen meestal in verband worden gebracht met het bijgeloof of de mythe die op dat moment in de mode is dat de mensen door de duivel werden gehaald, ontvoerd door kabouters of meegenomen door UFO's. Niettegenstaande tamelijk uitgebreid onderzoek is geen enkel geval van verdwijning onder het oog van getuigen gewaarmerkt, maar verschillende verslagen komen voor in boeken die 'waar gebeurd'-verhalen bevatten. Het meest bekend is het verhaal van een boer uit Tennessee, David Lang, die in 1880 onder het oog van vijf getuigen verdween toen hij over een veld liep. Een ander interessant verhaal, als het waar is, is dat van de Chileense korporaal Armando Valdes, die op 25 april 1977 onder het oog van zes van zijn soldaten verdween en een kwartier later terugkwam. De soldaten merkten op dat de datum op zijn horloge vijf dagen verder stond en dat hij een baard van vijf dagen had. Jammer genoeg kon Valdes zich niets van een ontvoering herinneren, noch wist hij wat hem was overkomen tijdens de vijftien minuten - vijf dagen dat hij vermist werd. Het verschijnsel van verdwijnende mensen heeft maar heel weinig aandacht van onderzoekers gekregen. Dit soort verhalen moet men met open geest en sceptisch aanhoren, vooral wanneer ze zo sensationeel zijn als dat van Valdes: maar aangezien niet ontkend kan worden dat mensen onder de meest vreemde omstandigheden verdwenen zijn en nog altijd verdwijnen, is het bijna onmogelijk de oplossing niet in het paranormale te zoeken.

Verschijningen van mensen
De legenden, mythen en folklore van ieder land bevatten verslagen van vreemde verschijningen. In de negende eeuw reeds schreef Agobard, de aartsbisschop van Lyon, over het geloof van de boeren in mensen die in wolkenschepen vlogen en uit een land, Magonië geheten, afkomstig waren. Agobard kreeg met vier mensen te maken die zeiden te zijn ontvoerd door Magoniërs, maar hij geloofde hun verhaal niet en kwam blijkbaar tot de conclusie dat Magonië een manifestatie van heidendom was. De Magoniërs bleven echter opduiken. Driehonderd jaar later beschreef de kroniekschrijver Servatius van Tilbury hoe een wolkenzeeman uit een wolkenschip kwam om een anker uit een grafmonument te ontwarren. Hij stierf daarbij, wordt ons verteld, 'gestikt door het inademen van onze grove lucht', Sprookjesverhalen bevatten veel beschrijvingen van mensen die plotseling verschijnen. Feeën en elfen werden vaak beschreven als niet anders van gestalte en verschijning dan mensen, maar men geloofde dat zij tot een apart ras behoorden met een andere ontwikkeling dan de mens. Een bijzonder spookachtig verhaal werd in de twaalfde eeuw door de betrouwbare kroniekschrijver William van Newburgh meegedeeld. Twee groene kinderen werden gevonden. Zij spraken een onbekende taal en weigerden elk voedsel behalve tuinbonen. Een van hen stierf, maar de andere verloor langzamerhand haar groene kleur en kon ten slotte haar verhaal vertellen: zij vertelde afkomstig te zijn uit een ondergrondse wereld van eeuwige schemering waar iedereen groen gekleurd was. Anderen beweerden afkomstig te zijn uit landen waarvan men het bestaan niet kende. In 1851 kwam een zekere Joseph Vorin onder de aandacht van de Duitse autoriteiten: hij zei uit Laxaria te komen in een land dat Sakria heette. In 1905 werd een jongeman in Parijs gearresteerd: hij sprak een onbekende taal, maar wist over te brengen dat hij een burger van Lisbian was. En in 1954 bracht een paspoortcontrole in Japan aan het licht dat er iemand was wiens papieren in Taured waren uitgereikt. In 1904 en 1905 werden tien 'wilde mensen' in verschillende delen van Engeland gevonden. Een van hen sprak een taal die niemand ooit eerder gehoord had en hij had een boek vol onbekende lettertekens bij zich. Maar verschijnen mensen werkelijk zo maar uit het niets? Het zou voortdurend kunnen gebeuren, waarbij de toeschouwers eenvoudig aannemen dat hun zintuigen hen bedriegen en denken de persoon in kwestie alleen maar niet eerder gezien te hebben. In januari 1914 waren winkelende mensen in Chatham echter verbijsterd toen plotseling een naakte man in hun midden verscheen. Niemand had hem zien verschijnen: hij was er plotseling, waar even voordien nog geen naakte man was geweest. Ook in de afgelopen tientallen jaren zijn er honderden verslagen geweest over dergelijke voorvallen.

Voodoo
Voodoo is een religie die vooral op Haïti wordt beoefend en waarbij rituele magie een grote rol speelt. De ceremonies kennen veel opzwepende dansen om de goden in staat te stellen bezit te nemen van de deelnemers. Bezetenheid is zeer gezocht, omdat deze gezien wordt als de manier waarop de goden zich manifesteren. Maar de bovennatuurlijke wereld door deze rituelen opgeroepen wordt niet alleen bevolkt door goden, maar ook door boze geesten. Hiervan wordt aangenomen dat zij zich in bepaalde dieren, waaronder wilde zwijnen en weerwolven kunnen transformeren. Sommige voodoopraktijken zijn zeer onprettig, zoals de rituele verwonding van de afbeelding van een persoon - een pop bijvoorbeeld - met de bedoeling die persoon te kwetsen of te doden. Veel getuigenissen spreken van de doeltreffendheid van die rituelen. Degene die in voodoo gelooft, heeft ook de zombie te vrezen. Deze vorm van niet-dode kon in de tijden van slavernij opnieuw tot leven worden gebracht door een magiër voordat het lichaam ging rotten. Deze zombies werden dan slaven en waren daarom nuttig om te bezitten. De mogelijkheid is groot dat de schepsels met ogen als van doden gewone mensen waren die door middel van een soort drugs voor lange of korte tijd tot een lethargische staat werden gebracht.

Voorspellingen
De schrijver Kipling was iemand die helemaal niet in helderziendheid geloofde. Maar eens had hij een droom waarin hij zichzelf zag staan in een rij vormelijk geklede mensen in een grote ruimte met een stenen vloer waar een ceremonie aan de gang was. Zes weken later herinnerde hij zich de droom, toen hij een oorlogsherdenking in de Westminster Abbey bijwoonde. De plek en de situatie waren precies zoals in de droom. De tijd ontrolt zich, in onze dagelijkse ervaring, als een film, opeenvolgend en in hetzelfde tempo: en zelfs als wij een sprong kunnen maken en aannemen dat op een bepaalde manier de toekomst al bestaat, zoals ook de nog niet vertoonde beelden van een film al bestaan, vinden wij het moeilijk de volgende stap te zetten en aan te nemen dat wij kennis van toekomstige gebeurtenissen kunnen verkrijgen. Misschien ligt de sleutel met betrekking tot de aard van voorspellingen in het feit dat voorspellingen over rampen en sterfgevallen vier keer zo veel voorkomen als voorspellingen van plezierige gebeurtenissen. Dit werd geconstateerd door dr. Ian Stevenson, die een systematische studie maakte van rampenvoorspellingen. Ook volgens zijn studie is er in ons een voorspellend vermogen dat vaak op een onderbewust niveau werkzaam is: het blijkt dat het aantal reizigers in een trein die een ongeluk tegemoet gaat, altijd kleiner is dan het aantal reizigers in 'dezelfde' trein op andere dagen. Deze waarnemingen worden ook ondersteund door het feit dat in de week voordat de Titanic zijn eerste reis in 1912 ondernam, een ongebruikelijk groot aantal passagiers hun overtocht annuleerde. Velen waren niet in staat een betere reden daarvoor te geven dan dat zij dachten dat het geen geluk zou brengen om te reizen op een eerste vaart, maar één van hen, de Londense zakenman J. Connor Middleton, annuleerde de reis omdat hij een levendige droom had gehad waarin hij het schip 'op zee zag drijven, met de kiel omhoog en haar passagiers en de bemanning om haar heen zwemmend' - een juiste beschrijving van de tragedie. Stevensons onderzoekingen brachten een indrukwekkend aantal klaarblijkelijke voorspellingen van het zinken van de Titanic aan het licht. Toen het schip Southampton uitstoomde, was een van de duizenden mensen die aan de kant stonden, een mevrouw Marshall, die plotseling een helder mentaal beeld kreeg van honderden mensen die in ijzig water worstelden. Zij riep uit: 'Dit schip gaat zinken voordat het Amerika bereikt.' Op hetzelfde moment dat het schip zonk, ontwaakte een vrouw in New York uit een nachtmerrie waarin zij haar moeder in een overvolle reddingsboot midden in de oceaan zag, het geschreeuw van verdrinkende mensen had gehoord en een grote omgekeerde lijnboot zijn laatste duik zag maken. Op dat moment wist de vrouw niet dat haar moeder een overtocht op de Titanic had geboekt. In alle beschavingen door de gehele geschiedenis was de profeet of ziener een gerespecteerd iemand en hij werd vaak geconsulteerd Er is een overvloed aan historische gevallen van uitgekomen voorspellingen. Zo voorzag bijvoorbeeld Nostradamus de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog, waarbij hij schreef dat deze te land, ter zee en in de lucht zou worden uitgevochten, hoewel het bestaan van vliegtuigen hem zo raadselachtig voorkwam dat hij het slechts als een analogie kon beschrijven: 'een schare raven hoog in de lucht, die vuur uit de hemel wierp op de steden en soldaten onder hen'.

Weerwolf/Weerwolven
Het woord lycantropie suggereert dat weerwolven niet bestaan, want een lycantroop is letterlijk iemand die denkt een wolf te zijn. Toch worden weerwolven al voor onze jaartelling beschreven. Ovidius beschreef de metamorfose van een koning: 'Tevergeefs trachtte hij te spreken: vanaf dat ogenblik bespatte schuim zijn kaken, en hij dorstte naar bloed, raasde door kuddes en hijgde naar slachtingen. Zijn kleren waren in haar veranderd, zijn ledematen bogen naar binnen: een wolf, die nog de trekken van zijn vroegere zelf had. Grauw als tevoren, dol en met woest schitterende ogen, het toonbeeld van razernij.' Dit biedt een aanknopingspunt: misschien was het 'dolle' uiterlijk letterlijk aan hondsdolheid te wijten. Een eeuw later gaf Petronius een ander, minder verklaarbaar voorbeeld, maar met de klassieke elementen van de legende. De bediende van een officier op reis was verbijsterd te zien hoe deze zich uitkleedde en in een wolf veranderde. Toen de bediende bij een boerderij kwam, werd hem verteld dat een wolf was binnengebroken, vee had gedood en met een zwaard moest worden verjaagd. Zich terughaastend naar de weg zag hij dat de kleren van de officier verdwenen waren, maar op dezelfde plek lag een plas bloed. Thuis vond hij zijn heer die verzorgd werd voor een zwaardwond in de hals. In Auvergne werd een dergelijk verhaal in 1558 verteld. In dit geval had een jager een edelman beloofd een deel van zijn jachtbuit te komen brengen, maar hij werd aangevallen door een wilde wolf die hij verdreef door een van de poten af te hakken. Hij zocht de edelman op om hem het verhaal te vertellen, en hij haalde de afgehakte poot als bewijs uit zijn wildtas om te ontdekken dat deze een tere vrouwenhand geworden was. De schrik van zijn vriend was groter dan de zijne, want deze herkende een ring aan een van de vingers, stormde de trap op naar zijn vrouw en zag dat zij een verband om de stomp van haar pols bond. Na bekend te hebben, werd zij verbrand. Verrassend vaak werden bekentenissen afgelegd: ongetwijfeld zijn veel onschuldige mensen gemarteld en veroordeeld. Zelden werd geopperd dat de aanvaller een echte wolf kon zijn geweest! De legende kan ook zijn aangewakkerd door ouders die hun kinderen wilden waarschuwen tegen boswandelingen in de avond. Er zijn natuurlijk ook bewezen gevallen van achtergelaten kinderen die door wolven werden opgevoed. De wolfskinderen van Midnapore, in 1920 gered, en de 'wilde jongen' die in 1797 in een Frans woud werd aangetroffen, zijn beroemde voorbeelden van een dergelijke kinderopvang: als zo'n mensengedaante op handen en voeten in een troep wolven gezien werd, werd de legende uiteraard bekrachtigd. Al wordt de legende van weerwolven tegenwoordig niet meer geloofd, toch blijft ze nog fascineren.

Wichelroedelopen/wichelen
Het wichelroedelopen of wichelen, het opsporen van water of andere stoffen door middel van een wichelroede, is waarschijnlijk zo oud als de mens. Australische inboorlingen kunnen vaak zelfs water in de woestijn ontdekken zonder gebruik te maken van zulke instrumenten. Sir William Barrett publiceerde de theorie dat wichelen niets dan een natuurlijke reactie is op een door het water afgegeven 'vibratie'. In dat geval zou het vermogen om te wichelen voor ieder mens toegankelijk moeten zijn. Personen bij wie het niet lukt, zijn meestal al van tevoren overtuigd dat het niet zal lukken. Na de Tweede Wereldoorlog onderzocht Guy Underwood het wichelroedelopen: hij wilde de theorie controleren dat aardhopen en andere voorhistorische plekken doorsneden worden door ondergrondse stromingen. Hij vond uit dat dit zo was. Ook merkte hij dat ondergronds water een ruk naar beneden aan de linkerzijde van de wichelroede veroorzaakte, maar ook merkte hij een kracht op die een ruk aan de rechterkant veroorzaakte, en dit kwam hem voor als een ondergrondse magnetische kracht Veel pendelaars bedienen zich van de 'korte pendel', elk soort schietlood aan het einde van een kort stuk garen of touw. De meeste mensen ontdekken dat een dergelijke pendel in cirkels gaat draaien als je die boven iemands hand houdt: met de klok mee boven de rechterhand en andersom boven de linkerhand. Lethbridge ging met een langere draad experimenteren, en kwam al gauw tot de slotsom dat de pendel afhankelijk van de lengte op verschillende substanties reageert. Hij merkte bijvoorbeeld op dat katapultstenen uit een opgraving van het IJzeren Tijdperk reageerden zowel op 50 als op 80 cm. Gewone stenen van het strand reageerden op geen enkele lengte. Maar toen hij de stenen tegen een muur had geworpen, reageerden ze op een pendellengte van 50 cm, en toen zijn vrouw geworpen had, reageerden ze op 60 cm lengte - mogelijk was de 50 cm lengte een 'maatstaf' voor mannelijk en 60 cm voor vrouwelijk. Hij overwoog dat de 80-cm-reactie te wijten was aan het feit dat de steen in de strijd gebruikt was, en dat 80 cm de maatstaf voor woede was. De ideeën van Lethbridge zijn nog altijd niet algemeen aanvaard.