Kopie van `Oude woordenlijst herbestemming en renovatie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Oude woordenlijst herbestemming en renovatie
Categorie: Bouw en Constructie
Datum & Land: 11/05/2007, NL
Woorden: 26


Aspe
Het driehoekig gedeelte van een spant in de top van het dak, ook wel nokbint genoemd.

Bolkozijn
Een kozijn met lichtopening en luik naast elkaar. Voorbeeld is het Rijnlandshuis te Lijden uit 1597.

Coeverdak
Een schubvormig gedekt leiendak. Voorbeelden zijn het Rijnlandshuis te Leiden uit 1597en het Sint Jacobsgasthuis te Schiedam uit 1785.

Drieling
1) een kleine baksteen, 180 x 90 x 45 mm. De stenen worden vooral in Zuid- Holland gebakken. Een voorbeeld is het Janskerkhof te Utrecht uit 1661.
2) een gesmede ijzeren nagel of spijker van 65 mm onder andere voor het bevestigen van dakbeschot.

Ezelsrug
Een metselconstructie toegepast als afwaterende beëindiging van gevelvlakken, tuinmuren en erfmuren. De stenen zijn staand verwerkt in een hoek van 45 ° vanaf beide zijden van de muur, waarbij beide vlakken elkaar ontmoeten in een scherpe hoek midden boven de muur. In de Middeleeuwen was er doorgaans een platte steen als afdekking van de toplijn.

Fits
Een scharnier waarbij slechts twee leden de knoop vormen. Er bestaat een links en een rechts type. De pen heeft een losse knoop. Het draagvlak tussen de leden is vaak voorzien van een bronzen ring of kogellager. Toegepast in het Dinghuis te Maastricht uit 1793. De vlagfits is zo ontworpen dat het aan de deur te bevestigen blad door omdraaien gelijkgesteld of tegengesteld gebruikt kan worden.

Gek
Een draaibare kap op een schoorsteen, van hout of metaal. De gek richt zich door middel van een windvaan op de wind, zodat de rook aan de open zijde onbelemmerd weg kan stromen.

Herbestemming
Een nieuwe functie aan een bestaand (historisch) gebouw geven waarbij de identiteit van het gebouw behouden blijft.

Imbrix
Een ronde Romeinse dakpan die de naad tussen twee "tegels" afdekt.

Juk
Een kapspant bestaande uit twee schuin geplaatste stijlen met een bint daaroverheen of ertussen en de verbindende schoren.

Korbeel
1) Een krom stuk hout, onder die naam in de handel. “In 1445 kocht men te Zwolle vier korbelen voor de prijs van een balk”.
2) Een (kromme) schoor tussen een verticaal of schuinstaand en een horizontaal onderdeel van een houtconstructie.

Losagne
Een ruitvormig, zinken dakbedekkingelement met de volgende afmetingen: 380 x 200 mm, 430 x 220 mm, 500 x 250 mm, 580 x 290 mm. Er zijn ook zeshoekige losagnes toegepast (systeem Baillot). Losagnes worden met klangen aan het dakbeschot bevestigd. Het principe van het toepassen van losagnes wordt ook wel potdekselen genoemd.

Moosgat
Afvoergat voor afvalwater, min of meer gelijk aan de oorspronkelijke betekenis van ' gootsteen. Vergelijk met morsen.

Nest
Inkeping in een ' trapboom waar de treden en stootborden worden ingelaten, doorgaans 15 - 20 mm diep.

Oudhollandse Kap
Constructie van kapgebinten, bestaande uit één of meer schaargebinten. Gebruikelijke dakhelling 55 - 60 o.

Pieterman
Een losse, halfronde lat in houten raamroede.

Quartier
Het gedeelte van een trap dat een kwart van een cirkel beslaat.

Renoveren
Het herstellen en zo nodig gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw (voornamelijk woonhuizen). Daardoor wordt het gebouw weer bruikbaar naar de geldende maatstaven.

Restaureren
Het in goede staat brengen van min of meer bouwvallig geworden gebouwen, uitgaande boven normaal onderhoud. Van het woord restaureren zijn in de loop der tijd uiteenlopende interpretaties gegeven:
a) Voor 1900 had het woord meestal de betekenis van terugbrengen in de (vermeende) oorspronkelijke vorm (reconstructie). Dat hield vaak in dat verdwenen of nooit gebouwde elementen werden toegevoegd.
b) Vanaf 1900 werd dit minder. Men hechtte meer waarde aan authentieke materialen, maar verving die ook makkelijk door soortgelijke nieuwe en bracht oudere elementen naar gevonden aanwijzingen terug.
c) Na 1945 kreeg restaureren steeds meer de betekenis van consolideren van de laatst aangetroffen toestand, het instandhouden van het gebouw zoals het door voorgaande generaties is achtergelaten. Constructiefouten zullen moeten worden weggenomen en verminkingen kunnen zo nodig worden hersteld, na verkregen toestemming op grond van de Monumentenwet. Moderne toevoegingen zijn mogelijk als zij het gebouw niet schaden.

Schoffeye
Schoffeye of trekhei is een houten stellage waarin een heiblok met behulp van haken aan een katrolwas is opgehangen. Als het toestel werkte, gleed het zware heiblok tussen de geleiders, het schoof op en neer.

Triangulatuur
Coördinatie van de afmetingen van de plattegrond, de doorsneden en de onderdelen van een bouwwerk, volgens een stelsel van driehoeken gebaseerd op de wortel uit drie. Dit is met name in de gotiek toegepast.

Utrechtse Brug
Brug met boven en beneden een loopvlak. Hierdoor is zowel de bel-etage als het souterrain van een omgracht huis direct toegankelijk. Voorbeelden: kasteel Amerongen, huis Rhijnauwen bij Bunnik.

Vermaetsen
Vermetselen, herstellen. In 1400 te Haarlem de Sint Bavokerk.

Windelsteeghere
Een wenteltrap. 1526 Oudenaarde, Stadhuis.

Xystus (Latijns)
Door galerijen omgeven oefenplaats en wandelhof naar Grieks-Romeins voorbeeld, zoals het vroegchristelijke atrium. Onder andere het atrium van de Munsterkerk te Aken en een lang gestrekte beplante hof in de palts van Regensburg werden zo genoemd.

Zager
Ambachtsman, gespecialiseerd in het tot handzame en gebruikelijke maten zagen van vierkante balken. Twee zagers zaagden een balk met een grote raamzaag in de lengterichting door en bereikten daarbij een grote precisie. De meester stond boven en hield de zaag in de goede richting, de gezel stond beneden en leverde de kracht om de tanden door het hout te trekken. In Amsterdam was de meesterproef het zagen van vijfplanken uit een stuk wagenschot van circa 50 mm dik. Men was instaat plakken hout tot ongeveer 4 mm dik te zagen: spreidsel. Het beroep nam in belangrijkheid af bij de komst van de door wind aangedreven houtzaagmolens na 1600. De ordonnantie van het ambacht van de zagers te Middelburg onderscheidde bovensagers en ondersagers. Een boven- en een onderzager werkten met elkaar en vormden een maatschap.