Kopie van `Schelde Informatiecentrum - woordenlijst`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Schelde Informatiecentrum - woordenlijst
Categorie: Aardrijkskunde > Water
Datum & Land: 14/05/2007, BE
Woorden: 25


Agger
Kortstondige rijzing van het zeewater gedurende de tijd van het eb. Meer uitleg :www.getij.nl

Anadrome vissen
Vissen die opgroeien in zee en zich voortplanten in binnenwateren.

Buitendijks (Nederlands)
Aan de 'waterkant' van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurcompensatie: Buitendijkse natuurcompensatie is het ontwikkelen van natuurgebieden (voornamelijk schorren en slikkengebied) in de Westerschelde, tegen de oevers (dijk) aan. In Vlaanderen wordt het begrip buitendijks gebruikt om het gebied aan de landzijde van de dijk aan te duiden.

Buitendijks (Vlaanderen)
Aan de landzijde van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurontwikkeling. In Nederland wordt deze term gebruikt voor het gebied aan de waterkant van de dijk, in de rivier dus.

Eroderen
Wegslijten van land door wind en water.

Erosie
Het meenemen - weghalen - van los materiaal door de zee (=abrasie), door rivieren (=fluviatiele erosie) of bewegend ijs (=glaciale erosie). Een speciaal type erosie waarbij vooral de mens als oorzaak kan worden aangewezen is bodemerosie. Oorzaken kunnen zijn ontbossing, afbranden, ploegen op hellingen.

Estuarien
Betrekking hebbend op een estuarium.

Estuarium
Riviermonding, daar waar de rivier in de zee uitkomt. De belangrijkste kenmerken van een estuarium zijn de mengeling van zoet en zout water en het bestaan van hoog en laag water.

Fysieke systeemkenmerken
De kenmerken van het estuarium zoals het meergeulenstelsel, het getij en de zandhuishouding.

Gors
met zout- en moerasplanten begroeid buitendijks gebied dat alleen bij verhoogd hoog water overstroomt met brak water.

Klei
Grondsoort met meer dan 40% slib. Ze ontstaat bij verwering of door de selecterende activiteit van stromend water, dat meestal slechts materiaal van een bepaalde grootte transporteert en bij het verminderen van zijn transporterend vermogen de gronddeeltjes verder meeneemt naarmate ze fijner zijn.

Klimaat
De gemiddelde weersituatie van een bepaalde streek gedurende een lagere periode (meestal minstens 30 jaar). Met name afwisseling warme en koude perioden (glacialen en interglacialen) zijn van betekenis voor de ontwikkeling van het Schelde-estuarium.

MKBA
Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse. Wordt bij grote projecten uitgevoerd. De voor- en nadelen van een project voor de omgeving worden daarbij in geld uitgedrukt, zodat een goede afweging gemaakt kan worden of het project wel of niet door kan gaan.

Nieuwland
Polders die onstaan als op- of aanwas. Aanvankelijk als kleine bedijkte delen die bij het oudland werden gevoegd, later (vooral na 1500) volgens plan ontwikkelde en bedijkte grotere gebieden.

Oudland
De gebieden die als eerste bedijkt werden (vanaf ongeveer 1100 na Chr.). Ze bestaan uit lage, natte poelgronden en hoger gelegen kreekruggen. Omdat het getij hier nauwelijks invloed had, waren met name de kreekruggen de eerste bewoonde delen van Zeeland, die tezamen met de poelgronden, omdijkt konden worden.

Overgangswater
Een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen wordt beïnvloed.

Sediment
Afzetting; meestal wordt deze term gebruikt als het om een gesteente gaat dat ontstaan is door opeenhoping van uit de lucht of water bezonken materiaal, dan wel door ijs aangebracht materiaal.

Sedimentatie
Het door bewegend ijs, stromend water of de wind achterlaten van het door deze transporterende media meegenomen los materiaal. Sedimentatie treedt op als de genoemde media niet meer in staat zijn het materiaal verder te vervoeren, wat bijvoorbeeld weer het geval is als hun snelheid vermindert of ze grotere hoeveelheden puin krijgen te verwerken.

Slikken
Onbegroeide op- of aanwas van een kustgebied, die bij eb normaal droogvalt en aan de oppervlakte uit enigszins kleiig materiaal bestaat.

Vogel- en Habitatrichtlijn
Europese richtlijnen uit 1979 (Vogel) en 1992 (Habitat), die zich richten op bescherming van gebieden die vanuit het behoud van vogels en bepaalde leefgebieden van andere plant- en diersoorten een bijzondere status hebben gekregen.

Westerschelde
Schelde van de Belgische grens (ca. 500m breed) tot de monding (ca. 5 km breed), totale lengte ongeveer 60 kilometer. Tijverschil = ongeveer 4 meter bij Vlissingen en ongeveer 5 meter bij Antwerpen.

Zeehonden
Er zijn in totaal bijna 30 verschillende soorten van dit zoogdier. In het Schelde-estuarium komt de Gewone zeehond (Phoca Vitulina) voor. Sporadisch (in tegenstelling tot vroeger) kan de Grijze Zeehond voorkomen. Voor de Gewone Zeehond is het Schelde-estuarium (met name de Westerschelde) het zuidelijkste leefgebied in West-Europa, op een groep van ongeveer 100 zeehonden in de Bay de Somme in Frankrijk na.

Zeeschelde
De Schelde tussen Gent (ca. 65 m breed) en de Vlaams-Nederlandse grens (ca. 450 m breed). lengte is ongeveer 100 kilometer. Tijverschil = ongeveer 5 meter bij Antwerpen en 2 meter bij Gent. Ook in de zijrivieren is een tijverschil merkbaar.

Zoute kwel
Het binnendringen van zeewater via de ondergrond.

Zoutgradiënt
Ontstaat door vermenging van zoet en zout water in het Schelde-estuarium. Het zoutgehalte neemt van Vlissingen (meer dan 15 gram per liter) af naar Gent (minder dan 0,7 gram per liter) Op basis van deze verschillen kan het estuarium verdeeld worden in een mariene zone (Vlissingen - Hansweert), brakke zone (Hansweert - Rupelmonde) en zoete zone (Rupelmonde - Gent). Verschillen in zoutgehalte fluctueren met de water afvoer.