Kopie van `Fontys - Syllabus Literaire Begrippen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Fontys - Syllabus Literaire Begrippen
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 15/05/2007, NL
Woorden: 223


aanspreking
zie: allocutie: Stijlfiguur waarbij de verteller zich rechtstreeks tot iemand (buiten de tekst) richt:
Want aan U draag ik mijn boek op, Willem den Derden, Koning, Groothertog, Prins…
(Multatuli: Max Havelaar)

aanval op de literatuur
regelmatig voorkomend literair-historisch motief, waarbij de verteller zgn. afstand neemt van de literatuur. Het bekendste voorbeeld is wellicht de figuur Droogstoppel die in de Max Havelaar beweert een hekel te hebben aan romans 'of zulke dingen', omdat hij de waarheid meer liefheeft dan fictie. Ook aan het begin van de middeleeuwse Beatrijs vinden we het motief terug:
Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.
Maer om die doghet van hare
Die moeder ende maghet es bleven,
Hebbic een scone mieracle op heven,
Die God sonder twivel toghede
Marien teren, diene soghede.

ab ovo
vertelwijze waarbij een auteur zijn verhaal vanaf het begin (ab ovo betekent 'vanaf het ei') aan de lezer presenteert. Hij komt daarbij later dus niet met informatie die eigenlijk aan het begin vooraf ging.

accentverschuiving
vorm van rijmverdoezeling door één van de rijmende klanken in een onbeklemtoonde lettergreep te plaatsen.
Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een kind. Wil je nu even
kijken of het eten klaar is?
(A. Marja: 'Het huwelijk')

acconsonerend rijm
rijm waarbij de klankovereenkomst alleen de medeklinkers en niet de klinker betreft.
Ter eene en andre zijde rondt zich de kling der kust
Naar een vervloeiden einder van zee, lucht, land en mist
(J.C. Bloem)

aftakeling
bekend literair-historisch motief, waarbij geestelijk en-of lichamelijk verval beschreven wordt. Bekende voorbeelden: Turks fruit (Jan Wolkers), Hersenschimmen (J. Bernlef), Fantoompijn (Arnon Grunberg)

allegorie
vorm van beeldspraak waarbij concrete figuren en voorvallen de plaats innemen van de eigenlijk bedoelde (maar moeilijker) abstracte betekenis. In feite is de tekst dan één lange uitgewerkte metafoor. Het bekendste voorbeeld is Elckerlyc (± 1485). Recentere teksten met een allegorische inslag zijn bijv. De verwondering (Hugo Claus) en Mystiek lichaam (Frans Kellendonk)

alliteratie
ook: beginrijm. Rijm waarbij de klankovereenkomst aan het begin van de woorden zit:
En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.
(Ed. Hoornik)

allocutie
ook: aanspreking. Stijlfiguur waarbij de verteller zich rechtstreeks tot iemand (buiten de tekst) richt:
Want aan U draag ik mijn boek op, Willem den Derden, Koning, Groothertog, Prins…
(Multatuli: Max Havelaar)

allusie
toespeling. Al dan niet verhulde verwijzing naar een andere tekst. Zo verwijzen Jacques Perk en Hugo Claus hieronder naar het 'Onze Vader', maar beiden stellen het gebed wel in dienst van iets anders:
Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
Naast u aanbidde de aard geen andren god!
(Jacques Perk: 'Deinè Theos')
Onze Vader
Die in de hemel zijt
Gezegend is Uw Bom
Dat Uw rijk kome
Dat Uw Megatonnen ontvlammen hier op aarde
Als in de Hemel.
Geef ons heden ons nucleair wapen
En vergeef ons onze voorlopige vrede
Zoals wij vergeven wie ons weerstaat met
gejank om vrede
Maar dat wij mogen ver-assen en verdwijnen
Tot op het einde der tijden
Amen.
(Hugo Claus: Bericht aan de bevolking)

als-vergelijking
meest eenvoudige vorm van beeldspraak, waarbij het object en het beeld met het woord 'als' aan elkaar gekoppeld worden (het object is als het beeld):
De mens is als een blad: elke wind speelt ermee
(L.Th. Lehman)
Een Nederlander maalt evenveel om cultuur als een pissebed om zonlicht
(Gerrit Komrij)

alwetend
zie: auctorieel:Vertelsituatie waarbij een buiten en boven de tekst staande verteller optreedt. Deze verteller speelt dus zelf geen rol in het verhaal. Met name oudere literaire teksten, niet-literaire teksten en veel jeugdboeken maken gebruik van een auctoriële verteller. Maar ook sommige recente literaire teksten maken gebruik van deze vertelsituatie, zoals De Joodse Messias (Arnon Grunberg, 2004).

ambiguïteit
voor meerdere uitleg vatbaar. Stijlfiguur waarbij meer dan een betekenis zich aan de lezer opdringt. Bij Lucebert ontstaat ambiguïteit wel door het ontbreken van interpunctie:
als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader
(Lucebert)

amplificatio
stijlfiguur waarbij de auteur een stelling breed uitspint, hetzij door een zekere wijdlopigheid, hetzij door het feit dat hij een zaak van vele kanten belicht:
Hij hoorde tot de grauwe middenmoot,
een rustig mens, loodgieter van zijn vak.
Hij was geen man die vele harten brak
en geen wien 't leven ruime kansen bood.
Hij had een daags en nog een zondags pak.
Hij miste bijna altijd wel een boot.
Hij keek vaak zwart. Hij stemde rood.
En klaagde. Over steeds meer ongemak.
En waar hij in Bergambacht was geboren,
daar ging hij ook weer in Bergambacht dood.
Eén keer is hij in Amsterdam geweest,
dat stond hem aan, dat was een dag van feest.
Er ging in hem een goed vakman verloren,
want dat was zeker: hij goot prachtig lood.

anachronisme
I. doorbreking van de 'normale' chronologie dmv flashbacks of door een verhaal in medias res of post rem te vertellen. II. Al dan niet opzettelijke fout tegen de historische werkelijkheid.
De ridder greep zijn zwaard, sprong op zijn paard, keek op zijn horloge, en reed weg.

anafoor
zie: repetitio: herhaling. Stijlfiguur waarbij een woord of kleine woordgroep enkele malen herhaald wordt en er zo bij de lezer wordt 'ingehamerd'.
Laat me de schaduw worden van jouw schaduw
de schaduw van je hand
de schaduw van je hond,
maar verlaat me niet.
(Jacques Brel)
En niemand komt niemand dan niemand tegen.
En niemand zegt ik ben een iemandswoord.
En iemand zegt ik ben maar ben verzwegen.
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.
(Hans Andreus)

anagram
'typograp' waarbij door omzetting van de letters van een naam of woord een ander woord of zinnetje ontstaat:
Mensen die toevallig E.E. Bibsharenduvel heten zijn wel een anagram van Barend Biesheuvel.
(Toon Verhoeven: Terzijde)
Piet Mondriaan - I paint modern (I. Wilson)
Bierstad - Breda is 't

anakoloet
ontsporende zin; zin die (grammaticaal) anders eindigt dan hij begonnen is. Meestal een stijlfout, die soms echter bewust wordt toegepast:
En nu haar tooverige tocht begint,
Zoo drijft de maan ten hemel in, de wind
Steekt zoo op - laat nu ieder zien naar haar
(Herman Gorter: Mei)

anapest
versvoet van achtereenvolgens twee onbeklemtoonde lettergrepen en één beklemtoonde lettergreep.
Als de dóód aan het éind mijn bestáán heeft geknákt.

antithese
ook: tegenstelling. Het naast elkaar plaatsen van tegengestelde begrippen.
Bij God! Ik was voor 't sterven in de wieg gelegd.
(Gaston Burssens)

apokoinou
lett: 'van beiden'. Stijlfiguur waarbij één element dienst doet als bestanddeel van twee woordgroepen of zinnen:
Ferguut heeft sinen wech genomen
In een foreest es hi comen.
(Ferguut)

archaïsme
bewust toegepast verouderd taalgebruik

artistieke waarde
de discussie over de artistieke waarde van literatuur (kortweg: wat is literatuur?) is van alle tijden. De vraag is niet sluitend te beantwoorden. Velen menen dat er over smaak en waarde niet te twisten valt, anderen proberen toch een bepaalde norm aan te leggen. Die normen zijn echter altijd subjectief en sterk afhankelijk van persoonlijke smaak en ervaring en zelfs van de stemming waarin men verkeert. Harry Mulisch heeft ooit als criterium geopperd dat er in een goede literaire tekst in ieder geval méér moet zitten dan de auteur erin gestopt heeft. Zelf houd ik het er meestal op dat een tekst voor herlezing vatbaar moet zijn. M.a.w. als een tekst bij de tweede keer lezen niets nieuws te bieden heeft, geen verrassingen meer biedt of nieuwe vragen oproept, is de literaire of artistieke waarde minder groot als wanneer hij wel die mogelijk biedt. Of om het nog eens anders te zeggen: de lezer moet met een tekst in discussie kunnen. Zie ook: verwachtingshorizon.

assonantie
rijm waarbij de klankovereenkomst alleen de klinkers en niet de medeklinkers betreft.
Die vrees mag niet bestaan, hij zegt
dat ik gezond en zeer gelukkig ben.
(Marieke Jonkman: Bang in het licht)

asyndetische vergelijking
vorm van beeldspraak waarbij het object en het beeld zonder het verbindingswoord (sydeton) 'als' naast elkaar worden geplaatst.
Kom, leg uw hand op dit papier, mijn huid.
(Leo Vroman)



auctorieel
ook: alwetend, auctoriaal. Vertelsituatie waarbij een buiten en boven de tekst staande verteller optreedt. Deze verteller speelt dus zelf geen rol in het verhaal. Met name oudere literaire teksten, niet-literaire teksten en veel jeugdboeken maken gebruik van een auctoriële verteller. Maar ook sommige recente literaire teksten maken gebruik van deze vertelsituatie, zoals De Joodse Messias (Arnon Grunberg, 2004).

auteur
de zender bij literaire communicatie. Te onderscheiden van de (persoon van de) schrijver en van de verteller in een verhaal.

auteurstekst
term die gebruikt wordt in oppositie tot lezerstekst. Een literaire tekst kent één auteurstekst (de wijze waarop de tekst door de auteur gepresenteerd wordt, het 'artefact') en talloze lezersteksten (de wijze waarop lezers de tekst interpreteren).

beeldspraak
alle taalvormen waarbij een object vergeleken wordt met een ander object, het beeld. Er bestaan veel vormen van beeldspraak. Zie voor een opsomming het register onder 'beeldspraak'.

beginrijm
zie: alliteratie: Rijm waarbij de klankovereenkomst aan het begin van de woorden zit:
En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.
(Ed. Hoornik)

bestseller
Boek dat zich in een grote populariteit bij het kopende publiek mag verheugen. Het begrip is, zeker als het om literaire werken gaat, nogal betrekkelijk. Bepaalde genres en reeksen (streekromans, Boeketreeks) worden doorgaans buiten de boekentoptien gehouden. Als dit niet zo zou zijn, zou er vrijwel geen literair werk meer in zo'n verkooplijst staan.

betrouwbaarheid
(van perspectief). Bij personale (verhulde-ik) en ik-vertellers (en varianten) moet de lezer vaak beoordelen in hoeverre de verteller een juist beeld van de situatie schetst. Omdat de verteller als subject meedoet aan de handeling, heeft hij vaak een erg beperkt overzicht. Ook kan een verteller lijden aan waandenkbeelden, zonder dat dat de lezer van het begin af duidelijk is. Onbetrouwbaar perspectief komt bijv. voor in 'De fantasieboer' (Gerrit Krol) en de avonturen van de Baron von Münchhausen. De (on)betrouwbaarheid van het psychisch perspectief speelt ook een hoofdrol in De donkere kamer van Damokles (W.F. Hermans)

binnenrijm
rijmklanken binnen een versregel.
Merck toch hoe sterck Nu int werck sich al steld!

bladspiegel
de wijze waarop een tekst over de pagina verdeeld is; de verhouding tussen tekst en het wit van het papier. De bladspiegel speelt bij proza een onderschikte rol en kan daar ook per druk verschillen. Bij poëzie maakt de bladspiegel deel uit van het gedicht als 'artefact'.

Blauwbaardmotief
bekend literair-historisch motief, waarbij een man vrouwen naar zich toe lokt om vervolgens hun ondergang te bewerkstelligen. Bijv. Het lied van Heer Halewijn en Het schandaal der Blauwbaarden (S. Vestdijk)

bombast
overdreven beeldspraak. Krachtige beeldspraak die zijn effect mist, doordat het object van ondergeschikt belang is. Er wordt m.a.w. met een kanon op een mug geschoten.

canon
de verzameling belangrijke literaire werken 'die men gelezen móet hebben'. De literaire canon staat met enige regelmaat ter discussie. Hierbij speelt ook de vraag of het literatuuronderwijs zich meer moet richten op het ontwikkelen van leesplezier, of van literaire en culturele competentie. Een ander discussiepunt heeft betrekking op de inhoud van de lijst. Omdat de samenstelling van de canon een subjectieve zaak is, verschillen critici en andere betrokkenen vaak nogal van mening over 'wát men gelezen moet hebben'.

catastrofe
in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het vierde bedrijf, waarin de spanning een hoogtepunt bereikt en tegelijk het begin van de ontknoping plaatsvindt.

censuur
I. dat wat niet gezegd mag worden. Eén van de elementen uit de discoursanalyse die een rol speelt bij de theorieën over hoe literaire communicatie tot stand komt. II. de controle op (literaire) teksten zoals die plaatsvindt onder totalitaire regimes.

chiasme
kruisstelling. Stijlfiguur waarbij twee bij elkaar horende zinnen (of zinsdelen) in woordvolgorde elkaars spiegelbeeld zijn.
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(J.C. Bloem)

christelijke motieven
verhaal- of literair-historische motieven die ontleend zijn aan het christendom of aan de bijbel; in de West-Europese cultuur en literatuur de meest voorkomende motieven. Voorbeelden: Het dwaallicht (Willem Elsschot - Driekoningenmotief), Een mens van goeden wil (Gerard Walschap - zaaiermotief)

cliché
'versleten' beeldspraak. Te vaak gebruikte beelden verliezen hun kracht. Dit geldt onder andere voor veel spreekwoorden. 'Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens' is ooit een erg originele uitspraak geweest. Nu is het een cliché, dat goede sprekers of schrijvers liever niet gebruiken.

cliffhanger
tot doorlezen uitnodigend fragment aan het eind van een episode van een vervolgverhaal (feuilleton). In deze betekenis ook gebruikt voor spannende scènes aan het eind van een televisiefeuilleton. Binnen één boek kunnen cliffhangers gebruikt worden als twee of meer verhaallijnen elkaar afwisselen. Een boek dat door een opeenvolging van dergelijke spannende momenten noopt tot dóórlezen, noemen we met een andere Engelse term een pageturner.

climax
I. in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het derde bedrijf, waarin de spanning wordt opgevoerd. II. reeks van steeds zwaarder aangezette termen of bewoordingen. Het tegenovergestelde (steeds zwakkere termen) heet anticlimax.
Ja, ze moesten hem beminnen als ze in de ban van zijn geur waren, hem niet alleen als hun gelijke accepteren, hem beminnen tot het waanzinnige, tot zelfopoffering, sidderen van verrukking moesten ze, schreeuwen, huilen van gelukzaligheid, zonder te weten waarom, op hun knieën zouden ze liggen als onder Gods koele wierook als ze alleen hém, Grenouille, zouden ruiken!
(Patrick Süskind: Het parfum)

close-up
aan de filmtechniek ontleende term, waarbij de vertelinstantie heel dicht op de actie zit. Dit kan - net als in films - gebeuren om ruimte te scheppen voor een onverwachte gebeurtenis die van buiten beeld zich ineens op de voorgrond dringt.

code
socioculturele en literaire codes vormen de verzameling werkexterne invloeden die schrijvers ondergaan en waarvan lezers in hun werk de weerslag kunnen lezen. Inmiddels deels vervangen en deels scherper en nauwkeuriger geformuleerd in de polysysteemtheorie.

communicatie
literaire communicatie vindt plaats binnen het eenvoudige communicatiemodel:
zender ==> boodschap ==> kanaal ==> ontvanger
Daarnaast horen ook alle werkexterne invloeden en factoren erbij, zoals beschreven in de polysysteemtheorie alsook de eigenaardigheden van literaire communicatie, zoals eenrichtingsverkeer in de communicatie, multi-interpretabele teksten, uitsluiting van de auteur en wisselwerking tussen tekst en lezer en tussen teksten onderling (zie: intertextualiteit).

compositiemotief
een telkens terugkerend element waaruit de opbouw van de tekst duidelijk blijkt. Een cyclische bouw, bijvoorbeeld, wordt voor de lezer pas duidelijk als de auteur op een paar plaatsen de cirkel even laat zien.

concretisering
vorm van beeldspraak waarbij aan een abstract begrip tastbare eigenschappen worden toegekend.
De echo raapt gehaast haar stappen op.
(Paul Rodenko: 'Bommen')
Bijzondere soorten van concretisering zijn vitalisering en personificatie.

continu tijdsverloop
tijdsverloop in een verhaal dat niet wordt onderbroken door tijdsprongen, flash-backs of flash-forwards.

correspondentieketen
ook: (betekenis)register. Hulpmiddel bij de analyse van moeilijker lyrische teksten. Uitgaande van het feit dat het in een poëzietekst vaak om één thema draait, schrijft de analyticus woorden die voor zijn gevoel qua vorm, klank of inhoud bij elkaar horen ('corresponderen') onder elkaar, om zo een beter inzicht in de thematiek te krijgen.

cyclische bouw
tekstopbouw, waarbij het eind van het verhaal of gedicht sterk lijkt op het begin. De gelijkenis geeft doorgaans aanleiding tot bespiegelingen, omdat het slot, door de verwikkelingen die vooraf gingen, slechts schijnbaar overeenkomt met het begin. Zo begint het bekende gedicht 'Vrede' van Leo Vroman met de strofe
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
47 regels verderop, waarin de herinnering aan de ellende van de oorlog wordt verwoord, luidt de laatste strofe:
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Ook romans kunnen een cyclische bouw hebben, zoals Indische duinen van Adriaan van Dis.

dactylus
versvoet van achtereenvolgens één beklemtoonde lettergreep en twee onbeklemtoonde lettergrepen.
Óver de bérgen bloeit schóner de wéidebloem

detective
(thriller, politie- of speurdersroman) romangenre waarin alles draait om de vaak ingenieuze oplossing van een al even ingenieuze misdaad. Het genre heeft lange tijd vooral in de buitenlandse literatuur een behoorlijk kwaliteit gehad (Arthur Conan Doyle en Nicci French zijn bekende namen uit Engeland), maar de laatste jaren is het ook in het Nederlandse taalgebied kwalitatief in opkomst (René Appel, Jef Geeraerts)

didactische literatuur
literaire tekst met een duidelijk opvoedkundig doel, over het algemeen het vergroten van algemene ontwikkeling van de lezer. In het Nederlands taalgebied doet de didactische literatuur zijn intrede met het werk van Jacob van Maerlant (±1275, bekende werken: Der nature bloeme en Spieghel Historiael). Sindsdien is ze eigenlijk niet meer weggeweest. Een opvallende bloeiperiode beleefde het genre in de achttiende eeuw ten tijde van de Verlichting. Noemenswaard zijn de Hollandsche spectator (1731-1734) van Justus van Effen en de Proeve van kleine gedigten voor kinderen (eerste druk 1778) van Hiëronymus van Alphen.

dierenverhalen
(allegorische) verhalen waarin dieren mensen of menselijke eigenschappen en karaktertrekken verbeelden. Wereldfaam verwierf Vanden vos Reinaerde (twaalfde eeuw) een Middelnederlandse bewerking van een deel van de Oudfranse Roman de Renart. De twintigste-eeuwse bewerking en actualisering Wapenbroeders van Louis-Paul Boon verdient in de lange rij van navolgers en bewerkers een ereplaats. Internationaal zijn de fabels van Jean de la Fontaine bekend.

directe lyriek
lyriek waarbij de gevoelsbeschrijving of -uitstorting in de ik-vorm wordt weergegeven.
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
(M. Nijhoff: 'Het kind en ik')

Discoursanalyse
bij literaire communicatie de analyse van wat binnen bepaalde kringen of in sommige tijden wel of niet gezegd kan-mag worden. Men maakt onderscheid tussen (1) dingen die gezegd moeten worden (2) dingen die gezegd mogen worden (3) die die niet gezegd hoeven te worden en (4) dingen die niet gezegd mogen worden. Dit alles volgens de vigerende normen. Met behulp van de discoursanalyse kan met bijvoorbeeld behoudende schrijvers van de culturele en maatschappelijke avant-garde onderscheiden.

Distanzstellung
stijlfiguur waarbij woorden die syntactisch bij elkaar horen, gescheiden worden. Het apart geplaatste woord krijgt hierdoor extra nadruk.
Verwarring werd alles en angst en haat.
(Arthur van Schendel)

dramatiek
naast epiek en lyriek één van de drie hoofdgenres van literatuur. Dramatiek vinden we vanzelf vooral terug in toneelteksten. Maar ook in proza (bijvoorbeeld in lange dialogen) en soms zelfs in poëzie kunnen we dramatische elementen herkennen.

dynamisch motief
regelmatig terugkerend element in een tekst, dat zelf ook een ontwikkeling doormaakt. Het staat tegenover het statisch motief dat door de hele tekst heen onveranderd blijft.

eenheid van handeling
in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat een tragedie niet meer dan één duidelijk herkenbare verhaallijn mag bevatten.

eenheid van plaats
in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat de handeling zich op één plaats dient af te spelen.

eenheid van tijd
in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat de handeling zich binnen een bepaalde tijd (meestal één dag) dient af te spelen.

ellips
I. weglating, met name van een woord of woorden in een zin.
Wij natuurlijk meteen op weg!
(persoonsvorm is weggelaten)
II. In een verhaal is een ellips een tijdsprong (in feite ook een weglating: er wordt tijd overgeslagen)
De oude Saab kreunde en zuchtte en de verwarming verdomde het bijna helemaal. Voor mijn huis maakte ik Judith wakker. Het leek alsof ze in haar halfslaap gehuild had. Ik kuste haar voorzichtig, ik had het gevoel dat dit misschien een plechtig moment was. [ellips] Ze reed weg met te veel gas, maar de Saab vond het kennelijk lekker, hij was er misschien aan verslaafd. [ellips]
Op mijn kamer, vier hoog, keek ik een tijdje naar buiten. Amsterdam was nog donker en de vorst reed nog over de daken.
(Rinus Ferdinandusse: Zij droeg die nacht een paars corset)

enjambement
het ontbreken van een 'rustmoment' aan het eind van een versregel. Een enjambement ontstaat doordat de syntactische vorm niet overeenkomst met de versopbouw. Het wordt vaak gebruikt als vorm van rijmverdoezeling.
Allen ontvallen ons. Alles ontneemt
het leven. 't Liefste, onvoorzien, vervreemdt.
(Anthonie Donker: 'De eenige')

enumeratie
ook: opsomming. Opsommingen kunnen met en zonder verbindingswoord voorkomen. In het eerste geval is het tempo trager en krijgen de afzonderlijke delen meer aandacht.
Die zorght, en waeckt, en slaeft, en ploegt, en
zwoegt, en zweet,
(Joost van den Vondel: Palamedes)
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
(Ramses Shaffy)

epiek
verhalende kunst. Naast lyriek en dramatiek één van de drie hoofdgenres. Epiek kenmerkt zich door het noodzakelijke en tevens erg vrije gebruik van ruimte en tijd. Epiek komt het meest voor in prozateksten, maar ook in poëzie en toneel kunnen epische elementen voorkomen.

eufemisme
stijlfiguur waarbij een verzachtende, of bedekte omschrijving wordt gegeven van een begrip.
Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt.
(Nescio: De uitvreter. Over de zelfmoord van een personage)

expositie
in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het eerste bedrijf, waarin een verteller uiteenzet wat er voorafgegaan is.

fabel
I. dierenverhaal (met een les of moraal); II. in oppositie tot sujet een door de lezer chronologisch gereconstrueerd verhaal.

fictionaliteit
gebruikt in oppositie tot referentialiteit. De mate waarin een verhaal niet langer refereert aan een bestaande werkelijkheid, maar meer aan een eigen, slechts in het werk bestaande realiteit.

flash-back
terugblik. (Langere) passage in een verhaal die de chronologische lijn doorbreekt doordat hij zich op een eerder moment afspeelt.

flash-forward
analoog aan flash-back gevormd begrip om een tijdsprong vooruit aan te te duiden.

focalisering
de wijze waarop de verteller het verhaal benadert of 'ziet'. Doordat een verteller focaliseert, kan de betrouwbaarheid van het perspectief ter discussie komen.

fysisch perspectief
de mate waarin aspecten als ruimte, tijd, klimaat, weersomstandigheden enz. het verhaal 'mee vertellen'. Het fysisch perspectief manifesteert zich meestal via opposities. Er kunnen bijv. positieve en negatieve ruimten in een verhaal voorkomen, zoals in 'De auditie van mevrouw Stulze' (F.B. Hotz) of Een bruid in de morgen (Hugo Claus)

gekruist rijm
rijmschema (abab) waarbij de versregels om en om rijmen.
De pantippel werd geboren
Op een mooie dag in mei,
Met een arendsneus van voren
En een ezelsoor opzij.
(C. Budding': 'Ballade van de pantippel')

gelijkenis
zie: parabel: Vorm van beeldspraak waarbij een (allegorisch) verhaal verteld wordt om een meer abstracte waarheid duidelijk te maken. Het begrip wordt vaak voorbehouden aan de gelijkenissen die Jezus vertelde en die in het Nieuwe Testament staan opgetekend.

gepaard rijm
rijmschema (aabb) waarbij de versregels twee aan twee rijmen.
Hoe kan de naam zijn dichter sturen!
Marsman is kosmisch van allure,
Hooft cerebraal en Donker licht,
Van Deel op de details gericht,
Engelman hemels en genadig,
Krol krols en Crul wat overdadig,
Jacques Perk beperkt en lastig Last,
Leeflang een late lettergast,
Ruusbroec en Schierbeek stadig stromend,
Gezelle van gezelschap dromend,
Hélène Swarth ontzaglijk sip
en geen ooit puntiger dan Stip.
(Willem Wilmink: 'Gedicht voor Kees Stip')

grammaticale laag
syntaxis en lexicon bij (poëzie)teksten. De grammaticale laag kan een functie hebben bij de interpretatie. De lezer kan door zinsbouw en woordbetekenis door de auteur 'gestuurd' worden.
Van welke brand doorrakelt
peinzen de sintels?
(A. Roland Holst: Een winter aan zee)
Bij eerste (oppervlakkige) lezing interpreteert vrijwel iedereen 'peinzen' als persoonsvorm en 'de sintels' als onderwerp. De 't' aan het eind van 'doorrakelt' dwingt echter een andere lezing af: door deze uitgang kan 'doorrakelt' alleen maar persoonsvorm zijn, zodat 'peinzen' automatisch de rol van onderwerp opgedrongen krijgt. 'De sintels (van wélke brand)' is derhalve lijdend voorwerp.

grondmotief
zie: thema: onderwerp van een literaire tekst, ook wel grondidee of grondmotief. Het thema is niet slechts afhankelijk van wat er in de tekst staat, maar ook van de interpretatie van de lezer. Omdat teksten soms zo complex kunnen zijn dat er moeilijk één thema uit te destilleren valt, spreken we in zo'n geval liever van 'thematiek'.

halfrijm
gezamenlijke benaming voor assonantie en acconsonerend rijm. Ook gebruikt als vorm van rijmverdoezeling.

handelingsaspecten
stijlmiddelen waarvan toneelschrijvers gebruik maken om de aandacht van de toeschouwers vast te houden. Het zijn: prospectie, retrospectie en simultaneïteit.

hendiadys
stijlfiguur waarbij een onderschikking d.m.v. een nevenschikking wordt aangegeven.
Een waterlandsche Trijn sat eens ajuyn en schelde
(Jacob Cats)
(De dame in kwestie zat uiteraard 'uien te schillen'.)

hexameter
versregel die bestaat uit zes versvoeten van één dactylus. Homeros schreef zijn Ilias en Odyssee in hexameters.

Homerische vergelijking
beeldspraak. Breed uitgewerkte vergelijking, waarbij eerst het object wordt genoemd, daarna, sterk uitgewerkt, het beeld en tenslotte weer het object.
Was zo de zee? Neen, neen, een stad geleek
ze, pleinen en straten in de kermisweek.
Boerinne' en boeren, en muziek en dans
In de herbergen en in lichten krans
Om elke markt de snuisterijenkramen
Of als een koning komt en alle ramen
Zijn licht des avonds en uit ieder dak
Een witte vlag. Zo was de zee.

hoofdgenres
de drie hoofdgenres in de literatuur zijn epiek (verhalende kunst), lyriek (gevoelskunst) en dramatiek ('speelbare' kunst). Hoewel de drie hoofdgenres goeddeels samenvallen met de kunstvormen proza, poëzie en toneel, mogen ze er niet volledig mee vereenzelvigd worden. In elke type tekst (proza, poëzie, toneel) kan elk van de hoofdgenres (ook in combinatie met de andere) vóórkomen.

hoofdtekst
(in een toneeltekst) de tekst die door de spelers moet worden uitgesproken. De rest van de tekst (de regieaanwijzingen) heet neventekst.

humor
overkoepelende term voor stijlmiddelen als ironie, parodie en satire.

hypallage
stijlfiguur waarbij een bijvoeglijk naamwoord niet rechtstreeks verwijst naar het bijgeplaatste zelfstandig naamwoord, maar (indirect) naar iets anders.
een goed glas
een blinde muur
een luie stoel

hyperbool
stijlfiguur. Overdrijving, die ook vaak in alledaags taalgebruik voorkomt.
Ik zit hier al een eeuw te wachten
Een meer literair voorbeeld:
En als de morgenzon weer gloort,
Zit hij aan 't vensterglas
En wacht de diligence en schreit
Een brakken tranenplas.
(Piet Paaltjens)

hysteron proteron
stijlfiguur, waarbij de chronologische volgorden der dingen doorbroken wordt.
Laten we sterven en ons in de strijd begeven.
(Vergilius)
Si antwerde den joncfrouwen, die tot haer
quaemen
Ende dat helpgheroep vernamen.
(uit: Floris ende Blancefloer)

ik-verteller
vorm van psychisch perspectief. Het verhaal wordt door een van de personages in de ik-vorm verteld. Dat kan tijdens de gebeurtenissen (belevend-ik) of achteraf (verhalend-ik).

in medias res
vertelwijze waarbij de auteur de lezer meteen midden in de verwikkelingen plaatst. Noodzakelijkerwijs komt er dan achteraf nog informatie over gebeurtenissen die zich vóór het begin van de tekst hebben afgespeeld. Het is in de moderne literatuur de meest voorkomende manier van vertellen.

indirecte lyriek
lyriek waarbij de gevoelsbeschrijving of -uitstorting niet in de ik-vorm wordt gepresenteerd, maar wordt geprojecteerd op een andere persoon.
Nooit vrede in de jaren dat hij leefde
zichzelf was zijn naam, altijd zijn weg
bevuild met soldaten prelaten padden
in brokaat handelaren in zielen
en pelsjes rederijkers ketters spionnen
nooit vrede - altijd aan zijn grenzen
de brandlucht de lijkstank, geen dag
zonder vlees op de plank
in de grond op het dons aan het spit in de mond
van de smulpaap
en altijd aan zijn hof het geslof
van een voorpost van god, het geknor
van een slager een klant, het gekweel
van een kwee een kraai een godin
(Gerrit Kouwenaar: Geen dag zonder vlees)

intertextualiteit
het verschijnsel dat teksten op elkaar reageren, hetzij door (inhoudelijke) verwijzingen, hetzij door sterke vormovereenkomsten. Het verschijnsel is van alle tijden. De middeleeuwse Reinaert, bijvoorbeeld, reageert naar vorm sterk op Karel ende Elegast, en naar inhoud op de hoofse Arturromans. De twintigste-eeuwse roman Wapenbroeders (L.P. Boon) verwijst weer sterk naar de Middelnederlandse Reinaert én naar de Oudfranse Roman de Renart. Zie ook: allusie, parodie en pastiche.

intrige
in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het tweede bedrijf, waarin de verwikkelingen op gang komen en de spanning wordt opgewekt.

ironie
vorm van humor. Milde spot, waarbij het vaak het tegenovergestelde gezegd wordt van wat eigenlijk wordt bedoeld. "Wat ben je vroeg vandaag!" tegen iemand die anderhalf uur te laat komt.
Theo Kars verwijt Harry Mulisch wartaal en stuntelig Nederlands en geeft onder meer als voorbeeld: Ook het woord hopelijk is geen zuiver Nederlands, maar een germanisme, terwijl het woord emaille in geen enkele taal voorkomt. Het moet zijn email. Hoe is het toch afgelopen met dat staatsexamen dat u wilde doen?
(Koos Hageraats (ed.): De knuppel in het hoederhok.)

jambe
tweelettergrepige versvoet van achtereenvolgens een onbeklemtoonde en beklemtoonde syllabe.
Langs bérg en dál klinkt hóórngeschál

jeugdliteratuur
literatuur gericht op jongeren. Kinderboeken. boeken zich qua stijl, inhoud en thematiek richten op onvolwassenen, vaak gekenmerkt door eenduidige vertelwijze, chronologisch tijdsverloop en enkelvoudige thematiek.