Kopie van `Fontys - Syllabus Literaire Begrippen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Fontys - Syllabus Literaire Begrippen
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 15/05/2007, NL
Woorden: 223


kanaal
begrip uit de literaire communicatie (zie aldaar voor de plaats van het kanaal in het communicatiemodel). Onder het kanaal verstaan we literaire communicatie alle materialen en instituties die boodschap bij de ontvanger brengen, zoals uitgeverij, boekhandel, bibliotheek, reclame, recensies enz.

karakter
in een eenvoudig indeling van personages, wordt wel onderscheid gemaakt tussen karakters en typen (Eng.: round en flat characters). De karakters zijn hierbij dat de personages die meer op de voorgrond treden, met name ook met hun gevoelens en beweegredenen.

katharsis
'reiniging'. Ontwikkeling in de vorming van een personage waarbij dit gelouterd wordt, d.w.z. sterker uit de ondergane tegenslagen tevoorschijn komt.

kinderliteratuur
zie: jeugdliteratuur.

klank
zie: rijm: klankovereenkomst in beklemtoonde lettergrepen die niet al te ver van elkaar staan. Er zijn veel soorten rijm. Volrijm, halfrijm en Rime riche zeggen iets over de mate van klankovereenkomst. Eindrijm, beginrijm, binnenrijm, middenrijm en overlooprijm iets over de plaats ervan.

klinkerrijm
zie: assonantie: rijm waarbij de klankovereenkomst alleen de klinkers en niet de medeklinkers betreft.
Die vrees mag niet bestaan, hij zegt
dat ik gezond en zeer gelukkig ben.
(Marieke Jonkman: Bang in het licht)

kwatrijn
1. vierregelige strofe in een gedicht. 2. vierregelig gedicht, vaak met het rijmschema aaba.
Het waterhoentje vlucht bij onraad in het riet.
De merel schrikt wanneer een schaduw door de takken schiet.
Vannacht: de treden kraakten, open viel de deur,
Ik was niet bang, zei zacht: "Kom". Jij was het niet.
(Tymen Trolsky: 'Vannacht.')
Men begroet ons niet
Men zegt: De groeten!
Vertrouwen is voor later
voor een toekomst vol littekens
(Hugo Claus)

lege plek
zie: open plek: Door de auteur-verteller niet (of slechts ten dele) verstrekte informatie, zodat de lezer deze zelf kan invullen. Omdat deze invulling vaak van meerdere tijds- en persoongebonden elementen afhankelijk is, worden teksten met veel open plekken multi-interpretabel. Een bijzondere open plek is het zgn. 'open eind', waarbij de afloop van een verhaal in het midden wordt gelaten, zodat de lezer die volgens zijn eigen idee of verbeelding kan invullen.

leidmotief
regelmatig terugkerend element in een verhaal, dat zelf geen deel uitmaakt van de handeling, maar dient om de gedachten van de lezer een bepaalde richting uit te leiden. Als in Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden) melding wordt gemaakt van het mozaïek in de gangvloer, weet de lezer op den duur dat er in de gemoedsgesteldheid van de hoofdpersoon verbetering optreedt.

Lethe
rivier der vergetelheid in de Hades (het dodenrijk in de Griekse mythologie). Als literair-historisch motief komt het vaak voor in met name poëzie.

lexicon
woordenschat. Maakt deel uit van de grammaticale laag in poëzie.

lezer
de ontvanger in het literaire communicatiemodel. Bij het begrip 'lezer' onderscheiden wij de 'geïntendeerde (bedoelde) lezer' en de 'persoon van de lezer (of eigenlijke lezer)'. Met de eerste bedoelen de lezer zoals de auteur die voor ogen moet hebben gehad, gezien zijn werk. Met de tweede de onvoorspelbare werkelijke lezer.

lezerstekst
door de lezer gerealiseerde (dus geïnterpreteerde) literaire tekst, die geheel los staat (kan staan) van eventuele auteursbedoelingen.

limerick
soort puntdicht van vijf regels van resp. 9, 9, 5, 5 en weer 9 lettergrepen. Het rijmschema is aabba.
De vrouw van een Deken in Aken
Lag 's nachts diepe zuchten te slaken
Zij kreunde zacht: 'O!
Het kriebelt mij zo:
Wel een deken in bed maar geen laken.'
(C. Buddingh')
A terrible infant called Peter,
springled his bed with a gheter.
His father got woost,
took hold of a cnoost
and gave him a pack on his meter.
(John O'Mill)

literair-historisch motief
motief dat kan bogen op een grote frequentie in de (wereld)literatuur. Literair-historische motieven hebben daardoor een soort van universele waarde en aantrekkingskracht.

literaire code
in de literaire communicatie enigszins verouderd begrip dat de literaire invloed van de schrijver en de plaats van diens œuvre binnen die invloeden weergeeft.

literatuur
zie: artistieke waarde: de discussie over de artistieke waarde van literatuur (kortweg: wat is literatuur?) is van alle tijden. De vraag is niet sluitend te beantwoorden. Velen menen dat er over smaak en waarde niet te twisten valt, anderen proberen toch een bepaalde norm aan te leggen. Die normen zijn echter altijd subjectief en sterk afhankelijk van persoonlijke smaak en ervaring en zelfs van de stemming waarin men verkeert. Harry Mulisch heeft ooit als criterium geopperd dat er in een goede literaire tekst in ieder geval méér moet zitten dan de auteur erin gestopt heeft. Zelf houd ik het er meestal op dat een tekst voor herlezing vatbaar moet zijn. M.a.w. als een tekst bij de tweede keer lezen niets nieuws te bieden heeft, geen verrassingen meer biedt of nieuwe vragen oproept, is de literaire of artistieke waarde minder groot als wanneer hij wel die mogelijk biedt. Of om het nog eens anders te zeggen: de lezer moet met een tekst in discussie kunnen. Zie ook: verwachtingshorizon.

litotes
stijlfiguur, vorm van understatement die gebruikt maakt van de ontkenning van het tegenovergestelde.
Dat heb je niet gek gedaan (= je hebt het geweldig gedaan)
'We are not amused' (de Britse koningin Victoria als zij iets sterk afkeurde)

locus amoenus
(lett. 'lieflijke plaats') literarair-historisch motief, waarbij de schoonheid van de plaats en de zuiverheid van de handeling elkaar spiegelen. Komt o.a. voor in Een bruid in de morgen (Hugo Claus).

lyriek
gevoels- of gevoelsuitstortende kunst. Naast epiek en dramatiek één van de drie hoofdgenres. Lyriek (lett. 'dat wat gezongen wordt') kenmerkt zich door het ontbreken van de elementen ruimte en tijd. Lyriek komt het meest voor in poëzie, maar ook in proza en toneel kunnen lyrische elementen voorkomen.

manuscriptfictie
bekend literair-historisch motief, waarbij de verteller net doet alsof hij de tekst ergens gevonden heeft, waarna hij hem alleen maar navertelt. Bekende voorbeelden: De naam van de roos (Umberto Eco) en Max Havelaar (Multatuli)

massa-lectuur
denigrerende benaming voor boeken zonder veel diepgang die zich richten op een groot koperspubliek. Het begrip 'massa' dateert in de betekenis van 'cultuurloze' of 'onbeschaafde' grote groep overigens van omstreeks het begin van de 20ste eeuw, waarna kunstenaars uit allerlei disciplines zich meer op de 'elite' gingen richten, waaruit het modernisme ontstond.

metafoor
I. Overkoepelende benaming voor alle vormen van beeldend taalgebruik. II. Vorm van beeldspraak, waarbij alleen het beeld en niet het te vergelijken object wordt genoemd.
Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning.
(= lichaam)
(J.C. Bloem)

metonymia
(mv. metonymiae), vorm van beeldspraak, waarbij niet van de overeenkomst tussen object en beeld gebruik gemaakt wordt, maar van een andere relatie.
materiaal ipv voorwerp:
De marathonloper heeft uiteindelijk brons gewonnen.
maker ipv voorwerp:
Een Mondriaan; een Ford; een Stradivarius; Homeros lezen.
Geheel voor een deel (totum pro parte):
Parijs introduceert de laatste mode.
Engeland verloor met 6-5
Deel voor het geheel (pars pro toto):
Een bemanning van twaalf koppen

metrum
regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in (met name) poëzie.



middenrijm
rijm dat midden in (opeenvolgende) versregels voorkomt.
T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.
(Jacob Revius)

misdaadroman
zie: detective: (thriller, politie- of speurdersroman) romangenre waarin alles draait om de vaak ingenieuze oplossing van een al even ingenieuze misdaad. Het genre heeft lange tijd vooral in de buitenlandse literatuur een behoorlijk kwaliteit gehad (Arthur Conan Doyle en Nicci French zijn bekende namen uit Engeland), maar de laatste jaren is het ook in het Nederlandse taalgebied kwalitatief in opkomst (René Appel, Jef Geeraerts)

motief
woord, zinsnede of (abstract) begrip dat enkele malen terugkeert in een verhaal of gedicht. Al naar gelang vorm en inhoud onderscheiden we statische en dynamische verhaalmotieven, compositiemotieven, leidmotieven en literair-historische motieven.

naamdicht
ook: acrostichon. Gedicht waarbij de beginletters van elke regel (of van elke strofe) een naam vormen. Meestal ofwel die van de dichter, ofwel die van de bezongene (zoals bij het Wilhelmus). Een van de versies van de Middelnederlandse Reinaert eindigt als volgt:
Bi Gode, ic dart u wel raden!'
Isengrijn sprac toten beere:
'Wat sechdire toe. Brune heere?'
'Ic hebbe liever in den riseren
Ligghen dan hier in den iseren.
Laet ons toten coninc gaen
Ende sinen pais daer ontfaen.'
Met Firapeel datsi ghinghen,
Ende maecten pais van allen dinghen.

neventekst
tekstdelen uit een toneelstuk die niet door de acteur uitgesproken moeten worden (de hoofdtekst), maar bedoeld zijn als een soort regieaanwijzingen.

novelle
verhaal (richtlijn: maximaal 100 blz.) dat door zijn beknoptheid een aantal voorwaarden stelt aan de auteur. Zo kunnen er maar een of enkele uitgewerkte personages in voorkomen, is er geen ruimte voor meerdere verhaallijnen en dient een novelle direct midden in de handeling te beginnen. Op al deze punten opponeert de novelle met de uitgebreidere roman.

omarmend rijm
rijmschema (a, b, b, a) waarbij twee rijmende versregels steeds worden omsloten door twee andere op elkaar rijmende regels.
'k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge dat ik kan:
'k gooi mijn vuil water weg en vul de kan;
maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
(J.A. Dèr Mouw)

ontvanger
laatste schakel bij de literaire communicatie. Zie: lezer.

open eind
zie open plek: ook: lege plek. Door de auteur-verteller niet (of slechts ten dele) verstrekte informatie, zodat de lezer deze zelf kan invullen. Omdat deze invulling vaak van meerdere tijds- en persoongebonden elementen afhankelijk is, worden teksten met veel open plekken multi-interpretabel. Een bijzondere open plek is het zgn. 'open eind', waarbij de afloop van een verhaal in het midden wordt gelaten, zodat de lezer die volgens zijn eigen idee of verbeelding kan invullen.

open plek
ook: lege plek. Door de auteur-verteller niet (of slechts ten dele) verstrekte informatie, zodat de lezer deze zelf kan invullen. Omdat deze invulling vaak van meerdere tijds- en persoongebonden elementen afhankelijk is, worden teksten met veel open plekken multi-interpretabel. Een bijzondere open plek is het zgn. 'open eind', waarbij de afloop van een verhaal in het midden wordt gelaten, zodat de lezer die volgens zijn eigen idee of verbeelding kan invullen.

overlooprijm
ook: kettingrijm. Rijm waarbij het eerste woord van een regel rijmt op het laatste van de voorafgaande.
Heer Schimmelpenninck weet van sparen:
jaren at hij boter, vleesch noch visch!

oxymoron
stijlfiguur waarbij twee elkaar uitsluitende begrippen gecombineerd worden.
Bij God! Ik was voor 't sterven in de wieg gelegd.
(Gaston Burssens)

palindroom
zin of woord(en) die letterlijk dan wel woordelijk achteruit gelezen kan worden. Eerder een taalspel dan een stijlelement.
'Mooie zang; 'n alt sist lang na,' zei oom.
(Battus: Opperlandse taal- en letterkunde)
A man, a plan, a canal: Panama.

panoramisch
vertelwijze waarbij de verteller van enige afstand vertelt, zodat enerzijds een volledig, anderzijds een afstandelijk beeld opgeroepen wordt.

parabel
gelijkenis. Vorm van beeldspraak waarbij een (allegorisch) verhaal verteld wordt om een meer abstracte waarheid duidelijk te maken. Het begrip wordt vaak voorbehouden aan de gelijkenissen die Jezus vertelde en die in het Nieuwe Testament staan opgetekend.

paradox
schijnbare tegenspraak. Stijlfiguur die in eerste instantie op een tegenstelling of tegenspraak lijkt, maar die tenslotte toch een vorm van waarheid lijkt te bevatten.
Iedereen is uniek, behalve ik.
(Herman Brusselmans)
Ik leg me toe op 't schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.
(Multatuli)
Er zijn twee soorten van menschen, de eene soort bestaat niet.
(Victor E. van Vriesland)

parallellisme
stijlfiguur, waarbij de auteur een aantal opeenvolgende zinnen qua structuur en inhoud gelijk laat beginnen (en verlopen).
Geur van het reeuwse beest; geur van de beurse vrucht:
geur van de zee; geur van ene aarde zonder lucht;
- ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze;
ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal azen.
Ik ben de laatste peer in de ijlte van den boom.
Ik ben alléen ter killen herfst, en ik ben lóom.
Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have;
ik ben de zwaarste en de rijpste en zal geen kele laven.
(Karel van de Woestijne)

parodie
spottende nabootsing. Door overdreven gebruik te maken van de stijlmiddelen van een bepaalde auteur of stroming drijft de parodie er de spot mee. De oudst bekende vorm in onze taal in de Middelnederlandse parodie op de ridderepiek Van den vos Reynaerde. In De verteller van Harry Mulisch komen meerdere parodieën voor.

pastiche
parodie die echter zo dicht tegen het origineel aanligt, dat de lezer in verwarring kan raken over de bedoeling van het werk.

perifrase
stijlfiguur, waarbij wel een omschrijving maar niet het eigenlijke begrip wordt genoemd.
het zilte nat (de zee)
stalen ros (fiets)
Een eufemisme is een speciale soort perifrase.

peripetie
in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het vijfde bedrijf, waarin de beslissende wending (ten goede of ten kwade) en de afwikkeling plaatsvindt.

personage
handelende figuur in een epische of dramatische tekst.

personagerol
functie van de personages in epische teksten. In navolging van Greimas onderscheiden we: subject, object, beïnvloeder, beïnvloede, helpers en tegenstanders.

personificatie
vorm van beeldspraak, waarbij een niet-menselijk object menselijke eigenschappen krijgt toegedicht.
Achter de wuivende duinenlijn
Stoeien de wind en de wilde zee.
(P.C. Boutens)
begrippen kleden zich uit en aan
zinsdelen liggen in scheiding
(Jan G. Elburg)

perspectief
zie: fysisch perspectief en psychisch perspectief

pleonasme
stijlfiguur, waarbij een vaste eigenschap van een woord niettemin apart genoemd wordt.
een witte schimmel
de witte sneeuw
(het laatste voorbeeld is in onze sterk vervuilde omgeving al twijfelachtig)

poésie pure
vorm van poëzie, die het gedicht wil zien als 'klankgeheel' als compositie van ritme en klank, waarbij de rede als oordelend element wordt uitgesloten.
groen is de gong
groen is de watergong
waterwee, watergong
groen is de gong van de zee
Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Singapore
achter de vest
stem die mijn slaap doorzong
waterklok, watertong
koperen long van de ree
Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Silina, Senegal
wijd van het nest
hang die mijn ziel doordrong
waterdroom, watersprong
loeiende gong neem mij mee
Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Zanzibar
buiten is best
groen is de gong
groen is de watergong
waterwee, watergong
groen is de gong van de zee
(Jan Engelman: "En Rade. Vocalise voor Cavalcanti")

poëzie
literaire vorm, met een aantal uiterlijke kenmerken: korte (niet dóórlopende) regels, ruime bladspiegel, metrum, rijm, informatiedichtheid e.d. Meest gebruikte vorm voor veel lyriek.

polyperspectiviteit
het afwisselend voorkomen van verschillende vormen van psychisch perspectief. Voorbeelden: Menuet (Louis Paul Boon) en De geruchten (Hugo Claus).

polysysteemtheorie
leer die inhoudt dat het 'literaire systeem' naast en tussen tal van andere systemen (politiek, maatschappij, religie, economie, cultuur enz.) bestaat en van al die systemen voortdurend invloeden ondergaat, terwijl het omgekeerd zijn eigen invloed in al die andere systemen doet gelden. In de literaire communicatie is dit het gangbare model dat o.m. verklaart hoe zender, boodschap, kanaal en ontvanger op elkaar en op hun omgeving inwerken.

post rem
vertelwijze waarbij de auteur het verhaal aan het (chronologische) eind van de verwikkelingen laat beginnen. Alle informatie die na het begin komt, heeft daar dus vóór plaatsgevonden. De vertelwijze komt niet zo erg vaak voor in de literatuur. Een bekend voorbeeld is Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants.

prolepsis
stijlfiguur, waarbij een element uit de syntactische structuur wordt gelicht en - apart - voorop wordt geplaatst, waardoor het bijzondere aandacht krijgt.
Zijne kunstmoraal - hij vatte haar samen in twee zinvolle rijmpjes.
(Conrad Busken Huet)
Soep, daar lust ik wel pap van.

prospectie
vooruitwijzing. Stijlmiddel waarbij de chronologie (min of meer) doorbroken wordt, door alvast te verwijzen naar de dingen die nog komen gaan. Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken.

proza
aan weinig regels gebonden literaire vorm. Opponeert met poëzie dat zich juist kenmerkt door een bijzonder strakke beregeling. De prozavorm wordt vooral gebruikt voor epiek en essayistiek.

psychisch perspectief
bij epiek de wijze waarop de lezer het verhaal wordt ingeleid, de verteller en zijn 'point-of-view'. Er zijn drie hoofdvertelwijzen: de autoriële verteller, de ik-verteller en de verhulde-ik (of personale) verteller.

puntdicht
ook: epigram. Kort gedicht met een geestige pointe of pakkende gedachte. Vaak bevat het een woordspeling.
Een ezel is een heer met een staart,
Die hij van achteren draagt, zoals een paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in het hoofd dan wel in de oren.
(De Schoolmeester)
Ook komische grafschriften rekenen we tot de puntdichten.
Tom Smith is dead, and here he lies,
Nobody laughs and nobody cries;
Where his soul's gone, or how it fares,
Nobody knows, and nobody cares.

raamvertelling
een roman waarin (vele) andere kortere vertellingen (novellen) zijn ingebed. Bekende voorbeelden: de Decamerone (Boccaccio), de sprookjes in Duizend-en-een-nacht. Een Nederlands voorbeeld is De barre winter van negentig (Herman de Man).

referentialiteit
de mate waarin een literair werk verwijst naar een kenbare werkelijkheid. Vorm een oppositiepaar met fictionaliteit.

repetitio
herhaling. Stijlfiguur waarbij een woord of kleine woordgroep enkele malen herhaald wordt en er zo bij de lezer wordt 'ingehamerd'.
Laat me de schaduw worden van jouw schaduw
de schaduw van je hand
de schaduw van je hond,
maar verlaat me niet.
(Jacques Brel)
En niemand komt niemand dan niemand tegen.
En niemand zegt ik ben een iemandswoord.
En iemand zegt ik ben maar ben verzwegen.
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.
(Hans Andreus)

retoriek
onbezield gebruik van overspannen taal met clichés en bombast (overspannen beeldspraak). Niet te verwarren met de retorica (=welsprekendheidsleer).

retorische vraag
stijlfiguur. Nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag. Er wordt dan ook geen antwoord op verwacht. Als een vakbondsleider de stakende arbeiders vanaf een kantinetafeltje toeroept: "Mannen, pikken wij deze diefstal van vrije dagen?" is het niet de bedoeling dat iemand antwoordt: "Nou, voor deze keer dan."

retrospectie
terugverwijzing. Stijlmiddel waarbij de chronologie (min of meer) doorbroken wordt, door terug te verwijzen naar de dingen die al eerder hebben paatsgevonden. Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken.

rijm
klankovereenkomst in beklemtoonde lettergrepen die niet al te ver van elkaar staan. Er zijn veel soorten rijm. Volrijm, halfrijm en Rime riche zeggen iets over de mate van klankovereenkomst. Eindrijm, beginrijm, binnenrijm, middenrijm en overlooprijm iets over de plaats ervan.

rijmschema
regelmatige volgorde van rijmklanken aan het eind van versregels. De bekendste zijn gepaard rijm, gekruist rijm en omarmend rijm.

rijmverdoezeling
dichterlijke techniek bedoeld om rijmklanken niet al te zeer te laten opvallen. We onderscheiden drie mogelijkheden: accentverschuiving, halfrijm en enjambement.

rime riche
lett. 'rijk rijm'. Rijm waarbij de klankovereenkomst wordt gerealiseerd door een rijmwoord in zijn geheel te herhalen.
Wat ontbrak, ontbreekt ook nu. Staat
zelfverlies zo vast dat alles valt?
Ik wil slapen, zei ik, te redden valt
er niets, want daglicht doet mij pijn.
(Marieke Jonkman: "Bang in het licht')

roman
literair prozawerk van grotere omvang. Dikwijls met meerdere verhaallijnen en uitgediepte karakterbeschrijvingen.

ruimte
een belangrijke structuurelement bij epiek. Daarin kan naar hartelust van ruimte gewisseld worden. Ook kan ruimte een symbolische functie hebben. Zie ook onder fysisch perspectief.

satire
I. half ernstige, half humoristische aanval op menselijke dwaasheden of maatschappelijke toestanden, zoals vaak in cabaret gebeurt. II. hekeldicht. Gedicht of andere literaire tekst met onder I. genoemde eigenschappen. Voorbeelden zijn: Lof der zotheid (Erasmus), Wapenbroeders (Louis Paul Boon), De mensheid zij geprezen (Arnon Grunberg).

scène
I. bij toneel: deel van een bedrijf, tussen twee spelerswisselingen in II. bij epiek: deel van het verhaal waarin de verteltijd en de vertelde tijd gelijk opgaan (ongeveer even lang duren.).

scènisch
vertelwijze waarbij de verteller van korte afstand vertelt, zodat de lezer zich dicht op de 'actie' voelt zitten. Hierdoor wordt enerzijds een onvolledig, anderzijds een erg betrokken beeld opgeroepen, met een grote spannende werking.

schrijver
i.t.t. tot de auteur is de schrijver de maatschappelijke figuur die zich ook buiten zijn boeken (en in zijn privé-leven) manifesteert. Als iemand onder pseudoniem schrijft is het verschil schrijver-auteur betrekkelijk makkelijk. Henk Marsman is de schrijver, Bernlef de auteur. Maar ook voor schrijvers die onder hun eigen naam publiceren moeten we dit onderscheid maken.

sextet
zesregelig gedicht of zesregelige strofe.

Shakespeare-sonnet
sonnet waarbij de wending niet na de achtste regel maar na de twaalfde te vinden is. Deze structuur wordt ook zichtbaar in het rijmschema abab cdcd efef gg.
What is your substance, whereof are you made,
That millions of strange shadows on you tend?
Since everyone hath, every one, one shade,
And you, but one, can every shadow lend.
Describe Adonis, and the counterfeit
Is poorly imitated after you;
Of Helen's cheek all art of beauty set,
And you in Grecian tires are painted new.
Speak of the spring and foison of the year;
The one doth shadow of your beauty show,
The other as your bounty doth appear,
And you in every blessèd shape we know.
In all external grace you have some part,
But you like none, none you, for constant heart.
(William Shakespeare: 'Sonnet 53')

short story
snel verlopend kort verhaal eindigend met een climax of onverwachte wending. Vaak moeilijk te onderscheiden van anekdote, scherts of novelle. Zoals uit de naam al op te maken valt, is het genre vooral populair in Angelsaksische landen, met schrijvers als Edgar Allan Poe, Truman Capote, Ernest Hemingway en Roald Dahl. Ook de Rus Tsjechov is een bekend beoefenaar. Nederlandse voorbeelden zijn Hugo Claus, Bob den Uyl en Jan Donkers.

simultaneïteit
Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken, waarbij gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om meer handelingen gelijktijdig te laten plaatsvinden en waardoor die handelingen versterkt worden. In Suiker van Hugo Claus treurt een van de personages over het verlies van zijn geliefde. Zijn verdriet wordt versterkt door eht feit dat je haar (buiten beeld) met andere mannen hoort feesten.

sleutelroman
roman waarin de personages en gebeurtenissen (verhuld) verwijzen naar mensen en gebeurtenissen in de werkelijkheid. Een bekend voorbeeld is Onder professoren van W.F. Hermans.

socioculturele code
(gedateerde) term voor de maatschappelijke en culturele invloeden die zowel de persoon van de schrijver als de lezer ondergaan. De grote verschillen tussen deze twee zouden een verklaring vormen voor het mislukken van literaire communicatie.

soft focus
aan filmtechniek ontleende term die aangeeft dat een niet al te scherp beeld van de (omgeving van de) beschreven handeling wordt gegeven.

sonnet
veertien regelig gedicht dat zijn oorsprong vond in de Italiaanse Renaissance (Petrarca) met een strak rijmschema en een wending (ook: "val' of 'chute') na de achtste regel.
De woorden worden in een nieuw verband
Als in een zind'lijk weeshuis opgenomen:
Vier slaapzalen begrenzen, wand aan wand,
Afwisselend jongens- en meisjesdromen.
Over de bedden, naar den and'ren kant,
Wordt onderling een lokroep wel vernomen:
Wat ze verloren met den ouden band
Moet toch als kinderliefde bovenkomen.
Onder de zalen huizen de regenten,
Achter drie tafels, achter 't groene kleed,-
En ingespannen pluizend om den wreed
Onterfden kleine deugden in te prenten,
Om hen, ook zonder hun zielseigen moeder,
Nog tot een draag'lijk einde op te voeden.
(S. Vestdijk: 'Het sonnet')

spanning
stijlelement. Door schrijftechnische ingrepen kan de auteur kan de lezer spanning ondervinden. Korte en onvolledige zinnen, dosering van informatie, wisseling van perspectief, vertragingstechnieken en het gebruik van cliffhangers zijn veel voorkomende voorbeelden.

stafrijm
zie: alliteratie: ook: beginrijm. Rijm waarbij de klankovereenkomst aan het begin van de woorden zit:
En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.
(Ed. Hoornik)

statisch motief
motief (met enige regelmaat herhaald element in een tekst), dat zelf binnen de tekst geen ontwikkeling doormaakt.

stijlfiguur
iedere afwijking van de gebruikelijke schrijfstijl die een auteur toepast om een zeker effect te bereiken.

strofe
I. gedicht van één strofe(II). II. deel van een gedicht tussen twee witregels. Soms ook foutief 'couplet' genoemd. Strofen worden benoemd naar hun regelaantal. De belangrijkste zijn: twee regels: distichon; drie regels: terzine (in een sonnet: terzet); vier regels: kwatrijn; vijf regels: quintet (of: kwintet); zes regels: sextet; acht regels: octaaf.

structuur
bouw(wijze) van een literaire tekst. Niet alleen 'bouwstenen' als hoofdstukken, alinea's en strofen maak deel uit van de structuur, maar ook zgn. structuurmotieven (stijlelementen die in de bouw van een tekst terug te vinden zijn, zoals cyclische bouw, of het 'dubbelwegmotief'.)

sujet
epische tekst in de volgorde waarin hij gepresenteerd wordt. Meestal genoemd samen met zijn opponent 'fabel', wat het chronologisch gereconstrueerde verhaal is.

symbool
vorm van beeldspraak waarbij het verband tussen beeld en object niet gebaseerd is op enig logisch of inhoudelijk verband, maar bijvoorbeeld op traditie (duif-vrede). Auteurs kunnen ook individuele symbolen bedenken en gebruiken.

synesthesie
vorm van beeldspraak waarbij de zintuiglijkeeffecten van objecten verwisseld of gemengd worden.
schreeuwende kleuren
onwelriekende woorden
een diepe stem
'Hoor dan met uw handen'
(Lucebert)

tautologie
stijlfiguur waarbij (vaak in nevenschikking) tweemaal hetzelfde wordt gezegd.
zeker en vast
enkel en alleen
Hij sprak en zeide
In 't zaâl zich wendend
Vaarwel, o moeder
(Geerten Gossaert: 'De moeder')

tempowisseling
in epiek voorkomende wisseling in de verhouding verteltijd en vertelde tijd. Genette onderscheidt er vijf: pauze (vertelde tijd nul, verteltijd 'oneindig'), vertraging (vertelde tijd > verteltijd), scène (vertelde tijd = verteltijd), samenvatting (vertelde tijd < verteltijd), ellips (verteltijd 'oneindig', vertelde tijd nul).

thema
onderwerp van een literaire tekst, ook wel grondidee of grondmotief. Het thema is niet slechts afhankelijk van wat er in de tekst staat, maar ook van de interpretatie van de lezer. Omdat teksten soms zo complex kunnen zijn dat er moeilijk één thema uit te destilleren valt, spreken we in zo'n geval liever van 'thematiek'.

thriller
zie: detective: (thriller, politie- of speurdersroman) romangenre waarin alles draait om de vaak ingenieuze oplossing van een al even ingenieuze misdaad. Het genre heeft lange tijd vooral in de buitenlandse literatuur een behoorlijk kwaliteit gehad (Arthur Conan Doyle en Nicci French zijn bekende namen uit Engeland), maar de laatste jaren is het ook in het Nederlandse taalgebied kwalitatief in opkomst (René Appel, Jef Geeraerts)

tijd
een belangrijk structuurelement bij epiek, waarin niet alleen een chronologisch tijdsverloop voorkomt, maar waarin volop met tijd 'gespeeld' kan worden. Prospectie en retrospectie, flashbacks en flashforwards alsook tempowisselingen behoren tot de mogelijkheden die de auteur in dit spel ten dienste staan.

tijdsprong
(in epiek) verzamelnaam voor verteltechnieken waarbij de auteur de chronologie doorbreekt: flash-backs, flash-forwards, vooruitverwijzingen en terugverwijzingen.