Kopie van `Reconstructieplan De Baronie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Reconstructieplan De Baronie
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 15/05/2007, NL
Woorden: 164


Aandachtsgebieden landschap
Gebieden waar projecten gestart worden die gericht zijn op verbetering van de landschappelijke kwaliteit.

Aanhoudingsplicht
De plicht van burgemeester en wethouders om hun beslissing op een verzoek om bouwvergunning of aanlegvergunning, die niet in strijd is met het geldend bestemmingsplan, voorlopig niet te nemen (aan te houden) in afwachting van een aanpassing van dat bestemmingsplan.

Aankoopstrategieplan (ASP)
Plan voor grondverwerving ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur waarin staat welke knelpunten worden aangepakt, in welke planperiode dat gaat gebeuren en op welke wijze dat plaats zal gaan vinden.

Aardkundig waardevolle gebieden
gebieden waar de natuurlijke ontstaanswijze herkenbaar is doordat aardkundige verschijnselen er nog een gave vorm hebben en-of in onderlinge samenhang voorkomen. De aardkunde heeft de - vaak trage en grootschalige - werking van de niet-levende natuur als onderwerp en omvat de geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen. Aardkundige verschijnselen maken samen met natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden deel uit van de onderste laag en zijn medebepalend voor de landschappelijke waarden.

Achtergronddepositie
De neerslag van stoffen uit de lucht (bijvoorbeeld ammoniak of stikstofoxiden) in een bepaald gebied, waarbij de herkomst van de stoffen buiten dit gebied ligt.

Agrarisch natuurbeheer
Natuurbeheer op landbouwgronden uitgevoerd door boeren gecombineerd met de agrarische bedrijfsvoering.

Agrarische hoofdstructuur (AHS)
Het gebied buiten de GHS en de bebouwde kernen en infrastructuur waar de instandhouding en de versterking van de landbouw voorop staan (aangeduid in het Streekplan Noord-Brabant 2002).

Agribusiness
Bedrijven die goederen en diensten leveren aan land- en tuinbouwbedrijven of zorgen voor verwerking, afzet en transport van agrarische producten van de primaire land- en tuinbouwbedrijven.

Agrotoerisme
Alle vormen van recreatie en toerisme op agrarische bedrijven.

Akkoord van Cork
Akkoord tussen de reconstructiepartners in Noord-Brabant over het vervolg van de reconstructie-revitalisering, gesloten op 11 juli 2003.

Archeologie
Wetenschap van menselijke samenlevingen op grond van bodemvondsten en opgravingen.

Archeologische vindplaats
Locatie waar zich archeologische sporen en vondsten bevinden.

Autonome ontwikkeling (AO)
Ontwikkelingen die plaatsvinden zonder dat één van de alternatieven wordt uitgevoerd en waartoe al wel besloten is.

A- en B- gebieden
A-gebieden: ‘zeer kwetsbare natuurgebieden’: gebieden die zeer gevoelig zijn voor verzuring (de kritische depositiewaarde ligt lager dan 1400 mol stikstof per ha per jaar). B-gebieden: ‘kwetsbare gebieden’: gebieden die gevoelig zijn voor verzuring (de kritische depositiewaarde ligt op of boven 1400 mol stikstof per ha per jaar). De A- en B-gebieden vormen samen de ‘kwetsbare gebieden’ zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij.

Bebouwingscluster
Een vlakvormige verzameling van gebouwen in het buitengebied.

Bebouwingsconcentratie
Een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

Bebouwingslint
Een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg in het buitengebied, doorgaans dubbelzijdig aanwezig, met geringe afstanden tussen de bouwkavels, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebiedfuncties.

Beeldkwaliteitsplan
Een plan, opgesteld als aanvulling op het ruimtelijke plan dat zich doorgaans vooral richt op functionele kwaliteiten, dat de na te streven beeldkwaliteit beschreven. Dat gebeurt onder meer door aan te geven op welke ruimtelijke kenmerken van landschap en bebouwing en landschappelijke structuren en elementen moet worden ingespeeld en welke streefbeelden daarbij gelden.

Beheersovereenkomst
Overeenkomst die een grondeigenaar en de overheid afsluiten om in de overeenkomstig aangewezen gebieden het beheer van een bepaald grondoppervlak aan te passen ten gunste van de natuur. De grondeigenaar krijgt hiervoor een financiële vergoeding.

Bevoegd gezag
.Het orgaan dat bevoegd is ter zake besluiten te nemen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bij bijvoorbeeld een bestemmingsplan is het bevoegd gezag de gemeente, bij een streekplan is dat de provincie.

Biologische landbouw
Gecertificeerde vorm van landbouw waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van korte gesloten kringlopen en natuurlijk evenwicht. Daarom wordt er geen gebruikgemaakt van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. Belangrijke elementen zijn een goede mineralenbeheersing, een ruime vruchtwisseling, een goede bodemvruchtbaarheid, het gebruik van resistente gewassen en mechanische onkruidbestrijding. Er is ook veel aandacht voor het welzijn van dieren.

Blauw knooppunt
Een blauw knooppunt bevindt zich op de overgang tussen twee deelstroomgebieden. Ter plaatse van een blauw knooppunt dient de kwaliteit van het water te voldoen aan de eisen die door het benedenstrooms gelegen gebied gesteld worden.

Bodemarchief
De archeologische informatie die in de bodem aanwezig is. Deze informatie is de weerslag van menselijke activiteiten in het verleden.

Bouwblok
Een in een bestemmingsplan vastgelegde ruimtelijke eenheid, waarbinnen de bebouwing ten behoeve van een bestemming moet worden geconcentreerd.

Brongebieden
Het water in dit gebied stroomt het gehele jaar langzaam, maar gestaag naar een beek. Deze gebieden zijn belangrijk voor de basisafvoer van beken.

Bufferzone
Beschermingszone rond kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld ter voorkoming van vervuiling van het grondwater in waterwingebieden.

Chemische luchtwasser
Luchtzuiveringssysteem (kolommen met vloeistof) waardoorheen stallucht wordt geleid voordat het naar buiten wordt geblazen. Een chemische wasser verwijdert ammoniak (95 % of meer) uit de stallucht door deze te binden aan een zuur, meestal zwavelzuur.

Commissie m.e.r.
Onafhankelijke commissie die het bevoegd gezag adviseert over de richtlijnen voor de inhoud van het MER en de kwaliteit ervan.

Compenserende maatregel
Maatregel om de nadelige gevolgen van een ingreep voor de natuur, het milieu of het watersysteem te compenseren.

Cultuurhistorie
De overblijfselen van de geschiedenis van de door de mens gemaakte en beïnvloede leefomgeving.

Depositie
Neerslag van stoffen (zoals ammoniak) uit de lucht op een bepaald gebied.

Diffuse bronnen
Een bron van verontreiniging die niet eenduidig op een bepaalde plek zijn oorsprong heeft, maar over een groter gebied plaatsvindt. Voorbeelden zijn verontreinigingen afkomstig uit de landbouw en het verkeer die via atmosferische depositie en uit- en-of afspoeling van gronden het grond- en oppervlaktewater bereiken.

Doelenboom
Schematisch overzicht van de rangorde van hogere beleidsdoelen, plandoelen, maatregelen en randvoorwaarden. Een doelenboom beschrijft een toekomstige situatie die ontstaat ná het oplossen van de geidentificeerde problemen, identificeert en beschrijft de hierarchie in doelstellingen, en visualiseert de oorzaak-gevolg relaties in diagramvorm.

Dorpsontwikkelingsplannen
Ontwikkelingsplan voor een dorp, opgesteld met alle betrokkenen (inwoners, gemeente, bedrijfsleven) waarin aandacht wordt besteed aan ruimtelijke, sociaal-economische en-of leefbaarheidsaspecten. Naast een visie zijn in het plan ook nadrukkelijk projecten opgenomen.

Droogteschade
Derving van inkomsten ten gevolge van een lagere gewasproductie door een tekort aan water in de land- en tuinbouw.

Duurzame productie
Productie die bij voortzetting ook in de toekomst rendabel is en geen problemen oplevert voor het milieu.

Ecologische hoofdstructuur (EHS)
Samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden.

Ecologische verbindingszone (EVZ)
Zone die dienst doet als migratieroute voor planten en dieren tussen verschillende natuurgebieden. Aanleg van verbindingszones heeft als doel barrières tussen deze gebieden op te heffen. De zone moet zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht zijn ingericht en beheerd volgens de eisen van de doelsoorten.

Economische drager
(Cluster van) economische activiteit die een bijdrage levert aan de versterking van de structuur in een gebied.

Emissie
Het in de lucht brengen van stoffen (zoals ammoniak) vanuit een bepaalde bron.

Extensieve recreatie
Recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving. Bijvoorbeeld wandelen, fietsen en natuurkamperen. Er zijn weinig of geen gebouwen nodig en het aantal recreanten (per tijdseenheid of oppervlakte-eenheid) is beperkt.

Extensiveringsgebied
Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

Externe effecten
Veranderingen of invloeden die optreden buiten het gebied waar een concrete ingreep of activiteit plaatsvindt.

Fasering
Het indelen van de reconstructiedoelen in elkaar opvolgende fasen.

Flankerend beleid
Beleid omvattende een breed pakket aan maatregelen voor diegene die nadelige consequenties ondervinden als gevolg van de vaststelling en uitvoering van het reconstructieplan.

Gebiedsvreemd water
Van elders aangevoerd water met een afwijkende samenstelling.

Gedeputeerde Staten (GS)
Het dagelijks bestuur van de provincie bestaande uit zeven gedeputeerden en de Commissaris van de Koningin.

Generiek beleid
Algemeen geldend beleid.

Geomorfologie
Wetenschap die de natuurlijke vorm van het landschap bestudeert, zoals die ontstaan is door geologische processen en eventueel beïnvloed is door menselijk handelen.

Gradiënt
Verloop in de ruimte, bijvoorbeeld van nat naar droog, van hoog naar laag of van voedselrijk naar voedselarm.

Groenblauwe diensten
Extra maatregelen of beheer dat boeren of particulieren uitvoeren ter realisering van natuur-, landschaps-, milieu- en waterdoelstellingen.

Groenblauwe dooradering
Een vlechtwerk van landschapselementen (watergangen met oevers, moerasjes en poelen, brede bermen, kleine bosperceeltjes en paden) in het agrarisch cultuurlandschap.

Groene hoofdstructuur (GHS)
Een samenhangend netwerk van alle natuur- en bosgebieden, landbouwgebieden en andere gebieden met bijzondere natuurwaarden en landbouwgebieden die bijzondere potenties hebben voor de ontwikkeling van natuurwaarden (aangeduid in het Streekplan Noord-Brabant 2002).

Groene rivier
Een binnen een dijkringgebied gelegen, aan weerszijden bedijkte strook land met agrarische en waterstaatkundige bestemming, die tijdens hoogwatersituaties dienst kan doen als waterafleidingskanaal om de wettelijke veiligheid tegen overstromen te kunnen waarborgen.

Grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent het hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet en het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten.

Grondgebonden teelten
Teelten die in de volle grond plaatsvinden. Grondgebonden teelten zijn in ieder geval: akkerbouw, fruitteelt en vollegrondstuinbouw en vormen van boomteelt waarbij de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant.

Grootvee eenheid (GVE)
Het aantal GVE op een bedrijf is de optelsom van het aantal landbouwdieren op het bedrijf omgerekend naar de fosfaatproductie van één melkkoe.

Habitat
Leefgebied van planten of dieren.

Handhaving
Het door toezicht en het toepassen van (of dreigen met) bestuur(srechte)lijke, strafrechtelijke of privaatrechtelijke middelen bereiken dat de algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften worden nageleefd. Handhaving bestaat uit toezicht, opsporing en sanctionerend optreden.

Hervestiging
van een agrarisch bedrijf Het verplaatsen van een bestaand agrarisch bedrijf van het ene agrarisch bouwblok naar een ander agrarisch bouwblok.

Huiskavel
Kavel waarop de bedrijfsgebouwen staan.

Hydrologie
De leer van het voorkomen, het gedrag en de chemische en fysische eigenschappen van water in al zijn verschijningsvormen op en beneden het aardoppervlak.

Infiltratie
Het doorsijpelen van water door de bodem naar het grondwater (ook wel inzijging of wegzijging genoemd).

Ingreep-effectrelatie
Relatie tussen een bepaalde ingreep en het daaruit volgende effect. Op grond van ingreep-effectrelaties kunnen binnen bepaalde marges voorspellingen worden gedaan over het effect van nieuwe ingrepen.

Inplaatsing
Het toestaan van voortzetting van landbouwbedrijvigheid in het betreffende gebied door een bedrijf dat elders moet beeindigen.

Integrale zonering
Gebiedsdekkende indeling van het reconstructiegebied in drie zones, te weten landbouwontwikkelings-, verwevings- en extensiveringsgebieden.

Intensief recreatief gebied
(Legenda-eenheid van de themakaart recreatie) Gebied waar ruimte wordt geboden voor de nieuwvestiging van kleinschalige of verdere ontwikkeling van (groot- of kleinschalige) intensieve toeristisch-recreatieve bedrijven en voorzieningen, indien de randvoorwaarden (Afsprakenkader Recreatie Streekplan) dit toelaten.

Intensieve veehouderij
Een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is en waarbij dientengevolge sprake is van specifieke belasting van de leefomgeving en het natuurlijk milieu door stankoverlast, mestoverschotten en ammoniak.

Intermediaire gebieden
Gebieden waar afwisselend kwel en infiltratie optreedt.

Kapitaalintensieve functies
Functies die om hoge investeringskosten vragen per vierkante meter, zoals woongebied, bedrijventerrein, intensieve veehouderij, glastuinbouw of intensieve teelten.

Kapitaalintensieve ontwikkelingen
Ontwikkeling van kapitaalintensieve functies: ontwikkelingen waarvoor grote investeringen worden gedaan en die een concentratie van kapitaal (mensen, bedrijvigheid, materiaal) tot gevolg hebben.

Kavelruil
Het op meer praktische en efficiënte wijze verdelen van het grondeigendom van verschillende eigenaren.

Kerngebieden (van de EHS)
Kerngebieden bestaan uit natuurterreinen, landgoederen, bossen, grote wateren en waardevolle agrarische cultuurlandschappen. Ze zijn minimaal 250 hectare groot. Het zijn gebieden met al bestaande bijzondere ecologische waarden van nationale en-of internationale betekenis.[Natuurbeleidsplan Min LNV Het beleid voor de kerngebieden is gericht op behoud en verdere ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.

Kernrandzone
Een overgangszone tussen de bebouwde kom en het buitengebied met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte en -of afnemende agrarische functie.

Ketenbeheer
Het zodanig beheer van de keten grondstof-productie-gebruik-verwijdering dat er zo weinig mogelijk grondstoffen worden verspild en er zo min mogelijk emissies plaatsvinden.

Koopmansgelden
Gelden, beschikbaar gesteld door het Rijk op advies van de Commissie Koopmans, ten behoeve van een lagere veebezetting en daarmee minder milieubelasting in en rond kwetsbare natuurgebieden en drinkwaterwinningen.

Kwel
Opwaarts gerichte grondwaterstroming.

Kwetsbaar gebied
Voor verzuring gevoelig gebied conform de Interimwet ammoniak en veehouderij, dat onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur.

Lagenbenadering
Werkwijze om ruimtelijke keuzen meer in relatie te brengen met de onderste lagen. Water, bodem, landschap en hiermee verweven natuur- en cultuurhistorische waarden zijn structurerend voor het ruimtegebruik. Het grote belang van deze onderste laag hangt samen met de lange reproductietijd en de daarmee samenhangende onvervangbaarheid en de mate van uniciteit van deze waarden en systemen. Ook de tweede laag, de infrastructuur, is steeds meer sturend voor de functies wonen en werken. De derde en bovenste laag bestaat uit het ruimtegebruik voor wonen, werken, landbouw en recreatie. Dit ruimtegebruik moet worden afgestemd op de onderste twee lagen.

Landbouwontwikkelingsgebied
Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. NB In Maas en Meierij is nieuwvestiging niet toegestaan en hervestiging alleen mogelijk op bestaande agrarische bouwblokken

Landelijke regio
Deel van Brabant dat niet in de stedelijke regio’s ligt. In de landelijke regio’s is beperkt ruimte voor woningbouw en bedrijven. Het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied staat centraal.

Landinrichting
Instrument voor het inrichten van de ruimte in het landelijk gebied voor de functies die het gebied vervult (landbouw, natuur, recreatie, verkeer, landschap).

Landinrichtingswet
Een rijksregeling (of wet in formele zin) die dient tot het verbeteren van de inrichting van het landelijk gebied.

Landschap
De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna alsmede de wisselwerking met de mens.

Landschappelijke inpassing
een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande danwel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten.

Landschapscamping
Campings met maximaal zestig kampeerplaatsen met een beperkte dichtheid, op grond die aan de landbouw onttrokken is en aansluit bij bestaande of voormalige (agrarische) bouwblokken. De gemiddelde grootte van een standplaats is bruto minimaal 300 m2. Bij de inrichting van dergelijke campings moeten de natuur- en landschapswaarden worden verhoogd door een passende, robuuste en duurzame beplanting op en rond het kampeerterrein. De oppervlakte voor de nieuwe natuur dient ten minste drie maal zo groot te zijn als de oppervlakte voor de standplaatsen.

Landschapsecologische zone
Een structurerende groene bufferzone tussen twee stedelijke kernen in een stedelijke regio. Deze bestaat uit een combinatie van gebieden voor de grondgebonden landbouw, de natuur en de recreatie. De zone heeft een verbindende functie voor aangrenzende landelijke regio's, zowel in landschappelijk als in ecologisch opzicht.

Leefgebied kwetsbare soorten
Landbouwgronden en andere gronden - met name defensieterreinen - waarop zeldzame planten of dieren voorkomen die hoge eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving, of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd.

Leefmilieuverordening
Verordening die betrekking heeft op een gebied dat in hoofdzaak wordt gebruikt voor bewoning, het midden- en kleinbedrijf of kantoren of voor een samenstel van twee of meer van deze doeleinden. De verordening strekt tot wering van dreigende en tot stuiting van reeds ingetreden achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden en het uiterlijk aanzien van het betreffende gebied. Ter verwezenlijking van dit doel kunnen voorschriften worden gegeven ten aanzien van op te richten of door verbouwing tot stand te brengen bouwwerken en de toelaatbaarheid van werken (geen bouwwerken) en werkzaamheden voor het gebruik van gronden en opstallen.

Meanderen
Natuurlijk bochtig verloop van een beek, kreek of rivier.

Meest milieuvriendelijk
alternatief (MMA) Alternatief waarbij de best bestaande mogelijkheden ter bescherming van het milieu zijn toegepast.

Mestbewerking
Behandelen van dierlijke mest, zodat deze beter als mest kan worden gebruikt, of voor andere functies geschikt wordt (i.t.t. mestverwerking). De mest ondergaat een fysieke verandering, waarbij het totaal aan elementen in de meststoffen behouden blijft.

Mestvarkeneenheid (mve)
Meeteenheid waarin stankproductie van veehouderijbedrijven en van opslag en aanwending van mest wordt uitgedrukt.

Mestverwerking
Het proces om (drijf)mest af te breken door o.a. mestvergisting, om te zetten in nieuwe, bruikbare producten zoals energie uit biomassa, of te bewerken tot kwalitatief hoogwaardige meststoffen (mestbewerking).

Milieueffectrapportage (m.e.r.)
Een milieueffectrapportage is procedure die dient als hulpmiddel voor de overheid bij de besluitvorming. de procedure bestaat uit het maken, beoordelen en gebruiken van een MER (Milieu Effect Rapport) en het achteraf evalueren van de milieugevolgen die samenhangen met de uitvoering van een mede op basis van het MER genomen besluit.

Mineralenaangiftesysteem (MINAS)
Sinds 1998 verplicht systeem voor mineralenboekhouding waarmee de mineralenstromen op een agararisch bedrijf in beeld kunnen worden gebracht. Hierbij gaat het om fosfaat en stikstof.

Mitigerende maatregel
Maatregel om de nadelige gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu te voorkomen of te beperken.

Monitoring
Metingen waarmee de ontwikkelingen in het milieu worden gevolgd.

Natuurdoeltype
Een nagestreefde combinatie van abiotische en biotische kenmerken. Abiotische kenmerken bestaan onder meer uit bodem, reliëf, voedingstoestand, hydrologie, erosie en sedimentatie. Biotische kenmerken bestaan uit soorten en soortencombinaties met bijbehorende processen als primaire productie, herbivorie en predatie.

Natuurontwikkeling
Het scheppen van zodanige omstandigheden dat natuurlijke ecosystemen zich kunnen ontwikkelen.