Kopie van `Universiteit Utrecht - Bouw en ruimte begrippen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Universiteit Utrecht - Bouw en ruimte begrippen
Categorie: Bouw en Constructie
Datum & Land: 06/06/2007, NL
Woorden: 18


Belang
de (feitelijke) omstandigheid dat er voor een persoon een mogelijk voordeel is verbonden aan een door het recht geregelde maatschappelijke verhouding.

Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan (een bouwperceel bepaalt de mogelijke breedte en diepte van de bebouwing als ruimtelijke eenheid).

Flexibiliteit
het kenmerk van een regeling dat de daarin opgenomen normstelling kan worden verfijnd, verruimd of gewijzigd, door toepassing van in die regeling opgenomen bevoegdheden.

Functionele eenheid
één of meer ruimten die uit oogpunt van de daarin plaatsvindende ruimtelijke activiteiten een zelfstandig geheel vormt of vormen, zoals een woning, winkel, instelling, bank, kantoor, horeca-, ambachtelijk of ander bedrijf.

Gebruikssoorten
bebouwing, ander gebruik van de grond en gebruik van de bebouwing.

Gebruiksvorm
een concrete (wijze van) uitoefening van ruimtegebruik.

Globaliteit
het kenmerk van een regeling dat de daarin opgenomen normstelling niet tot in bijzonderheden gaat, minder gedetailleerd is dan de bijzonderheden die het ruimtegebruik in de werkelijkheid vertoont of kan vertonen.

Maatschappelijke verhoudingen
verhoudingen tussen personen; vormen van uiterlijk gedrag met gevolgen voor andere personen (deze verhoudingen vormen het object van recht, voor zover een bepaalde georganiseerde gemeenschap deze van voldoende belang vindt voor een geordende samenleving).

Ordeningsniveau
het - fysieke - niveau waarop het ruimtegebruik in relatie tot zijn omgeving wordt bezien.

Ruimtegebruik
het gebruik van de fysieke omgeving zoals dat tot uiting komt in bebouwing, ander gebruik van de grond en gebruik van de bebouwing.

Ruimtelijk concept
een samenhangend complex van onderling verenigbare overwegingen dat voor het bestaande of nieuwe ruimtegebruik in een gebied als totaliteit, een wenselijk geoordeelde verscheidenheid en afwisseling beschrijft en op een kaartbeeld weergeeft.

Ruimtelijk gebruiksdoeleind
een gebruiksdoeleind van de grond met bijzondere situeringsmogelijkheden (deze mogelijkheden berusten op een waardering door het bevoegd gezag van de bij het desbetreffende gebruiksdoeleind behorende situeringskenmerken).

Ruimtelijke activiteiten
beweeglijke, niet-statische vormen van ruimtegebruik, waarvoor meestal herhaald menselijk handelen nodig is, zoals het gebruik van gebouwen, het rijden met motorrijtuigen, het veranderen van het waterpeil of het lozen van afvalstoffen.

Ruimtelijke eenheid
een aaneengesloten stuk grond of (een deel van) een ruimtelijk element dat uit oogpunt van zijn verschijningsvorm een zelfstandig geheel vormt.

Ruimtelijke elementen
statische vormen van ruimtegebruik zonder een herhalingskarakter; vaste, in de omgeving zichtbare, materiële objecten, zoals bebouwing, beplanting en oppervlakteverharding.

Ruimtelijke functie
een ruimtelijk gebruiksdoeleind.

Ruimtelijke structuur
een bepaald patroon van verscheidenheid en afwisseling in het ruimtegebruik in een gebied als totaliteit.

Situeringskenmerken
feitelijke kenmerken van een gebruiksdoeleind van de grond die van belang zijn voor de situeringsmogelijkheden van dat gebruiksdoeleind, zoals een minimaal benodigde of maximaal toelaatbare vloer- of terreinoppervlakte, een minimale breedte of diepte van het ruimtebeslag, een benodigde bebouwingsmassa, een maximale loop- of reisafstand, een benodigd draagvlak, een bepaalde publieksaantrekking, een bepaalde ligging in een verkeersopzet, een bepaalde verkeersaantrekking of -productie, een bepaalde mate van milieubelasting of een bepaalde graad van gevoeligheid, een behoefte aan een rustige of juist een drukke omgeving, afhankelijkheid van bepaalde plaatsgebonden eigenschappen van de bodem of de cultuurhistorisch bepaalde omgeving.