Deze woordenlijst staat niet meer onlineDe woordenlijst waar dit woord in stond bestaat niet meer, of de website is niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.Pagina 0 1 2 3
Abaxiale zijde de kant van het lichaam, weg van de as, de nerf (plaatsbepaling). Abdomen buik of onderlijf. Bij Arthropoda het achterlijf, laatste tagma. Abiotisch niet levend. Acellulair zonder uit cellen opgebouwd of verdeeld te zijn. Acetabula cirkelvormige zuignappen, vier in het totaal, gelegen op de scolex bij Cestoda. Ook komvormige holte waarin de kop van het femur past. Acinair wordt gezegd van kliercellen (uit de pancreas) met typisch zakvormige uiteindes. Acinus een groep cellen die de binnenste secretiegedeelte van een klier innemen, zoals bij de longalveoli. Acroblast celorganel van de spermatozoa waaruit het acrosoom zal groeien. Acropodium wetenschappelijke benaming voor de digita, vingers en tenen. Acrosoom apical deel van spermacel dat hydrolytische enzymes bevat om de eicel in te kunnen gaan. Actinoblast moedercel waaruit de spiculae bij de Porifera uitgroeien. Adaxiale zijde zijde van lichaam aan de as (vooral de longitudinale as) gelegen (plaatsbepaling). Adrenaline ook wel epinefrine geheten. Hormoon en neurotransmitter dat hartslag oa. kan opvoeren. Afgescheiden door het adrenale merg en zenuwuiteindes van het zenuwstelsel. Agglomeraat een samenvoeging. Aggregaat als een aantal dingen samenkomen in één plaats maar niet met elkaar verbonden zijn. Vele organismen die op dezelfde plaats staan maar niet coöperatief doch individueel werkzaam zijn. Agnatha kaaklozen. Alle species zonder enige vorm van kaken. Agranulair zonder enige granula. Albumine endosperm. Allantois uitstulping van de einddarm aan de ventrale zijde bij embryos. Bij zoogdieren, vogels en reptielen. Als ademhalingsorgaan en voor opstapeling van afvalproducten. Allel de vorm van een gen. Allopatrisch gezegd van populaties van species die gescheiden zijn door geografische verschillen. Alveolair blaas- of ballonvormig. Amfiblastula larvaal stadium eigen aan de Porifera. Eigenlijk gewoon een blastula met cilia waardoor ze zelfstandig voort kan bewegen. Zet zich na enkele omzwervingen vast op de bodem waaruit een nieuwe spons zal groeien. Amnion het binnenste embryonale eivlies. Amoebocyten voedselverterende cellen. Cellen die het voedsel intracellulair verteren. Gezien bij het phylum Porifera. Amoeboïde beweging voortbeweging door middel van pseudopodiën, waarbij de lichaamsvorm constant verandert. Amphide een paar organen, aan de voorkant van de kop ingeplant, bij de Nematoda. Zintuiglijke functie. Amyloplast kleurloze plastide die gedifferentieerd is om eiwitten op te slaan. Anabolisme de opbouwende processen onder het metabolisme. Waarbij uit simpelere molecules ingewikkeldere stoffen geproduceerd worden. Analoog met een gelijkende functie. Doch niet hetzelfde gevormd. Androgenen mannelijke sexgenen. Anemophily bevruchting gebeurt door de wind, die de zaden verspreid. Angiospermae bloemen. Zie ook Anthofyta. Angulare dekbeen uit de onderkaak bij de Vertebrata. Animale pool deel van de eicel waar weinig tot geen dooier zit. Uit deze pool zal zich het embryo ontwikkelen. Annulus tympanicus ring in het oor waarrond het trommelvlies gespannen is. Anterior vooraan, aan de voorkant ( plaatsbepaling ). Antheridium het mannelijk voortplantingsorgaan bij mossen. Hierin worden de mannelijke gameten aangemaakt. Anthophyta de bloemdragenden. Ook angiospermae genoemd. Anticoagulatie voorkomen van stollen. Bijvoorbeeld bij ectoparasieten, om het bloed te laten stromen. Anticodon een groep van drie opeenvolgende basen in het tRNA, gelinkt aan het oorspronkelijke codon in het mRNA. Anus aars. Aorta ader. Kanaal waarlangs bloed vanuit het hart naar de organen gebracht wordt. Apex de top (plaatsbepaling). Apicale papilla papillen die bovenaan, aan de top gelegen zijn. Appendix blind uiteinde van de darm, beter bekend als uiteinde van de dikke darm bij de mens. Gezien onder de Mammalia. Archaeocyten bij de Porifera, zijn omnipotente cellen die in elke soort cel van de spons kunnen differentiëren. Archenteron de primitiefste vorm van darm, ook wel oerdarm geheten. Archipterygium de primitiefste vorm van vin, ook wel oervin geheten. Arteria aders. Arthropoda geleedpotigen. Articulare bot verbonden met het quadratum dat de hyoide boog vormt en waaraan de kaak opgehangen is. Asci zakvormige structuur waarin de 8 ascosporen bij de Ascomycota zitten. Ascon primitiefste type van inwendige structuur bij de Porifera. Onvertakte inwendige kanalen. Rechtstreekse connectie tussen binnenkant en buitenkant. Aster stervormig. Astragalus is een voetwortelbeentje langs de kant van de tibia. Gezien bij kikker. Atrium voorkamer in het hart, de hartboezem. Genitaal atrium is bij Platyhelminthes kamer waarin beide voortplantingsstelsels uitmonden. Auricula oortjes. Chemo-receptoren bij de Nematoda. Autopodium wetenschappelijke naam voor hand of voet. Autotroof waarbij energie voor metabolisme wordt opgenomen uit zonlicht (fotoautotroof) of via de omzetting van anorganische stoffen. Axon een neuriet, een lange uitloper van de zenuwcel. Aërenchym parenchymversie bij waterplanten. Gekenmerkt door grote gaten in het losse parenchymweefsel. Basaal aan de basis, onderaan gelegen ( plaatsbepaling ). Basaalkorrel kleine korrel aan de bodem van flagel en trilhaar, waarmee de trilharen zijn verankerd. Basale membraan een dun acellulair laagje, dat door de onderste epitheelcellaag afgescheiden wordt en waarop het epitheel netjes gerangschikt verankerd zit. Basitarsus eerste segment van de tarsus. Bifasciaal met twee gezichten, blad met twee verschillende kanten. Bijnier klier die dubbelzijdig boven de echte nieren gelegen is en via endocriene afscheiding onder andere adrenaline vormt. Bilaterale symmetrie tweezijdige symmetrie. Zie ook bifasciale symmetrie. Bivalent een evenwaardig, homoloog paar (bijvoorbeeld een paar homologe chromsomen is bivalent te noemen). Blastocoel centrale holte die in de blastula gevormd wordt. Blastoporus de ‘oermond’. Opening in de gastrula die leidt naar de archenteron. Blastula bolvormig klievingsstadium ontstaan uit morula met een blastocoel. Blindzak blind eindigende zakvormige uitstulping. Zie ook diverticulum. Boeklong ademhalingsorgaan bij Arachnida. Branchia wetenschappelijke naam voor kieuwen Branchiostegiet een zijplaat van de carapax, bij de Crustacea (gezien bij de Nephrops norvegicus). Bulbo-urethrale klier van Cowper een paar klieren in het mannelijk urogenitaal stelsel, die uitmonden in de urether. Bulbo-urethrale klieren twee klieren, eigen aan het mannelijke urethro-genitale stelsel bij de Mammalia. Twee onderling verbonden klieren die uitmonden in de urether. Bulliform bolvormige cellen die beweging in bladeren mogelijk maken. Bursa copulatrix buidelvormig orgaan bij het vrouwelijk voortplantingsstelsel waarin zaadcellen worden gestockeerd. Byssusdraden de vasthechtingsdraden van sommige Bivalvia om zich vast te zetten op een substraat. Caecum een blindzak, een blind eindigende darm. Calcanea de hielen of hielbotten. Callus hard wondweefsel bij planten. Caput hoofd(gedeelte). Ook rostraal deel van epididymus. Carapax het harde cephalothoraxpantser bij de kreeft. Cardiaal aan de cardia, de mond van de maag. Carnivoor vleesetend. Carotenoïde niet in water oplosbare kleurstof. Carpalia de handwortelbeentjes. Cauda epidiymus (caudaal) staart-/eindgedeelte van de epidydimus. Caudaal naar het uiteinde toe, in de richting van de staart ( plaatsbepaling ). Cel van Schwann een cel die een lipide schede rond de in myeline verzonken zenuwvezels vormt. In het perifere zenuwstelsel. Beschermende functie. Centriool zitten gepaard in de dierlijke cellen. Gevormd door 27 microtubulivezels. Centrolecithaal wordt gezegd van eieren waar de dooier centraal gelegen is en omringd door een doorlopende dunne cytoplasmatische cortex. Cephalisatieproces kopvormingsproces. Cephalothorax versmelting van de twee voorste tagmata: cephalon en thorax. Een kopborststuk genaamd. Cercaria larvaal stadium bij de Trematoda. Ontstaat in slak, maar is daarna tijdje vrijlevend om in een vertebraat te eindigen. Cercus aanhangsel op het laatste abdominale segment bij de Insectae. Gezien bij de Romalea species. Cerebraal door de hersenen gestuurd. Chela klauwtje. Gezien op de Nephrops norvegicus. Cheliceren een parig kopaanhangsel bij de Arachnida waarmee sommige spinnen ook gif kunnen toedienen. Chelipede parig kopaanhangsel bij Crustacea waarmee dingen kunnen gegrepen worden. Sterk ontwikkelde schaarvorm met grijpfunctie. Chemoreceptor primitieve vorm van zintuig dat reactief is op chemische prikkels. Chloragogeencel (groenige) cellen die in een aaneensluitende ringlaag gelegen zijn rond de darm van Annelida. Spelen een rol bij afscheiding en stockeren glycogenen en vetten. Chlorofyl groenkleurige pigmentkorrels in chloroplasten die fotosynthese mogelijk maken door receptie van groen licht. Chloroplast celorganel dat vooral bij planten voorkomt, maar ook in sommige ééncelligen. Bevat chlorofylkorrels waardoor groenig uitzicht. In dit organel vindt de fotosynthese plaats. Choanocyt celtype eigen aan de Porifera. Kleine bolvormige cellen met een flagel en een cytoplasmatische kraag. Deze cellen capteren voedselpartikels uit het water. Zorgen ook voor interne regeling van waterstroming. Choledocus galopnemend kanaal. Chondroblast een kraakbeenvormende cel. Chorda een primitieve vorm van ruggengraat. Een solide staafvorm die zich over de volledige lengte van het dier uitstrekt en steun aan de weke delen geeft. Chorion het buitenste eivlies van het embryo, chorionvlies genoemd. Chromatine materiaal waar chromosomen uit gemaakt worden. Cilia ook wel trilharen genoemd. Zijn haarvormige uitsteeksels aan het vrije celoppervlak bij epithelen. Kunnen tamelijk gecoördineerd zweepslag-bewegen via verschuifbare elementen van het celskelet. Ze zorgen voor beweging en transport van kleine partikels. Vaak in combinatie met een slijmlaag terug te vinden. Of bij ééncellige organismen voor voortbeweging (cfr. ciliophora). Cirrus een uitstulpbare primitieve vorm van penis. Meestal in de cirrusbuidel gelegen. Ook draadvormig uitsteeksel van een parapodium. Of een bundel van samengeklitte cilia. Cisternae gesloten ruimte gevuld met vloeistof. Gezien bij endoplasmatisch reticulum en in het Golgi-apparaat. Clitellum Een klierachtig deel van de epidermis bij Annelida dat als zadel gevormd is en gehanteerd wordt bij de voortplanting. Clitoris deel van het vrouwelijke voortplantingsorgaan bij de Mammalia. Bevindt zich boven de vulva. Een erectiel orgaantje, vergelijkbaar met de mannelijke penis. Was heel opgezwollen bij de Rattus norvegicus. Cloaca ruimte die door zowel spijsverteringsstelsel als urogenitaalstelsel gebruikt wordt en waar beiden uitmonden in de buitenwereld. Cnidoblast aanvalscel. Ook wel nematocyst geheten. Gezien bij de Cnidaria. Bevat een opgespannen draadje dat bij druk op de cnidocil ontspannen wordt en afgeschoten in de huid van de drukleverancier. Kan in gif gedompeld zijn. Cnidocil een klein haarvormig orgaantje dat bij druk de cnidoblast zal ontladen, waardoor deze aanvalt en steekt. Coagulatieklier klier gezien bij de Rattus norvegicus. Gelegen in de kromming van de vesicula seminalis. Klier die stollingsstoffen produceert. Codon een triplet, drie opeenvolgende basen in het DNA die samen de code voor bijvoorbeeld een aminozuur vormen. Of voor een stoppen van de synthese. Coelomata dieren in het bezit van een coeloomholte. Coeloom een secundaire lichaamsholte. Coenosarc dunne buitenste acellulaire laag rond de perisarc. Die de volledige poliepenkolonie omvat. Collenchym celtype bij planten. Perifeer gelegen steunweefsel, gedifferentieerd uit het parenchym. De celwanden zijn verdikt en steviger. Colloblasten kleefcellen. Gezien op de tentakels van de Ctenophora. Dienen om mogelijke voorbijdrijvende voedselpartikels te capteren. Colloïdale oplossing oplossing waarbij twee stoffen door elkaar vermengd zijn die fijn in elkaar verdeeld zijn. De fijne deeltjes zijn wel allen groter dan 1 molecule. Colon wordt karteldarm genoemd en is het grootste deel van de dikke darm dat begint bij de dunne darm (aan de blinde darm) en eindigt aan de endeldarm. Conjugatie vorm van seksuele voortplanting bij ééncelligen waarbij twee individuen naast elkaar gaan liggen, gedeeltelijk versmelten en zo genetisch materiaal uitwisselen. Ook gewoon als twee homologe chromosomen naast elkaar gaan liggen. Contractiel heeft de mogelijkheid om samen te kunnen trekken, te contraheren. Cornea het hoornvlies van het oog. Corpus luteum geel lichaam genoemd wegens gele kleur. Hormonale klier. Corpus lichaam(gedeelte). Ook mediaan gedeelte op de epididymus. Cortex schors. Meestal benaming voor het deel van het orgaan dat aan de buitenkant gelegen is. Costa een meridiaan gelegen rij van ctenes. In totaal acht over de epidermis van de Ctenophora verspreid. Vormen zwemorgaan olv. de statocyst. Coxa heup(gedeelte). Coxopodiet basislid van de het gelede aanhangsel bij de Arthropoda. Lid dat dichtst aan het lichaam zit. Craniaal naar de kopstreek toe ( plaatsbepaling ). Crommquist stelde monofyletisch schema voor ontstaan van planten op. Crossing over gebeurt tijdens de profase I van de meiose. Er gebeurt een uitwisseling van genetisch materiaal in de vorm van chromatidesegmenten tussen de homologe chromosomen die in conjugatie liggen. Crossopterygium een kwastvin. Ctenes ciliënplaatjes, eigen aan de Ctenophora. Eigenlijk een transversale band van lange samengesmolten cilia. Staan in 8 meridiane rijen (zogenaamde costa’s) op de epidermis geplaatst en vormen onder controle van statocyst het zwemorgaan. Ctenidium wetenschappelijke naam voor kieuw. Cuticula een specialisatie van epitheelweefsel aan een vrij oppervlak van het epitheel ( aan de buitenkant ). Dit is een beschermende laag, afgescheiden door de epitheelcellen. Ze kan gelaagd zijn en veel dikker dan de vormende epitheelcellen. Vooral bij invertebraten aan te treffen. Bestaat uit dood materiaal. Cydippida larvaal stadium bij de Ctenophora. Dit larvaal stadium is soms reeds seksueel actief. Cyste stadium waarin primitieve diersoorten kunnen overgaan om in ongunstige omstandigheden te overleven en bij een beter milieu terug te komen in ware gedaante. Er wordt een stevige dikke wand gevormd rond het lichaam en alle levensprocessen worden geminimaliseerd om zo lang mogelijk te kunnen overleven. Cysticercus larvaal stadium bij de Platyhelminthes. Heeft een scolex. Cytokinese het in twee delen van een moedercel in twee dochtercellen na de telofase. Cytoplasma de colloïde vloeistof binnen het celmembraan waar alle organellen in ronddobberen. Cytoproct de anus van een unicellulair organisme. Bij de Protozoa. Cytosol het cytoplasma zonder alle door membranen afgelijnde organellen. Cytostoom de celmond bij ééncellige organismen (gezien bij Paramecium). Dactylopodiet het distale lid bij de chelipede van de Crustacea. De beweegbare vinger in de schaar. Dactylozoïden de verdedigingspoliepen. Bezitten veel netelcellen en zijn dikwijls aan de hydranten gelegen. Darmvlok kleine oppervlaktevergrotende uitstulpingen in het slijmvlies van de dunne darm. Met functie om voedingsstoffenvertering te verbeteren. Defecatie uitscheiding van de faeces, meestal via de anus. Ferm kakken dus. Delaminatie ontstaan van 2 lagen voor de gastrulatie, waarbij de blastomeren zich volgens het equatoriaal vlak zullen gaan delen. Dendriet één van de uitlopers van de zenuwcel. Het ontvangende einde van de zenuwcel. Waarna doorgegeven. Dermale ostia openingen aan de buitenste wand van de Porifera. Waar de incurrente kanalen in het milieu uitmonden. Dermis de lederhuid, de laag huid die bij de Mammalia tussen epidermis en hypodermis. Gevormd uit een onregelmatig dicht collageen bindweefsel. Desmosoom submicroscopische cellulaire verbinding. Detritus organisch restafval van dode planten en dieren. Deuterostomia classificatie aan de hand van het spijsverteringsstelsel bij de meest geëvolueerde diersoorten. Als bij het embryo eerst de anus en daarna pas de mond gevormd wordt uit de blastoporus. Tegenovergestelde van protostomia. Deutoplasma dooier. Diafragma een dun vlies dat buik-en rompholte van elkaar scheidt bij de Mammalia. Helpt bovendien ook bij ademhaling. Diarch als er telkens twee floeëm- en xyleembundels zijn. Diaspore een vrucht waaruit een nieuwe plant kan ontstaan. Diastole toestand waarbij de vacuole ontspannen en niet gecontracteerd is. Differentiatie specialisatie van cellen om ze daarna om te vormen tot zogenaamd gedifferentieerde cellen in een gespecialiseerd weefsel. Digiti tenen of vingers. Discontinu niet doorlopend, onderbroken. Dissepiment een tussenschot tussen twee segmenten. Distaal weg van, verwijderd van ( plaatsbepaling ). Diverticulum blindzak. Een blind eindigende (cul-de-sac) vertakking in een stelsel. Dooierklier klier achteraan in de proglottis. Dorsaal op de rug, ruggelings ( plaatsbepaling ). Dorsoventraal van de rug naar de buik toe ( plaatsbepaling ). Ductus choledocus een galopnemend kanaal, gezien bij de Mammalia. Duodenum twaalfvingerige darm. Duploblast als er enkel endoderm en ectoderm zijn, zoals bij de Porifera en Coelenterata. Dwarsdeling aseksuele voortplantingsvorm waarbij de moedercel zichzelf deelt tot twee nieuwe dochtercellen. Eigenlijk een proces van mitose waardoor ééncellige organismen zichzelf kunnen voortplanten/klonen. Dysenterie zware vorm van diarree, bloeddiarree genaamd, waarbij patiënt kan sterven aan dehydratatie. Gezien bij de Entamoeba hystolytica. Ecdysis wetenschappelijke naam voor het vervellingsproces. Echinodermata stekelhuidigen (zeeëgel, zakpijp,…) Ectoblast buitenblad/buitenste cellaag van de gastrula, ook wel ectoderm of epiblast genoemd. Ectoplasma het buitenste laagje van het cytoplasma. Eilandjes van Langerhans kleine groepjes cellen in de pancreas. Elaioplast plastide die vetten gespecialiseerd is in het stockeren van vetten. Embolie aka invaginatie. Vooral aangetroffen bij egale klievingen. Hierbij ontstaan dubbelwandige zak die de archenteron omhult en één opening, de blastoporus, openlaat naar de buitenwereld toe. Encephalon de hersenen. Endemisch als een species een beperkte, begrensde verspreiding hebben. Veroorzaakt door omstandigheden in biotoop of geografie. Endoblast binnenblad/binnenste cellaag van de gastrula. Ook entoblast of entoderm geheten. Endocriene klier klier zonder afvoergangen waarbij het secreet in de bloedbaan wordt gedumpt. Endocuticula binnenste laag van de meerlagige cuticula bij de Arthropoda. Endomysium de bindweefselschede rond een spiercel in een spierbundel. Endoneurium bindweefselachtige schede rond één neuriet van een zenuwbundel. Endoplasma het vloeibare binnenste gedeelte van het cytoplasma bij ééncelligen. Omringd door het ectoplasma. | ZoekTyp een term en klik op `Zoek`.Online taaltestDe NTR, de VPRO, de Universiteit Gent en Canvas hebben een wetenschappelijk onderzoek naar Taal opgezet en doen dit door middel van een online taaltest. Hoeveel woorden ken jij?
Recent gezochtDe laatste zoekopdrachten. Tussen haakjes staan resp. de resultaten en verwante resultaten.• PASTICHE (8/3) • Arâches la Frasse (1/0) • havist (2/1) • Dimon (1/3) • wagenwyd (1/0) • ambitieus (6/0) • Geert Stadeus (1/0) • Baikalmeer (2/0) • E 101 (2/0) • lacune (12/3) • Antoon van Chabannes (1/0) • kwartileren (2/0) • aanleiding (6/2) • Glassnijder (6/1) • ONTSMET (2/11) • pl mâni (4/5) • Megapenthes fulvipennis (1/0) • significant (14/14) • houding (10/10) • gunning (7/4) • Schitteren (6/4) • hooide (1/1) • Erythrodiplax (1/25) • harriett (2/2) |
|||||||||||||||||||||
| © Encyclo MMXII | Contact | Privacy | Woorden toevoegen | ||||||||||||||||||||||