Kopie van `Verklarende Woordenlijst Dierkunde`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Verklarende Woordenlijst Dierkunde
Categorie: Planten en dieren > Dierkunde
Datum & Land: 02/11/2007, BE
Woorden: 198


Abaxiale zijde
de kant van het lichaam, weg van de as, de nerf (plaatsbepaling).

Abdomen
buik of onderlijf. Bij Arthropoda het achterlijf, laatste tagma.

Abiotisch
niet levend.

Agglomeraat
een samenvoeging.

Aggregaat
als een aantal dingen samenkomen in één plaats maar niet met elkaar verbonden zijn. Vele organismen die op dezelfde plaats staan maar niet coöperatief doch individueel werkzaam zijn.

Agnatha
kaaklozen. Alle species zonder enige vorm van kaken.

Agranulair
zonder enige granula.

Amfiblastula
larvaal stadium eigen aan de Porifera. Eigenlijk gewoon een blastula met cilia waardoor ze zelfstandig voort kan bewegen. Zet zich na enkele omzwervingen vast op de bodem waaruit een nieuwe spons zal groeien.

Amnion
het binnenste embryonale eivlies.

Amoebocyten
voedselverterende cellen. Cellen die het voedsel intracellulair verteren. Gezien bij het phylum Porifera.

Amoeboïde beweging
voortbeweging door middel van pseudopodiën, waarbij de lichaamsvorm constant verandert.

Amphide
een paar organen, aan de voorkant van de kop ingeplant, bij de Nematoda. Zintuiglijke functie.

Amyloplast
kleurloze plastide die gedifferentieerd is om eiwitten op te slaan.

Anabolisme
de opbouwende processen onder het metabolisme. Waarbij uit simpelere molecules ingewikkeldere stoffen geproduceerd worden.

Analoog
met een gelijkende functie. Doch niet hetzelfde gevormd.

Androgenen
mannelijke sexgenen.

Anemophily
bevruchting gebeurt door de wind, die de zaden verspreid.

Angiospermae
bloemen. Zie ook Anthofyta.

Angulare
dekbeen uit de onderkaak bij de Vertebrata.

Animale pool
deel van de eicel waar weinig tot geen dooier zit. Uit deze pool zal zich het embryo ontwikkelen.

Annulus tympanicus
ring in het oor waarrond het trommelvlies gespannen is.

Anterior
vooraan, aan de voorkant ( plaatsbepaling ).

Antheridium
het mannelijk voortplantingsorgaan bij mossen. Hierin worden de mannelijke gameten aangemaakt.

Anthophyta
de bloemdragenden. Ook angiospermae genoemd.

Anticoagulatie
voorkomen van stollen. Bijvoorbeeld bij ectoparasieten, om het bloed te laten stromen.



Anticodon
een groep van drie opeenvolgende basen in het tRNA, gelinkt aan het oorspronkelijke codon in het mRNA.

Anus
aars.

Aorta
ader. Kanaal waarlangs bloed vanuit het hart naar de organen gebracht wordt.

Apex
de top (plaatsbepaling).

Apicale papilla
papillen die bovenaan, aan de top gelegen zijn.

Appendix
blind uiteinde van de darm, beter bekend als uiteinde van de dikke darm bij de mens. Gezien onder de Mammalia.

Asci
zakvormige structuur waarin de 8 ascosporen bij de Ascomycota zitten.

Ascon
primitiefste type van inwendige structuur bij de Porifera. Onvertakte inwendige kanalen. Rechtstreekse connectie tussen binnenkant en buitenkant.

Aster
stervormig.

Astragalus
is een voetwortelbeentje langs de kant van de tibia. Gezien bij kikker.

Atrium
voorkamer in het hart, de hartboezem. Genitaal atrium is bij Platyhelminthes kamer waarin beide voortplantingsstelsels uitmonden.

Axon
een neuriet, een lange uitloper van de zenuwcel.

Bulbo-urethrale klier van Cowper
een paar klieren in het mannelijk urogenitaal stelsel, die uitmonden in de urether.

Bulbo-urethrale klieren
twee klieren, eigen aan het mannelijke urethro-genitale stelsel bij de Mammalia. Twee onderling verbonden klieren die uitmonden in de urether.

Bulliform
bolvormige cellen die beweging in bladeren mogelijk maken.

Bursa copulatrix
buidelvormig orgaan bij het vrouwelijk voortplantingsstelsel waarin zaadcellen worden gestockeerd.

Byssusdraden
de vasthechtingsdraden van sommige Bivalvia om zich vast te zetten op een substraat.

Cel van Schwann
een cel die een lipide schede rond de in myeline verzonken zenuwvezels vormt. In het perifere zenuwstelsel. Beschermende functie.

Centriool
zitten gepaard in de dierlijke cellen. Gevormd door 27 microtubulivezels.

Centrolecithaal
wordt gezegd van eieren waar de dooier centraal gelegen is en omringd door een doorlopende dunne cytoplasmatische cortex.

Cephalisatieproces
kopvormingsproces.

Cephalothorax
versmelting van de twee voorste tagmata: cephalon en thorax. Een kopborststuk genaamd.

Cercaria
larvaal stadium bij de Trematoda. Ontstaat in slak, maar is daarna tijdje vrijlevend om in een vertebraat te eindigen.

Cercus
aanhangsel op het laatste abdominale segment bij de Insectae. Gezien bij de Romalea species.

Cerebraal
door de hersenen gestuurd.

Cilia
ook wel trilharen genoemd. Zijn haarvormige uitsteeksels aan het vrije celoppervlak bij epithelen. Kunnen tamelijk gecoördineerd zweepslag-bewegen via verschuifbare elementen van het celskelet. Ze zorgen voor beweging en transport van kleine partikels. Vaak in combinatie met een slijmlaag terug te vinden. Of bij ééncellige organismen voor voortbeweging (cfr. ciliophora).

Cirrus
een uitstulpbare primitieve vorm van penis. Meestal in de cirrusbuidel gelegen. Ook draadvormig uitsteeksel van een parapodium. Of een bundel van samengeklitte cilia.

Cisternae
gesloten ruimte gevuld met vloeistof. Gezien bij endoplasmatisch reticulum en in het Golgi-apparaat.

Clitellum
Een klierachtig deel van de epidermis bij Annelida dat als zadel gevormd is en gehanteerd wordt bij de voortplanting.

Clitoris
deel van het vrouwelijke voortplantingsorgaan bij de Mammalia. Bevindt zich boven de vulva. Een erectiel orgaantje, vergelijkbaar met de mannelijke penis. Was heel opgezwollen bij de Rattus norvegicus.

Cloaca
ruimte die door zowel spijsverteringsstelsel als urogenitaalstelsel gebruikt wordt en waar beiden uitmonden in de buitenwereld.

Cnidoblast
aanvalscel. Ook wel nematocyst geheten. Gezien bij de Cnidaria. Bevat een opgespannen draadje dat bij druk op de cnidocil ontspannen wordt en afgeschoten in de huid van de drukleverancier. Kan in gif gedompeld zijn.

Cnidocil
een klein haarvormig orgaantje dat bij druk de cnidoblast zal ontladen, waardoor deze aanvalt en steekt.

Ctenes
ciliënplaatjes, eigen aan de Ctenophora. Eigenlijk een transversale band van lange samengesmolten cilia. Staan in 8 meridiane rijen (zogenaamde costa’s) op de epidermis geplaatst en vormen onder controle van statocyst het zwemorgaan.

Ctenidium
wetenschappelijke naam voor kieuw.

Cuticula
een specialisatie van epitheelweefsel aan een vrij oppervlak van het epitheel ( aan de buitenkant ). Dit is een beschermende laag, afgescheiden door de epitheelcellen. Ze kan gelaagd zijn en veel dikker dan de vormende epitheelcellen. Vooral bij invertebraten aan te treffen. Bestaat uit dood materiaal.

Dwarsdeling
aseksuele voortplantingsvorm waarbij de moedercel zichzelf deelt tot twee nieuwe dochtercellen. Eigenlijk een proces van mitose waardoor ééncellige organismen zichzelf kunnen voortplanten/klonen.

Dysenterie
zware vorm van diarree, bloeddiarree genaamd, waarbij patiënt kan sterven aan dehydratatie. Gezien bij de Entamoeba hystolytica.

Eénhuizig
als organismes zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsstelsels bevatten. + hermafrodiet te noemen. Vooral bij planten gebruikt.

Elaioplast
plastide die vetten gespecialiseerd is in het stockeren van vetten.

Embolie
aka invaginatie. Vooral aangetroffen bij egale klievingen. Hierbij ontstaan dubbelwandige zak die de archenteron omhult en één opening, de blastoporus, openlaat naar de buitenwereld toe.

Epibolie
proces van overgroeiing. Bij sterk inegale klieving, waarbij de micromeren zich sneller dan de macromeren zullen delen.

Epicuticula
dunne harde buitenste laag van de gelaagde cuticula der Arthropoda.

Epidermis
de opperhuid.

Epididymus
klein opgewonden kanaaltje bij Mammalia. Ligt als kap op testes. Loopt uit in het vas deferens. Bijbal genoemd.

Epiglottis
de stembanden.

Epimeer
laterale beschermende platen van ventraal vergroeid tergiet.

Epimysium
bindweefselomhulling rond een spierbundel.

Epipodiet
een gedeelte van de splijtpoot. Bij Nephrops zijn er plaatvormige kieuwen op ingeplant.

Epiproct
dorsale uitstulping aan de anus van Insectae.

Epitheel
celweefsel dat hoofdzakelijk als functie heeft oppervlaktes af te lijnen en dit om zowel oppervlaktes te bedekken als te beschermen. Een weefsel dat bestaat uit dicht aaneengesloten rijen cellen, aan elkaar vastgemaakt via cellulaire hechtingen.

Equifasciaal
gelijkzijdig, twee kanten van het blad zijn morfologisch gelijk (zoals bijvoorbeeld bij Ilex).

Erythrocyten
rode bloedcellen. Bloedcel zonder kern, bevat hemoglobine.

Euglenoïde beweging


Eukaryoot
cellen met een echte kern die het DNA bevat en door een membraan omlijnd is. Andere soort cellen wordt prokaryoot benoemd.

Femur
dijbeen(gedeelte)

Fenotype
uiterlijke verschijningsvorm bepaald door het genotype en invloed van milieugerelateerde omstandigheden.

Follikel
een blaasvormige verhevenheid in het weefsel.

Fotoreceptor
lichtgevoelige zintuigcel.

Fotosynthese
vorming van koolhydraten uit koolzuur en water door planten onder invloed van licht.

Fundus
het fundament, de basis van een orgaan.

Fusiform
spoelvormig.

Fylogenie
studie van het ontstaan van en de verwantschap tussen de organismen en vooral groepen van organismen.

Fysiologie
studie van de onderlinge verwantschap van processen in organismen.

Fysoklist
gesloten zwemblaas bij beenvissen.

Fysostoom
open zwemblaas bij beenvissen. Zwemblaas staat dmv. een ductus in verbinding met de darm.

Gnathobase
basislid/coxa bij de pedipalpen van de Arachnida. Plaatvormig en wordt gebruikt om te verkauwen.

Gnathosoma
vooste tagma bij Acari, waar de monddelen op staan ingeplant.

Gnathostomata
systematische benaming voor gewervelden waarvan één paar der kieuwbogen zich tot bijtende kaken heeft omgevormd.

Gonaden
wetenschappelijke naam om de organen uit het voortplantingsstelsel te omvatten. Een geslachtsklier.

Gonozoïden
zie Cnidaria. Een medusa-fabriekje waarbij knopvormige medusa knoppen worden afgesnoerd die al of niet van de kolonie zullen loskomen.

Gynecofore groef
de geslachtelijke groef in het mannelijk lichaam bij de Platyhelminthes.

Hibernatie
winterslaap.

Hilum
top van de zetmeelkorrel. Litteken waar vrucht van eistok afbrak.

Hilus
de plaats waar afvoerkanalen uit een orgaan komen. Vezeltje. Ook hilum.