Kopie van `bouwvoorlichting - Bouwwoordenboek`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


bouwvoorlichting - Bouwwoordenboek
Categorie: Bouw en Constructie > Bouw
Datum & Land: 24/04/2009, NL
Woorden: 186


Aanaarden
Met aarde of zand aanvullen rondom funderingsmetselwerk.

Aanhoeker
Schuin afgehakte dakpan ter plaatse van een hoekkeper of kilkeper.

Aanleggen
Het beginnen van een bouwwerk door het leggen van de eerste laag stenen voor gemetselde funderingen van opgaande muren.

Aanslag
Gedeelte van de stijl en de dorpel, waartegen een deur of draaiend raam sluit en waarbij, meestal onder een rechte hoek, de sponning aansluit. De aanslaglijst heet naald.

Aantrede
Het waterpas gelegen vlak van een traptrede; (als maat) de afstand tussen twee opeenvolgende stootborden of optreden.

Aanwerken
Zorgvuldig opsluiten in metselwerk (muurzijden van kozijnen e.d.).

Aanzet
Geboorte of begin van een boog of van een gewelf; de eerste steen of laag boven de rechtstand, die al deel is van de kromming van de boog of de gewelfkap. Hieraan beantwoordt de aanzetvoeg, die onder een ongeveer rechte hoek op de druklijn van de boog komt te staan.

Afföhnen
Verwijderen van oude verflagen met hete lucht. De verflaag wordt zacht en kan vervolgens gemakkelijk worden afgekrabd. Deze methode is veiliger en beter voor de gezondheid dan afbranden.

Afhangen
Een deur of raam goed haaks afwerken en in de scharnieren hangen.

Afschot
Opzettelijke afwijking van de horizontale ligging van een goot, plat dak, stoep, terras, balkon of afvoerbuis, die voorkomt dat er water in of op blijft staan. Ook als maataanduiding gebruikt bij rioolstelsels en vloeistof bevattende leidingnetten, hier ook verhang genoemd.

Afsnuiten
Afwerken van houten (constructie) delen door de scherpe kanten weg te nemen.

Algemene voorwaarden
Zie ook bestek. De voorwaarden waaronder een bouwwerk wordt uitgevoerd en waarin alle rechten en plichten van aannemer en opdrachtgever staan omschreven.

Amoveren
Slopen.

Amsterdamse fundering
Paalfundering waarbij twee houten palen naast elkaar worden verbonden door een kesp. Daarop is het dikke vloerhout bevestigd, waarop gemetseld wordt.

Baak
Stelsel van waterpas aangebrachte planken waarbinnen het bouwwerk gemaakt moet worden. Op de planken wordt met een zaagsnede de maatvoering van het opgaande werk aangegeven.

Badding
Balk van naaldhout met een doorsnede van 6,5 x 16,5 cm, soms 15, 14 of 13 cm hoog. Ook wel batting genoemd.

Bankhamer
Kleine voorhamer met een bolle (voor het bewerken van plaatwerk) of vlakke kop (voor werk aan de werkbank).

Bekisting
Schotwerk om betonspecie (nog niet verhard mengsel van cement, zand, grind en water) in de gewenste vorm hard te laten worden.

Berapen
Een muur bedekken met een laag mortel, een mengsel van kalk en zand en deze (al of niet 'onder de rij') effen schuren (vgl. vertinnen); voor buitenmuren wordt cement toegevoegd, tegen het invreten van vocht en om verstening te bevorderen. Bij de beraping van boerenhuizen wordt wel gemalen baksteen bijgemengd.

Bestek
Volledige beschrijving van een te maken bouwwerk, inclusief de materiaalkeuze, de uitvoeringsvoorwaarden, de opleveringsdatum en de prijs met alle voorwaarden en voorschriften die daarbij van belang zijn. Het bestek kan met de bestektekeningen de basis vormen van het contract tussen opdrachtgever en aannemer.

Betonskeletbouw
Bouwmethode waarbij het skelet van het gebouw is opgetrokken van beton. Dit skelet vormt de draagconstructie van het gebouw.

Bint
Ander woord voor (draag) balk.

Blauwpleister
Een zo dun mogelijk laagje witpleisterwerk (mengsel van kalk en gips) om muren vlak en glad te maken.

Boeibord
Opstaande kant van een houten dakgoot.

Bouwmateriaal
Stof, natuurlijk of kunstmatig vervaardigd, geschikt en gebruikt voor de constructie, beschutting en versiering van een gebouw, allereerst dus hout en (natuur- of bak) steen, beton, staal, kalk, zand, cement, leien, pannen, lood, zink, vervolgens glas, gips, verf, tegels, metalen en kunststoffen.



Bovendorpel
Kozijnrand aan de bovenkant van een deur of raam.

Broekstuk
1 - Verbindingsstuk tussen twee delen van een goot, dat uitzetting door temperatuurverschillen mogelijk maakt. 2 - Dakpan voor een punt waar verschillende dakvlakken bijeenkomen. 3 - Hulpstuk op de splitsing van een buisleiding.

Chamottesteen
Vuurvaste steen van gebakken klei die wordt gebruikt voor het bekleden van open haarden en schoorstenen.

Coating
Materiaallaag die door sproeien, gieten of verven op een oppervlakte wordt aangebracht.

Compressor
Apparaat dat lucht (of een ander gas) onder hoge druk brengt. Die druk wordt gebruikt voor het aandrijven van gereedschap of een machine.

Constructief
In overeenstemming met, beantwoordend aan, de eisen van de constructie.

Dakdoorvoer
Waterdichte passende plaat met pijp in de dakbedekking voor ventilatie- en rookkanalen.

Daktrim
Aluminium profiel op een dakrand, meestal gebruikt als afwerking.

Deuvel
Rond houten staafje, dat in twee aan elkaar te verbinden houten elementen in een rond gaatje wordt gelijmd, waardoor een goede verbinding ontstaat. Voornamelijk bedoeld om verschuiven te voorkomen.

Dosse gezaagd hout
Hout dat evenwijdig aan de jaarringen wordt gezaagd.

Draadnagel
Machinaal vervaardigde spijker van getrokken staaldraad met opgestuikte kop. Sedert ca. 1830.

Driekiezoor - Drieklisoor
Driekwart metselsteen.

Drijfsteen
Lichte bouwsteen, vervaardigd van lichtgewicht toeslagstoffen zoals bims (vulkanisch puinsteengruis), gebonden met Portlandcement. Blijft door de in bims opgesloten lucht op water drijven, in tegelstelling tot de van hoogovenslakken gemaakte stenen. Wordt foutief wel tufsteen genoemd.

Duim
1 - Ronde pen, haaks omgezet of bevestigd op een haaks op de pen staande ondersteuning voor het verkrijgen van een draaipunt voor een geheng. 2 - Oude lengtemaat, ter grootte van de breedte van de menselijke duim, ongeveer 2,5 cm. De duim was verdeeld in 8, 10 of 12 onderdelen, die soms greinen, lijnen of strepen werden genoemd, terwijl er 10, 11, ...

Duimstok
Letterlijk: stok waarmee duimen worden gemeten, thans meetlat, meestal van 1 meter lengte, ca. 10 mm breed en 5 mm dik, door scharnieren opvouwbaar tot een lengte van 25 cm, gewoonlijk gemaakt van palmhout. De beide kanten zijn voorzien van een maatverdeling volgens het metrieke stelsel, de smalle zijde is voorzien van maatverdeling in inches...

Duivejager
Profilering aan houten ramen, kozijnen en balklagen, bestaande uit een ingesnoerde kwartronde overgang tussen twee haaks op elkaar staande vlakken van het hout.

Elementenbouw
Bouwen met in de fabriek gemaakte kant-en-klare onderdelen, bijvoorbeeld betonnen gevels, wanden en vloeren. Veelal gebruikt bij nieuwbouw.

Els
Ander woord voor priem.

Espagnolet
Deur- of raamvergrendeling in de vorm van stangen.

Ezelsrug
Metselconstructie toegepast als afwaterende beëindiging van gevelvlakken, tuin- en erfmuren en /> beren in waterlopen. De stenen zijn staand verwerkt, meestal onder een hoek van 45 graden, vanaf beide zijden van de muur waarbij beide vlakken elkaar ontmoeten in een scherpe hoek boven de muur. Als variant ook mogelijk met een platte steen al...

Fels, felsnaad
Randafwerking van zinken, koperen of loden goten en dakbedekkingen waarbij het materiaal door vouwen of zetten een vlakke afwerking krijgt. Felsnaad: gevouwen of gezette verbinding van loden of koperen bladen onderling zonder gebruik van soldeer of klinknagels e.d.

Fineer
Heel dun geschilde of gesneden bladen hout.

Fijn schuurwerk
Afwerklaag van kalk, gips en zilverzand voor wanden en plafonds.

Frees
Een spil of schijf van staal voorzien van een profiel, waarmee groeven of sleuven worden aangebracht in metaal of hout.

Fretboor
Speciale handboor voor het boren van kleine, diepe gaatjes op moeilijk bereikbare plaatsen en kleine gaatjes in dun materiaal.

Fundering
Ondergrondse of althans verlaagd gelegen ondersteuning van een gebouw, waarop het fundament wordt opgetrokken. In hoofdzaak drieërlei: - fundering op staal, dat wil zeggen onmiddellijk op de voldoende harde bodem of op een hiervoor gespreide betonlaag. - roosterfundering, waarbij op de ongeroerde grond een roosterwerk van houten ribben en plat...

Gebluste kalk
Kalk die is ontstaan door het verhitten van kalksteen en die voordat het gebruikt wordt eerst met water wordt bewerkt (geblust).

Gebouw
Voortbrengsel van bouwnijverheid, dat wat ontstaat door bouwen, waaronder te verstaan het stapelen en metselen van stenen, het timmeren van hout, het gieten van mortel en beton, het construeren van een stalen omhulsel (een en ander ook voor welving en andere overdekking), waardoor een product van enige duurzaamheid en omvang wordt gevormd, waarin d...

Gekantrecht hout
Hout dat aan vier zijden rechthoekig en parallel is afgezaagd.

Geschifte steen
Metselsteen die ontstaat doordat de hele steen in de lengterichting horizontaal is doorgezaagd.

Glaslat
Lat van hout, aluminium of kunststof die op het kozijn wordt bevestigd voor het vastzetten van ruiten.

Gootbeugel
Beugel waarin de dakgoot leunt.

Gording
Oorspronkelijk houten ligger, aangebracht in de lengterichting van een kap, waarvan twee zijden evenwijdig zijn aan het dakvlak. Later ook soortgelijke elementen, waarvan de boven- en onderzijde horizontaal zijn. Vgl. vliering.

Gresbuis
Rioolbuis gemaakt van vette klei en chamotte met een glad en keihard oppervlak.

Granol
Sterk sierpleisterwerk met een meer of minder grove structuur.

Halfsteensmuur
Muur van dezelfde dikte als de halve lengte van een metselsteen.

Hanebalk
Horizontaal verbindingselement tussen twee daksporen, die tegenover elkaar staan. Bij sporenkappen zijn er meestal enige hanebalken boven elkaar. De bovenste (of enige) is vrij dicht onder de daknok. Ook: haanhout of haanbalk. Omdat de doorsnede vrijwel die van de sporen is, is de term balk in feite niet juist. Zie spoor.

Hart-op-hart
Afstand tussen het midden van de ene balk tot het midden van de andere balk.

Hoektroffel
Gereedschap van een stukadoor waarmee hij rechte hoeken kan maken op gepleisterde muren en plafonds

Houtskeletbouw
Bouwmethode waarbij de dragende delen van het gebouw gemaakt zijn van een houten skelet van balken, kolommen en platen.

IFD
Afkorting van: Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen.

Inbouwplan
Dat deel van het woningontwerp dat gaat over het binnenwerk. Bijvoorbeeld niet-dragende muren, de keuken en de badkamer.

Inbussleutel
Klein L-vormig stalen staafje met twee gebruikszijden voor het schroeven van zeskantige schroeven.

Inkassing
Opening of kas die de metselaar in een muur laat of in een bestaande muur maakt, rekening houdend met de aansluiting van een andere, nog op te trekken, muur. De eerste muur krijgt met dat doel dus een staande tand.

Inwassen
Vullen van de voegen na het aanbrengen van tegels.

Juffer
Over een gedeelte van de lengte beslagen spar, als rondhout uit de Oostzee landen ingevoerd, vooral voor steigerpalen en jufferkappen. Ook gebruikt als dunne heipalen. De lengten lopen van 15 tot 30 voet (4-8 m.) Vgl. spoor.

Jufferkap
Eenvoudige kapconstructie, bij voorkeur met behulp van juffers, zonder dakbeschot en waarbij de panlatten het verband in de lengterichting van de kap vormen. Gebruikt voor boerderijen, schuren en stallen.

Kalf
1 - Dwarsregel tussen een deur en haar bovenlicht. Ook horizontale regel in kruiskozijn tussen luikopening onder en glasvlak boven, vroeger glashout geheten. 2 - Schuin verbindingsstuk in de driehoek tussen muurstijl, korbeel en sleutelstuk in een balkgebint, tussen dakspoor en gewelfhout of tussen spantbeen en korbeel in een kapconstructie. 3 - Ba...

Kantelaaf
1 - Neg, dagkant, vooruitspringend muurwerk om een kozijn, al of niet betimmerd met een kantstuk; plaatselijk met een platte voorkant van de kozijnomlijsting (aan straatzijde). 2 - Lichte nisachtige voorsprong, overgangslid tussen een muur of pijler en een pilaster of muurzuil.

Keermuur
Muur om de druk van een hoger gelegen bodem, b.v. van een heuvel of een berghelling, te weerstaan.

Keet
Eenvoudig houten gebouwtje.

Keilbout
Bout waarmee zware voorwerpen aan de muur worden vastgemaakt.

Keper
1 - In dakconstructies eertijds een rib die steunt en vastgenageld is op /> gordingen en loopt van nok tot voet, in tegenstelling tot de spoor of span die los staat. Vooral in Zuid-Nederland in gebruik. Thans alleen nog in samenstellingen als hoekkeper en kilkeper. 2 - Ornament, bestaande uit twee elkaar onder een scherpe hoek ontmoetende brede ...

Kiellaag
Laag metselwerk van verlopende dikte om fout te corrigeren, varken.

Kiezel
Grind, brokjes kwarts, door slijtage en afschuring in het diluvium ontstaan, gewoonlijk met grof zand vermengd te vinden op heidevelden en in rivierbeddingen. Gebruikt voor de verharding van wegen, het aanmaken van beton of het vormen van een onderlaag onder funderingen.

Kilkeper
De inwendige hoek tussen twee dakschilden.

Kipkar
Klein karretje voor het vervoeren van materialen als zand en steen over een smal spoor op de bouwplaats. De kar heeft een bak die gekanteld kan worden.

Klamp
Houten lat waarmee planken of schroten bijeen worden gehouden.

Klapzand
Zand dat onder de bestrating van tegels en straatwerk wordt gebruikt.

Klepraam
Tuimelraam.

Knikpan
Dakpan waarmee een dak waarin een knik zit ononderbroken bedekt wordt.

Knip- en snijwerk
Afwerking van metselwerk waarbij de voegen volgezet worden, vervolgens langs de rij gestreken en tenslotte langs de kanten met een voegijzer of een mesje schuin afgesneden (de lintvoegen afwaterend en bij snijvoegen flink uitstekend).

Kraal
Buitenkant van een zinken goot.

Kubel
Trechtervormig vat waarmee beton in de bekisting wordt gegoten.

Latei
Balkvormig element van hout, steen of ijzer, dat een venster, ingang of andere opening van enige breedte overspant en het bovenliggende muurwerk draagt, tenzij er een ontlastingsboog over is geslagen.

Lessenaarsdak


Lintvoeg
Horizontale voeg tussen twee lagen metselwerk. Ook lopende, liggende, leger- of strekse voeg genoemd.

Loket
1 - Klein afsluitbaar compartiment voorzien van een raampje of winkel, waardoor aan het publiek plaatsbewijzen, reisbiljetten of geldswaarden worden uitgereikt. 2 - Loden slab waarmee de naad tussen de muur of schoorsteen en een dakvlak waterdicht afgedekt wordt.

Loodslabbe
Stroken lood voor het maken van waterdichte aansluitingen tussen constructies.

Maaiveld
Hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.

Makelaar
Middenstijl van een kapspant, waarin de nok is ingelaten en de kapbenen, evt. ook de hoekkepers samenkomen. De makelaar aan de gevelzijde wordt soms verlengd en van een spitse topversiering voorzien, al of niet met lood bekleed en met een piron, die zelf ook wel makelaar genoemd wordt. Decoratieve bekroning van een houten geveltop bij huizen en mol...

Mal
Model, vorm, formeel of patroon waarnaar iets wordt vervaardigd, een profiel wordt afgetekend of waarin een vorm wordt gemodelleerd.

Mansardekap
Dak dat bestaat uit twee geknikte vlakken.

Meerwerk
Extra werk voor de aannemer dat van tevoren niet is begroot (bijvoorbeeld extra stopcontacten of duurdere kranen).

Metselen
Bouwstenen met specie tegen en op elkaar leggen. Men spreekt van 'over de hand' metselen, als aan de buitenzijde van de muur schoon werk zichtbaar zal zijn en er van binnenuit moet worden gemetseld, wanneer het normale van buitenaf metselen onmogelijk is.