Kopie van `Mijn recht`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Mijn recht
Categorie: Juridisch
Datum & Land: 22/11/2012, NL
Woorden: 246


aansprakelijkheid van ouders
Een zelfde regeling als produktaansprakelijkheid geldt ten aanzien van ouders (voogden) en hun kinderen ten aanzien van onderwijzers en leerlingen. De wet stelt dat ouders (ook voogden) aansprakelijk zijn voor schade die is veroorzaakt door hun minderjarige kinderen, die bij hen inwonen en over wie ze de ouderlijke macht uitoefenen.Kunnen ouders (voogden) echter bewijzen dat ze niet hebben kunnen voorkomen dat hun kinderen die schade veroorzaakten, dan zijn ze niet aansprakelijk. De ouders of voogden moeten dat dan wel zelf aantonen. De rechtspraak heeft bepaald dat ze dit hebben bewezen, wanneer ze hebben laten zien dat ze alles hebben gedaan wat redelijkerwijs in hun vermogen lag om te voorkomen dat hun kinderen de onrechtmatige daad pleegden.

aansprakelijkheid en verkeer
Een bijzondere aansprakelijkheid voor zaken die men onder zijn toezicht heeft, vormt die voor de motorrijtuigen. Ook hiervoor geldt het genoemde art. 1401 van het burgerlijk wetboek.Maar ook in een artikel uit de Wegenverkeerswet is die aansprakelijkheid nog eens uitgewerkt. Men heeft dit gedaan om het aansprakelijk stellen gemakkelijker te maken. Artikel 31 gaat er namelijk vanuit dat iemand aansprakelijk is tenzij hij aannemelijk kan maken dat er sprake was van overmacht. Dit artikel spreekt overigens alleen over een botsing, aan- of overrijding en het feit dat de schade moet zijn toegebracht door een motorrijtuig (de bromfiets valt daar dus ook onder; alles wat op rails rijdt niet). Degene die aansprakelijk is moet zelf op het motorrijtuig hebben gereden, het rijden moet plaatsvinden op een openbare weg, en de schade moet niet zijn toegebracht aan een ander rijdend motorvoertuig of aan loslopende dieren. Evenmin kan de schade betrekking hebben op door het motorrijtuig vervoerde personen of goederen.

aansprakelijkheid
Men kan op twee manieren aansprakelijk zijn voor een onrechtmatige daad.1)Als persoon, omdat men zelf de daad heeft begaan.2)In een verantwoordelijke hoedanigheid, bijvoorbeeld als ouder van een kind, als onderwijzer voor leerlingen, als werkgever van een werknemer of als eigenaar van een dier of van een gebouw.Voor de tweede groep geldt dat het om een bepaalde hoedanigheid moet gaan. Men spreekt in dat geval ook van kwalitatieve aansprakelijkheid: men is aansprakelijk in een bepaalde kwaliteit. In zo’n geval kan men dus aansprakelijk worden gesteld voor schade die men helemaal niet zelf heeft veroorzaakt. Een werkgever kan aansprakelijk worden gesteld voor de schade die werknemers, bij hem in dienst, hebben veroorzaakt. De toegebrachte schade moet natuurlijk wel in verband met de werkzaamheden zijn veroorzaakt. Als een chauffeur in zijn vrije tijd, eventueel met de auto die hij van de baas mee naar huis mag nemen voor privégebruik, een aanrijding maakt, draait hij zelf voor de schade op.In dit verband valt opnieuw de term risico. De aansprakelijkheid van werkgevers voor werknemers is wat heet: een risico-aansprakelijk-heid. Deze aansprakelijkheid heeft men ook als eigenaar van een dier.Zo is onlangs uitgemaakt dat, wanneer iemand op onzachte wijze in aanraking komt met een losgebroken stierkalf, de eigenaar van dat stierkalf aansprakelijk is voor de schade. Ook al kan die eigenaar helemaal niets doen aan het feit dat het stierkalf is losgebroken en op hol is geslagen.Zo is tenslotte op dezelfde manier de eigenaar van een gebouw aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het geheel of gedeeltelijk instorten van dat gebouw. Hoe het komt dat het gebouw instort, doet dan niet ter zake. De enige eis die de wet stelt is, dat de schade moet kunnen worden teruggevoerd op een of ander gebrek van het gebouw. Dat kan bijvoorbeeld een constructiefout zijn. Overigens is risico-aansprakelijkheid een uitzondering op de algemene regel. De regel luidt dat men normaal gesproken ook voor voorwerpen, waarvoor men verantwoordelijkheid draagt, pas aansprakelijk is als er een verwijt kan worden gemaakt, met andere woorden als er sprake is van schuld.

Aangifte afkondiging
Wanneer je wilt gaan trouwen moet je aangifte doen bij de Burgerlijke Stand in de woonplaats van een van beide partners. Wanneer men in het buitenland woont, en slechts een van de partners is Nederlander, dan doet men aangifte in Den Haag.De aangifte wordt door de ambtenaar afgekondigd. Dat gebeurt door aanplakking aan het gemeentehuis. Woont een van beide partners in een andere gemeente, dan wordt ook daar afkondiging gedaan. Het huwelijk moet binnen een jaar na de afkondiging worden voltrokken; gebeurt dit niet, dan moet opnieuw aangifte worden gedaan. Tussen het moment van afkondiging en het moment waarop het huwelijk gesloten wordt, moeten minimaal tien dagen liggen; alleen in gewichtige gevallen, bijvoorbeeld bij zwangerschap, kan de Officier van Justitie besluiten dat het huwelijk eerder mag worden voltrokken.

aanhouden
Na het staande houden mag de politie iemand meenemen voor verhoor. Dat heet aanhouden of arresteren. De persoon in kwestie gaat dan mee naar het politie-bureau. Een dergelijke arrestatie is te allen tijde mogelijk wanneer het gaat om heterdaad, dus wanneer iemand wordt betrapt tijdens het plegen van een misdrijf of een overtreding. In beide gevallen mag hij worden meegenomen naar het bureau. Gaat het niet om heterdaad, dan mag de verdachte alleen in geval van verdenking van een misdrijf worden meegenomen, en dan nog alleen in geval van misdrijven waarop voorlopige hechtenis (zie aldaar) staat. Nog iets over die heterdaad. Bij betrapping op heterdaad is iedereen bevoegd de dader aan te houden, dus ook burgers, omstanders. Op grond van deze rechtsregel kunnen in allerhande winkelbedrijven bewakingsdiensten optreden en eventueel winkeldieven in de kraag vatten. Ze zijn daarbij wel verplicht de winkeldief meteen aan de politie te overhandigen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de politie vaak niet direct ter plaatse zal zijn. De rechtspraak acht het geoorloofd iemand in afwachting van de politie enige tijd vast te houden. In de praktijk komt het nogal eens voor dat het winkelpersoneel ook alvast met het verhoor begint. Dit is verboden. De winkelier kan uiteraard ook geen ‘boetes’ opleggen. Wordt iemand opgebracht naar het bureau, dan mag de politie zaken in beslag nemen. Daar moeten ze wel een keurig ontvangstbewijs voor tekenen en afgeven. Het betreft hier zaken die men niet in zijn bezit mag hebben, denk aan drugs of wapens, of zaken die voor het bewijs van misdrijf of overtreding van belang zijn.

achterstallig onderhoud
Een huurder die klachten heeft over achterstallig onderhoud, kan de verhuurder dwingen zijn verplichtingen na te komen door:1) de huurverhoging te weigeren; als het om niet al te grote klachten gaat, is dat zeer effectief;2) Bouw- en Woningtoezicht in te schakelen; als de gemeente bereid is mee te werken is dat eveneens effectief;3) de Kantonrechter vragen om een machtiging zelf de klachten te verhelpen en achteraf met de verhuurder te verrekenen; het is voor kleine reparaties erg omslachtig en bij grote reparaties heeft de huurder vaak niet het geld om het voor te schieten;4) de verhuurder dwingen zijn verplichtingen na te komen.Wat moet de huurder in zo’n geval doen? Hij moet in de eerste plaats de verhuurder een brief schrijven dat deze de onderhoudsgebreken binnen een bepaalde tijd verhelpt. Reageert de verhuurder daarop niet of niet naar wens, dan kan de huurder het probleem voorleggen aan de rechter. In bepaalde gevallen, als het duidelijk gaat om klachten die echt bezwaarlijk zijn voor de huurder en die snel moeten worden opgelost, dan kan er een kort geding volgen. Binnen een paar weken wordt de zaak afgehandeld en kan de President van de Rechtbank in een vonnis aangeven welke onderhoudsgebreken binnen een bepaalde termijn verholpen moeten worden. Desnoods kan de verhuurder worden veroordeeld tot een dwangsom van bijvoorbeeld € 500 per dag voor elke dag, na de aangegeven termijn, dat het werk nog niet klaar is.

Achternaam
De achternaam van het kind is in principe die van de juridische vader. Dit hoeft niet altijd de biologische vader (= verwekker) te zijn. De wet gaat uit van de veronderstelling dat, als een kind tijdens een huwelijk wordt geboren, de echtgenoot van de moeder wel de vader van het kind zal zijn. Juridische vader is dus in beginsel de echtgenoot van de moeder van het kind.Maar ook bij adoptie krijgt het kind de achternaam van de nieuwe ‘vader’. Is een kind niet binnen het huwelijk geboren, maar wordt het wel door de verwekker als zijn kind erkend, dan krijgt het ook zijn achternaam.Het is denkbaar, en het komt ook wel eens voor, dat een getrouwde vrouw een kind baart dat verwekt is door een andere man dan haar echtgenoot. Ook in dat geval krijgt het kind de achternaam van de man met wie de vrouw officieel is getrouwd. Daaraan is alleen iets te doen als de man met wie de vrouw is getrouwd, naar de rechter stapt en zegt dat het kind niet van hem is. Dat heet ‘ontkenning vaderschap’. De man moet dit bewijzen. Bijvoorbeeld door te stellen dat hij al lange tijd gescheiden van de vrouw leefde, of via vergelijking van de bloedgroepen.Ook kan de moeder ontkennen dat haar echtgenoot het kind heeft verwekt. Dat kan alleen als het kind (kort) na de ontbinding van het huwelijk geboren is. Erkent tegelijkertijd de biologische vader dat het kind van hem is, dan krijgt het kind diens achternaam, als de vrouw binnen een jaar na de geboorte trouwt met deze biologische vader.Momenteel is het zo dat het kind de achternaam van de moeder krijgt als zij ongehuwd is en er geen vader is die het kind erkent.Wonen mensen (niet getrouwd) samen en krijgen zij een kind, dan krijgt het kind de achternaam van de moeder. Het kan alleen de achternaam van de vader krijgen, als de ouders met elkaar trouwen of als de vader het kind erkent. Zo’n erkenning gaat via de geboorteakte van het kind of via een verklaring bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand of een notaris.Er gaan de laatste tijd stemmen op om dit systeem te wijzigen. Het meest vergaande voorstel is het kind in alle gevallen de achternaam van de moeder te geven. Als argument wordt dan gebruikt dat het altijd zeker is wie de moeder is, terwijl niet altijd voor 100% vaststaat wie de vader is. Ook is het zo dat bij scheiding de vrouw vaak de kinderen krijgt en weer haar eigen naam gaat voeren, terwijl de kinderen dan de naam van de vader houden. Dat kan vaak tot pijnlijke situaties leiden.Meer stemmen gaan er op om het kind twee namen te geven; die van de vader én die van de moeder, zoals in sommige andere landen gebruikelijk is.Voor de achternaam is dus niet altijd bepalend wat er in de geboorteakte staat; zoals we zagen, is dat voor de voornaam wel het geval.De namen van een vondeling, een kind dus waarvan geen vader of moeder bekend is, worden vastgesteld door de overheid. Dat geldt zowel voor de voor als de achternaam.Het is niet verplicht in het gewone dagelijkse gebruik je echte, officiële achternaam te voeren; je mag als je dat wilt, een andere naam gebruiken. Dat mag dan niet een uitzonderlijke naam zijn, bijvoorbeeld Rothschild, een naam die weinig voorkomt en waarmee je als het ware wilt aangeven dat je van adel bent zonder dat dat in werkelijkheid het geval is. Het is verboden een andere naam op te geven wanneer je daarmee zoals dat heet ‘onrechtmatig handelt’.Als je bij het aanschaffen van goederen een valse naam opgeeft, bijvoorbeeld die van een verre vriend, en je laat hem voor de kosten opdraaien, dan is dat strafbaar. Ook kan die verre vriend zijn schade dan op je verhalen.Ook wanneer de politie naar je naam vraagt, bijvoorbeeld nadat je een verkeersovertreding hebt begaan, is het opgeven van een valse naam strafbaar.

advocaat
Ongetwijfeld is de advocaat de oudste en meest bekende rechtshulpverlener. Maar hij is niet zonder meer de belangrijkste, althans waar het gaat om de grote groep problemen waarmee de meeste mensen te maken krijgen.Juist in onze ‘verzorgingsstaat’ blijkt er behoefte aan rechtshulp die meer is toegesneden op de typische sociale problemen die daaruit voortvloeien.Er is al gezegd dat er rond 1970 kritiek ontstond op de manier waarop juist de advocatuur deze problemen te lijf ging. Er zou te veel afstand zijn tussen de advocaat en de gewone cliënt. De advocaat zou niet voldoende thuis zijn op de terreinen van het recht waarmee de burger het meest te maken krijgt; de terreinen die ook in dit boek aan de orde komen.Inmiddels is er echter een organisatie ontstaan waarin de advocatuur een belangrijke plaats inneemt, maar ook vele anderen hun werk doen. De Bureaus voor Rechtshulp, de Rechtswinkels, organisaties zoals de Consumentenbond die rechtshulp verlenen, zij allemaal dragen hun steen bij in de rechtshulpverlening in Nederland.Ook binnen de advocatuur is er wel veel veranderd; zo ontstonden er bijvoorbeeld advocaten-collectieven. Deze worden gevormd door een aantal advocaten in één kantoor, die zich bijvoorbeeld speciaal toeleggen op rechtshulp op die gebieden welke hiervoor zijn genoemd.Naast deze collectieven zijn er nu ook veel advocaten die zich specialiseren in deze rechtshulp, waardoor de cliënt in het algemeen een grotere keuze heeft gekregen dan voorheen.

Administratieve Rechtspraak
Na de gewone rechtspraak dan nu de administratieve rechtspraak, die een (rechts)persoon gelegenheid biedt op te komen tegen een overheidsbeslissing, en wel bij een andere dan de gewone rechter, namelijk bij de administratieve rechter.Al sinds 1887 is er in de juridische wereld veel gestreden over de vraag of berechting van geschillen waarbij de overheid partij in het geding is, geheel, gedeeltelijk of in het geheel niet aan een afzonderlijke administratieve rechter zou moeten worden toebedeeld. Maar aangezien de knoop tot op de dag van vandaag niet consequent is doorgehakt, is een algemeen administratiefrechtelijk apparaat in Nederland nog niet ingevoerd.Wel zijn op gebieden die daarvoor in aanmerking kwamen gespecialiseerde administratiefrechtelijke colleges ingesteld. Op andere gebieden werden taken van administratiefrechtelijke aard toegewezen aan de gewone rechter.Verschillende colleges.Heel duidelijk blijkt het verbrokkelde karakter van de Nederlandse administratieve rechtspraak op een gebied als bijvoorbeeld dat van het milieurecht. Zo worden geschillen binnen het kader van de bestrijdingsmiddelenwet berecht door het College van Beroep van het Bedrijfsleven (CBB): een administratiefrechtelijk college.Heeft men daarentegen bezwaar tegen een opgelegde heffing wegens verontreiniging van het oppervlaktewater, dan komt men uiteindelijk terecht bij de Belastingkamer van het Gerechtshof en bij de Hoge Raad. In dit geval fungeert dus de gewone rechter als administratieve rechter.Wil men bezwaar maken tegen verlenging van een bouwvergunning aan een fabriek, dan zal men in veel gevallen terechtkomen bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State: een enkele jaren geleden ingesteld administratiefrechtelijk college.En tenslotte kan het voorkomen dat een bepaalde beslissing van de overheid uitsluitend kan worden aangevochten bij de gewone rechter, bijvoorbeeld in kort geding. De rechter in kort geding treedt dan min of meer administratiefrechtelijk op.

Adoptie
Zowel wettige als onwettige kinderen kunnen geadopteerd worden.Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van een echtpaar dat een kind wil adopteren. Daarmee is al aangegeven dat ongehuwden en alleenstaanden dat niet kunnen.De rechter kan dat verzoek alleen toewijzen als de adoptie in het ‘kennelijk’ belang van het kind is. Als het kind 12 jaar of ouder is dan moet de rechter het kind horen.De wet kent vele voorwaarden voor adoptie, o.a. dat het kind minderjarig moet zijn, dat de nieuwe ouders tenminste 18 jaar zijn, dat de nieuwe ouders niet meer dan 50 jaar ouder mogen zijn dan het kind, en dat de nieuwe ouders minstens 5 jaar gehuwd moeten zijn. Ook moeten zij op de dag waarop ze om adoptie verzoeken het kind al minstens een jaar verzorgd hebben.Sinds 1979 is ook de ‘stiefouder-adoptie’ mogelijk. Dit betekent dat tegenwoordig de mogelijkheid bestaat om een eigen kind te adopteren. Een dergelijk geval doet zich voor wanneer de moeder van een al dan niet erkend kind trouwt met een andere dan de biologische vader (= de verwekker). Beiden kunnen dan het kind adopteren.Bij de adoptie van een buitenlands kind is zowel de Nederlandse als de buitenlandse wetgeving van kracht.Het grootste probleem bij adoptie van een buitenlands kind is hoe men dat kind uit het buitenland naar Nederland krijgt, en of het eigenlijk wel naar Nederland mag komen.Wanneer men een buitenlands kind wil adopteren, moet men eerst een beginseltoestemming hebben. Die wordt verstrekt door het Ministerie van Justitie, Directie Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming gaat vervolgens een onderzoek instellen naar de omstandigheden van het kind en de situatie bij de ouders die het willen adopteren. Wanneer de minister stelt dat hij geen beginsel-toestemming wil geven, dan kunnen de verzoekers de zaak bepleiten bij de Adviescommissie Buitenlandse Pleegkinderen. De minister moet dan het verzoek heroverwegen en het advies van deze commissie daarbij in ogenschouw nemen. Is er eenmaal een beginseltoestemming dan kunnen de verzoekers beginnen met de maatregelen die nodig zijn om het kind naar Nederland te krijgen. Stemmen zowel de ouders als de autoriteiten in het buitenland in met de adoptie, dan kan het kind naar Nederland worden gehaald. Is het eenmaal in Nederland dan moeten de pleegouders twee instanties inlichten: binnen zeven dagen het College van Burgemeester en Wethouders in hun woonplaats en binnen acht dagen de vreemdelingenpolitie. Het kind krijgt dan in eerste instantie een voorlopige verblijfsvergunning. Is het een jaar in ’t gezin, dan krijgt het een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Is dat jaar verstreken dan kunnen de ouders adoptie bij de rechtbank vragen.

afscheiding
Iedere eigenaar mag van zijn buren verlangen dat deze hun eigendommen duidelijk afscheiden van zijn erf. De kosten van zo’n afscheiding betaalt men samen.Iedere eigenaar van een erf mag het afsluiten. Wel is hij verplicht om de buurman die hierdoor van de openbare weg wordt afgesloten een zogenaamde noodweg of uitweg te verschaffen.In beginsel moet iedere eigenaar die een afsluiting maakt de kosten daarvan zelf betalen. Dit geldt echter niet voor afsluitingen van huizen, open plaatsen en tuinen in steden en dorpen.Deze kosten moeten door de buren gezamenlijk worden gedragen.Dat geldt ook voor eventueel herstel van die afsluitingen.

afvoer van water
De eigenaar van een erf dat lager ligt dan dat van zijn buurman, is in beginsel verplicht het water dat van dat hoger gelegen erf komt, te ontvangen. Hij mag dus niets doen waardoor de uitwatering belet wordt. De eigenaar van dat lager gelegen erf mag dus geen dijk of dam bouwen die deze uitwatering moeilijk of onmogelijk maakt.Aan de andere kant mag de eigenaar van het hoger gelegen erf niets in het werk stellen dat de toestand van het lager gelegen erf verzwaart. Deze regeling kan tot problemen leiden, wanneer bijvoorbeeld onder het hoger gelegen stuk land afwateringsbuizen worden aangelegd, die het water afvoeren naar het lager gelegen buurgebied, waartegen de eigenaar van laatstgenoemd stuk bezwaar maakt. De eigenaar van het hoger gelegen erf kan dan minder goed zijn gewassen verbouwen doordat zijn land te drassig wordt.

algemene weduwen en wezenwet
De AWW is weer een zogenoemde volksverzekering en deze wet kent drie soorten uitkeringen: een weduwenpensioen, een tijdelijke uitkering voor een weduwe en een wezenpensioen.Komt men voor zo’n uitkering in aanmerking, dan begint deze op de eerste dag van de maand waarin de echtgenoot en-of de vader overlijdt, mits natuurlijk de aanvraag tijdig wordt ingediend. Zou men daarmee bijvoorbeeld jaren wachten, dan kan slechts met terugwerkende kracht van één jaar worden uitbetaald.

Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
Geldt de WAO voor werknemers; mensen die géén werknemer zijn, en arbeidsongeschikt worden, kunnen een uitkering krijgen krachtens de AAW. Deze nu, is een zogenoemde volksverzekering, wat blijkt uit het eerste woord ‘algemene’. De AAW geldt dus voor iedereen die in Nederland woont.Krachtens de AAW kan men niet alleen uitkeringen krijgen op grond van arbeidsongeschiktheid; ook kunnen voorzieningen worden verstrekt voor revalidatie of voor verbetering van de levensomstandigheden.Iedereen tussen 18 en 65 is verzekerd krachtens de AWW, ook zij die de Nederlandse nationaliteit niet hebben, maar wel in ons land wonen.Om recht op een uitkering te krijgen, moet men al 52 weken voor minstens 25% arbeidsongeschikt zijn geweest. Bovendien moet men, in het jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, een inkomen hebben genoten, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer.Om recht op AAW-uitkering te hebben, moet men in de regel in het jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid een inkomen uit arbeid hebben verworven. Ook gehuwde vrouwen kunnen een uitkering krijgen als ze aan de gewone voorwaarden voldoen.

algemene ouderdoms wet
De bedoeling van de AOW is dat alle ingezetenen beschermd zijn tegen de gevolgen van het wegvallen van een inkomen uit arbeid, zoals bij veel 65-jarigen het geval is.Iedere ingezetene is verzekerd, vanaf zijn 15e jaar tot zijn 65e. Men heeft recht op ouderdomspensioen vanaf de eerste dag van de maand waarin men 65 wordt. Per 1 april 1985 is de AOW, i.v.m. de eerder genoemde Derde richtlijn van de EEG, gewijzigd ten aanzien van gehuwden. Man en vrouw hebben een eigen recht op pensioen, dat overeenkomt met 50% van het netto-minimumloon. In het geval dat de man 65 jaar en ouder is en zijn vrouw jonger dan 65 jaar, blijven zij ook hetzelfde bedrag aan pensioen ontvangen, echter samengesteld uit 50% pensioen voor de man en een toeslag van 50% ten behoeve van zijn vrouw (eventueel uit te betalen aan de vrouw). Vanaf de maand waarin de vrouw 65 jaar wordt, wordt zij pensioengerechtigd.De grootste verandering brengt de wijziging voor die categorie vrouwen die op 1 april 1985 65 jaar en ouder zijn en getrouwd zijn met een man die jonger is dan 65 jaar. Zij hebben vanaf 1 april met terugwerkende kracht tot 1 januari 1985 een zelfstandig recht op AOW-pensioen en ontvangen ten behoeve van de man een toeslag. Ongehuwd-alleenstaanden en ongehuwd-samenwonenden ontvangen een pensioen van (ieder) 70% van het netto-minimumloon.Vakantiegeld wordt in de maand mei uitgekeerd.Voor elk jaar dat een pensioengerechtigde tussen de 15 en de 65 niet in Nederland werkte en daardoor geen premie heeft betaald, wordt 2% op zijn AOW-uitkering ingehouden. Het is dus zaak dat, wanneer men naar het buitenland gaat, bijvoorbeeld om daar enkele jaren te werken, een speciale regeling voor de premiebetaling te treffen.Ook wanneer men in Nederland verblijft en verzuimt AOW-pensioenpremie te betalen, wordt per jaar dat men niet heeft betaald 2% van de uitkering afgetrokken.AOW wordt te allen tijde uitbetaald, ongeacht iemands vermogen of inkomen. Men heeft er als het ware voor gespaard.De verplichte premie (een percentage van het inkomen) wordt geïnd door de Rijks Belastingdiensten. Vanaf 1 januari 1985 zijn gehuwden, man en vrouw ieder over zijn-haar inkomen zelfstandig premie verschuldigd. De premieplichtigheid geldt tot een bepaalde hoogte van het inkomen. Die hoogte wordt elk jaar opnieuw vastgesteld en over wat men méér verdient is geen premie verschuldigd.Ook wanneer men minder dan een bepaald bedrag per jaar aan loon verdient, behoeft geen premie te worden betaald. Voorwaarde daarbij is wel dat men ook geen vermogensbelasting betaalt. Men zou immers zo rijk kunnen zijn dat men helemaal niet meer hoeft te werken om een inkomen te verdienen.Het pensioen kan worden aangevraagd bij de Raad van Arbeid binnen het gebied waar men woont. De aanvrage moet gebeuren drie maanden voordat men 65 wordt. De wet wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Beroep gaat weer via Raden van Beroep en Centrale Raad van Beroep.

alimentatie tussen gewezen echtgenoten
De belangrijkste categorie alimentatieplichtigen vormen de echtgenoten en de gewezen echtgenoten. Ze zijn, uitzonderingen daargelaten, verplicht bij te dragen in de kosten van de huishouding, de verzorging en de opvoeding van hun kinderen. Aldus de wet.Bij huwelijkse voorwaarden kan daarvan worden afgeweken.Is de samenwoning door onredelijk gedrag van één van de echtgenoten beëindigd, dan moet deze aan de andere partner een bedrag uitkeren voor levensonderhoud. En als er kinderen zijn, tevens voor levensonderhoud en verzorging van de kinderen. De rechter stelt het bedrag vast.Bij een echtscheiding komt het vaak voor dat één van de partijen niet in staat is te voorzien in zijn of haar eigen levensonderhoud. In zo’n geval kan, als men er onderling niet uitkomt, een verzoek om alimentatie, zowel tijdens de echtscheidingsprocedure als daarna, worden ingediend bij de rechter.De hoogte van de vast te stellen alimentatie hangt primair af van de draagkracht van de ene partij en de behoefte van de andere partij. De rechter kan daarbij de alimentatie voor slechts een bepaalde tijd vaststellen. Ook kan hij bepaalde voorwaarden verbinden aan de alimentatie-be-taling.Als bijvoorbeeld de vrouw nog heel jong is, er geen kinderen zijn en het huwelijk niet lang heeft geduurd, dan komt dat nogal eens voor. Zo’n voorwaarde kan dan zijn dat de alimentatie slechts wordt toegekend voor eenperiode van 3 jaar, omdat aangenomen wordt dat de vrouw nadien in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.Een nog veelvuldig voorkomend misverstand is dat alleen degene die om echtscheiding verzoekt alimentatie kan vragen. Dat is onjuist: beide partijen kunnen dat. Ook is het een misverstand te denken dat de vraag wie er schuld heeft aan de echtscheiding, bepalend is voor de vraag of er wel alimentatie betaald moet worden. Alimentatie kan zowel door de eiser als door de gedaagde worden gevraagd. De rechter kijkt niet alleen naar de behoefte van de ene partij en naar de draagkracht van de andere, maar ook naar alle omstandigheden die een rol spelen in het hem voorgelegde geval. Daardoor kan de schuld toch nog een rol gaan spelen. Zo heeft de rechter herhaaldelijk bepaald dat de alimentatie-eis moet worden afgewezen op grond van het schokkende gedrag van de alimentatie vragende partij.Is de alimentatieplichtige partij verdwenen of absoluut niet in staat financieel bij te dragen, dan heeft de andere partij recht op een bijstandsuitkering.Eenmaal door de rechter vastgestelde alimentaties gaan jaarlijks automatisch omhoog met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage (alimentaties van vóór 1 januari 1973 soms uitgezonderd). Voor alimentaties die door de partijen in onderling overleg zijn vastgesteld, geldt hetzelfde, tenzij de partijen de zogenaamde indexerings regeling hebben uitgesloten of een andere afspraak hebben gemaakt. Een zogenoemd proefhuwelijk zal in de regel daaronder niet vallen. Dat vervallen geldt overigens alleen voor de alimentatie die de ontvanger krijgt voor zijn-haar eigen levensonderhoud.Voor het levensonderhoud en de verzorging van de kinderen geldt dat niet. Men kan afspreken dat de andere partij helemaal geen alimentatie krijgt. Dit noemt men het zgn. nihilbeding. Ondanks het feit dat partijen een dergelijke onderlinge afspraak maken, kan de Gemeentelijke Sociale Dienst indien de man wel iets zou kunnen betalen, maar de vrouw desondanks een volledig beroep op de Algemene Bij stand wet doet, een deel van de verstrekte bijstand op de man verhalen. Als men onderling afspraken maakt over alimentatie voor de kinderen, dan controleert de rechter of het afgesproken bedrag niet te laag is. Kinderen hebben immers een zelfstandig recht op gelden voor onderhoud en verzorging. Men noemt dit een kwestie van openbare orde. De alimentatie die de man aan de vrouw betaalt, is aftrekbaar voor de belasting, het bedrag dat hij voor de verzorging van de kinderen betaalt daarentegen niet. Het inkomen dat de vrouw krijgt uit alimentatie, wordt bij haar weer belast.

alimentatie
Bij alimentatie denkt men veelal slechts aan de alimentatie die bij echtscheiding betaald moet worden door een van de huwelijkspartners. Ook anderen kunnen echter alimentatieplichtig zijn.Het Nederlandse familierecht gaat er-vanuit dat allerlei familieleden elkaar naar draagkracht moeten onderhouden, als daaraan behoefte blijkt te bestaan. De wet geeft aan wie daartoe kunnen worden verplicht en wie daarop aanspraak kunnen maken. Als partijen niet tot overeenstemming komen, dan maakt de rechter van geval tot geval uit of er sprake is van eenwerkelijke behoefte aan alimentatie en anderzijds of degene die alimentatie zou moeten betalen, voldoende draagkracht heeft. De rechter stelt het bedrag vast.De wet noemt twee categorieën alimentatieplichtigen.1.Ouders, stiefouders, schoonouders, kinderen.2.Echtgenoten en gewezen echtgenoten.Wij zagen al dat ouders van minderjarige kinderen verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van die kinderen. Datzelfde geldt ook voor stiefouders, met dien verstande dat een stiefouder alleen hoeft te betalen zolang zijn of haar huwelijk met de echte ouder van het kind in stand blijft, het kind minderjarig is en bovendien tot het gezin van de stiefouder behoort.Ook schoonouders zijn jegens een schoondochter of schoonzoon verplicht tot het verschaffen van middelen tot levensonderhoud, welke plicht ophoudt als het huwelijk van de schoondochter--zoon met het eigen kind wordt ontbonden, dan wel als er sprake is van een scheiding van tafel en bed.Kinderen zijn in principe verplicht hun ouders financieel bij te staan voor hun levensonderhoud. Daarbij speelt de draagkracht van de kinderen en de behoefte van de ouders een rol. Ook schoonzoon en -dochter moeten, zolang het huwelijk'voortduurt, bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van schoonouder(s). Deze vormen van alimentatie komen niet veel voor, temeer daar de Algemene Bijstandswet nu inspringt als iemand geen middelen van bestaan heeft.

Ambtenarenrechtspraak
Evenals de hiervoor genoemde Raden van Beroep kent het Ambtenarengerecht een voorzitter en onder-voorzitters.Een ambtenaar heeft een bijzondere rechtspositie. Er zijn speciale wettelijke regelingen voor ontslag, overplaatsing, ander werk etc. Worden er ten aanzien van hem beslissingen genomen waarmee hij het niet eens is, dan kan de ambtenaar in beroep bij de Ambtenarenrechter.Het Ambtenarengerecht wordt gevormd door een voorzitter en twee leden, die worden geacht deskundig te zijn op het gebied van het ambtenarenrecht. Dat kunnen deskundigen zijn op allerlei gebieden.Het Haagse Ambtenarengerecht behandelt centraal alle militaire pensioenzaken en alle militaire ambtenarenzaken.Van de uitspraken van het Ambtenarengerecht staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

ander werk na ziekte
Het is denkbaar dat men na een ziekte zijn eigen werk niet meer kan doen, maar wel in staat is ander werk te verrichten. De verzekeringsgeneeskun-dige kan soms adviseren dat tot ander werk wordt overgegaan, als dit in het belang van de (gewezen) patiënt is. Gaat deze door dat andere werk minder verdienen dan zijn vorige loon, dan kan dit worden aangevuld tot de hoogte van dat vorige loon. Het criterium voor een uitkering is dat men ongeschikt moet zijn om het eerder verrichte werk te doen.

Arbeidsongeschiktheidswet
Heeft men een jaar een uitkering krachtens de Ziektewet genoten, dan gaat men over naar de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).Verzekerd krachtens die wet zijn dezelfde mensen als die welke ook verzekerd zijn op grond van de Ziektewet. Men krijgt een WAO-uitkering als men nog geen 65 is en voor 15% of meer arbeidsongeschikt is. Bovendien moet men al 52 weken arbeidsongeschikt zijn geweest, gedurende welke termijn men dus een uitkering krachtens bijvoorbeeld de Ziektewet heeft genoten.Met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid wordt geadviseerd door de Gemeenschappelijke Medische Dienst en de Bedrijfsvereniging beslist.De overgang van Ziektewet naar WAO gaat, nadat een jaar is verstreken, automatisch; men hoeft dus niet opnieuw een uitkering aan te vragen. Zoals we al zeiden krijgt men echter geen WAO-uitkering als men voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Hier is het van belang te weten dat arbeidsongeschiktheid voor de WAO iets anders betekent dan voor de Ziektewet. Bij de Ziektewet gaat het om de vraag of men ongeschikt is voor het eigen werk. Bij de WAO gaat het om de vraag of men ongeschikt is voor werk dat de betrokkene in billijkheid kan worden opgedragen: zogenoemde passende arbeid. Dat kan dus ook ander werk zijn dan het tot de arbeidsongeschiktheid gedane werk. Zou men door andere passende arbeid minder verdienen, dan is men voor het verschil in inkomsten (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt.

arbeid en veiligheid
De Arbeidswet bepaalt dat jeugdigen en vrouwen niet ’s nachts mogen werken, en ook bepaalde soorten gevaarlijk werk niet mogen doen. Jeugdigen zijn de mensen tot 18 jaar. In deze arbeidswet, en besluiten die daar later aan zijn toegevoegd, staan ook de bepalingen met betrekking tot de minimale rusttijden en de maximale arbeidstijden.De Veiligheidswet is ingesteld om ongelukken op de arbeidsplaats te voorkomen. In deze wet wordt ook het bestaan van de Bedrijfsgeneeskundige Dienst geregeld. Bedrijven met meer dan 750 mensen moeten zo’n dienst hebben. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van deze twee wetten. Wanneer er een bedrijfsongeval is, kan deze inspectie worden ingeschakeld om de zaak te onderzoeken. In de loop van 1982 is de Veiligheidswet vervangen door de zogenoemde Arbeidsomstandighedenwet.

arbeidstijden
Er bestaat een aparte wetgeving met betrekking tot de arbeidstijden; hoeveel uur per week, welke rustperioden tussen twee werkdagen en dergelijke. Het maken van overuren kan men schriftelijk of mondeling regelen; wel staat er in de wet dat er in principe een absoluut maximum van 48 uur per week geldt (echter bijvoorbeeld in hotels 55 uur). Overuren kunnen worden betaald in extra loon of in zogenoemde compensatiedagen: extra vrije tijd. Veelal is dit, zoals gezegd, in de arbeidsovereenkomst nauwkeurig geregeld. In het algemeen geldt echter dat de werkgever in noodsituaties overwerk kan eisen. Daar staat veelal dan wel tegenover dat hij extra loon of vrije dagen moet geven. In het algemeen is het zo dat in hogere functies overwerk niet wordt betaald.

arbeidsovereenkomst
In principe is het sluiten van de overeenkomst vormvrij: het mag schriftelijk of mondeling. Echter, soms zegt de wet dat bepaalde afspraken alleen schriftelijk gemaakt kunnen worden (bijvoorbeeld concurrentiebeding). Wanneer een minderjarige een arbeidsovereenkomst aangaat, en zijn wettelijke vertegenwoordiger (bijvoorbeeld ouder of voogd) protesteert hier niet binnen 4 weken tegen, dan neemt de wet aan dat die vertegenwoordiger het met de overeenkomst eens is.In een arbeidsovereenkomst moet staan wanneer hij begint en of hij voor een bepaalde of onbepaalde tijd wordt aangegaan. En wat betreft ‘bepaalde tijd’, dat kan zijn: in tijd bepaald, of voor de duur van een karwei, of bijvoorbeeld ter vervanging tijdens ziekte van een andere werknemer. Verder kunnen er allerlei afspraken in staan over o.a. het loon en hoe dat wordt samengesteld, de tijden waarop men werkt, vakantiedagen, proeftijd en opzegging.Wanneer zo’n overeenkomst voor een bepaalde tijd wordt aangegaan moet zijn vermeld wanneer hij eindigt. Bij het verstrijken van deze tijd eindigt de overeenkomst zonder meer. Wordt hij daarna voortgezet, dan is voor een geldige beëindiging opzegging nodig. Als dus een overeenkomst met bijvoorbeeld één jaar is verlengd, eindigt de overeenkomst niet door het verstrijken van dat jaar.Tenslotte nog dit. Veel onderwerpen die in een arbeidsovereenkomst aan de orde komen, zijn in de wet of bij CAO geregeld. Soms mag men in de overeenkomst hiervan afwijken, soms niet.

AWBZ
De AWBZ is ook een volksverzekering, bedoeld om iedereen in ons land te dekken tegen het risico van bijzondere ziektekosten. Het gaat hier bijvoorbeeld om kosten als gevolg van opname in een ziekenhuis die langer dan één jaar duurt of in een inrichting waar men lang moet blijven. Denk aan lichamelijk of geestelijk gehandicapten. Zo valt bijvoorbeeld ‘Het Dorp’ bij Arnhem onder de AWBZ. In een aantal gevallen betalen verpleegden een eigen bijdrage. Andere verstrekkingen zijn bijvoorbeeld psychotherapie, inentingen van kinderen.De premie bedraagt 4,25% per jaar; is men in loondienst dan betaalt de werkgever. Wie 65 jaar of ouder is betaalt geen premie.De wet wordt uitgevoerd door de ziekenfondsen. Als men in beroep wil gaat men naar de Raad van Beroep.

Belasting
Het komt dikwijls voor dat men het niet eens is met een door de Belastingen opgelegde aanslag of enige andere maatregel.Het eerste dat men in zo’n geval moet doen, is een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur der Belastingen. Tegen diens beslissing staat de mogelijkheid open in beroep te gaan bij de Belastingkamer van een Gerechtshof. Daarin hebben onafhankelijke rechters zitting. Doen deze een uitspraak waarmee men het niet eens is, dan kan men in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Sociaal-economische rechtspraak.Er is een apart college waarbij belanghebbenden in beroep kunnen komen tegen beslissingen van bedrijfslichamen en bepaalde beslissingen van andere organen op sociaal-economisch gebied. Dat college is het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Van de uitspraak van dit college is géén cassatie mogelijk.Sociale verzekeringsrechtspraak.Een belangrijk onderdeel van de administratieve rechtspraak wordt gevormd door de Sociale Verzekerings-rechtspraak.Een Raad van Beroep heeft een voorzitter en een of meer ondervoorzitters, die ook uitspraken doen. Naast de voorzitter hebben in een Raad van Beroep één lid zitting op voordracht van een werkgeversorganisatie en één lid op voordracht van een werknemersorganisatie.Van een uitspraak van een Raad van Beroep staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, die gevestigd is in Utrecht. Ook in de Centrale Raad van Beroep hebben drie rechters zitting, maar dat zijn geen leken.



berekening van de uitkering
De hoogte van de uitkering wordt gebaseerd op een bij wet vastgestelde grondslag; dit omdat er veelal niet van een bepaald loon, dat men kreeg op het moment dat men arbeidsongeschikt is geworden, kan worden gesproken.Een voorbeeld. Iemand die de leeftijd van 21 heeft bereikt, man of vrouw,krijgt volgens de regeling van 1 januari 1985 een percentage van een grondslag van f 81,85. In uitzonderingsgevallen kan deze grondslag worden verhoogd. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een basis op grond waarvan de uitkering wordt berekend. Is men bijvoorbeeld 45 tot 55% arbeidsongeschikt, dan krijgt men 40% van de grondslag; is men 55 tot 65% arbeidsongeschikt dan krijgt men 50%. Is men 80 tot 100% ongeschikt dan krijgt men 80%. Vakantiegeld (7 Vi % van het totale uitkeringsbedrag, gerekend over een vol jaar) wordt jaarlijks in mei uitgekeerd.Bij overlijden geldt dezelfde regeling als bij Ziektewet en WAO.Wil men uitkering krachtens deze Wet dan moet men zich melden bij de Bedrijfsvereniging.Voor een groot aantal volksverzekeringen, waaronder de AWW, kan men een aanvraagformulier verkrijgen in het postkantoor.Ook de regelingen omtrent beroep zijn vrijwel dezelfde als bij de Ziektewet.

beplantingen
De wet zegt: het is niet geoorloofd hoog ópschietende bomen of heggen te planten. Dit mag alleen wanneer bepaalde afstanden tot de erfscheiding in acht worden genomen. Voor een hoog ópschietende boom geldt een afstand van twee meter. Voor heggen geldt een afstand van 50 cm. Houdt men zich niet aan deze regels, dan kan de buurman vorderen dat boom of heg wordt verwijderd.Wanneer de takken van bijvoorbeeld de boom van de buurman overhangen op het eigen erf, kan men hem noodzaken deze takken af te zagen. Doet hij dit niet, dan mag men dat op zijn kosten laten doen, of het eventueel zelf doen.Wat betreft de wortels van de bomen van de buurman; daarvoor geldt dat men ze af mag hakken zodra ze op eigen grondgebied komen. Men mag het ook door een ander laten doen, maar het is niet toegestaan de kosten hiervan op de buurman te verhalen.

beledigde of civiele partij
het meedoen in zo’n strafzaak heet officieel zich ‘stellen als beledigde of als civiele partij’.Wil men als slachtoffer via de strafrechter zijn schadeloosstelling halen, dan is het verstandig dit al meteen bij het eerste politieverhoor op het bureau te vertellen. Ook kan men, zoals gezegd, een brief schrijven aan de Officier van Justitie. Weigert de Officier de verdachte te laten vervolgen, dan kan men naar het Gerechtshof stappen om hierover zijn beklag te doen. Het Hof kan vervolgens de Officier aanzeggen de zaak wel voort te zetten.Wanneer de strafrechter u een lagere schadeloosstelling geeft dan u had gewild, dan kunt u tegen deze beslissing niet in beroep. Het is dus verstandig tevoren goed te overwegen welke rechter men kiest, zoals we al zeiden. Met name de hoogte van de schadeloosstelling die u in het hoofd had, is daarbij van belang. Zijn het wat lagere bedragen, dan is misschien het meegaan in zo’n strafproces makkelijker, o.a. omdat het u minder tijd kost. Maar gaat het om grotere bedragen, dan lijkt de burgerlijke rechter de aangewezen instantie. Nogmaals: laat u over deze keuze van tevoren door deskundigen goed adviseren.Het slachtoffer kan dus niet in beroep gaan, de verdachte of Officier van Justitie wel. De schadeloosstellingszaak loopt in het Hoger Beroep dan automatisch mee. Het is in theorie denkbaar dat u bij de eerste rechter een schadeloosstelling toegezegd had gekregen, die u in Hoger Beroep, bij het hogere college, weer kwijtraakt. Anderzijds kan het natuurlijk ook gunstiger voor u uitpakken.

behandelingsplan
Het behandelingsplan waarvan in de BOPZ sprake is, wordt in overleg met de patiënt vastgesteld. Dat is iets anders dan na overleg. De feitelijke behandeling zal dus in overeenstemming moeten zijn met het behandelingsplan.Nu kan zich het geval voordoen dat de patiënt niet in staat is zelf zijn mening te geven over het behandelingsplan. In dat geval moet de behandelende arts in overleg treden met de echtgeno(o)t(e), de wettelijke vertegenwoordiger of de naaste familieleden van de patiënt. Wordt uiteindelijk geen overeenstemming over het behandelingsplan bereikt, dan is behandeling niet mogelijk.Het kan voorkomen dat de stoornis van de geestvermogens een ernstig gevaar voor de patiënt of voor anderen oplevert. Alleen als het volstrekt noodzakelijk is dat gevaar af te wenden, is het mogelijk toch tot behandeling over te gaan, ook al werd geen overeenstemming bereikt over een behandelingsplan.De wet BOPZ somt een aantal rechten op die de onvrijwillig opgenomen patiënt heeft. We noemen: recht op behandeling, op informatie, en op bezoek. Tevens is een klachtenprocedure vastgesteld voor het geval de rechten door het ziekenhuis of de instelling worden beperkt.De rechtspositie van de gedwongen opgenomen patiënt is in de wet BOPZ aanmerkelijk beter geregeld dan in de sterk verouderde Krankzinnigenwet. De praktijk zal echter moeten uitwijzen of die rechtspositie ook inderdaad reële inhoud krijgt.

beiindiging van gemeenschap van goederen
Wanneer kan nu een van de partners eisen dat de gemeenschap van goederen beëindigd wordt, dat er gescheiden en gedeeld wordt?Dat kan als de andere partner wat al te gemakkelijk schulden maakt (de wet zegt: ‘lichtvaardig schulden maakt’), als de andere partner goederen uit de gemeenschap verspilt of weigert inlichtingen te geven over hoe het ervoor staat met de gemeenschappelijke goederen en het geld.

beschermingsbewind
Sinds kort kent de wet de mogelijkheid om de kantonrechter te vragen een bewindvoerder aan te stellen over (onderdelen van) het vermogen van iemand die als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand zelf niet in staat is zijn belangen te behartigen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de dementerende grootmoeder. Men spreekt dan van ‘onderbewind-stelling’. De onderbewindstelling over de goederen kan geschieden op verzoek van de betrokkene zelf, echtgenoot of levensgezel, bloedverwanten, voogd, curator of Officier van Justitie.Vaak wijst de kantonrechter de aanvrager een vertrouwensfiguur of een familielid aan als bewindvoerder. Deze laatste is dan bevoegd om bijvoorbeeld het vermogen van de betrokkene te beheren, betalingen te doen, alles in het belang van de onderbewind gestelde die dat zelf niet meer goed kan. Er kunnen ook twee of meer bewindvoerders worden benoemd.De bewindvoerder legt jaarlijks rekening en verantwoording af ten overstaan van de kantonrechter.Voor het aanvragen van onderbewindstelling is geen voorgeschreven vorm vereist. Het is echter wel aan te bevelen een advocaat om advies te vragen.

bijkomende straffen
Naast de hoofdstraffen kent de wet ook bijkomende straffen, waarvan we als voorbeeld noemen: ontzetting uit bepaalde rechten zoals militaire dienst, intrekking van rijbevoegdheid, verlies van actief of passief kiesrecht. Bijkomende straffen zijn ook: plaatsing in een Rijkswerkinrichting (voor minimaal 3 maanden en maximaal 3 jaar), verbeurdverklaring van goederen, openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Bijstandswet
De bedoeling van de Bijstandswet is iedere Nederlander een minimum inkomen te garanderen, dat niet op andere wijze kan worden verkregen. Op grond van deze wet worden dan ook heel wat bijzondere uitkeringen gedaan, te veel om ze hier nader te omschrijven. Maar deze uitkeringen worden niet gedaan in verband met werkloosheid of ziekte; daarvoor gelden andere voorzieningen.Voor de Bijstandswet behoeft geen premie te worden betaald.Iedere Nederlander kan aanspraak maken op een uitkering krachtens deze wet; voor vreemdelingen is het nogal moeilijk. Aan de uitkering kunnen bepaalde voorwaarden zijn verbonden, bijvoorbeeld dat men weer zo snel als mogelijk een baan neemt, behalve wanneer er redenen van medische of sociale aard zijn. Te denken valt in dit verband aan de ongehuwde moeder, die lichamelijk wel in staat is om te werken, maar haar tijd moet besteden aan de verzorging van haar kind.Ook in geval van echtscheiding kan aan de wat oudere vrouw een bijstandsuitkering worden verstrekt, ook al zou ze strikt genomen in staat zijn om te werken.

bij eindiging van de samenwoning
Wat gebeurt er nu wanneer de samenwonenden uit elkaar gaan?Wanneer de medehuurder vertrekt, verliest deze daardoor de status van medehuurder.Vertrekt de huurder, dan wordt de medehuurder huurder.Dat laatste geldt alleen wanneer de medehuurder een woonvergunning kan overleggen op grond waarvan hij in deze woning mag blijven en wanneer hij een verzoek doet tot voortzetting van de huurovereenkomst. Dit moet hij binnen 2 maanden aan de Kantonrechter doen.Het kan voorkomen dat de samenwonenden uit elkaar willen gaan, maar dat geen van beiden de woning wil verlaten. Wat moeten ze dan doen?In dat geval moeten ze alle twee een verzoek indienen bij de Kantonrechter en deze beslist.In geval van samenwoning wordt, als de huurder overlijdt, de medehuurder automatisch huurder. Maar ook in zo’n geval moet deze een woonvergunning hebben.Als bij overlijden van de huurder de achtergebleven partner-samenwonende niet officieel medehuurder is, dan kan deze toch nog 6 maanden in de woonruimte blijven. Dit komt in de praktijk veel voor, namelijk als geen verzoek tot medehuurderschap is ingediend.Wil de achtergebleven partner ook na 6 maanden de huurovereenkomst nog voortzetten, dan moet daartoe binnen dat half jaar een verzoek bij de Kantonrechter worden ingediend. Daarbij moet worden aangetoond dat de achtergeblevene zijn-haar hoofdverblijf in de woning heeft en dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de oorspronkelijke huurder. Ook moet degene die de huur wil overnemen over een woonvergunning beschikken en de huur kunnen betalen.De achtergeblevene kan, als hij-zij dat wil, de overeenkomst opzeggen. Wanneer er niemand aanwezig is die van rechtswege huurder wordt, dan eindigt na twee maanden na de dood van de huurder de huurovereenkomst. Het is dus niet mogelijk dat de erfgenamen van de huurder in zijn plaats treden en de huur overnemen.

boedelscheiding
Indien men gehuwd is op huwelijkse voorwaarden (voor of tijdens het huwelijk opgemaakt door een notaris) dan regelen deze voorwaarden de verdeling van de boedel (alles wat er aan geld en goederen is) bij echtscheiding. De meeste mensen hebben voor het sluiten van het huwelijk niets geregeld en zijn dan ‘In Gemeenschap van Goederen’ getrouwd.Bij echtscheiding hebben man en vrouw dan ieder recht op 50% (de helft) van alle geld en goederen. Daar horen ook pensioenregelingen bij.

bouwvergunning
Bouwvergunningen worden verleend op grond van de Woningwet. Deze vergunningen moeten worden aangevraagd bij Burgemeester en Wethouders. Zij bezien of de vergunning voldoet aan het bestemmingsplan en aan de Bouwverordening. Is dit het geval, dan moet de vergunning worden verleend. Zo niet, dan mag hij niet worden verleend. Zelfs niet onder voorwaarden.Men heeft al gauw een bouwvergunning nodig. Zelfs voor het maken van een pergola in de tuin, het aanleggen van een tuinmuurtje of het installeren van een vlaggenmast kan zo’n vergunning nodig zijn. Weigeren B & W de bouwvergunning, dan bestaat de mogelijkheid een beroep op de Gemeenteraad te doen. Wanneer ook die de gevraagde vergunning weigert dan kan men terecht bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State; dit op grond van de wet AROB.

bureau voor rechtshulp
Rond 1970 constateerden juridische studenten dat er sprake was van een leemte in de rechtshulp. Daarmee bedoelde men dat grote groepen mensen in Nederland geen of onvoldoende rechtshulp kregen. Deze studenten begonnen Rechtswinkels, waarmee ze, gelet op de grote toeloop, aantoonden dat er inderdaad een grote verborgen behoefte aan rechtshulp bestond. De advocatuur verleende wel rechtshulp maar was niet voldoende ingespeeld op de kleine problemen van de gewone man.De Rechtswinkeliers stelden dat de overheid verantwoordelijk is voor een goede rechtshulpvoorziening. Immers, als in allerlei wetten aan de burger rechten verleend worden, maar die burger kan dan toch ‘zijn recht niet halen’, dan heeft hij er niets aan. De overheid ontwikkelde Bureaus voor Rechtshulp. Het eerste bureau werd in 1974 geopend in Amsterdam. Deze bureaus, die over het hele land verspreid te vinden zijn, zijn stichtingen met juristen als medewerkers in dienst. Van het Ministerie van Justitie ontvangt een bureau subsidie, maar het is daarvan onafhankelijk.Bij deze bureaus kan men juridisch advies en informatie krijgen. Speciaal met betrekking tot het zogenoemde sociale recht. Daarmee bedoelen we o.a. het familierecht, het arbeidsrecht, het huurrecht, het sociale verzekeringsrecht, het consumentenrecht en vreemdelingenzaken.Bij eenvoudige problemen kunnen de medewerkers van het bureau uw zaak in behandeling nemen. Zij sturen dan bijvoorbeeld een brief voor u naar uw tegenpartij of kunnen voor u opbellen.Wordt de zaak ingewikkelder, moet er bijvoorbeeld een proces gevoerd gaan worden, dan kunnen de juristen van het bureau u geen procesbijstand verlenen. Zij kunnen u wel wegwijs maken in de gang van zaken en u doorverwijzen naar een advocaat of soms een deurwaarder. Zoals hiervoor al gezegd is, we noemen dat toevoegen.U bent, nogmaals gezegd, vrij in de keuze van uw advocaat, d.w.z.: als u er zelf een weet kunt u vragen omtoevoeging van die advocaat.Dat toevoegen kan natuurlijk alleen als u recht hebt op rechtshulp met eigen bijdrage. Wij wijzen er hier nog op dat, ook al hebt u recht op rechtshulp tegen verminderd tarief, u in geval van verlies van de zaak niet alleen kunt worden veroordeeld in de kosten van de tegenpartij, maar ook bijzondere kosten zelf moet betalen zoals bijvoorbeeld de kosten van deskundigen of tolken. Ook mag de toegevoegde advocaat een klein bedrag aan bepaalde kosten in rekening brengen.Dit noemt men ‘verschotten’.De belangrijkste verschotten zijn: griffierecht, kosten getuigen en deskundigen, uittreksels uit het openbare register, telegrammen, internationale telefoongesprekken en telexen, rolverrichtingen door deurwaarders in kantongerechtszaken.

burgerlijke rechter of strafrechter
De vraag is hoe men dit soort schade vergoed kan krijgen. Er zijn twee ingangen. Er is schade, en er is sprake van een strafbaar feit. Richt men zich alleen op de schade, dan kan men proberen die te verhalen op grond van de onrechtmatige daad. Men komt dan terecht bij de burgerlijke of civiele rechter. Men kan ook proberen de schade te verhalen via de strafzaak tegen degene die het misdrijf heeft begaan. Dan komt men terecht bij de strafrechter. We kennen in dit verband twee soorten schade. De feitelijke kosten die zijn gemaakt (dokterskosten en dergelijke) en de schade die men heeft geleden doordat men een tijd zich zeer beroerd heeft gevoeld; hiervoor kan men smartengeld vragen. Smartengeld kan men alleen verkrijgen bij schade in verband met lichamelijk letsel. De hoogte van dat smartengeld wordt door de rechter naar redelijkheid en billijkheid bekeken en vastgesteld.Gaat men naar de strafrechter, laat men zijn eis tot schadevergoeding meelopen in het proces tegen de verdachte, dan zit er een maximum op de schadevergoeding die men kan krijgen. Wijst de rechter die maximum-schadevergoeding toe, dan kan men niet nog eens naar de civiele rechter gaan om te proberen daar meer geld te vangen.In het algemeen is een strafbaar feit tevens een onrechtmatige daad. Is men dus slachtoffer geworden van een geweldsmisdrijf, dan kan men voor schadeloosstelling en-of een smarte-geld altijd terecht bij de burgerlijke rechter. Het beste is u over de keus burgerlijke rechter of strafrechter door een deskundige te laten adviseren.Voordeel van een proces bij de strafrechter is dat het niet zoveel tijd kost. Men hoeft alleen maar een brief te schrijven om te stellen dat men schadeloosstelling wil, en op de rechtszitting aanwezig te zijn. Overigens zal men wel zeer grondig moeten kunnen aantonen dat men inderdaad schade heeft geleden. Er kan bijvoorbeeld gevraagd worden naar rekeningen van betrokken medisch specialisten. Overigens kan ook bij de strafrechter schadeloosstelling van immateriële schade worden gevraagd (het smartegeld).In de categorie over politie en justitie stellen we dat in sommige gevallen de Officier van Justitie strafzaken seponeert, opzij legt, zodat er geen rechtszaak volgt. In zo’n geval kan men de Officier een brief schrijven dat men het met dit sepot niet eens is, omdat men zijn schadevergoeding verlangt.In uitzonderingsgevallen kan de strafrechter boven het maximum stijgen. Hij moet dan een voorwaardelijke gevangenisstraf eisen, waarbij de voorwaarde is dat de verdachte aan het slachtoffer een bepaald bedrag betaalt. Doet verdachte dat niet, dan kan hij de gevangenis ingaan.

Burgerlijke rechter en de Strafrechter
Zoals we al zeiden; wanneer men schadevergoeding wil, komt men terecht bij de gewone rechter. Dus niet bij een Medisch Tuchtcollege, ombudsman of districtsraad van de KNMG.Het is in het algemeen erg moeilijk vast te stellen of een arts aansprakelijk is voor de schade die geleden isdoor zijn patiënt. Het is daarom verstandig in zo’n geval bijstand van een terzake deskundige advocaat in te roepen. Deze zal, voordat hij een vordering instelt, onderzoeken of er uiteindelijk wel voldoende bewijs kan worden geleverd voor het feit dat de betrokken arts schade heeft veroorzaakt. Het is daarbij vaak erg moeilijk de juiste feiten boven tafel te krijgen. De arts zal meestal ontkennen dat hij een fout heeft gemaakt.De procedure begint, net als alle andere procedures voor schadevergoeding, bij Kantongerecht of Rechtbank met het uitbrengen van een dagvaarding. Daarin staan alle feiten vermeld op grond waarvan de eiser meent dat de gedaagde arts aansprakelijk is (zoals wanprestatie of onrechtmatige daad). De arts kan hierop antwoorden in een schriftelijk stuk; dat noemt men de Conclusie van Antwoord. Vervolgens krijgt de eiser de gelegenheid zijn verhaal nogeens toe te lichten en te reageren op het antwoord van de arts in een Conclusie van Repliek. De arts kan dan weer antwoorden bij Conclusie van Dupliek. Vervolgens wijst de rechter vonnis. Dit is meestal een tussenvonnis, waarin aan één van beide partijen bewijs van feiten wordt opgedragen. Dat bewijs zal meestal geleverd worden door getuigen, die natuurlijk door beide partijen kunnen worden opgeroepen.Als in de zaak een uitspraak is gedaan door het Medisch Tuchtcollege, dan zal dit betrokken kunnen worden bij de beoordeling van de eis tot schadevergoeding.Bij de Kantonrechter kan de eiser, als hij dat wil, zelf procederen. Dat is echter niet aan te bevelen. Bij de rechtbank zijn beide partijen, ook de gedaagde arts, verplicht zich te laten vertegenwoordigen door een procureur, dat is een advocaat. De procedure bij de gewone rechter duurt meestal nogal lang; twee jaar is heel gewoon.Wanneer de arts een strafbaar feit heeft gepleegd kan degene die daar nadeel van heeft ondervonden een klacht indienen bij de Officier van Justitie. Deze is bevoegd strafvervolging in te stellen tegen de arts. Hij is vrij om te beslissen of hij die vervolging inderdaad wil instellen. In Nederland geldt niet, zoals bijvoorbeeld in Duitsland, een verplichting voor de Officier van Justitie om die strafvervolging in te stellen.Aangifte van het strafbare feit kan ook worden gedaan bij de politie. Maar omdat het hier vaak ingewikkelde kwesties betreft, is het verstandig de aangifte rechtstreeks bij de Officier van Justitie te deponeren. Ook hierbij is vertegenwoordiging door een advocaat mogelijk, temeer daar men in de strafrechtelijke procedure schadevergoeding kan vorderen.Vraagt men schadevergoeding in de strafrechtelijke procedure, dan verliest men het recht om voor dezelfde zaak schadevergoeding te vorderen bij de burger-lijke rechter.Laat de Officier van Justitie de klager weten dat hij niet tot vervolging zal overgaan, dan heeft deze de bevoegdheid het Gerechtshof te vragen die Officier alsnog te verplichten tot vervolging over te gaan. Het Hof zal dan informatie inwinnen bij de chef van de Officier, de Procureur Generaal bij het Gerechtshof. Het Hof is vrij de zaak al dan niet in aanwezigheid van de klager te behandelen.Klagen over het niet vervolgen van een strafbaar feit kan alleen worden gedaan door de rechtstreeks belanghebbende. In het algemeen is dat dus degene die zelf schade heeft ondervonden van het strafbare feit in kwestie.

cao: collectieve arbeidsovereenkomst
In steeds meer gevallen wordt voor grote groepen werknemers één arbeidsovereenkomst met voor ieder gelijke bepalingen gemaakt. Dat heet een Collectieve Arbeidsovereenkomst. We kennen CAO’s voor onder andere werkers in bouw, textiel, metaal, dagbladjournalisten. Deze CAO’s worden vaak per jaar vastgesteld, waarbij naast de hoogte van het loon vakantie, werktijden e.d. aan de orde komen. Worden werknemersvertegenwoordigers en werkgevers het niet eens over de nieuwe CAO dan kan dit tot stakingen leiden.

chemische afvalstoffen
De Wet Chemische Afvalstoffen is vooral gericht op een doelmatige verwijdering van die stoffen. De wet bestaat nog niet zo lang. Gedeeltelijk wordt met deze wet de put gedempt nadat het kalf verdronken is. Immers, de gebeurtenissen in Lekkerkerk, de Volgermeerpolder, en Krimpen aan de IJssel leren ons dat er in de jaren zestig en zeventig op veel plaatsen in het land chemisch afval is ‘verwijderd’. Momenteel ondervinden wij daarvan de ongemakken. De nieuwe wet houdt zich alleen maar bezig met verwijdering van afvalstoffen op dit moment.Maar goed, het begin is er. De wet vereist een vergunning voor het bewaren, bewerken en vernietigen van chemisch afval en afgewerkte olie. Ook kan ontheffing worden gegeven. Daarnaast is men verplicht te melden wanneer men zijn afval of olie aan iemand anders overdoet. Vergunningen en ontheffingen worden verleend door de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne. Ook de meldingen moeten aan hem gedaan worden. De wet zegt dat men chemisch afval en afvalolie alleen mag doorgeven aan instellingen die een vergunning hebben om het materiaal te bewaren, bewerken, verwerken, of vernietigen. Ook mag men de stoffen doorgeven aan instellingen die een ontheffing hebben om de stoffen op of in de bodem te brengen. De aanvraag voor een vergunning op grond van deze wet wordt gepubliceerd in de Staatscourant.Eén van de belangrijkste oogmerken van deze wet is het ontstaan van chemisch afval te beperken en hergebruik te bevorderen. Op grond van de wet kunnen regels worden gevormd die bepaalde eisen stellen aan de samenstelling van producten die in Nederland op de markt worden gebracht. Een voorbeeld: de biologische afbreekbaarheid die als eis is gesteld voor wasmiddelen.

Civiele zaken
De gang van zaken bij de Rechtbank, inzake een geschil waarin de ene burger staat tegenover de andere, is in grote trekken gelijk aan die welke al is beschreven bij het Kantongerecht.Er is echter een belangrijk verschil: men kan bij de Rechtbank nooit zelf procederen; hier is men verplicht te zorgen voor een vertegenwoordiger en een mooi woord voor zo’n vertegenwoordiger is procureur. In de praktijk betekent het dat men een advocaat nodig heeft.

consument en faillissement
Stel het geval dat iemand goederen bestelt, zoals een televisietoestel, een bankstel of gordijnen, en deze alvast betaalt, bijvoorbeeld omdat hij de goederen nog niet kan plaatsen en hij bezig is met een verhuizing. Hij zal dan kunnen afspreken dat de spullen op een zekere termijn worden geleverd. Maar gaat de leverancier intussen failliet, dan zit de consument wel met de brokken.Hij heeft recht op de door hem gekochte goederen, maar het is zeer de vraag of de curator hem die zal leveren. De curator moet immers uit de verkoop van goederen een bedrag overhouden, waarmee hij al de crediteuren tevreden kan stellen. Krijgt de consument de goederen niet geleverd, dan kan hij alleen nog maar hopen op terugbetaling van de koopprijs. Maar omdat hij waarschijnlijk niet verkeert in de positie van de schuldeiser die voorrang heeft, zal hij naar zijn geld kunnen fluiten.Ook in andere gevallen kan het faillissement van een verkoper voor de consument nare gevolgen hebben. Twee voorbeelden.Iemand koopt een cassetterecorder. Binnen de garantietermijn gaat het apparaat stuk. De koper brengt het terug naar de zaak waar hij het heeft gekocht voor reparatie. Op het moment dat het apparaat bij de zaak staat gaat de firma failliet. Het zal de consument in zo’n geval grote moeite kosten te bewijzen dat de betreffende recorder van hem is. Lukt het hem niet dan wordt het als onderdeel van de failliete boedel verkocht.Iemand heeft een televisie gekocht met een zogenaamd service-abonnement voor een periode van vijf jaar. Hij heeft dit abonnement bij de aankoop van het toestel meteen betaald. Maar na een paar maanden gaat de zaak waar het toestel is gekocht over de kop. Zijn abonnement is hij waarschijnlijk kwijt.Uit het eerste voorbeeld blijkt dat het van groot belang is een deugdelijk ontvangstbewijs te vragen wanneer men iets ter reparatie bij een zaak afgeeft. Kan men namelijk bewijzen dat het om een reparatie geval gaat, dan mag men de zaak weer meenemen. Uit het voorgaande blijkt dat niet alleen het faillerende bedrijf, maar ook de consument die daar gekocht heeft nare gevolgen van een faillissement kan ondervinden.Het is dan ook verstandig met zo’n risico reeds zoveel mogelijk rekening te houden en de Consumentengids van januari 1981 raadt ons daartoe aan: doe geen aanbetaling. Een vooruitbetaling of een aanbetaling kan worden vervangen door een bankgarantie.Nog een paar praktische wenken:- hebt u (met aanbetaling) een bestelling of een opdracht geplaatst, lees dan in de kranten de faillissements-aankondigingen;- als u iets laat repareren in het bedrijf van een ander, vraag dan een ontvangstbewijs dat zo gedetailleerd gaat;- als u gekochte en betaalde zaken achterlaat bij de leverancier, zorg er dan voor dat u kunt bewijzen dat u er de eigenaar van bent. Laat bijvoorbeeld de leverancier verklaren dat hij de zaak voor u op afroep ter beschikking houdt;- gaat het over zaken die de leverancier nog elders moet bestellen, laat hij ze dan voor u opzijzetten zodra hij ze onder zich krijgt.Nog een algemene wenk. Als u het slachtoffer wordt van een faillissement van een ander, ga dan niet bij de pakken neerzitten. Informeer wie de curator is en en hoe u via hem uw recht kunt halen.

controlerend arts
De zieke werknemer is verplicht zich te houden aan de voorschriften die de bedrijfsvereniging geeft. Doet hij dit niet, dan bestaat de kans dat zijn uitkering wordt ingetrokken. Een van de voorwaarden is dat men de controlerend arts moet bezoeken of hem op bezoek moet laten komen.

Codicil
Kleinere zaken, zoals het erven van bepaalde sieraden of bepaalde meubelstukken, kunnen op een gewoon papier worden vastgelegd, wat niet per se door een notaris hoeft te worden opgesteld. Zo’n verklaring heet codicil. Het moet wel gedetailleerd worden opgesteld en ondertekend zijn. In zo’n codicil kan men ook zijn begrafenis regelen.

colportage
Sedert 1976 geldt in ons land de colportagewet. In deze wet wordt de zogenoemde kredietcolportage, het aanbieden van persoonlijke leningen, verboden, terwijl de afbetalingscolportage aan strenge regels wordt onderworpen.Het gaat er daarbij om misbruik van colportage tegen te gaan. Kopers moeten worden beschermd tegen situaties waarin ze onvoorbereid moeten beslissen over het aangaan van een persoonlijke lening of de koop van het aangeboden artikel.Van colportage is sprake wanneer men beroeps- of bedrijfsmatig langs de huizen gaat om de bewoners ervan tot het aangaan van bepaalde overeenkomsten te bewegen, danwel met hetzelfde doel personen bij elkaar te laten komen. De koper wordt tegenwoordig op twee manieren beschermd: er is een inschrijvingsplicht van colporteurs, en er geldt een afkoelingsperiode.

dagvaarding
Besluit de Officier van Justitie de zaak wel door te zetten, dan gaat hij dagvaarden. Hij doet dat met een schriftelijk stuk: de dagvaarding. Daarin staat dat verdachte op een bepaald moment, op een bepaalde plaats een bepaald delict heeft begaan. Er staat ook in wanneer en waar de verdachte voor de rechter moet verschijnen.Er wordt wel eens gezegd dat, als er in de dagvaarding fouten staan, de verdachte daardoor automatisch vrijspraak krijgt. Dat is zeker niet altijd het geval. Als het gaat om een duidelijke verschrijving gaat de zaak gewoon door.Wel is het zo dat, als er bijvoorbeeld in de dagvaarding wordt gesproken over diefstal van schoenen, terwijl het in werkelijkheid balpennen zijn geweest, en de Officier van Justitie heeft dit niet door en wijzigt op de zitting niet de dagvaarding, de rechter moet vrijspreken.De rechter moet nu eenmaal kijken of ook bewezen is wat er in de dagvaarding staat. Er is wel bewijs voorhanden dat de verdachte balpennen heeft gestolen, maar er is geen bewijs voorhanden dat de verdachte schoenen heeft gestolen.Meestal wijzigt de Officier de dagvaarding nog op de zitting, als hij erachter komt dat dit nodig is. Hij mag dit doen tot aan het moment dat hij opstaat om zijn eis te formuleren; daarna niet meer.

dagvaardingsprocedure
De procedure die nog steeds het meest voorkomt, is de dagvaardingsprocedure. De dagvaarding wordt door een deurwaarder op verzoek van de eisende partij aan de andere partij uitgebracht. Bij zo’n procedure dient de ene partij de eis in, de andere partij kan daartegen in verweer gaan. De dagvaarding is een schriftelijk stuk dat inhoudt: ‘Ik wil van jou scheiden en roep je op om bij de rechtbank te komen om te zeggen of je het al dan niet daarmee eens bent. Ik heb een aantal eisen wat betreft de verdeling van inboedel en inkomen en wat betreft woning en kinderen.’Verschijnt de gedaagde partij niet (d.w.z.: stelt er zich geen advocaat voor de gedaagde), dan worden de eisen ingewilligd van de partij die de dagvaarding heeft uitgebracht. Zowel bij de verzoekschriftprocedure als bij de dagvaardingsprocedure geldt dat voor beide partijen een advocaat moet optreden. Men kan dat niet zelf doen. Een nadeel van de verzoekschriftprocedure kan zijn dat een van de partijen zich op het laatste moment terugtrekt. Dan moet de hele procedure opnieuw beginnen. Dit als gevolg van het feit dat deze vorm van recht er op gebaseerd is dat men gezamenlijk actie neemt. Uit de aard van de zaak verloopt de verzoekprocedure snel, partijen zijn het immers eens.Maar ook de dagvaardingsprocedure kan vrij snel verlopen als de gedaagde geen verweer voert. De eisende partij, d.w.z. diens advocaat, moet schriftelijk bij de rechtbank de zaak uiteenzetten. Daarmee kan de zaak worden geregeld. Voert de gedagvaarde partij wel verweer, zijn de echtgenoten het niet met elkaar eens, dan kan de procedure lang duren.

deurwaarder
Zoals reeds is opgemerkt, denken velen bij het woord deurwaarder eerder aan een taak bij executies (het openbaar verkopen van bezittingen van mensen die hun schulden niet kunnen voldoen) dan aan een taak die bestaat uit het verlenen van rechtshulp.Het meeste werk dat een deurwaarder verricht, doet hij in opdracht van burgers, particulieren. Hij is echter een beëdigd openbaar ambtenaar en wordt benoemd door de koningin. Voor het uitoefenen van het vak deurwaarder behoeft men geen ‘Meester’ te zijn. Men begint als aspirant-deurwaarder en daarvoor moet men een middelbare schoolopleiding hebben genoten. Dan volgt de aspirant een vakopleiding, welke wordt afgesloten met een staatsexamen.Alle deurwaarders gezamenlijk zijn verenigd in de Vereniging van Gerechtsdeurwaarders.De deurwaarder is er om gerechtelijke aankondigingen en bekendmakingen te doen, om dagvaardingen uit te brengen, om vonnissen te betekenen en exploten te doen. Allemaal ingewikkelde woorden die erop neerkomen dat de deurwaarder belast is met het officieel inkennisstellen en aanzeggen van allerlei gerechtelijke handelingen en vonnissen. Bij sommige veilingen is de aanwezigheid van een deurwaarder verplicht.Oorspronkelijk betekent deurwaarder het bewaren van de deur. Van oudsher heeft hij dan ook de taak om op de rechtzittingen, denk vooral aan de strafrechtzittingen, dienst te doen. Daar kondigt hij de zaken af, kontro-leert wie er binnen komt en regelt de goede gang van zaken op de zitting. Het zijn deze taken die de deurwaarder vaak omgeven met een nogal grimmig waas.Daarnaast doet de deurwaarder zijn werk als rechtshulpverlener, en wel op die gebieden waar hij kan optreden. Dat kan dus niet op de gebieden waar alleen advocaten toegelaten worden, zoals bij de Rechtbank en het Hof. Met name in arbeidsrechtzaken en huurzaken, die door de Kantonrechter worden beslist, is de deurwaarder voor velen een vertrouwde raadsman.Een andere bezigheid van de deurwaarder is het innen van kleine vorderingen (incasso’s). Dat laatste doet hij gewoon in opdracht van cliënten.De deurwaarder is gebonden aan tarieven en voorschriften van de Vereniging van Gerechtsdeurwaarders.Zoals bij de wet-WROM al aan de orde is geweest, kan een deurwaarder voor rechtsbijstand worden toegevoegd aan degene die zich daarvoor tot het Bureau voor Rechtshulp wendt. Natuurlijk kan men ook naar de deurwaarder van zijn keuze gaan en hij kan dan die toevoeging regelen. Ook de deurwaarder is aansprakelijk voor zijn handelen. Maakt hij een beroepsfout dan kan de cliënt hem aanspreken.Als ambtenaar kent hij speciale tuchtrechtelijk bepalingen; hij kan disciplinaire straffen oplopen, van berisping tot ontslag.Speciale vermelding verdient nog de belasting-deurwaarder. Dat is iemand die in dienst is van het Rijk, waarvoor hij belastinggelden int. Dat is het enige dat déze deurwaarder doet.

de straffen
Uitgangspunt bij het opleggen van straf is dat de rechter rekening moet houden met de ernst van het delict, de omstandigheden waaronder dat begaan is en de persoon van de dader; aldus de wet.De wet kent hoofdstraffen en bijkomende straffen. We kijken eerst even naar straffen voor volwassenen. Gevangenisstraf is bij volwassenen een hoofdstraf. Hij duurt minimaal 1 dag en maximaal 15 jaar, met een uitloop naar 20 jaar.Voor elk strafbaar feit geeft de wet een maximum straf aan. De Rechter kan dan kiezen tussen het minimum en het voor dat feit gegeven maximum.Ook de straf ‘levenslang’ kan worden opgelegd, maar in de praktijk betekent dit dat men 20 jaar krijgt. De voorlopige hechtenis moet van de gevangenisstraf worden afgetrokken. De Officier van Justitie is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de straffen.Korte gevangenisstraffen, tot drie maanden, worden uitgezeten in het Huis van Bewaring. De overige in gevangenissen.Nog een hoofdstraf is de hechtenis. Dat is de vrijheidbenemende straf op overtredingen; soms kan die ook op misdrijven staan. Deze duurt minimaal 1 dag en maximaal 1 jaar, met een uitloop tot 1 jaar en 4 maanden. De derde hoofdstraf is de geldboete. Deze kan zowel bij overtredingen als bij misdrijven worden opgelegd.Wanneer men de geldboete niet betaalt, kan er tot vervangende hechtenis worden overgegaan. Bij het vonnis wordt dan ook altijd gezegd: geldboete of zoveel dagen hechtenis.Men mag als men die straf opgelegd krijgt niet zelf kiezen tussen geldboete en gevangenisstraf, maar betaalt men de boete domweg niet dan komt men op een gegeven moment vanzelf in het Huis van Bewaring terecht.Sinds kort kan de gewone rechter ook iemand schuldig verklaren zonder oplegging van een straf.

de uitspraak
Vóór de Rechter tot een vonnis kan overgaan, moet hij een heleboel vragen hebben beantwoord. In de eerste plaats moet natuurlijk zijn bewezen dat déze verdachte dit strafbare feit heeft begaan. Ook moet hij zich afgevraagd hebben of verdachte, ook al heeft hij het strafbare feit begaan, wel inderdaad strafbaar is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de verdachte niet toerekeningsvatbaar is. Ook is het mogelijk dat de verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging, of, zoals dit met een rechtsterm wordt aangeduid: uit noodweer.Is de verdachte wel strafbaar, dan moet de rechter zich afvragen welke straf hij zal opleggen: gevangenisstraf, geldboete, of beide. Politierechter en Kantonrechter doen dat ter plekke. De Rechtbank gunt zich hiervoor meer tijd, maximaal twee weken. Het kan zijn dat men het niet eens is met zijn straf. Is men voor de Kantonrechter geweest, en heeft men een boete t-m € 50 gekregen, dan is hoger beroep niet mogelijk, cassatie wel. Is de boete hoger, en gaat men in hoger beroep, dan komt men terecht bij de Rechtbank, die de hele zaak opnieuw bekijkt.Van vonnissen van de Politierechter en van de Rechtbank kan men in beroep gaan bij het Gerechtshof. Dit bestudeert de hele zaak opnieuw. Uiteindelijk kan men in cassatie, zoals dat heet, bij de Hoge Raad. Deze bekijkt de zaak zelf niet opnieuw, maar beoordeelt of de juridische procedure correct is geweest.

De kinderen
Na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, eindigt meestal de ouderlijke macht en wordt de ene ouder voogd, de andere toeziend voogd. De invloed van de toeziend voogd is, zoals gezegd, erg klein. Hij moet kijken of de voogd het vermogen van het kind goed beheert. Kinderen hebben echter niet vaak een vermogen. De voogd wordt verantwoordelijk voor de verzorging van het kind, de opvoeding, het onderwijs, kortom hij is verder verantwoordelijk voor het kind. De laatste tijd komt het meer en meer voor dat ouders in de echtscheidingsprocedure de rechter verzoeken de ouderlijke macht te laten doorlopen en niet over te gaan tot benoeming van een voogd en toeziend voogd. De rechter moet dan wel de overtuiging hebben dat de ouders in goed onderling overleg in staat zijn ook na de echtscheiding de kinderen te blijven op voeden. Beide ouders hebben dan - net als tijdens het huwelijk - evenveel verantwoording voor de opvoeding van de kinderen. Bij scheiding van tafel en bed blijft de ouderlijke macht in stand. Tenzij de ouders te kennen geven die ouderlijke macht ook gezamenlijk te willen blijven uitoefenen, moet de rechtbank echter wel bepalen wie van de twee ouders die ouderlijke macht gaat uitoefenen.Bij echtscheiding kunnen de kinderen dus aan één van de twee echtgenoten worden toegewezen, die dan zoals gezegd tot voogd(es) wordt benoemd. Het belang van het kind staat bij die toewijzing voorop. Kinderen van 12 jaar of ouder wordt door de rechter naar hun voorkeur voor toewijzing gevraagd. De echtgenoot aan wie de kinderen niet worden toegewezen, kan vragen om een bezoekregeling. Als de andere ouder ermee instemt, is er geen probleem. Weigert deze, dan kan men de rechter vragen een regeling vast te stellen. Ook bij die vaststelling staat het belang van het kind centraal. Maar ook het belang van de beide ouders speelt een rol. Een probleem hierbij is dat indien de ouder bij wie het kind verblijft het kind een bezoek verbiedt, het moeilijk is af te dwingen. De politie het kind laten weghalen voor bezoek is een mogelijkheid die uiteraard niet in het bellang van het kind is.

De dood
Voor de wet houdt de mens op te bestaan als persoon, bij zijn dood. Dan gaan zijn rechten en plichten direct over op zijn erfgenamen.Iedereen mag ‘aangifte’ doen van het overlijden. De wet stelt niemand verplicht zo’n aangifte te doen of te zorgen voor een begrafenis of crematie. Het is wel zo dat degene die het lijk onder zich heeft de burgemeester moet waarschuwen* die dan voor de verdere afwikkeling zorgt.De aangifte geschiedt bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, die daarvan een akte van overlijden opmaakt. De ambtenaar vraagt dan een verklaring (van een arts of lijkschouwer) en geeft dan toestemming tot begrafenis of crematie van het stoffelijk overschot.De begrafenis-crematie van een stoffelijk overschot moet snel gebeuren. Niet later dan op de vijfde dag na het overlijden. Aan de andere kant mag ook niet binnen 36 uur begraven of gecremeerd worden.Als iemand vermist is en er kan met zekerheid of met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat hij overleden is, dan kunnen belanghebbenden de Rechtbank te ’s-Gravenhage vragen om te verklaren dat de vermiste overleden is. Als bijvoorbeeld na een treinongeluk de slachtoffers zo verminkt zijn dat ze niet meer kunnen worden herkend, kan zo’n ‘overleden-verklaring’ een oplossing zijn.

de raad voor de kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming werkt ten behoeve van het kind en verricht een groot aantal activiteiten. Wanneer ouders of voogd hun taak niet aankunnen, kan de Raad een gerechtelijke uitspraak van de rechtbank uitlokken. Hij geeft ook voorlichting en advies aan een groot aantal instanties zoals rechter, officier van justitie, de kinderbeschermings instellingen, en ook aan ouders en verzorgers. Hij oefent toezicht uit op instellingen waar kinderen verzorgd worden en op pleeggezinnen. In urgente gevallen neemt de Raad de verzorging en de opvoeding van de kinderen zelf op zich. Heeft een minderjarige een misdrijf begaan, en volgt er een rechtszaak, dan geeft de Raad advies aan de rechter. Er zijn in totaal 19 Raden voor de Kinderbescherming, in iedere plaats waar een arrondissementsrechtbank is. Leden van de Raad worden benoemd door de minister van justitie.

de rechtsgang bij echtscheidingen
De Rechtbank beslist over echtscheidingen. Men kan tegen de uitspraak van deze Rechtbank in hoger beroep bij het Gerechtshof; is men het met de beslissing van het hof niet eens, dan kan men nog naar de Hoge Raad.De procedure die leidt tot echtscheiding, of scheiding van tafel en bed, begint met een dagvaarding van een van beide partijen. Wanneer de partners het erover eens zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en hoe de zaak afgewikkeld moet worden, dan kunnen ze ook een verzoekschrift indienen tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Bij een verzoekschrift moeten beide partijen het eens zijn over de scheiding en een aantal belangrijke zaken die daarmee samenhangen: wie krijgt de kinderen, hoe wordt de alimentatie geregeld, wie krijgt de woning, hoe worden vermogen en inboedel verdeeld.

Economische delicten
Allerlei zaken die vallen onder de Wet Economische Delicten worden afgehandeld door de 'Economische Politierechter’. Dat is ook weer één rechter. Hieronder vallen ook milieu-aan-gelegenheden.

economische gebondenheid aan de gemeente
Indien een woonvergunning is vereist, mag de gemeente ook verlangen dat de aanvrager economisch aan de gemeente is gebonden, dat wil zeggen: men moet in de gemeente of in de agglomeratie minstens twee en een halve dag per week werken.De Raad van State heeft begin 1981 beslist dat deze regeling niet geldig is; hierover bestaat nog discussie. Sommige gemeenten mogen deze eis van economische gebondenheid ook stellen als het gaat om nieuwe woningen.

eerste aanleg beroep en cassatie
De rechtspraak verloopt in drie trappen (een enkele keer in twee). In eerste aanleg wordt in veel gevallen een beslissing gegeven door de rechtbank. Vervolgens kan beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof.En tenslotte kan in vrijwel alle gevallen bij de Hoge Raad cassatie worden ingesteld van de uitspraak van het Gerechtshof. Cassatie is eigenlijk een ander woord voor beroep bij de Hoge Raad.Voor bepaalde, bij de wet aangegeven zaken (bijvoorbeeld kleine geldvorderingen, huurzaken, arbeidszaken, strafrechtelijke overtreding van geringe zwaarte), is de Kantonrechter de eerste instantie.De Hoge Raad casseert als de uitspraak, waartegen men cassatie heeft ingesteld, in strijd is met het recht.De Hoge Raad houdt zich niet bezig met een nieuwe vaststelling van de feiten die tot de aangevochten uitspraak hebben geleid; in cassatie blijven de feiten zoals deze door de vorige rechter zijn onderzocht en vastgesteld.Deelneming van leken (gewone burgers) aan de rechtspraak is in Nederland een zeldzaamheid. Het komt wel voor bij bijvoorbeeld pachtzaken; zie verderop.Tot de rechterlijke macht behoort ook het Openbaar Ministerie of Parket, dat zijn de Officieren van Justitie en hun meerderen. Dezen fungeren voornamelijk als aanklager in strafzaken. De rechters zijn onafhankelijk, zowel onderling als ten opzichte van de overheid. Het Openbaar Ministerie valt onder de controle van de Minister van Justitie. Het Openbaar Ministerie bij de Hoge Raad fungeert niet als aanklager; zijn voornaamste taak bestaat uit het uitbrengen van adviezen (conclusies genoemd) aan de Hoge Raad naar aanleiding van cassatieberoepen.

Eerste groep
De eersten die in aanmerking komen voor een erfenis zijn echtgeno(o)te(e), wettige-onwettige kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Daarbij is het volgende van erg groot belang. Als de echtgenoten getrouwd zijn in gemeenschap van goederen, dan betekent dit dat bij overlijden van een van beiden de helft van alle bezittingen, geld en goederen in ieder geval van de achterblijvende echtgenoot is.De andere helft van het bezit kan ge-erfd worden. De echtgenoot krijgt daarvan een zgn. kindsdeel. Zijn er bijvoorbeeld 2 kinderen, dan krijgt ieder van die kinderen en de overgeblevene van het echtpaar elk één derde. Was er 1 kind, dan erven dat kind en de overgeblevene van het echtpaar ieder de helft. Was men niet in gemeenschap van goederen getrouwd, dan wordt het vermogen van de overledene nadat de omvang ervan is vastgesteld, gelijkelijk verdeeld onder echtgenoot en kinderen.Dus: zijn er 2 kinderen, dan krijgen die kinderen en de overgeblevene van het echtpaar ieder één derde van het totaal aan goederen en geld van de overledene.

eerste machtiging tot voortgezet verblijf
De volgende fase is de eerste machtiging tot voortgezet verblijf. Deze heeft een geldigheidsduur van zes maanden. Evenals de voorlopige machtiging wordt hij door de rechter op vordering van de Officier van Justitie afgegeven. Als voorwaarde geldt wel dat, na verloop van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging, de stoornis van de geestvermogens aanwezig moet zijn, en de betrokkene gevaar doet veroorzaken. Bovendien moet dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kunnen worden afgewend.Het criterium dat de betrokkene gevaar zou doen veroorzaken is hier dus iets ruimer geformuleerd. Maar daar staat tegenover dat het behandelingsplan, en informatie over de stand van de uitvoering daarvan, door de geneesheer-directeur aan de Officier van Justitie moet worden overgelegd. De beslissing van de rechter is vatbaar voor Hoger Beroep. Dat kan worden ingesteld door degene die om de eerste machtiging tot voortgezet verblijf heeft verzocht, door de Officier van Justitie, en door de patiënt zelf. Het beroep moet binnen 14 dagen worden ingesteld, en wel bij het Gerechtshof te Arnhem. Zolang niet op het beroep is beslist blijft de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar.

einde huurovereenkomst
Een aantal regels rond de opzegging van de huurovereenkomst horen tot het zogenoemd dwingend recht, dat wil zeggen dat er niet van afgeweken mag worden, ook niet in de huurovereenkomst zelf. Dit om de zwakkere partij, de huurder, te beschermen. Deze regels hebben, vooral betrekking op de manier van opzéggen, welke termijn inachtgenomen moet worden, en welke gronden men aanvoert voor de opzegging.Twee soorten huurovereenkomsten vallen buiten dit soort dwingende regels:- huurovereenkomsten met betrekking tot panden die van de gemeente zijn, en afgebroken moeten worden;- huurovereenkomsten die naar hun aard slechts van korte duur zijn.Bij dit laatste kunnen we denken aan vakantiehuisjes.

Erkenning
Van erkenning van een kind is sprake als de man een verklaring geeft dat het kind dat is geboren, zijn kind is. Dit hoeft dus niet te betekenen dat hij ook de biologische vader is. Door die erkenning ontstaat er een familierechtelijke band tussen de man en het kind, met als gevolg dat het kind de naam van de man krijgt.We zagen al dat erkenning gaat via een verklaring bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand of bij een notaris. In een aantal gevallen kan deze erkenning van het vaderschap worden geweigerd, bijv. wanneer er zo’n nauwe bloedverwantschap tussen de moeder en de verwekker bestaat dat een huwelijk niet mogelijk zou zijn.

Erfenis
De wet zegt dat, als er geen testament bestaat, het vermogen van de overledene gaat naar door de wet aangewezen familieleden. Daarbij wordt een bepaald systeem gehanteerd dat er ruwweg als volgt uit ziet.

erfdienstbaarheid
Een erfdienstbaarheid is ‘een last, waarmee een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard’. De eerste zaak noemen we dan dienend erf, de tweede heersend erf. Deze ‘last’ moet strekken ten nutte van ieder die het heersend erf overeenkomstig zijn aard en inrichting gebruikt.Bijvoorbeeld: twee grondeigenaren komen met elkaar overeen dat de een toestemming krijgt van de ander om over het erf van die ander het ‘recht van weg’ te hebben. Hij mag dus over de weg van de buurman rijden-lopen-fietsen, al naar gelang men heeft afgesproken; vaak tegen een zekere vergoeding.Belangrijk kenmerk van dit recht is dat het aan de grond gebonden is, en niet aan de eigenaar daarvan. Gaat de buurman dus verhuizen, en verkoopt hij huis plus grond, dan blijft dit recht bestaan. Voorwaarde is wel, dat de erven bij elkaar liggen. Een voorbeeld: twee naast elkaar staande huizen zijn met maar één pad verbonden met de openbare weg. Dit pad komt uit bij één van de twee huizen. Om het andere huis te bereiken, moet men gebruik van dit pad en van het erf van de .eerste maken. Komen de buren over dat gebruik tot overeenstemming dan spreken we van erfdienstbaarheid.

Faillissement afwikkeling
De curator kan in het algemeen gesproken het faillissement op drie manieren afwikkelen.1) Hij kan besluiten dat de situatie zo slecht is dat er helemaal niets bij de schuldenaar te halen valt. In dat geval zal hij de rechtbank adviseren het faillissement weer op te heffen ‘bij gebrek aan baten’ zoals dat heet. Het gevolg is dat in dit geval niemand iets krijgt. Het betekent niet dat de schuldenaar daarmee van zijn schulden af is. Zodra hij weer enig vermogen krijgt, kan ieder van zijn schuldeisers hem in de nek springen.2) De curator kan constateren dat er enig vermogen in de boedel aanwezig is. Het zal zelden zo zijn dat dit vermogen genoeg is om alle schulden te betalen. Soms echter kan aan ieder van de schuldeisers een bepaald percentage van de vordering betaald worden.3) Wanneer het faillissement bijvoorbeeld een onderneming treft, kan de curator beslissen dat er nog best wat met die onderneming te doen valt. Hij kan de onderneming dan voortzetten en proberen zoveel baten uit de onderneming te krijgen dat de crediteuren geheel of gedeeltelijk worden afbetaald.Wanneer er sprake is van een gedeeltelijke betaling van de vorderingen, gebeurt dit meestal op basis van een zogenoemd akkoord. De crediteuren berusten er dan in dat zij slechts een gedeelte van hun vorderingen geïnd krijgen, en doen afstand van de rest. Dit betekent dat, wanneer de schuldenaar later weer in goede doen komt, de crediteuren hem op grond van deze oude vorderingen niet meer kunnen aanpakken. Crediteuren die niet met het akkoord hebben meegedaan kunnen dat wel.Bij de afwikkeling van het faillissement hebben een aantal schuldeisers voorrang. Hun vorderingen worden vóór die 'van anderen voldaan (voor zover er nog iets te halen valt).De belasting is zo’n schuldeiser met voorrang, evenals de bedrijfsvereniging, en de verhuurder van de woonruimte waarin de failliet woont. Vooral wanneer er maar weinig geld te verdelen valt zal, nadat de schuldeisers met voorrang hun geld hebben geïnd, voor de anderen weinig of niets meer overblijven.De schuldeisers die op grond van hypotheek- of pandrecht een vordering hebben, kunnen deze verhalen op het goed waarop het betreffende recht rust. Ook deze crediteuren genieten dus een voorkeurspositie.Voor eenmanszaken is het faillissement een erg ingrijpende aangelegenheid. Zijn man en vrouw niet op huwelijkse voorwaarden getrouwd, dan omvat het faillissement immers ook hun beider privé-vermogen. Dat betekent dus dat, wanneer de curator zich meldt, ook zaken als teevee, bandrecorder en verdere privé-inventaris moeten worden ingeleverd. Wordt de onderneming gerund in de vorm van een B.V. of een N.V., dan is het faillissement minder ingrijpend. Maar ook in dergelijke gevallen, zeker bij de wat kleinere bedrijven, kan de bank zich een speciale dekking op het privé-vermogen van de eigenaar-directeur aanmeten.

faillissement en huwelijk
In de categorie over familierecht bespraken we al even de ‘gemeenschap van goederen waarin men kan trouwen’. Is dat het geval, dan worden beide echtgenoten failliet verklaard, ook al is het faillissement te wijten aan de schulden van slechts één van hen. De hoogst persoonlijke goederen van de niet-failliet verklaarde partner blijven buiten het faillissement. Trouwt men onder zogenoemde huwelijkse voorwaarden dan valt het vermogen van de niet failliete huwelijkspartner niet onder het faillissement. Nog eens anders gezegd: als iemand failliet gaat, wordt een algemeen beslag op zijn vermogen gelegd. Dat betekent dat hij niet meer over zijn vermogen mag beschikken, en het ook niet meer mag beheren. Uiteraard mag hij van het geld dat de curator hem laat wel kleine persoonlijke inkopen doen zoals het kopen van voedsel. Hij mag ook zonder bezwaar een huwelijk aangaan. Het beslag is echter bedoeld om ervoor te zorgen dat de failliet niet weer nieuwe schulden maakt uit zijn vermogen.Men tracht dit ook te bewerkstelligen door het publiceren en dus kenbaar maken voor iedereen van de faillietverklaring. Deze wordt in de krant gepubliceerd, waarna iedereen wordt geacht met het faillissement bekend te zijn.Het feit dat iemand failliet wordt verklaard, wil nog niet zeggen dat hij failliet blijft. Bovendien bestaan er rechtsregels waarmee de betreffende schuldenaar zich kan verweren tegen de uitspraak van zijn faillissement. Ook kan hij bij de inventarisatie van zijn schuldenlast in de gelegenheid worden gesteld om van iedere vordering te zeggen of hij ermee akkoord gaat of niet.

Faillissement
Wie de advertentiepagina’s van de kranten erop naslaat, kan zien dat het tegenwoordig faillissementen regent. Faillissement is natuurlijk een bijzonder onplezierige aangelegenheid voor wie het zelf betreft. Maar het kan evengoed erg onaangenaam zijn voor derden, die met de gefailleerde partij in zaken gewikkeld waren.We zullen het hier vooral hebben over het faillissement van de verkopende partij, met wie men als consument een overeenkomst is aangegaan.De algemene beginselen van het faillissementsrecht, die we hier bespreken, gelden uiteraard ook voor de consument zelf, als deze failliet gaat.wanneer gaat iemand in feite failliet?De wet waarin dit wordt geregeld, bepaalt dat een faillissement kan worden uitgesproken als de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Dit betekent in de praktijk dat hij niet meer in staat is zijn schulden te betalen. Daarbij moet er sprake zijn van tenminste twee schuldeisers.Eén ervan moet een vordering hebben, die door de schuldenaar niet wordt ontkend, en door hem niet wordt betaald. De ander moet een vordering hebben die nog niet eens opeisbaar hoeft te zijn.Dit betekent dus in feite dat twee schuldeisers het faillissement van een schuldenaar kunnen bewerkstelligen. Deze stelregel zal hem de schrik om het hart doen slaan. Gelukkig wordt ook hier de soep dikwijls niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend. De rechter blijft namelijk vrij om te beoordelen of inderdaad moet worden aangenomen dat de schuldenaar niet in staat is om zijn crediteuren te betalen.Het niet kunnen betalen van twee schulden hoeft dus niet per se voldoende te zijn om iemand failliet te verklaren.Overigens doet het er niet toe om welke reden de schuldenaar niet betaalt. Er heeft zich eens het geval voorgedaan dat iemand beweerde niet te kunnen betalen omdat hij in de gevangenis zat. De rechter heeft toen uitgemaakt dat ‘het enkele feit dat niet betaald werd’ voldoende was om aan te nemen dat zich die bewuste toestand van ‘te hebben opgehouden te betalen’ voordeed.Een schuldeiser die meent gerechtigd te zijn het faillissement van zijn schuldenaar aan te vragen, kan dat niet zomaar doen. Hij moet voor de rechter aantonen dat hij een deugdelijke vordering heeft.Is het faillissement eenmaal door de rechter uitgesproken dan betekent dit dat een situatie is ontstaan waaraan alle andere schuldeisers van de betreffende schuldenaar gebonden zijn. Dit betekent dat niemand van de schuldeisers meer vrij is om met de gefailleerde (ook ‘de failliet’ genoemd) transacties af te wikkelen zonder dat daarbij de curator wordt betrokken.Een van de belangrijkste kenmerken van een faillissement is dat er een curator wordt aangesteld. Dit geschiedt door de rechtbank. Als het faillissement eenmaal is uitgesproken, wordt het vermogen van de failliet onder beheer van die curator gebracht. Doorgaans is dit een advocaat die in dezelfde plaats woont als de failliet; in grotere faillissementen worden ook wel bankdirecteuren of accountants aangesteld als curator.Met het vermogen van de schuldenaar worden zowel zijn privé-vermogen als zijn zakelijke bezittingen bedoeld, aangenomen dat de zaak niet is ondergebracht in een rechtspersoon (bijv. een B.V. of een N.V.).Een faillissement omvat dus per definitie het gehele vermogen van de failliet. De wet spreekt over ‘alle. tegenwoordige en toekomstige goederen die als waarborg voor zijn schulden gelden.’ Met andere woorden: alles wat er is, maar ook alles wat nog kan komen, valt onder het faillissement. Dit laatste is met name van belang voor betalingen die nog binnen kunnen komen of een erfenis die de failliet kan krijgen.De wet kent op deze laatste bepaling een aantal uitzonderingen. Buiten het faillissementsbeslag blijven bijvoorbeeld lijfgoederen en het beddengoed van de failliet en van de personen die tot zijn gezin behoren; de gereedschappen die hij nodig heeft om zijn werk te doen; een drankvergunning en een oorspronkelijk auteursrecht. Ook door de failliet te ontvangen alimentatieuitkeringen vallen erbuiten. Verder kan de curator nog bepaalde zaken en inkomsten erbuiten laten vallen.

fouilleren
De politie mag fouilleren. Dit mag echter alleen als er sprake is van een ernstige verdenking van een misdrijf. Het fouilleren gebeurt in principe op het politiebureau; in speciale gevallen mag het op straat gebeuren. Dat hangt een beetje af van de aard van de zaak. Er is ook nog de zgn. veiligheidsfouillering om te kijken of iemand wapens bij zich heeft.

garantie
Bij het verlenen van garanties moet men op zijn hoede zijn. In veel garantiebewijzen die de verkoper geeft staat in feite niet meer dan het tegendeel: de verkoper verklaart met zoveel woorden in een aantal situaties niet aansprakelijk te zijn voor de ondeugdelijkheid van de door hem geleverde zaak. Vaak zet hij er ook nog bij dat hij ook niet aansprakelijk is voor de daaruit voortgevloeide schade aan de koper of aan derden.Van oorsprong is de garantie bedoeld om de verkoper zekere bijzondere verplichtingen op zich te laten nemen.Dat kan bijvoorbeeld zijn dat hij binnen zekere tijd reparaties betaalt die aan een apparaat moeten worden verricht.Vaak is het bijgesloten garantiebewijs overigens niet afkomstig van de verkoper, maar van diens leverancier, de fabrikant van de verkochte zaak. Of de kopers zich dan ook tegenover de verkoper op de bepalingen van het garantiebewijs kunnen beroepen is niet zeker.

gedragsregels
Voor advocaten gelden gedragsregels die aangeven hoe zij zich in de uitoefening van hun praktijk moeten gedragen. Juist bij een dergelijk beroep, waar men voor belangen van anderen optreedt, moeten er regels zijn. Deze zijn niet lang geleden herzien, maar ze blijven een beetje ouderwets aandoen. Enkele van die regels:- een advocaat heeft een beroepsgeheim. Ook als de zaak die hij voor een cliënt deed al lang is afgelopen, is hij gehouden daarover tegenover alle derden te zwijgen;- een advocaat mag geen reclame maken. Sommige van deze regels zijn bedoeld voor het verkeer onderling tussen advocaten; andere regels zijn bestemd voor de verhouding tussen advocaat en cliënt.- een advocaat mag niet met de tegenpartij persoonlijk contact opnemen als die tegenpartij een advocaat heeft. In dat geval moet hij zich met zijn collega-advocaat verstaan.

gerechtshof
Er zijn in Nederland 5 Gerechtshoven. Het gebied dat een Gerechtshof (ook Hof genoemd) bestrijkt, heet ressort. Een lid van een Hof heet Raadsheer.Het Gerechtshof behandelt hoger beroep tegen vonnissen van Rechtbanken. Maar dan alleen die vonnissen welke door de Rechtbank in eerste aanleg zijn behandeld. Dat wil zeggen: de Rechtbank behandelt zaken in hoger beroep van het Kantongerecht (daarvan kan men niet naar het Hof) én zaken die daar voor het eerst zijn aangebracht, zoals vorderingen boven de € 3.000,—, en in het strafrecht de misdrijven. Van die laatste zaken kan men in beroep bij het Hof. Bij het Hof noemt men een vonnis een arrest.Daarnaast heeft het Hof nog speciale zaken in verband met beroep tegen beslissingen van Inspecteurs der Belastingen.Het Amsterdams Hof heeft ook een Ondernemings Kamer, waar geschillen uit het gehele land worden behandeld waarbij ondernemingsraden zijn betrokken.Het Arnhemse Hof heeft een speciale Pachtkamer, waar hoger beroep van uitspraken van Pachtkamers van de Kantongerechten worden behandeld.

geen geld voor rechtshulp
Sinds 1957 kennen we de Wet Rechtsbijstand aan On- en Minvermogenden (WROM). Krachtens deze wet kunnen mensen met een relatief laag inkomen bijna gratis rechtshulp krijgen van een advocaat of een deurwaarder en kunnen de aan rechtskundige adviezen verbonden kosten grotendeels vergoed worden door de Staat.Daarnaast kennen we in Nederland een landelijk net van Bureaus voor Rechtshulp, waar men in elk geval een gratis eerste advies kan krijgen en deskundig kan worden doorverwezen naar advocaat dan wel deurwaarder. Ook zijn er vrijwilligers die zich bezighouden met het verlenen van rechtshulp. We kennen allemaal de Rechtswinkels die over het hele land verspreid te vinden zijn en waar men veelal eenvoudige adviezen tegen geen of tegen een betrekkelijk lage vergoeding kan krijgen.Niet vergeten mogen worden organisaties die voor hun leden gratis rechtsbijstand verzorgen, zoals de vakbeweging, de Consumentenbond, de ANWB.Tenslotte kunnen we dan nog denken aan de Rechtsbijstandverzekering. Dit is een verzekering in de gewone zin van het woord: men betaalt premie en kan rechtshulp verkrijgen in gevallen die nader zijn omschreven in de polis.

geweldsmisdrijf
Het is in dit verband zinnig eens te kijken wat nu precies een geweldsmisdrijf is. Welnu: er moet geweld zijn gebruikt en er moet sprake zijn van opzet.Een voorbeeld.Men is aan het werk op het dak van een huis. Een van de mensen daar loopt zo te stuntelen met een zware balk dat deze naar beneden valt. Wordt er daar iemand door getroffen, en stelt deze een eis tot schadevergoeding in, dan komt onherroepelijk de vraag naar voren of er opzet in het spel was. We kennen in dit verband drie mogelijkheden: schuld, voorwaardelijke opzet, opzet.Bij schuld kan dan de term vallen... ‘niet willens en wetens, maar wel verwijtbaar’. Men had beter moeten opletten.Bij voorwaardelijke opzet geldt de juridische omschrijving... ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat’.Het bekendste voorbeeld in dit verband is de rechtszaak van de Hoornse taart. Iemand stuurt een vergiftige taart naar een ander, maar de taart wordt door de verkeerde opgegeten en deze overlijdt.De dader zei toen: ‘Het ging mij er niet om persoon A dood te maken, nee, de taart was bedoeld voor persoon B. Ik kan dus nooit aansprakelijk worden gesteld voor het doden van die persoon A.’ De rechter heeft toen gezegd: ‘Ja maar, als u een taart opstuurt dan neemt u de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat ook een ander van die taart eet.’ Dat is dan wel degelijk voorwaardelijke opzet.Bij opzet is er sprake van ‘zuiver willens en wetens’. Over dit begrip opzet zijn vele boeken geschreven. Het is dan ook een belangrijk element van het strafrecht. We zien het hier, bij de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldsmisdrijven, weer terug.De rechter rekent ook de voorwaardelijke opzet onder opzet. En juist die opzet is nodig, wil men aanspraak maken op een schadevergoeding via het genoemde fonds. Ook geldt als voorwaarde voor schadevergoeding uit het fonds, dat het misdrijf moet zijn begaan op Nederlands grondgebied of aan boord van een Nederlands vaartuig of vliegtuig.Wil men aanspraak maken op het fonds, dan moet men binnen zes maanden nadat het misdrijf is gepleegd, schrijven naar de Commissie tot Beheer van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de brief die men aan de commissie schrijft, vertelt men zo gedetailleerd mogelijk hoe het misdrijf zich heeft voltrokken, dat men door dat misdrijf ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, dat men schade heeft geleden en dat men aangifte heeft gedaan bij de politie.Vaak is op het moment van schrijven nog niet exact bekend hoe hoog de uiteindelijke schade zal worden. Dat kan men in de brief stellen; en bovendien kan men melden dat wellicht de schade ergens anders verhaald kan worden, maar dat men voor alle zekerheid de Commissie alvast in kennis stelt. Dit in verband met die termijn van zes maanden.Wanneer het slachtoffer van het misdrijf als gevolg van het misdrijf is overleden, kan uit het fonds ook een uitkering worden gedaan aan echtgenoot-echtgenote, kinderen en ouders. Dit alleen voor zover dezen voor hun levensonderhoud van het inkomen van de overledene afhankelijk waren. In zo’n geval begint de termijn van zes maanden niet op de dag van het misdrijf maar op de dag van het overlijden van het slachtoffer.Het verzoek moet wel binnen twee jaar na de dag van het misdrijf worden gedaan. Dit is om te kunnen bewijzen dat het misdrijf en de dood van het slachtoffer inderdaad rechtstreeks met elkaar te maken hadden. Hoe langer de tijd tussen het misdrijf en het overlijden, hoe groter de kans dat andere factoren een rol hebben gespeeld bij het sterven.Is men het niet eens met de hoogte van de uitkering, of heeft men een afwijzing gekregen, dan kan men in beroep bij het Gerechtshof in Den Haag. Dat moet dan wel binnen dertig dagen na de dag waarop de brief van het fonds is verstuurd.

gedwongen opname
Men kan op verschillende manieren in een psychiatrische inrichting terechtkomen. Men kan zelf verzoeken te worden opgenomen, bijvoorbeeld in overleg met de huisarts of een arts van de GGD. Men kan echter ook gedwongen worden opgenomen. Dit gebeurt op grond van de Krankzinnigenwet. Deze wordt vervangen door de al genoemde Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ).Wanneer komt vast te staan dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaren doet veroorzaken, en dat gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen die zich met psychosociale of psychiatrische zorg bezighouden buiten een psychiatrisch ziekenhuis, dan kan de rechter beslissen dat iemand tegen zijn zin in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verpleegd. Daarbij geldt dat het bestaan van stoornis en gevaar op zichzelf niet voldoende is om tot gedwongen opname te beslissen. Het gevaar moet ook inderdaad worden veroorzaakt door de stoornis.

geluidhinder
Door de verstedelijking en het aanleggen van industrieterreinen en vliegvelden is het lawaai in onze samenleving de afgelopen vijftig jaar gigantisch toegenomen. Met name vliegvelden zijn wat dit betreft de boosdoeners. Niet alleen onze nationale luchthaven Schiphol, ook militaire luchtvaartterreinen en kleine, regionale vliegvelden veroorzaken zeer veel geluidoverlast. De Wet inzake Geluidhinder beoogt gevaar, schade en hinder ten gevolge .van lawaai te voorkomen of te beperken. Op grond van de wet kunnen geluidwerende maatregelen worden genomen.Overigens valt het vliegtuiglawaai niet onder deze wet. Dit wordt geregeld in een speciale wet, de Luchtvaartwet.De Wet Geluidhinder is een zogenaamde raamwet. Dit betekent dat hij door Koninklijke Besluiten nog verder ingevuld moet worden, voordat hij echt effect kan sorteren. Ook deze wet kent een stelsel van heffingen; de wet is zeer uitvoerig, maar er is nog maar een deel van in werking getreden. Belangrijk element in deze wet is de zonering. Wanneer ergens een inrichting wordt gebouwd die een bepaalde, te hoge, hoeveelheid lawaai produceert, dan moet in het betreffende bestemmingsplan om die inrichting een zone worden vastgesteld. Daarbinnen mag het lawaai bepaalde grenzen niet te boven gaan. Is dit niet mogelijk, dan moet de gemeenteraad voorzieningen treffen om er voor te zorgen dat de geluidbelasting binnenshuis beperkt blijft. Dit kan er onder bepaalde omstandigheden toe leiden dat woningen binnen een zone zullen moeten worden afgebroken.De geluidswallen die men tegenwoordig steeds meer langs grote wegen ziet zijn ook een uitvloeisel van deze wet.

geldlening
Met betrekking tot de geldlening kunnen we de volgende speciale kenmerken noemen. De wet bepaalt dat bij teruggave van geleend geld het nominale bedrag moet worden verstrekt. Dat wil zeggen: heeft iemand honderd euro geleend dan hoeft hij ook nooit meer dan honderd euro terug te geven. Is de euro intussen in waarde gedaald dan blijft het bedrag desondanks honderd euro.Ook mag de lener zelf kiezen in welke coupures hij terugbetaalt. Dit betekent: heeft hij een briefje van 500 euro in leen ontvangen dan kan hij die schuld aflossen door bijvoorbeeld vijf briefjes van honderd terug te betalen.Overigens geldt dat partijen van deze regels mogen afwijken. Zo kan worden verlangd dat de waardevermindering van het geld wordt vergoed. Is er tussen het moment dat men het geld in leen ontving en het tijdstip waarop men terugbetaalt een waardevermindering van tien procent opgetreden, dan betaalt men dus tien procent meer.Veelal moet men, wanneer men geld leent, rente betalen. Partijen zijn in principe vrij de hoogte van die rente in overleg vast te stellen. De wet stelt dat, wanneer wel rente betaald moet worden maar de hoogte ervan niet is bepaald, de wettelijke rente verschuldigd is. Deze wordt regelmatig opnieuw vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur. Dat is voor het laatst gebeurd op 1 januari 1983 en de wettelijke rente werd toen negen procent per jaar.Het lenen van geld is bovendien onderworpen aan een aantal bijzondere regels. Op 1 maart 1976 trad een nieuwe Geldschieterswet in werking, die de oude van 1932 verving. Ook kennen we de Wet op het Consumptief Geldkrediet. Beide wetten stellen eisen aan degenen die geld uitlenen met de bedoeling winst te maken. De grote handelsbanken vallen overigens niet onder deze wetten. Die vallen onder een andere wettelijke regeling, de Wet Toezicht Kredietwezen. De twee eerstgenoemde wetten geven een aantal bijzondere bepalingen die het uitlenen van geld (ofwel het verschaffen van kredieten) regelen.In de eerste plaats kan krediet slechts worden verleend door een persoon of een instelling die daarvoor een vergunning heeft gekregen van de overheid.Ten tweede kan een geldige geldleen-overeenkomst slechts worden aangegaan als deze op schrift is gesteld. Bovendien moet de geldlener in het bezit van het geld zijn binnen tien dagen na toezending van de schriftelijke overeenkomst.Zeer belangrijk is ook dat het verboden is bepaalde voorwaarden in de overeenkomst op te nemen. Gebeurt dit toch, dan zijn ze ongeldig; de overeenkomst blijft echter wel bestaan.verboden bepalingen bij geldleningEnkele van de verboden bepalingen zijn:- bepalingen waardoor de kosten de wettelijke maxima te boven gaan;- bepalingen waarbij de geldlener zich verplicht ook nog een andere overeenkomst met de kredietgever aan te gaan;- bepalingen waarbij de geldlener zich verplicht de kredietgever eventueel aanspraak op zijn loon te geven;- bepalingen die vervroegd aflossen onmogelijk maken.Om de geldlener in de gelegenheid te stellen zich een goed beeld te vormen van de leenovereenkomst, is bepaald dat een aantal punten speciaal in de overeenkomst moeten zijn vermeld. Daarbij gaat het o.a. om:- de kredietlasten;- de data waarop de betalingen moeten worden verricht;- de bedragen die dan moeten worden betaald.De kredietinstellingen zijn gebonden aan maximum-rentetarieven. Kosten, beloningen en vergoedingen mogen bepaalde percentages niet te boven gaan.In de Wet Toezicht Kredietwezen zijn soortgelijke bepalingen opgenomen. We kunnen niet alle regels opsommen die gelden voor het lenen van geld.Het is van het grootste belang dat men, voordat een geldlening wordt aangegaan, zeer zorgvuldig de bepalingen doorleest die gehanteerd worden door de kredietgevende instelling.

Gemeenschap van goederen
Als de partners niet vooraf hun onderlinge financiën regelen, dan zegt de wet dat alles gemeenschappelijk bezit is: samen de lusten én de lasten.Als je een andere regeling wilt treffen, dan moet je vóór het huwelijk naar een notaris. Hij kan advies geven over de voor de beide partners meest geschikte vorm; dat kan in ieder individueel geval weer anders liggen. Deze zogenaamde ‘huwelijkse voorwaarden’ hebben niets te maken met wantrouwen; dat wordt weleens gezegd maar het is gewoon een kwestie van vóór het huwelijk de risico’s goed bekijken en daarnaar handelen. Heeft de man bijvoorbeeld een eigen bedrijf en wil hij het risico uitsluiten dat in geval van faillissement ook de bezittingen van de vrouw verloren gaan, dan kan hij via deze huwelijkse voorwaarden regelen'dat alleen zijn bezittingen in het faillissement worden betrokken. Zo iets is alleen maar verstandig.In de huwelijkse voorwaarden kan men ook regelen hoe het staat met de inkomens en de kosten; men kan bijvoorbeeld afspreken dat alle inkomen van de man alleen bij de man terechtkomt en dat hij ook zorg draagt voor al zijn eigen kosten.Ook tijdens een huwelijk kan men alsnog huwelijkse voorwaarden aan-gaan. Daarvoor heeft men toestemming van de rechter nodig.

Geboorte
Zodra een kind in Nederland is geboren, zijn de ouders verplicht dat aan te geven bij de burgerlijke stand in de gemeente waar het kind is geboren. Het gaat er dus niet om waar de ouders wonen, het gaat erom waar het kind geboren is. Woont men bijvoorbeeld in Leeuwarden maar wordt het kind geboren in Amsterdam, dan moet men het kind aangeven bij de burgerlijke stand in Amsterdam.De geboorte moet worden aangegeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die een akte van geboorte opmaakt. In die akte staat wie de aangifte doet, de plaats, de dag, en als het mogelijk is ook het uur van de geboorte; de voornaam of de voornamen van het kind, de voor- en de ternaam van de moeder, haar woonplaats en beroep, de voor- en de achternaam van de vader, zijn woonplaats en beroep, en het geslacht van het kind. De vader doet aangifte van de geboorte. Is hij om wat voor reden dan ook niet in staat dat te doen, dan moet iemand die bij de geboorte aanwezig is geweest het doen; bijvoorbeeld de vroedvrouw. Is er niemand bij de geboorte aanwezig geweest dan moet degene in wiens huis de geboorte plaatsvond de aangifte doen. Kan dat ook niet, dan moet de burgemeester van de woonplaats waarin het kind geboren is het doen.Het kind wordt door de wet als persoon erkend zodra het is geboren. Dat is erg belangrijk, omdat het daardoor ook al direct allerlei rechten verkrijgt, bijvoorbeeld het recht op verzorging in de vorm van levensonderhoud.Dit kan dan al direct een rol spelen bij bepaalde uitkeringen.Er zijn ook rechten die al beginnen voordat het kind is geboren, voor zover het belang van het kind dit vordert. Overlijdt bijvoorbeeld de vader of de moeder van het kind voor de geboorte, dan is het ongeboren kind al erfgenaam. Maar, zo staat in de wet, overlijdt het kind bij de geboorte, dan wordt het geacht niet te hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld van belang in verband met de verdeling van een erfenis.

gratie
Als men door de rechter veroordeeld is, eventueel in Hoger Beroep is geweest en-of zelfs Cassatie ingesteld heeft, dan komt er een moment dat de straf onherroepelijk is en tenslotte ten uitvoer zal worden gelegd. In bijzondere persoonlijke omstandigheden kan men dan een gratieverzoek indienen als laatste redmiddel om aan die tenuitvoerlegging te ontkomen. Men kan gratie krijgen voor de hele straf of voor een deel daarvan; een zwaardere straf kan ook worden omgezet in een lichtere. Zo kan een gevangenisstraf worden omgezet in een geldboete. Het is de Koningin die de gratie verleent, maar in feite beslist de Minister van Justitie.

gronden tot weigering van huurverhoging
Op welke gronden kan de huurder weigeren een huurverhoging te accepteren?In het algemeen kan de huurder, als het niet om een verplichte huurverhoging gaat, met succes bezwaar aan tekenen indien de verhuurder niet aan zijn verplichtingen voldoet. Daarbij kan men denken aan het achterwege laten van dringende reparaties of ernstige verwaarlozing van het onderhoud in het algemeen. Ook de zogenoemde nulpunten vallen hieronder; bijvoorbeeld: er is geen daglicht in het hoofdvertrek of er is geen toilet met waterspoeling.

grondbeginselen van de koopovereenkomst
De koopovereenkomst is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Zoals uit het woord al blijkt, is er sprake van een overeenkomst (dat is de juridische term voor wat we in het gewone spraakgebruik een afspraak noemen). Dit betekent dat de regels die in het algemeen voor overeenkomsten gelden ook in het bijzondere geval van koopovereenkomst van toepassing zijn.Een paar van die regels: belofte maakt schuld, ofwel men moet trouw blijven aan het eens gegeven woord. Men moet zijn afspraken ook ‘te goeder trouw’ nakomen. Dat wil dus zeggen: men moet al datgene doen en laten wat men in zijn algemeenheid van een redelijk mens zou kunnen vragen. Belangrijk is ook de regel dat een overeenkomst pas tot stand is gekomen, indien de wilsverklaringen van de daarbij betrokken partijen gericht zijn geweest op de totstandkoming daarvan: beide partijen moeten in volle vrijheid, bij hun volle verstand zijn overgegaan tot het maken van de betreffende afspraak.Heeft een van beide partijen de andere misleid bijvoorbeeld door het verstrekken van verkeerde informatie, dan geldt meestal dat de misleide partij zich niet aan de overeenkomst hoeft te houden. Iets anders is overigens dat de koper vaak de plicht heeft te controleren of de verkoopverhalen van de verkoper inderdaad wel betrouwbaar zijn.Ook indien alles bij de totstandkoming van de overeenkomst goed is gegaan, is de zaak nog niet rond. Wordt bijvoorbeeld door een van beide partijen niet gedaan wat hij heeft toegezegd, dan is er sprake van wat heet wanprestatie. In zo’n geval (dit is weer zo’n grondregel van het overeenkomstenrecht) kan de gedupeerde partij verschillende stappen gaan ondernemen. Hij kan de rechter vragen alsnog van zijn verplichtingen uit de overeenkomst te worden ontslagen. Bovendien kan hij vragen dat de door het niet doorgaan van de overeenkomst geleden of nog te lijden schade wordt vergoed. En natuurlijk kan hij ook vragen dat de andere partij alsnog gedwongen wordt zijn belofte na te komen.

hechtenis en gevangenisstraf
Voor overtredingen worden, zoals gezegd, lichtere straffen gegeven. Toch kan men ook voor overtredingen hechtenis krijgen. De strafbare feiten staan opgesomd in het Wetboek van Strafrecht en in aparte wetten; verder ook nog in de Algemene Politieverordeningen of in andere door Gemeente, Provincie of Waterschap opgestelde regelingen. Deze lage overheden mogen dat alleen doen als een landelijke wet hun daartoe toestemming geeft. In het algemeen is het zo dat op misdrijven gevangenisstraf en-of geldboete staat en dat overtredingen worden gestraft met een geldboete of (vervangende) hechtenis. Het verschil tussen hechtenis en gevangenisstraf is dat hechtenis wordt uitgezeten in een Huis van Bewaring en gevangenisstraf meestal in een gevangenis. Als je in hechtenis bent genomen, ben je niet verplicht te werken. Je hebt over het algemeen meer vrijheid dan iemand die in de gevangenis zit.

het verhoor
Wanneer de verdachte is gearresteerd en hij komt op het politiebureau, dan wordt hij voorgeleid voor een Hulpofficier van Justitie of de Officier van Justitie zelf. Hulpofficier van Justitie is meestal een hogere politieambtenaar (brigadier). Men mag maximaal zes uur voor verhoor worden vastgehouden. Daarbij geldt niet de periode die ligt tussen ’s nachts twaalf en ’s ochtends negen uur. Wordt men dus ’s avonds om tien uur op het bureau gebracht voor verhoor, dan loopt deze periode de eerste twee uur, wordt dan onderbroken voor negen uur, waarna men nog eens vier uur mag worden verhoord. Officieel mag de politie tijdens de rustperiode niet verhoren. In de praktijk doet men dat soms wel. Gedurende deze eerste periode bestemd voor verhoor van de verdachte heeft deze nog geen recht op een advocaat. Men heeft wel, zoals gezegd, het recht om te zwijgen. Belangrijk is dat de verhorende politieambtenaar de verdachte er ook op moet wijzen dat deze niet tot antwoorden verplicht is. Doet hij dit niet, dan kan het hele verhoor dat daarna volgt buiten beschouwing blijven in de strafzaak. Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit betekent dat wat de verdachte heeft gezegd, getypt wordt in de woorden van de politiefunctionaris en vervolgens aan de verdachte wordt voorgelezen of ter lezing verstrekt. Daarna wordt deze gevraagd het proces-verbaal te ondertekenen. Dit hoeft de verdachte echter niet te doen. Het proces-verbaal is een belangrijk bewijsmiddel tegen de verdachte als deze daarin dingen bekend heeft. Zelfs wanneer de verdachte zijn verklaring later herroept, kan de rechter het proces-verbaal van verhoor voor het bewijs gebruiken. Gedurende deze eerste periode voor verhoor moet de. verdachte toestaan dat er vingerafdrukken worden genomen. In bepaalde gevallen worden er ook foto’s gemaakt. Dit laatste kan echter alleen als foto’s maken beslist nodig is voor het onderzoek en indien men in verzekering wordt gesteld (zie hierna). Zodra het belang van het onderzoek het toelaat en indien de verdachte niet in verzekering wordt gesteld, moet hij worden vrijgelaten.

het verweer
In de praktijk komt het er momenteel meestal op neer dat een echtscheiding erg moeilijk is tegen te houden. Maar kom je met goede argumenten, bied je dus goed verweer, dan kan een scheiding worden voorkomen. De mogelijkheden voor verweer zijn beperkt:1)Je kunt ontkennen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.2)Je kunt zeggen dat die duurzame ontwrichting vooral is te wijten aan de partij die wil scheiden.3)Je kunt zeggen dat de pensioenvoorziening niet is geregeld voor het geval de andere partij komt te overlijden. Vooral dit laatste argument kan een echtscheiding soms lang tegenhouden. Bij een eis tot scheiding van tafel en bed is alleen het verweer mogelijk dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht. Het bewijs daarvan is vrijwel onmogelijk te geven, omdat de rechter zegt dat het feit dat een van beide partijen wil scheiden, of een scheiding van tafel en bed wil, al voldoende aangeeft dat het huwelijk inderdaad duurzaam is ontwricht.Gaan beide partijen akkoord met de uitspraak van de rechter, dan moeten ze een papier ondertekenen waarin zij dit bevestigen. Door deze verklaring, of door het verstrijken van de termijn waarbinnen je in beroep kunt gaan (3 maanden), wordt het echtscheidingsvonnis onherroepelijk.Daarmee ben je nog niet gescheiden. Het vonnis moet ook nog worden ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente waar het huwelijk gesloten werd en wel binnen 6 maanden nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Op het moment van inschrijving is men definitief gescheiden.

Het Medisch Tuchtcollege
Het Medisch Tuchtcollege is een rechtsprekende instantie die bestaat uit deskundigen (collega’s van degene tegen wie de klacht is gericht) en een gewone rechter als voorzitter. Het College behandelt klachten tegen huisartsen en specialisten, tandartsen, apothekers en verloskundigen.Een klager moet een rechtstreeks belang hebben bij het onderwerp van de klacht. Men kan dus niet klagen over de behandeling van iemand anders. Een klacht kan worden ingediend in geval van grove onkunde, nalatigheid waardoor ernstige schade is ontstaan, en handelingen die het vertrouwen in de medische stand ondermijnen. Alle serieuze klachten worden onderzocht. Noodzakelijke gegevens worden opgevraagd; degene tegen wie de klacht is gericht moet inlichtingen verschaffen en krijgt de gelegenheid zich schriftelijk te verweren.Is het College op grond van de schriftelijke stukken van oordeel dat de klacht te onbeduidend of kennelijk ongegrond is, dan kan dit het beklag zonder nader onderzoek, dus zonder een,terechtzitting, afwijzen. Ook deze afwijzing geschiedt schriftelijk. Tegen deze afwijzende beslissing kan men binnen een maand in Hoger Beroep gaan bij het Centraal Medisch Tuchtcollege.Wanneer het Medisch Tuchtcollege van mening is dat nader onderzoek wel noodzakelijk is, wordt de klacht verwezen naar de terechtzitting. Daar wordt hij verder behandeld. Hierbij is zowel de klager als de arts aanwezig. Beiden kunnen hun standpunten toelichten en getuigen en-of deskundigen het woord laten voeren. Na de behandeling wordt de klacht afgesloten met een beslissing. Deze wordt niet alleen aan de twee partijen maar ook aan de Geneeskundige Inspectie en de Secretaris van het Centraal Medisch Tuchtcollege toegezonden. De uitspraken. van het Medisch Tuchtcollege zijn geheim, tenzij openbaarheid wordt bevolen.Tegen de beslissing kan beroep worden aangetekend bij het Centraal Medisch Tuchtcollege. Maar spreekt de beslissing over geldboete, schorsing of ontzegging van de uitoefening van de praktijk, dan kan de arts in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof. Beslissingen die in dit Hoger Beroep worden genomen moeten wel steeds in het openbaar worden uitgesproken,De tuchtcolleges hebben de bevoegdheid om zelf te beslissen of een zaak openbaar wordt behandeld en-of de uitspraak in het openbaar wordt gedaan.Het is veelal géwenst dat men zich als patiënt bij een klacht door een terzake deskundig advocaat laat bij staan. Ook wanneer men bij het Medisch Tuchtcollege een klacht wil indienen, moet men dit schriftelijk doen. In de brief moet vermeld worden dat het om een klacht gaat, en waaruit deze bestaat. Verder moeten uiteraard naam, adres en geboortedatum van de klager worden vermeld, evenals naam en adres van degene tegen wie de klacht is gericht.Het Medisch Tuchtcollege kan aan de klager geen schadevergoeding toekennen. Dat kan alleen de burgerlijke rechter. De behandeling van de klacht is gratis; de duur is gemiddeld acht maanden.

hinder
Zowel de wettelijke regelingen van het burenrecht als van de erfdienstbaarheid zijn in de vorige eeuw tot stand gekomen. Sindsdien is er in ons land veel gebeurd. Industrialisatie en verstedelijking hebben aanvullende regelingen nodig gemaakt.Naast de oude burenhinder hebben we momenteel ook te maken met de verontreiniging van ons leefmilieu. Vaak is die vervuiling niet afkomstig van naburige bronnen en vindt ze op zeer grote schaal plaats. Om dit soort hinder aan te pakken heeft de rechter het begrip onrechtmatige daad aangepast en verruimd. Helaas heeft deze verruiming voor de bestrijding van de milieuverontreiniging weinig kunnen doen. Alleen wanneer hinder van ernstige aard wordt toegebracht, en wanneer de schade concreet omschreven kan worden, kan een actie op grond van onrechtmatige daad soelaas bieden. Aan het eind van de jaren zestig is de wetgever zich actief gaan bemoeien met de strijd tegen de milieuverontreiniging. Dit heeft ertoe geleid dat momenteel het verdere verval van onze leefomgeving beter kan worden tegengegaan. We zullen een aantal van de belangrijkste milieu wetten kort bespreken.

hinderwet
Zo’n vijftien jaar geleden kenden wij slechts één ‘milieuwet’: de Hinderwet. Deze wet is al ruim honderd jaar oud. De bedoeling van de wet was te voorkomen dat ‘inrichtingen’ (zoals fabrieken) gevaar, schade of hinder voor de omgeving zouden kunnen opleveren.Dat begrip ‘inrichting’ is in de loop van de tijd steeds ruimer uitgelegd, zodat op dit moment bijvoorbeeld ook patatzaken, skelterbanen, opslag van tweedehands auto’s en vaten die worden gebruikt voor het opslaan van reserve benzine, eronder vallen. Voor het neerzetten, in werking brengen, gebruiken of wijzigen van zo’n inrichting is een vergunning nodig.De vergunning wordt meestal verleend door Burgemeester en Wethouders, die deze moeten verlenen wanneer gevaar, schade en hinder binnen de perken kunnen worden gehouden. Om dit te bereiken kan men in de vergunning zekere voorwaarden stellen.Voordat de vergunning kan worden afgegeven moet er een ‘bezwarenprocedure’ worden gevolgd. Omwonenden krijgen de kans duidelijk te maken dat men de vergunning óf helemaal niet gegeven wil zien, óf deze alleen maar kan goedkeuren wanneer er aan hun bezwaren tegemoet wordt gekomen.De overheid is verplicht in een aantal kranten te publiceren dat een vergunning is aangevraagd. In de meeste gevallen wordt de vergunning inderdaad verleend. Wanneer degene die bezwaren heeft ingediend vindt dat er met zijn belangen te weinig rekening is gehouden, dan kan hij beroep instellen bij de Kroon. Dit moet men wel doen binnen één maand nadat de vergunning ter inzage is gelegd.Het beroep heeft geen schorsende werking. Dat wil zeggen: de betreffende inrichting mag gaan werken, de eigenaar hoeft niet te wachten tot de beroepsprocedure achter de rug is.Wil men toch voorkomen dat de inrichting van start gaat, dan moet om een schorsing worden gevraagd bij de voorzitter van de Afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State. Wanneer de inrichting werkt in strijd met de voorwaarden die de hinderwet geeft, dan moet hij worden gesloten. Dit moet gedaan worden door de instantie die de vergunning heeft verleend. Ditzelfde geldt voor de inrichting die maar vast gaat draaien voordat de vergunning is verleend.In de praktijk blijkt dat de overheid zelden tot zo’n sluiting overgaat. De belanghebbenden hebben hier geen formele vorm van inspraak. Anders ligt dat bij de Inspecteur van de Volksgezondheid. Deze is belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu. Hij valt onder het Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne. Wil men dus een zekere vorm van zeggenschap hebben over de vraag of een inrichting een vergunning moet hebben, dan is het zaak deze inspecteur een brief te schrijven waarin men zijn bezwaren uiteenzet. Men kan hem dan verzoeken maatregelen te nemen.

hoe wordt men advocaat
Hier hoort eigenlijk bij: hoe wordt men procureur? Het woord procureur wekt nog weleens verwarring. Men spreekt vaak van advocaat en procureur. Het verschil doet er verder weinig toe, in het vervolg zullen wij spreken van de advocaat.Om advocaat te kunnen worden moet men Meester in de Rechten (afgestudeerd jurist) zijn. Men wordt benoemd door de voorzitter van de rechtbank in het gebied waar het kantoor van de advocaat ligt. De benoeming is een beëdiging.De advocatuur kent een eigen organisatie: de Nederlandse Orde van Advocaten. Men spreekt ook wel over de Balie als men het heeft over de bij de rechtspraak betrokken advocaten.Op grond van eigen regels van deze orde moet iedere beginnende advocaat 3 jaar stage lopen bij een oudere advocaat, die op zijn beurt zelf tenminste 7 jaar praktijkervaring heeft. Wel mag een advocaat-stagiaire al vanaf zijn beëdiging alles doen wat bij zijn beroep hoort.De Nederlandse Orde van Advocaten is georganiseerd in plaatselijke kleine orden, waarvan alle advocaten in dat gebied lid zijn. Deze advocaten kiezen uit hun midden een bestuur, genoemd Raad van Toezicht. De voorzitter van deze Raad heet Deken. Deze Raad van Toezicht bestuurt de lokale orde van Advocaten en kan maatregelen nemen die een behoorlijke uitoefening van de praktijk bevorderen.Ook de landelijke Orde van Advocaten heeft een bestuur, de Algemene Raad en de voorzitter daarvan heet ook Deken. De laatste is dan de Landelijk Deken.Er zijn in Nederland meer dan 3000 advocaten.

hoge raad
Het hoogste rechtscollege dat ons land kent, is de Hoge Raad der Nederlanden. Een lid daarvan noemt men, net als bij het Hof, Raadsheer. De Hoge Raad is een zeer belangrijk rechtscollege, dat beslissingen neemt die vaak van verstrekkende betekenis zijn voor de Nederlandse burgers.De benoemingsprocedure voor leden van de Hoge Raad is dan ook ingewikkeld. De gang van zaken is als volgt. De Hoge Raad draagt zelf kandidaten voor bij de Tweede Kamer, op een lijst waarop zes namen staan. Drie daarvan draagt de Tweede Kamer voor ter benoeming aan de Kroon en daarvan wordt dan altijd de kandidaat benoemd die bovenaan op het lijstje staat. In de Hoge Raad zit het puikje van de juristen.Na Hoger Beroep is veelal cassatie bij de Hoge Raad mogelijk. De Hoge Raad oordeelt in cassatiezaken niet meer over de feiten, maar bekijkt, zoals reeds eerder is gezegd, uitsluitend of het recht zoals wij dat kennen juist is toegepast; en of de voorgeschreven vormen, dat wil zeggen de proces vormen, in acht zijn genomen.Uitspraken van de Hoge Raad noemen we arresten. Deze zijn van bijzonder belang, omdat lagere rechters gewoonlijk volgen wat daarin door de Hoge Raad is vastgelegd.

hoogte van de bijstandsuitkering
De hoogte van de bijstandsuitkering staat volstrekt los van het loon, het inkomen dat men genoot voordat men aanspraak kon maken op bijstand, ook al verdiende men een ton per jaar. Bij de beantwoording van de vraag of men recht heeft op een bijstandsuitkering wordt uiteraard wel gekeken naar wat men nog aan vermogen bezit. Een aparte regeling is getroffen voor mensen met een eigen huis die in de bijstand terechtkomen. Voorzover niet op andere wijze een hypotheek verkregen kan worden en geen ander vermogen aanwezig is, kan men een krediethypotheek aanvragen bij de Sociale Dienst. De regeling komt erop neer dat er bijstand verleend wordt in de vorm van een lening met het huis als onderpand. De hoogte van het te lenen bedrag wordt bepaald aan de hand van de waarde van het huis, waarop in mindering wordt gebracht het nog af te lossen hypotheekbedrag.Van dit vermogen in de woning wordt een gedeelte vrijgelaten bestaande uit: 1) aftrek bescheiden vermogen extra vrijlating nog eens de helft van wat het vermogen in de woning meer bedraagt dan volgens de punten 1 en 2 werd vrijgelaten.De hoogte van de bijstandsuitkering is ongeveer die van het netto minimumloon. Gehuwden krijgen dit minimumloon; voor onvolledige gezinnen geldt een bedrag van 90% daarvan; alleenstaanden krijgen 70%. Daar is per 1 juni 1985 nog een categorie bijgekomen, namelijk de zogenaamde voordeurdelers; zij die een bijstandsuitkering hebben en die samen met anderen een woning delen (maar geen gemeenschappelijke huishouding voeren) krijgen een uitkering van 60% van het minimumloon. Twee maal per jaar, op 1 januari en op 1 juli, ondergaan deze bedragen een herziening. Voor mensen in inrichtingen geldt weer een aparte norm.Bij de vaststelling van het bijstandsbedrag worden een aantal vrijstellingen in acht genomen. Zo mogen echtparen een bepaald eigen vermogen hebben; voor alleenstaanden geldt de helft van dat bedrag. Ook de rente van deze vrijgestelde bedragen telt niet mee. Tevens mag men tot een zeker bedrag aan geld verdienen.Er bestaan ook speciale bijstandsuitkeringen die eenmalig zijn. Zo kan men in bepaalde gevallen ook een bedrag aan geld lenen.

huurgewenning
Huurders die als gevolg van stadsvernieuwing plotseling een veel hogere huur moeten betalen dan ze tot dan toe deden, kunnen een beroep doen op de regeling betreffende huurgewenning. Een bepaald bedrag wordt dan van overheidswege bijgepast. Dit geldt slechts voor een beperkt aantal jaren; het wordt naar gelang de tijd verstrijkt een steeds lager bedrag.

huurkoop
Een bijzondere vorm van koop op afbetaling is de huurkoop. Dat is de koop op afbetaling waarbij de koper niet meteen eigenaar wordt. Hij blijft huurder tot het moment dat hij de laatste termijn heeft afgelost. Een bijzonderheid bij huurkoop is dat de overeenkomst alleen schriftelijk kan worden aangegaan. De huurverkoper is verplicht de koper de betreffende zaak in bezit te geven en hem het rustige genot ervan te garanderen.Wel is de huurverkoper gerechtigd de zaak aan een derde te verkopen en te leveren. De rechten van de huurkoper mogen daarbij nooit geweld worden aangedaan.

huursubsidie
Van iedere huurder wordt verwacht dat hij een redelijk deel van zijn inkomen aan huur besteedt. Maar wanneer de huurlast daarboven komt, kan de overheid bij springen. De hoogte van deze bijdrage hangt af van het inkomen en de huurprijs.De overheid past niet altijd het hele bedrag bij wat ligt tussen de feitelijke huurprijs en het bedrag dat men kan betalen. Zoiets geldt vooral bij woningen met zeer hoge huren. De hoogte van de bijdrage wordt ieder jaar aangepast aan de ontwikkeling van de hoogte van inkomens en huren. Wanneer iemands inkomen sneller stijgt dan de algemene ontwikkelingen, dan zal hij minder huursubsidie krijgen. Alleen huurders van zelfstandige woonruimte hebben recht op huursubsidie. Wat dat betreft wordt een uitzondering gemaakt voor alleenstaanden; die kunnen ook een bijdrage krijgen wanneer ze huurder zijn van een zogenoemde wooneenheid: woonruimte die deel uitmaakt van een woongebouw, een complex voor huisvesting voor alleenstaanden. Wel moet zo’n complex dan in handen zijn van een erkende en niet op winst uitzijnde instelling.De subsidieregeling geldt voor gehuwden, voor alleenstaanden boven de 30 en voor samenwonenden; voor alleenstaanden onder de 30 geldt een speciale regeling. Men kan in aanmerking komen voor huursubsidie wanneer het belastbaar inkomen beneden een bepaalde, steeds aangepaste grens blijft en de kale huurprijs tussen een minimum- en maximumbedrag valt. Informatie bij de gemeente.

huurcommissie
Wat vroeger de huuradviescommissie heette, heet sedert 1 juli 1979 de huurcommissie.De voorzitter van de huurcommissie is een jurist, die wordt benoemd door de Kroon. Daarnaast zitten er vertegenwoordigers in van huurders en verhuurders. Er zijn momenteel 62 huur-commissies, over het gehele land verspreid.Deze commissies hebben o.a. de volgende taken. Ze adviseren de Minister van Volkshuisvesting aangaande wijziging van de huurprijs in bijzondere gevallen en aangaande uitstel van een verplichte huurverhoging, omdat de woning in een te slechte toestand verkeert. De commissie geeft de Kantonrechter alle inlichtingen over door haar gedane uitspraken, en de commissie verstrekt aan de verhuurder, wanneer deze de huur wil opzeggen, een lijst van eventuele onderhuurders. Daarnaast adviseert de commissie over sleutelgeld en servicekosten, en over het doorberekenen in de huur van kosten van verbeteringen in de woning.Een belangrijke taak is ook dat zij uitspraken doet over de redelijkheid van huurverhogingsvoorstellen. Deze uitspraak is bindend als een van beide partijen niet binnen twee maanden naar de Kantonrechter stapt met het verzoek de huurprijs vast te stellen. Verder spreekt de huurcommissie uit welke huurprijs wél redelijk is, als ze tot de slotsom is gekomen dat de huurprijs die de verhuurder van de huurder vraagt, onredelijk is.De verhuurder is verplicht bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst, tegen een hogere huurprijs dan voor de vorige huurder gold, dit te melden bij de huurcommissie.Doet de verhuurder dit niet, dan mag hij de nieuwe huurder geen hogere huurprijs in rekening brengen. Ook al is de nieuwe huurder akkoord gegaan met de nieuwe, te hoge huurprijs.De huurcommissie heeft de bevoegdheid om tussen 8.00 uur ’s ochtends en 6 uur ’s middags, ook tegen de wil van de bewoners in, de woning te betreden, voor inspectie.Leden van de commissie hebben ook het recht de boekhouding van de verhuurder in te zien; weigert hij dit dan kan hij zelfs een boete krijgen.

huurverhoging na woningverbetering
Een ander punt is de huurverhoging na woningverbetering. Wanneer die verbetering is gebeurd met steun van het Rijk dan stelt de Minister de huurprijs vast. Voor alle andere woningverbeteringen, die niet ingrijpend en dus ook niet gesubsidieerd zijn, geldt dat de huurprijs wordt verhoogd met een tussen huurder en verhuurder af te spreken bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de bestede kosten.

huren bij huwelijk en bij samenwonen
De echtgenoot of de echtgenote van een huurder is van rechtswege ook medehuurder; zolang hij of zij tenminste in de woning zijn of haar hoofdverblijf heeft. Het doet er hierbij niet toe of de huurovereenkomst voor of na het huwelijk is gesloten. Dit betekent: wanneer iemand alleen, dus ongetrouwd, in een woning gaat, en hij gaat trouwen, dan wordt zijn partner automatisch medehuurder. En wanneer de echtgenoot-huurder overlijdt, wordt de echtgenote-medehuurder de hoofdhuurder.Bij echtscheiding, of scheiding van tafel en bed, kan de rechter bepalen wie de huurder wordt.Niet gehuwd:Sinds 1979 geldt voor mensen die niet gehuwd samenwonen, dat men medehuurder Kan worden wanneer men een verzoek indient dat gezamenlijk door de oorspronkelijke huurder en degene die bij hem of haar komt inwonen wordt opgesteld. Dat verzoek wordt gedaan aan de verhuurder. Een van de hoofdeisen daarbij is dat de huurder zijn hoofdverblijf in de betreffende woonruimte heeft; hetzelfde moetgelden voor degene, die bij hem of haar komt wonen. Daarnaast moet er een duurzame gemeenschappelijke huishouding zijn. Er staat niet in de wet hoelang men al moet samenwonen.Geeft de verhuurder binnen 3 maanden geen antwoord op het verzoek, dan kan de Kantonrechter worden ingeschakeld. Hij kan dan bepalen op welk moment de medehuur van kracht wordt van degene die is komen inwonen.De Kantonrechter kan dit verzoek afwijzen, en wel in de volgende drie gevallen:-als degene die bij de huurder is ingetrokken nog geen twee jaar in de woning verblijf houdt en met de huurder geen gemeenschappelijke huishouding voert;-als het verzoek kennelijk alleen bedoeld is om degene die zogenaamd is komen inwonen hoofdhuurder te maken;-als de ingetrokkene te weinig financiële waarborgen kan bieden om de huur te kunnen betalen.

huurprijzenwet
Sinds 1979 wordt de hoogte van de kale huur bepaald door de Huurprijzenwet Woonruimte.Deze koppelt de hoogte van de huurprijs aan de kwaliteit van de woning. Met behulp van een ingewikkeld puntenstelsel kan iedereen berekenen hoe hoog de huur van zijn woning mag zijn. Zaken als douche, centrale verwarming e.d. geven extra punten. Men spreekt van ‘nulpunten’ als de woning in slechte staat verkeert of niet voldoet een bepaalde veiligheidseisen; ook kan op de woning een aanschrijving van Bouw- en Woningtoezicht rusten. De verhuurder mag de huurprijs dan niet verhogen.Voor bepaalde woonruimten, zoals studenten- of bejaardenflats, wordt de huurprijs vastgesteld door de Minister van Volkshuisvesting.

huuropzegging
De huuropzegging moet schriftelijk geschieden; ook al staat er in het contract dat dit niet het geval is, de wet zegt dat het wel moet. De opzegging moet geschieden via aangetekendebrief of deurwaardersexploot. Als de huurder getrouwd is moet er ook apart aan de echtgenoot-echtgenote van de huurder worden opgezegd.Zijn er naast de huurder ook andere medehuurders, dan moet aan allen afzonderlijk worden opgezegd. Als in die opzegging niet de gronden ervan staan vermeld, is de opzegging ongeldig.Er is slechts een beperkt aantal gronden, waarop huuropzegging kan geschieden:- de huurder heeft zich niet gedragen zoals een goede huurder betaamt;- de verhuurder kan aannemelijk maken dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik;- de huurder stemt niet in met een redelijk aanbod voor een nieuwe huurovereenkomst van dezelfde woonruimte;- de verhuurder wil de woning gebruiken voor een bestemming die in het geldend bestemmingsplan van de gemeente is opgenomen;- de huurovereenkomst is uitdrukkelijk voor een bepaalde tijd aangegaan en de huurder heeft zich verplicht het gehuurde na het verstrijken van die tijd te ontruimen.- er is sprake van een wanprestatie door de huurder.Laten we die gronden voor het beëindigen van een huurovereenkomst nog even bekijken.In geval van dringend eigen gebruik moet tevoren vaststaan dat de huurder een andere, passende woonruimte kan krijgen. Dat zal in de praktijk, met de heersende woningnood, niet zo gemakkelijk zijn. Ook‘moet vaststaan dat de huur van de nieuwe woning niet te hoog is en door de huurder betaald kan worden. Eventueel kan hij natuurlijk voor de nieuwe woning in aanmerking komen voor huursubsidie. Maar dat mag bij het beëindigen van de overeenkomst niet als argument meetellen.Wat betreft de verhuurder; hij moet kunnen aantonen dat hij de woonruimte voor eigen gebruik echt nodig heeft. Dit eigen gebruik staat overigens niet gelijk aan persoonlijk gebruik; het kan bijvoorbeeld zijn dat de verhuurder het huis nodig heeft voor zijn werknemers of voor gezinsleden.Wanneer de verhuurder wil opzeggen op grond van dit eigen gebruik, dan moet hij een woonvergunning kunnen overleggen op naam van degene die hij in de woning wil hebben.Wil de verhuurder een nieuwe huurovereenkomst aangaan, maar weigert de huurder deze, dan kan hij tot opzegging van de huurovereenkomst overgaan. De praktijk moet uitwijzen in welke gevallen deze grond van opzegging redelijk is; het kan voorkomen dat de huurder weigert een tot nu toe mondelinge huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden schriftelijk aan te gaan.Wanneer het huidige gebruik van de woonruimte niet overeenkomt met het geldige bestemmingsplan van de gemeente (dat moet dan wel onherroepelijk zijn), dan kan de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen. Dit komt echter zeer zelden voor.Bij een ‘huurovereenkomst voor bepaalde tijd’ kunnen we denken aan de situatie waarbij de verhuurder voorlopig niet in zijn eigen huis zal trekken en het daarom maar tijdelijk verhuurt. Men noemt dit wel ‘huisbewaarderschap’. Na verloop van de periode moet de verhuurder dus wel zelf het huis betrekken; hij is als het ware slechts tijdelijk afwezig en verhuurt in die tijd zijn woning. Alleen in dergelijke duidelijke gevallen kan een huurovereenkomst voor een bepaalde tijd worden aangegaan.Naast opzegging op bovengenoemde gronden is ook wanprestatie een reden waarom een huurovereenkomst ontbonden kan worden. Daarbij gaat het meestal om achterstallige huur. Ontbinding van een huurovereenkomst op grond van wanprestatie kan alleen door de rechter worden bevolen en niet tevoren worden opgenomen in de huurovereenkomst.Kan de verhuurder met succes één van de hierboven genoemde gronden aanvoeren, dan kan hij tot opzegging overgaan.Opzegging betekent niet automatisch een einde van de overeenkomst. Als de huurder niet akkoord gaat, moet de verhuurder altijd naar de Kantonrechter. Zolang de Kantonrechter de overeenkomst niet beëindigt, loopt deze door; een voorbeeld van hoe de zwakkere partij, de huurder, in de wetgeving wordt beschermd.

huurovereenkomst
Naast een woonvergunning, in gemeenten dus waar deze vereist is, heb je in de eerste plaats een afspraak nodig met de eigenaar-verhuurder van de woning. Die afspraak tussen huurder en verhuurder heet huurovereenkomst. Deze kan zowel schriftelijk als mondeling worden aangegaan. Is er geen sprake van een schriftelijke overeenkomst, dan zou men pas nadat de huur een groot aantal keren door de verhuurder is geaccepteerd, kunnen stellen dat de verhuurder stilzwijgend heeft toegestemd in een huurovereenkomst. Daarbij geldt dat die verhuurder wel duidelijk het ontvangen geld als huur moet beschouwen en niet als een soort vergoeding voor het onrechtmatig gebruik van de woonruimte. Het is beslist niét waar dat een aantal huur betalingen een huurovereenkomst tot stand brengt. Immers, er is instemming nodig van beide partijen, al of niet uitdrukkelijk, om een overeenkomst tot stand te brengen. Klakkeloos storten van een aantal huurbedragen brengt nog geen huurovereenkomst tot stand.Het is gewenst altijd een schriftelijke bevestiging van het betalen van de huur te hebben, vooral als men een mondelinge overeenkomst heeft gesloten. Weigert de verhuurder een kwitantie te geven, of wil hij het geld alleen maar contant en weigert hij zijn gironummer te geven (omdat hij bijvoorbeeld het huurgeld zwart wil ontvangen), dan kan men altijd op het postkantoor het postgironummer opvragen. Betaalt men vervolgens per giro, en de verhuurder blijft de giro bijschrijvingen accepteren als huurprijs, waarbij hij lange tijd niets van zich laat horen, dan kan men zeggen dat hij stilzwijgend akkoord is gegaan met de huurovereenkomst.Met wie de verhuurder een overeenkomst mag aangaan, wordt in veel gemeenten (waar de Woonruimtewet nog geldt) bepaald door de gemeente. In deze gemeenten heeft de woningeigenaar dus veelal geen zeggenschap over wie er in zijn woning(en) komt, wie de woning mag bewonen.

Huwelijk
Wanneer je wilt trouwen moet je aan een aantal eisen voldoen. Zo moet je ongehuwd zijn en bij minderjarigheid is de toestemming van de ouders, of voogd, of toeziend voogd nodig. Weigeren dezen die toestemming dan kan de kantonrechter deze op verzoek van de minderjarige geven.Wanneer iemand zo geestelijk gestoord is dat hij niet meer kan begrijpen dat hij een huwelijk sluit, is trouwen niet mogelijk.Tenslotte stelt de wet nog dat de partners niet te nauw aan elkaar verwant mogen zijn, zoals blijkt uit de volgende opsomming, waarin overigens binnenkort waarschijnlijk wat verandering komt.Grootvader en kleindochter mag niet, grootmoeder en kleinzoon niet, vader en dochter, moeder en zoon niet en broer en zus ook niet, behalve wanneer het gaat om een geadopteerde broer of zus. Dat is weliswaar verboden, maar men kan ontheffing krijgen van de minister van justitie. Trouwt een minderjarige, dan wordt hij door het huwelijk meerderjarig.