Kopie van `Lilly Diabetes`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Lilly Diabetes
Categorie: Medisch > Diabetes
Datum & Land: 22/05/2013, NL
Woorden: 98


Aceton
Een chemische stof (zie Ketonen) die wordt gevormd wanneer het lichaam in plaats van glucose vet afbreekt als energiebron. De concentratie stijgt en aceton komt in de urine terecht. Deze stof wordt vervolgens uitgeademd waardoor de adem naar fruit ruikt.

Alfacellen
Cellen in de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier (pancreas) die het hormoon glucagon maken, dat de bloedglucoseconcentratie doet stijgen.

Angiopathie
Een aandoening van de bloedvaten (slagaders, aders, haarvaten) die optreedt als langetermijncomplicatie van diabetes. Er bestaan twee soorten angiopathie: macroangiopathieen microangiopathie.

Antistoffen
(antilichamen) Eiwitten die voornamelijk in het bloed voorkomen en infecties helpen bestrijden.

Arterie
(slagader) Een bloedvat dat bloed van het hart af voert.

Arteriosclerose
Het verdikken, verharden en vernauwen van de slagaders.

Aspartaam
Een caloriearme synthetische zoetstof

Asymptomatisch
Een term die aangeeft dat er geen klachten of symptomen van de aandoening aanwezig zijn.

Bijnier
Een klier die boven op de nieren ligt en essentiële hormonen produceert, waaronder epinefrine (adrenaline) en cortisol.

Bloeddruk
Een maat voor de druk die het bloed op de wanden van de slagaders uitoefent. Er worden twee waarden gemeten: de hogere (systolische) druk treedt op wanneer het hart bloed in de slagader pompt; de lagere (diastolische) druk treedt op wanneer het hart in rust is. Bij een bloeddruk van 120-80 staat 120 voor de systolische druk en 80 voor de diastolisc...

Cel
De kleinste, microscopische eenheid die de basisstructuur is van alles dat leeft.

Chemische diabetes
Deze term wordt niet meer gebruikt. Zie Gestoorde glucosetolerantie.

Cholesterol
Een soort steroïd dat door het menselijk lichaam wordt aangemaakt en fungeert als voorloper van alle steroïdhormonen. Te veel cholesterol kan er echter toe leiden dat vet zich aan de wanden van de slagaders hecht, wat kan leiden tot arteriosclerose.

Claudicatie (etalagebenen)
Pijn in de kuitspieren die optreedt tijdens inspanning en verdwijnt bij rust; wordt veroorzaakt door verminderde bloedtoevoer.

Coma
Bewusteloosheid door welke oorzaak dan ook. Bij diabetes kan coma het gevolg zijn van een zeer hoge of zeer lage bloedglucoseconcentratie.

Creatinine
Een afvalproduct dat gewoonlijk door de nieren wordt uitgescheiden. Op basis van de hoeveelheid creatinine in het bloed of de urine kan worden vastgesteld of de nieren goed werken.

Dageraadfenomeen
(dawn phenomenon) Een plotselinge stijging van de bloedglucoseconcentratie in de vroege ochtenduren. Dit komt soms voor bij patiënten met type 1 diabetes, maar zelden bij patiënten met type 2 diabetes.

Dehydratie
Uitdroging door verlies van water of vocht uit het lichaam. Een hoog glucosegehalte in de urine leidt tot veel vochtverlies

Diabetes gestationis
Zwangerschapsdiabetes

Diabetes insipidus
Een aandoening van de hypofyse of nieren, niet hetzelfde als diabetes mellitus. Deze aandoening wordt zo genoemd omdat de meeste mensen met diabetes insipidus veelal dezelfde symptomen hebben als mensen met diabetes mellitus: vaak moeten plassen, dorst, honger en een gevoel van zwakte. Patiënten met diabetes insipidus hebben echter geen glucose in de urine

Diabetische ketoacidose (DKA)
Ernstig ontregelde diabetes (hoge bloedglucoseconcentratie) die een medische spoedbehandeling vereist. DKA kan het gevolg zijn van een andere ziekte, toediening van te weinig insuline of te weinig lichaamsbeweging. Het lichaam gaat opgeslagen vet als brandstof gebruiken, waardoor ketonlichamen (zuren) vrijkomen in het bloed, dat daardoor te zuur wordt.

Eelt Een verhard of verdikt deel van de huid als gevolg van druk of wrijving.


Eenheid
De basiseenheid van insuline. U-100 insuline betekent 100 eenheden (units) insuline per milliliter (ml) oplossing.

Eilandjes van Langerhans
Klompjes cellen in de alvleesklier, met onder andere bètacellen (die insuline produceren) en alfacellen (die glucagon produceren).

Electrocardiogram
(ecg) De registratie van de elektrische activiteit van het hart.



Endocriene klieren
Klieren die chemische stoffen (hormonen) produceren die andere lichaamscellen beïnvloeden.

Enzym
Een soort eiwit. Enzymen bevorderen het stofwisselingsproces in het lichaam.

Exsudatieve retinopathie
Een vroeg stadium van diabetische retinopathie waarbij het gezichtsvermogen meestal niet wordt aangetast.

Fluoresceïne
Een onschadelijke gele kleurstof die wordt gebruikt om de bloedvaten van het oog zichtbaar te maken.

Fotocoagulatie
Het proces waarbij met behulp van een laser bloedende bloedvaten (bijvoorbeeld in het oog) worden gedicht. De laser kan ook bloedvaten wegbranden die niet in het oog horen te groeien. Dit is de voornaamste behandeling bij diabetische retinopathie.

Fructosamine
Een geglycosyleerd eiwit, vergelijkbaar met HbA1c, waaraan de glucoseregulatie in de voorgaande twee tot drie weken wordt afgemeten.

Fructose
Een suiker, vergelijkbaar met glucose, dat in fruit voorkomt

Gangreen
Het afsterven van lichaamsweefsel, meestal als gevolg van onvoldoende bloedtoevoer.

Glomerulus
Een kluwen haarvaten binnen een membraan die deel uitmaken van de functionele eenheid van de nier

Glucagon
Een hormoon dat in de alvleesklier wordt geproduceerd en het glucosegehalte van het bloed verhoogt.

Glucosetolerantietest
Een diagnostische test voor diabetes waarbij na een nacht vasten glucose moet worden gedronken, waarna gedurende 2 uur een reeks bloedglucosemetingen wordt uitgevoerd.

Glucosurie
De aanwezigheid van glucose in de urine.

Hemoglobine
Het ijzerhoudende eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof vervoert en het bloed zijn kleur geeft.

Hormoon
Een chemische stof die door endocriene klieren wordt geproduceerd en specifieke effecten op andere cellen heeft.

Human leukocyte antigen
(HLA) De natuurlijke merkstoffen op witte bloedcellen en andere lichaamscellen, vergelijkbaar met bloedgroepen op rode bloedcellen.

Hyperglykemie
De toestand waarbij de bloedglucoseconcentratie hoger is dan normaal.

Hyperosmolair coma
Een vorm van coma (bewusteloosheid) die verband houdt met hoge concentraties glucose in het bloed en een medische spoedbehandeling vereist. Mensen met deze aandoening zijn meestal ouder en zwak als gevolg van verlies van lichaamsvocht en -gewicht. Zij kunnen al een voorgeschiedenis van diabetes hebben, maar dat hoeft niet. In de urine zijn geen ketonen (zuren) aanwezig.

Hypertensie
Hoge bloeddruk.

Hypertrofie
Zie Vetatrofie

Hypoglykemie
De toestand waarbij de bloedglucoseconcentratie lager is dan normaal. Dit komt voor wanneer een patiënt met diabetes te veel insuline heeft gespoten, te weinig heeft gegeten of zich heeft ingespannen zonder extra te eten. Patiënten met een hypo kunnen zich nerveus, trillerig of zwak voelen, zweten, hoofdpijn hebben, wazig zien en-of honger hebben. Wanneer patiënten een klein beetje suiker, sap of voedsel met suiker innemen, voelen ze zich meestal binnen 10 tot 15 minuten beter

Impotentie
Het onvermogen van mannen om de geslachtsdaad te beginnen, vol te houden of te volbrengen.

Insuline
Een hormoon dat door de alvleesklier wordt geproduceerd en het glucosegehalte van het bloed verlaagt.

Insulineafhankelijke diabetes mellitus
(IADM) Zie Type 1 diabetes.

Insulineresistentie
De toestand waarbij patiënten met nietinsulineafhankelijke diabetes voldoende insuline produceren, maar hun lichaam niet op de werking van insuline reageert. Dit kan komen doordat de patiënt te zwaar is en te veel vetcellen heeft, die niet goed reageren op insuline. Daarnaast verliezen lichaamscellen voor een deel hun vermogen op insuline te reageren naarmate mensen ouder worden.

Intramusculair
De toediening van een geneesmiddel via een naald in een spier.

Intraveneus
De toediening van een geneesmiddel via een naald in een ader

Jeugddiabetes
Zie Type 1 diabetes

Ketoacidose
Niet-gereguleerde glucose- en ketonenconcentraties in het bloed die leiden tot uitdroging, concentratie van lichaamsvloeistoffen, ophoping van zuren (acidose) en coma (zie Diabetische ketoacidose).

Ketonen
Chemische stoffen die worden gevormd bij de afbraak van vet en in grote hoeveelheden gevaarlijk kunnen zijn.

Ketonurie
Ketonen in de urine; waarschuwing voor ketoacidose.

Koolhydraten
Suikers en zetmeel in voedingsmiddelen.

Lactaatacidose
Een ernstige aandoening veroorzaakt door ophoping van melkzuur, dat ontstaat uit glucose wanneer er onvoldoende zuurstof is; heeft vergelijkbare effecten als ketoacidose.

Lactose
Melksuiker, een suiker in melk.

Laser
Een zeer sterke, smalle lichtbundel waarmee aangetaste gebieden in het lichaam kunnen worden genezen (bijvoorbeeld bloedvaten in het oog).

Leptine
Een eiwithormoon met belangrijke effecten als vermindering van de eetlust en-of versnelling van de stofwisseling.

Macrovasculair
Van of met betrekking tot de grote bloedvaten.

Metabolisme
(stofwisseling) De fysische en chemische veranderingen die in het lichaam optreden.

Microalbuminurie
Het lekken van kleine hoeveelheden eiwit (albumine) in de urine; een vroege waarschuwing voor nierbeschadiging.

Microvasculair
Van of met betrekking tot de kleine bloedvaten

Millimol
(mmol) Een eenheid voor de concentratie van chemische stoffen in het lichaam.

Monilia
Zie Candida

Nefropathie
Een aandoening van de nieren.

Neuropathie
Een aandoening van de zenuwen.

Nierdrempel
Bepaalde bloedglucosewaarde bij overschrijding waarvan glucose in de urine wordt uitgescheiden.

Niet-insulineafhankelijke diabetes
mellitus (NIADM) Zie Type 2 diabetes

Orale hypoglykemische geneesmiddelen
Geneesmiddelen die via de mond worden ingenomen en de afgifte van insuline stimuleren of de werking ervan verbeteren.

Ouderdomsdiabetes
Een term die soms wordt gebruikt voor type 2 diabetes

Polydipsie
Een term voor extreme dorst die langdurig aanhoudt; een symptoom van diabetes.

Polyfagie
Een term voor een extreem hongergevoel; een symptoom van diabetes. Mensen met deze vorm van excessieve of extreme eetlust moeten vaak afvallen.

Polyurie
De uitscheiding van grote hoeveelheden urine

Porties
Zie Voedingsgroepen

Prandiaal
Een term die verwijst naar de maaltijd (bijvoorbeeld preprandiaal: voor de maaltijd, postprandiaal: na de maaltijd).

Proteïnurie
De aanwezigheid van te veel eiwit in de urine; kan een symptoom van nierbeschadiging zijn.

Pruritus
Jeuk

Renaal
Van of met betrekking tot de nieren.

Retinopathie
Beschadiging van het netvlies

Sacharine
Een caloriearme kunstmatige zoetstof

Schildklier
Een endocriene klier aan de voorzijde van de hals die hormonen produceert die de stofwisseling van het lichaam regelen.

Sorbitol
Een suiker die als zoetstof in voedingsmiddelen wordt gebruikt.

Spijsvertering
Het lichaamsproces waarbij voedsel in de maag en darmen wordt afgebroken.

Spruw
Zie Candida

Subcutaan
Een term die ‘onderhuids’ betekent en vaak met betrekking tot injecties wordt gebruikt.

Sucrose
Tafelsuiker; wordt door het lichaam omgezet in glucose en fructose.

Suikers
Eenvoudige koolhydraten die zoet zijn en alom van nature voorkomen (bijvoorbeeld fructose, glucose, lactose, sucrose)

Triglyceride
Een soort vet dat in het bloed en andere delen van het lichaam voorkomt.

Ulcus
(zweer) Een ontsteking in de huid. Patiënten met diabetes kunnen zweren oplopen door kleine schaafwonden aan de voeten of benen, door sneetjes die langzaam genezen, of door irritatie als gevolg van niet goed passende schoenen. Zweren kunnen geïnfecteerd raken.

Uremie
De ophoping van giftige stoffen als gevolg van nierfalen.

Vene
(ader) Een bloedvat dat bloed naar het hart voert.

Vetatrofie
De kuiltjes (atrofie) of bultjes (hypertrofie) die optreden op plaatsen waar vaak insuline wordt gespoten.

Vetten
Een van de drie hoofdgroepen van voedingsmiddelen en een energiebron voor het lichaam. Vetten zorgen er ook voor dat het lichaam bepaalde vitaminen kan gebruiken en dat de huid er gezond uitziet. De voornaamste functie van vetten is echter opslag van energie voor het lichaam. Voeding bevat twee soorten vetten: verzadigde en onverzadigde

Vezels
Plantaardig materiaal in granen, fruit en groenten dat niet wordt verteerd, maar de opname van glucose uit de voeding vertraagt.

Voedingsgroepen
Voedsel wordt ingedeeld in groepen om het patiënten die een speciaal dieet volgen, gemakkelijker te maken. In elke groep worden voedingsmiddelen per portiegrootte vermeld. Een patiënt kan een portiegrootte van een bepaald voedingsmiddel in een groep vervangen door een portiegrootte van een ander voedingsmiddel binnen dezelfde groep. De voedingsmiddelen worden in zes groepen verdeeld: (1) zetmeel-granen, (2) vlees, (3) groenten, (4) fruit, (5) melk en (6) vetten. Binnen een voedingsgroep bevat elke portie ongeveer evenveel koolhydraten, eiwitten, vet en calorieën.

Xylitol
Een zoetstof die in planten voorkomt en als vervanger van suiker wordt gebruikt.