Kopie van `Geologische Vereniging`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Geologische Vereniging
Categorie: Planten en dieren > Geologie
Datum & Land: 04/07/2013, NL
Woorden: 236


aardbeving
aardschok aardstoot ontstaat altijd in samenhang met andere geologische gebeurtenissen.

Aardolie
Aardolie is vloeibare fossiele brandstof, mengsel van koolwaterstoffen, dat voor 83-87% bestaat uit C

Acnidaria
Ribkwallen Coelenterata Holtedieren.

Agnatha
Kaaklozen.

allochtoon
binnengekomen uit een ander gebied of milieu, hetzij levend, na het sterven of als fossiel.

Amphibia
Amfibieën Tweeslachtige dieren.

Amphineura
Keverslakken.

Angiospermae
Magnoliophyta Bedektzadigen overvleugelen vanaf het Mesozoïcum, vanaf het Krijt, de naaktzadigen. De zaadknoppen zitten in een vruchtbeginsel. Het is opvallend, dat een aantal bedektzadigen zich vanaf vroege geologische perioden tot heden hebben gehandhaafd.

Annelida
Gelede wormen, Ringwormen.

Anodonta
zoetwatermossel. Krijt - recent.

Arthropoda
Geleedpotigen vormen wel het grootste fylum van het dierenrijk, met de grootste soorten- en vormenrijkdom. Ze bestrijken alle perioden van het vroegste Cambrium tot heden.

Aschelminthes
Nemathelminthes Ronde- of Draadwormen.

Asteroidea
Zeesterren.

Aves
Vogels.

Barnsteen
amber is in het Tertiair en Kwartair, o.a. in het Oligoceen, in grote hoeveelheden gevormd uit hars van sparren en dennen, vooral in het gebied rond de Oostzee. Het is vroeger veel gevonden op onze stranden en het komt ook nu nog wel eens voor. Hetzelfde geldt voor vindplaatsen in tertiaire en pleistocene zanden in Noord-Nederland.

Blastoidea
Knopstralers.

Brachiopoda
Armkieuwigen.

Brachiopoden
Armpotigen Armkieuwigen Armvoetigen hebben twee kleppen, een buik- en een rugschelp. Toch worden ze om een aantal redenen niet gerekend tot de Bivalvia tweekleppigen, waartoe kokkels, mossels en oesters behoren.

breuken
vervorming zonder behoud van het verband der lagen.

Bryophyta
mosplanten nièt-vaatplanten spruitplanten.

Bryophyta. Voorbeelden hiervan zijn mossen en levermossen. Bekend zijn de Sphagnales
veenmossen.

Bryozoa
Ectoprocta, Mosdiertjes.

Bryozoën
Ectoprocta, Mosdiertjes zijn vroeger tot de koralen en ook wel tot de Stromatoporen gerekend, maar dat bleek niet juist. Deze vormen een apart fylum. Ze omvatten ca. 4000 recente soorten. Fossiel kennen we zo'n 16.000 soorten, die overal in het water leven en leefden, vooral zeewater.

Calcarea
Kalksponzen met een skelet van kalknaaldjes.

Calcareniet
grofkorrelige kalk, opgebouwd uit fragmenten van stekelhuidigen, schelpen van Lamellibranchiata, Brachiopoden, Bryozoën en benthonische Foraminiferen, enz.



Calciumcarbonaat
kalk wordt voornamelijk geprecipiteerd neergeslagen door kalkalgen. In meren met een rijke flora van diatomeeën kiezelalgen kan bij afwezigheid van kleiaanvoer diatomiet worden afgezet.

Cephalopoden
Koppotigen tellen duizenden soorten. Vanaf Boven-Cambrium.

Chaetognatha
Pijlwormen.

Chelicerata met de klassen: Arachnida
Spinachtigen en Merostomata Molukkenkreeft Degenkrab.

Chondrichthyes
Kraakbeenvissen.

Chondrites
gangetjes van slijketende organismen, b.v. uit het Devoon. Chondrites komt voor van het Cambrium tot het Tertiair.

Chordata
Chordadieren, vooral gekenmerkt door een dorsale zenuwstreng, de chorda dorsalis en een gesloten bloedvatenstelsel.

Cnidaria
Neteldieren Coelenterata Holtedieren.

Coelenterata
holtedieren.

Coniconchia
Kegelschelpjes wordt wel vermeld als aparte stam en zijn alleen bekend uit het Paleozoïcum.

Crinoidea
Crinoiden Zeelelies.

Crinozoa
zeelelieachtigen.

Crustacea
Schaaldieren met de klassen: Brachiopoda, Branchiura, Cephalocardia, Cirripedia, Copepoda, Euthycarcinoida, Malacostraca, Mystacocarida en Ostracoda.

Cubichnia
rustsporen.

Cyanophyta
cyanobacteria blauwgroene algen blauwgroene wieren blauwwieren.

Cystoidea
Buidelstralers. Bolvormig. Van Ordovicium tot Boven-Devoon.

Dekzand.
In Nederland is het dekzand o.m. afgezet in de laatste koude fase van het Pleistoceen, het Weichselien. Men onderscheidt ouder, dat meestal duidelijk gelaagd is en dunne leemlaagjes bevat en jonger dekzand, dat doorgaans grover van korrel is, gleembandjes bevat en dat plaatselijk sporen toont van lengteduinen, streepduinen en paraboolduinen.

Demospongiae
Demosponzen 'gewone sponzen' met een skelet van hoornachtig materiaal spongine, of van kiezelzuur zonder spongine.

denudatie
afvoer van verweringsmateriaal vanaf de plaats van verwering.

diagenese
verandering van sedimenten in harde gesteenten. De werking van wind. Processen rond water, sneeuw en ijs in verschillende vormen.

Didelphia
Marsupia Buideldieren.

Domichnia
woongangen.

Echinodermata
Echinodermen Stekelhuidigen zijn veelal vrij goed te herkennen door hun gelijkenis met recente vormen. Alle soorten van deze stam zijn marien.

Echinoidea
Zeeëgels omvat met zijn meer dan 1000 soorten wellicht de bekendste stekelhuidigen. Hun vorm is meestal rond, maar soms vijfzijdig of hartvormig. Ze bezitten een schaal kalkskelet, waarop beweeglijke stekels zijn geplaatst. Deze dienen als bescherming, maar ook als middel voor verplaatsing over de zeebodem. Bij het fossiel is de bevestigingsplaats van de stekels waar te nemen. Soms zijn deze zelf ook fossiel bewaard gebleven.

Edele metalen
metalen, die in de natuur niet worden aangetast door oxydatie.

Eleuterozoa
Echinozoa Homalozoa vrijlevende stekelhuidigen.

endogene processen
de oorsprong, de krachtbron ligt in de aarde zelf.

ensemble
een leefgemeenschap van organismen.

Entoprocta
Kamptozoa lijken meer op bryozoën dan op wormen. Ze worden en vooral werden daar vaak toegerekend.

endemisch
behorend tot, voorkomend in een beperkt geografisch gebied.

Endichnia
in de laag liggend.

Endogene krachten
krachten vanuit de aarde zelf kunnen het materiaal van de aardkorst deformeren vervormen.

Epibiont
levend op een ander levend wezen.

Epichnia
op de laag liggend.

Epifyt
een plant, levend op een plant.

Epilithe
een organisme, levend op een gesteente.

epirogenese
rijzen en dalen van grote delen van de aardkorst.

Epixatie
een afzetting van een mineraal, meestal in een dunne laag, op het kristaloppervlak van een ander mineraal.

Epizoair
een organisme, levend op een dier.

Equisetophyta
paardenstaarten komen eveneens voor vanaf het Devoon tot op heden.

Era
hoofdtijdperk de grofste verdeling in tijdseenheden. Voorbeeld: het Mesosoïcum, vroeger het secundair genoemd. Een afzetting uit een Era heet een Eratheem.

Evaporieten
indampingsgesteenten ontstaan door het verdampen van zeewater en het water van meren, die gezien het klimaat, dat gunstig is voor snelle verdamping meestal woestijn - of steppemeren zijn. Evaporieten bestaan uit goed oplosbare zouten, zoals chloriden en sulfaten van kalium, natrium, calcium en magnesium. Hoewel dolomiet in vergelijkbare omstandigheden kan ontstaan rekent men het niet tot de evaporieten, omdat het ontstaat uit kalkslib en dus niet valt onder de definitie 'goed oplosbare stoffen'.

Exichnia
onder de laag liggend, maar wel in contact ermee.

exogene processen
de werking komt van buitenaf, uit de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer.

extrusiegesteente
lava + gefragmenteerd gesteentemateriaal.

Faciës
lithologische groepering, die duidt op een constant milieu het geheel van minerale samenstelling, korrelgrootte, fossielinhoud en aard van de gelaagdheid, waaruit conclusies kunnen worden getrokken over de omgeving het milieu, waarin het gesteente is gevormd. Voofrbeeld: diep water of een kenmerkende fauna.

fauna
het geheel van alle dierlijke leven.

flora
plantaardig leven.

Fodinichnia
voedingsgangen.

Formatie
een lagenpakket als onderverdeling van een assise. Men kent lithologische en biostratigrafische formaties. Een Formatie is karteerbaar tot 1:50000.

Fossilisatie
het ontstaan van een fossiel uit een organisme.

Fugichnia
vluchtsporen. Hieronder vallen de fossiele voetstappen loopsporen van mens en dier en hun voorouders.

fumarolen
gasbronnen, die soms zwavel bevatten.

fytoplankton
phytoplankton plantaardig plankton.

Gastrolieten
Gastrolithen maagstenen, die sommige dieren, zoals reptielen en vogels in hun maag als maalstenen gebruiken, zullen wel moeilijk herkenbaar blijven, hoewel ze stellig ook fossiel zullen voorkomen.

Gastropoden
Slakken letterlijk: Buikpotigen zijn de meest verbreide mollusken. Ze tellen zo'n 100.000 soorten, die in vrijwel alle milieusvoorkomen.

genus
geslacht - Homo.

gespannen grondwaterspiegel
drukspiegel treedt op, als een ondoordringbare laag het grondwater verhindert om te stijgen tot de echte spiegel. Het water kan dan onder een zodanige druk komen te staan, dat het in een boring of natuurlijke bron omhoogspuit als artesisch water. Deze naam is afgeleid van Artois in Frankrijk.

Gidsfossielen
fossielen van organismen, die voorkomen in voldoende aantallen in voldoende grote gebieden en die in deze vorm betrekkelijk kort hebben geleefd. Daardoor zijn ze geschikt voor correlatie en relatieve datering, respectievelijk voor het vaststellen van gelijktijdigheid van gesteentepakketten.

glabella
het middengedeelte van het kopschild. De zijstukken van het kopgedeelte heten de wangen. De zijstukken van borststuk en staartstuk zijn de pleurae.

gleybodems
bodems met kenmerken van stagnerend grondwater. Door het afwisselend stijgen en dalen van het grondwater met beurtelings reducerend en oxyderend milieu. Hierdoor ontstaat er een vlekkerige ijzerneerslag in een grijze omgeving.

Graptolithina
Graptolieten leefden in het Paleozoïcum en zijn uitgestorven. Het was een kolonievormend organisme.

Gymnospermae
Pinophyta naaktzadigen zijn over het algemeen bomen of heesters en typische windbloeiers.

Gyrolithes
spiraalvormige kruipgangen uit zanden van de Formatie van Vaals van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg. Ook bekend in vuursteen-zwerfstenen uit Scandinavië.

Hardwaterlagen
bruine, jonge, humeuze inspoelingslagen en zand onder veenafzettingen. De waterdoorlatendheid ervan is klein.

Hemichordata
Branchiotremata Kraagdieren.

Hexactinellidea
glassponzen, (vroeger ook Hyalospongia genoemd), met een skelet van kiezelzuur.

Holothuroidea
Zeekomkommers, Cambrium, Carboon - recent.

Homo sapiens
denkende mens.

Hooggebergte
terrein met lokaal reliëf van meer dan 1500 m.

Hypichnia
in het onderste grensvlak van de laag liggend.

intrazonale bodems
bodems, gevormd onder factoren, die de klimaatfactoren overheersen.

Intrazonale processen
processen, die niet afhankelijk zijn van het klimaat, maar b.v. gebonden aan bepaalde landschappen of gesteenten.

klimaatgordels
gebieden met gelijke gemiddelde weertoestand gedurende een lange reeks van jaren.

klimaatzones
gebieden met overeenkomstig klimaat.