Kopie van `Spinnen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Spinnen
Categorie: Planten en dieren > Gebruikerswoordenboek
Datum & Land: 12/83/3426, NL/BE
Woorden: 35


Abdomen
Het achterlijf; achterstuk van het uit twee delen bestaande spinnenlichaam

Annulaties
Gepigmenteerde (gekleurde) ringen rond de pootsegmenten

Anale tuberkel
(of anaal-bult) Een klein uitsteeksel aan de dorsale zijde van de spintepels, dat de anaal-opening draagt.

Anterieur
Dichter bij voorzijde of kop

Apofyse
Een uitwas of aanhangsel dat het algemeen cilindrisch of ronde uitzicht van een scleriet verandert; meestal gebruikt bij de beschrijving van een mannelijke palp. Dient voor verankering van de mannelijke palp bij de paring.

Apex
Distale top

Apicaal
Mannelijke palp: de geleider en de embolische (zie: Embolus) onderverdeling omvatten de apicale verdeling van de bulbus.

Apomorphie
Afgeleid karakter

Atrium
(pl. atria) Een binnenkamer aan de ingang van het voortplantingsstelsel bij vrouwelijke haplogyne spinnen.

Bulbus
De bulbus is het laatste segment van de palp. Het is een hol orgaan bestaande uit buitenliggende structuren. De bulbus is in drie delen onderverdeeld: (1) de Basale verdeling, (2) de Middelste verdeling en (3) de Apicale verdeling.

Cephalothorax
Voorste van de twee belangrijkste delen van het spinnenlichaam

Clypeus
Het gebied tussen de voorste ogenrij en de voorrand van het carapax.

Edentaat
Zonder tanden

Embolus
De structuur van de mannelijke palp met de opening waardoor het zaad bij de paring naar buiten komt; kan erg klein, lang, zweepvormig of opgerold zijn en is soms opgedeeld in verschillende structuren.

Epigyne
Een min of meer gesclerotiseerde en gewijzigde structuur die met de voortplantingsorganen van de meeste spinnen wordt geässocieerd.

Epigastrale vouw
Een vouw en groeve die het voorste deel van het ventrale abdomen (met epigyne en boeklongen) afscheidt van het achterste gedeelte

Feromoon
Een door een dier in kleine hoeveelheden afgescheiden chemische substantie dat een gedragspatroon bij een ander dier, gewoonlijk van een andere sexe, oproept

Femur
(pl. femora, adj. femoraal) Het derde pootsegment, geteld vanaf het lichaam.

Fovea
Een korte middengroef op het thoraxdeel van het carapax die de interne aanhechting van de maagspieren markeert.

Folium
Elk kleurpatroon op het dorsum van het abdomen dat nogal redelik breed en bladvormig is.

Gifklauw
Het klauwachtige gedeelte van elke cheliceer; het gifkanaal opent aan de top ervan.

Gnathocoxa
(pl. gnathocoxae) Basaal segment van de palp, ook maxilla of endiet genoemd.

Klauw-bosjes
Een hoop haartjes aan de tip van de tarsus bij spinnen met slechts twee klauwtjes

Seta
(mv. setae) Haarachtige, toelopende en soepele structuren op poten en lichaam (zie: stekels en trichobothrium)

Septum
Een verdeling die twee uitholten of delen van mekaar scheidt.

Sigillum
(mv. Sigila) Een verdiepte, vaak roodbruine, gesklerotizeerde plek; vaak op de bovenkant van het abdomen op plaatsen waar inwendig spieren zijn aangehecht.

Skleriet
Elke afzonderlijke gesklerotizeerde structuur die met andere structuren verbonden is b.m.v. membranen

Spermathecae
De zakken of holten waar vrouwelijke spinnen het zaad ontvangen enopslaan

Spintepels
Gepaarde aanhangsels aan de achterkant van het abdomen, onder de anaal-bult, vormen de tepels van waaruit de zijdedraden worden geëxtrudeerd

Spirakels
De opening van de tracheeën aan de onderzijde van het abdomen

Spleet orgaan
Een spanningsreceptor in het exoskelet

Subadult
Bijna volwassen; het laatste stadium voor de volwassenheid

Synoniem
Elke van twee of meer wetenschappelijke namen van dezelfde rang om eenzelfde taxon te benoemen. Het oudste synoniem is de eerst gepubliceerde naam.

Thorax
Deel van het cephalothorax achter het kopdeel, hiervan gescheiden door een ondiepe groeve

Vulva
Interne structuur van het vrouwelijk voortplantingsorgaan, bestaande uit de ingangskanalen, spermathecae en bevruchtingskanalen (bij enteligyne spinnen); interne genitalia bestaande uit de ingangskanalen en spermathecae (bij haplogyne spinnen