Encyclopedie - Nederlandstalig en online
Encyclopedie Bronnen Categorieën Over Encyclo Top 20   Woordenboek Nederlands Vertaalwoordenboek Encyclopedia-EN Enzyklopädie-DE
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 
Index
Aardrijkskunde
Algemeen of niet ingedeeld
Arbeid gerelateerd
Automatisering
Bestuur en organisatie
Bouw en Constructie
Chemie, chemische- en kernindustrie
Defensie
Diverse industrieën ambachten
Economie en financiën
Elektrotechniek & Elektronica
Geschiedenis en volkskunde
Handel en distributie
Juridisch
Kunst, muziek & cultuur
Landbouw, voedsel en voedselverwerking
Management
Medisch
Mens en samenleving
Meteorologie en Astronomie
Milieu
Natuurkunde
Onderwijs
Planten en dieren
Politiek
Religie en filosofie
Sport, welzijn en vrije tijd
Statistieken, documentatie en informatie
Taal en literatuur
Techniek en industrie
Transport en verkeer
Wiskunde

Spinnen

Gie.Wyckmans
Spinnenterminologie. Deze begrippenlijst was te vinden op een gratis homepage bij geocities. Geocities bestaat niet meer en de lijst was van internet verdwenen. Met dit gebruikerswoordenboek zijn de begrippen behouden.
Spinnen van Gie.Wyckmans maakt deel uit van encyclo's gebruikerswoordenboeken. Het is op 01/09/2010 geplaatst in de categorie Planten en dieren. Het woordenboek heeft 128 woorden. Laatst gewijzigd op 01/09/2010.
Abdomen
Het achterlijf; achterstuk van het uit twee delen bestaande spinnenlichaam
Harpactea hombergi - abdomen (c) Hartmann

Alveolus
Een ventrale inzinking van de mannelijke palp die de basale en middelste verdelingen van de bulbus ontvangt. Hoewel gewoonlijk als een komvormige inzinking beschreven, is de alveolus eigenlijk een geringde depressie van de binnenrand waaraan de basale haematodocha verbonden is.

Anale tuberkel
(of anaal-bult) Een klein uitsteeksel aan de dorsale zijde van de spintepels, dat de anaal-opening draagt.

Annulaties
Gepigmenteerde (gekleurde) ringen rond de pootsegmenten

Anterieur
Dichter bij voorzijde of kop

Apex
Distale top

Apicaal
Mannelijke palp: de geleider en de embolische (zie: Embolus) onderverdeling omvatten de apicale verdeling van de bulbus.

Apofyse
Een uitwas of aanhangsel dat het algemeen cilindrisch of ronde uitzicht van een scleriet verandert; meestal gebruikt bij de beschrijving van een mannelijke palp. Dient voor verankering van de mannelijke palp bij de paring.

Apomorphie
Afgeleid karakter

Atrium
(pl. atria) Een binnenkamer aan de ingang van het voortplantingsstelsel bij vrouwelijke haplogyne spinnen.

Ballooning
Het bij middel van spinnenzijde-draden verspreiden van spinnen door gebruik te maken van luchtstromingen


Basaal
behorende tot, gelegen aan of bij de basis

Boeklong
Met lucht gevulde ruimte die een stapel sterk doorbloed bladen bevat, met opening aan de onderkant van het abdomen.

Branchiaal opperculum
Een gesclerotiseerde, haarloze plaat over de boeklongen gelegen: het longdeksel

Bulbus
De bulbus is het laatste segment van de palp. Het is een hol orgaan bestaande uit buitenliggende structuren. De bulbus is in drie delen onderverdeeld: (1) de Basale verdeling, (2) de Middelste verdeling en (3) de Apicale verdeling.
Dasumia canestrinii bulbus (c) Hartmann

Calamistrum
Een kamvormige rij haren op metatars IV van cribellate spinnen.
Callobius claustrarius - calamistrum (c) Theine

Caput
(pl. capita) Een andere benaming voor de cephalische regio van de cephalothorax.

Carapax
Het exoskelet of schaal die het dorsale (bovenste) vlak van de cephalothorax bedekt.

Cephalothorax
Voorste van de twee belangrijkste delen van het spinnenlichaam

Chelaat
Tangvormig

Chelicerae
(of cheliceren) De kaken, elk op zich bestaande uit een groot basaal deel en een gifklauw.
Dysdera crocata - chelicerae (c) Consul

Chilum
(pl. Chila) Kleine skleriet aan de basis van de cheliceren, net onder de clypeus.

Chitine
Een lineair homopolysacharide dat als kenmerkende molecule in de cuticula van arthropoden gevonden wordt. De moleculen zijn in kettingen gelaagd en kruisgewijs verbonden teneinde een sterke, lichtgewicht basis van het cuticulum te vormen.

Clypeus
Het gebied tussen de voorste ogenrij en de voorrand van het carapax.

Colulus
Een klein, vlak voor de voorste spintepels voorkomend aanhgsel bij sommige spinnen.

Conductor
Een half-membraanachtige structuur van de mannelijke palp die bij de bevruchting de embolus steunt en geleidt.

Condylus
Een zachte afgerond gezwel dat soms op de buitenzijde van de chelicera, aan de basis ervan, voorkomt.

Coxa
(pl. Coxae) Het pootsegment dat zich het dichtst bij het lichaam bevindt; bij de palp tot maxilla gemodifieerd.
Harpactea rubicunda - coxa (c) Hartmann

Cribellum
Spinsel producerend orgaan dat er als een dwarsplaat uitziet. Uitsluitend aanwezig bij cribellate spinnen, die dan eveneens over een calamistrum beschikken.

Cryptozoïsch
Een verborgen leven leidend

Cymbium
De verbrede uitgeholde tarsus van de mannelijke palp, waarin de palporganen bevestigd zijnT

Diaxiaal
Gezegd van cheliceren die naar beneden toe gaan met gifklauwen sluitend naar het midden toe.

Dionycheus
In het bezit van twee tarsusklauwtjes

Discoidaal
Schijfvormig

Distaal
Behorend bij de buitenkant;verst van het lichaam af of verst van het punt van aanhechting

Dorsaal
Bij de bovenkant horend

Dorsum
De bovenkant

Ecdysis
De vervelling; het periodiek afwerpen van het cuticulum.

Ecribellaat
Zonder cribellum en calamistrum

Edentaat
Zonder tanden

Embolus
De structuur van de mannelijke palp met de opening waardoor het zaad bij de paring naar buiten komt; kan erg klein, lang, zweepvormig of opgerold zijn en is soms opgedeeld in verschillende structuren.

Endiet
Basaal segment van de palp, ook maxilla of gnathocoxa genoemd.

Entelegyne
Die groep van spinnen waarvan het vrouwtje een epigyne heeft.

Epigastrale vouw
Een vouw en groeve die het voorste deel van het ventrale abdomen (met epigyne en boeklongen) afscheidt van het achterste gedeelte

Epigyne
Een min of meer gesclerotiseerde en gewijzigde structuur die met de voortplantingsorganen van de meeste spinnen wordt geässocieerd.

Exoskelet
De harde uitwendige en ondersteunende bedekking die bij alle arthropoden wordt aangetroffen.

Exuviae
De delen van het cuticulum die worden afgeworpen tijdens de vervelling.

Femur
(pl. femora, adj. femoraal) Het derde pootsegment, geteld vanaf het lichaam.

Feromoon
Een door een dier in kleine hoeveelheden afgescheiden chemische substantie dat een gedragspatroon bij een ander dier, gewoonlijk van een andere sexe, oproept

Fissidentaat
Tanden die meer dan één punt hebben

Folium
Elk kleurpatroon op het dorsum van het abdomen dat nogal redelik breed en bladvormig is.

Fovea
Een korte middengroef op het thoraxdeel van het carapax die de interne aanhechting van de maagspieren markeert.

Gereticuleerd
Zoals een netwerk

Geserrateerd
Zaagtand-achtig

Gesklerotizeerd
Verhard of hoornachtig; niet soepel of membraanachtig

Gifklauw
Het klauwachtige gedeelte van elke cheliceer; het gifkanaal opent aan de top ervan.

Gnathocoxa
(pl. gnathocoxae) Basaal segment van de palp, ook maxilla of endiet genoemd.

Haematodocha
Een ballon van elastisch verbindingsweefsel tussen groepen sklerieten van de mannelijke palp die tijdens de bevruchting met bloed opzwellen zodat de sklerieten zich afscheiden en roteren.

Haplogyne
De spinnengroep waarvan de vrouwtjes geen epigyne hebben.

Hartvlek
Boven het hart gelegen langwerpige vlek vooraan in het midden op de bovenkant (dorsale zijde) van het abdomen.

Herfstdraden
Een lichte laag zijdedraden, of goepen ervan, die door de lucht drijven.

Hulpklauwtjes
Gezaagde, verdikte haren in de nabijheid van de echte klauwtjes bij sommige spinnen

Juveniel
De nimf of onvolwassen spin, gewoonlijk op de volwassen spin gelijkend, maar kleiner; volledig mobiel en niet meer van eidooier afhankelijk.

Klauw-bosjes
Een hoop haartjes aan de tip van de tarsus bij spinnen met slechts twee klauwtjes

Kop
Dat deel van de carapax dat de ogen draagt en afgescheiden is van de thorax door een nauwe groef.

Labium
De lip, onder de mondopening en tussen de maxillen, vastgehecht aan de voorkant van het sternum.

Lanceolaat
In een punt uitlopend

Lateraal
Tot de zijkant horend

Lyriformisch orgaan
Een zintuigelijk orgaan in de buurt van het distaal einde van pootsegment, gevormd uit een groep van parallel uitgesneden organen

Maxilla
De monddelen aan elke zijde van het labium die eigenlijk de gewijzigde coxae van de palpen zijn.

Mediaan
In de middenlijn of in het midden.

Mediaan apofyse
Een skleriet die oprijst vanuit de middelste verdeling van de mannelijke palporganen

Mediaan septum
Longitudinale skleriet op de bodem van het epigynaal atrium.

Metatarsus
(pl. Metatarsi) Het zesde pootsegment geteld van het lichaam af.

Onychium
(pl. Onychia) Ventrale verlenging van de tip van de tarsus die de klauwtjes draagt.

Palp
Afkorting voor de pedipalp.Het aanhangsel dat net voor de poten oprijst en waarvan de coxa eveneens de maxilla vormt. Heeft geen metatarsaal segment en is bij volwassen mannetjes sterk gewijzigd voor de zaadoverdracht.
Harpactea rubicunda - male palp (c) Hartmann

Palp organen
De min of meer ingewikkelde structuren die in het uiteinde van de volwassen mannelijke palp aangetroffen worden. Zij omvatten groepen sklerieten die onderling gescheiden zijn en het cymbium tot drie haematodochae en bevatten het zaadreservoir dat via kanalen door de tip van de embolus geleegd wordt.

Paracymbium
Een structuur van de mannelijke palp die aftakt van het cymbium of er losjes aan vastzit.

Paraxiaal
Gezegd van cheliceren die naar voren staan, met gifklauwen die naar het lichaam toe sluiten.

Patella
(pl. Patellae) Het vierde pootsegment geteld vanaf het lichaam.

Paturon
Het basaal segment van een cheliceer

Pedicel
De dunne steel die Prosoma (cephalothorax) en Opisthosoma (abdomen) verbindt.

Phylogenetisch
Horend tot de evolutionaire betrekkingen tussen en binnen groepen

Pluridentaat
Meer dan één tand hebbend

Porrect
Gezegd van cheliceren die naar voren gericht zijn.

Posterieur
Tegen de achterzijde

Proces
Een uitsteeksel van de hoofdstructuur

Procurf
Gebogen met de zijkanten meer naar achter dan naar het midden.

Prolateraal
Uitstekend van ,of aan, de zijde die naar voren gericht is

Proximaal
Horend aan de binnenkant; het dichtst bij het lichaam of het aanhechtingspunt.

Punctaat
Bedekt met kleine kuiltjes

Rastellum
(pl. rastella) Hark-achtige structuur op het uiteinde van de cheliceren by Mygalomorphae, dikwijls gereduceerd tot een aantal sterke stekels; gebruikt bij het wroeten (voor het maken van het hol)

Receptaculum
(pl. receptacula) Zie: spermathecea

Recurf
Gebogen met de zijkanten meer naar achteren dan naar het midden

Retrolateraal
Uitstekend van, of aan, de zijde die naar achter gericht is

Rugose
Ruw, gerimpeld.

Scapus
Een vinger-, tong-, of lipachtig uitsteeksel van de middenlijn van de vrouwelijke epigyne

Scopula
(pl. Scopulae) Een haarborstel aan de onderzijde van de tarsus en metatarsus bij sommige spinnen.

Scutum
Een harde, dikwijls glimmende, gesklerotizeerde plaat op het abdomen van sommige spinnen

Septum
Een verdeling die twee uitholten of delen van mekaar scheidt.

Seta
(mv. setae) Haarachtige, toelopende en soepele structuren op poten en lichaam (zie: stekels en trichobothrium)

Sigillum
(mv. Sigila) Een verdiepte, vaak roodbruine, gesklerotizeerde plek; vaak op de bovenkant van het abdomen op plaatsen waar inwendig spieren zijn aangehecht.

Skleriet
Elke afzonderlijke gesklerotizeerde structuur die met andere structuren verbonden is b.m.v. membranen

Spermathecae
De zakken of holten waar vrouwelijke spinnen het zaad ontvangen enopslaan

Spintepels
Gepaarde aanhangsels aan de achterkant van het abdomen, onder de anaal-bult, vormen de tepels van waaruit de zijdedraden worden geëxtrudeerd

Spirakels
De opening van de tracheeën aan de onderzijde van het abdomen

Spleet orgaan
Een spanningsreceptor in het exoskelet

Stekel
Een dik, stijf haar of borstel

Sternum
Het hartvormig of ovaal exoskelataal schild dat het ondervlak van de cephalothorax bedekt


Stria
(pl. striae) Gepaarde inzinkingen; gewoonlijk drie paar donkere strepen die vanuit de fovea uitgaan

Stridulatie orgaan
Een vijl-en-schraper voor geluidsproductie; kan zich op de chelicerae, palpen, poten, abdomen of carapax of in combinaties, bevinden.

Subadult
Bijna volwassen; het laatste stadium voor de volwassenheid

Synoniem
Elke van twee of meer wetenschappelijke namen van dezelfde rang om eenzelfde taxon te benoemen. Het oudste synoniem is de eerst gepubliceerde naam.

Tapetum
(pl. tapeta) Een licht-reflecterende laag in de seundaire ogen; de ogen hebben een bleekachtige kleur; voor beter nachtelijk zicht.

Tarsus
(pl. Tarsi) Het meest distale (of laatste) segment van een poot of palp
Harpactea rubicunda - tarsus (c) Hartmann
Taxon
Eender welke taxonomische eenheid (bvb. familie, genus, species)

Taxonomie
De theorie en praktijk van de classificatie van organismen; deel van de systematiek, de studie van de soorten en diversiteit van organismen.

Tegulum
Gedeelte van een mannelijke palp; een discoidale (schijfvormige) skleriet

Tegument
Externe cuticulaire huid

Thorax
Deel van het cephalothorax achter het kopdeel, hiervan gescheiden door een ondiepe groeve

Tibia
(pl. Tibiae) Het vijfde pootsegment vanaf het lichaam geteld

Tracheae
Buizen waardoorheen lucht door het lichaam gedragen wordt en uitmondend aan de spirakels

Trichobothrium
(mv. Trichobotria) Een lang, fijn haar dat bijna loodrecht omhoog rijst vanuit een holte op de poot. Trichobothria deteecteren luchttrillingen en -stromingen

Trochanter
Het tweede segment van een poot of palp, geteld vanaf het lichaam

Unidentaat
Eén tand hebbend

Ventraal
Aan de onderkant

Vulva
Interne structuur van het vrouwelijk voortplantingsorgaan, bestaande uit de ingangskanalen, spermathecae en bevruchtingskanalen (bij enteligyne spinnen); interne genitalia bestaande uit de ingangskanalen en spermathecae (bij haplogyne spinnen

Wielweb
Een tweedimensionaal web, ongeveer cirkelvormig. Zijdedraden strekken zich als spaken vanuit een centraal middelpunt uit. Deze worden dan met een zijdespiraal, die van buiten naar binnen loopt, overlegd.



© Encyclo MMX
e-mail privacy