Kopie van `Centraal Bureau voor Statistiek (CBS)`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
Categorie: Statistieken, documentatie en informatie > Statistieken
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 1166


Aanvullend pensioen
Uitkeringen van pensioenfondsen en lijfrente-uitkeringen ontvangen van levensverzekeringsmaatschappijen.
Aanvullend betekent bovenop de eventuele AOW-uitkering.

Academisch ziekenhuis
Een algemeen ziekenhuis, waarin gedurende dag en nacht alle vormen van medisch-specialistische hulp kunnen plaatsvinden, doch verbonden aan een universiteit en erkend in de zin van de `Wet op het wetenschappelijk onderwijs`.


Achterstandsleerling
Leerling in het reguliere basisonderwijs behorend tot een achterstandscategorie. Om de hoogte van de financiële vergoeding aan basisscholen te bepalen wordt aan alle leerlingen een gewicht toegekend. Achterstandsleerlingen krijgen daarbij een extra gewicht. Hoe hoger het extra gewicht des te hoger de vergoeding.
Het begrip achterstandsleerling (d.w.z. een leerling behorend tot een achterstandscategorie) is gedefinieerd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij het vaststellen van de financiële vergoeding van een basisschool houdt de overheid rekening met de achtergrond van de leerlingen. Om de hoogte van de vergoeding te bepalen wordt eerst aan alle leerlingen in het basisonderwijs een gewicht van 1 toegekend. Vervolgens krijgen achterstandsleerlingen een extra gewicht. Voor hen is de vergoeding dus hoger.
De huidige criteria voor de extra gewichten zijn:
- 0.25 voor Nederlandse leerlingen van ouders met een laag opleidingsniveau;
- 0.40 voor schipperskinderen;
- 0.70 voor woonwagen- en zigeunerkinderen;
- 0.90 voor leerlingen die behoren tot een culturele minderheid (cumi-leerlingen) en waarvan de ouders een laag opleidings- en beroepsniveau hebben.
Het toekennen van extra gewichten aan leerlingen gebeurt alleen in het reguliere basisonderwijs. In het speciaal basisonderwijs komt dit onderscheid naar achterstandsniveaus niet voor.

Activiteitenbeperking
Het door ziekte of verwonding rustiger aan doen, of achterwege laten van activiteiten die men gewoonlijk wel doet.
De vraag luidt: `Heeft U in de afgelopen 14 dagen ten gevolge van ziekte of verwonding rustiger aan moeten doen of dingen achterwege moeten laten die U gewoonlijk wel doet?`. Indien dit het geval is wordt vervolgens gevraagd naar het aantal dagen met beperking in die periode en indien van toepassing naar het aantal dagen daarvan dat men het bed heeft gehouden. Gebruik makend van de factor 26 worden de gegevens herleid op jaarbasis (26 perioden van 14 dagen = 1 jaar}.

Acuut letsel
Letsel dat is ontstaan als een acuut gevolg van een recent ongeval.


Administratief beroep
Rechtsgang in het bestuursrecht waarbij de belanghebbende een beslissing van het bestuur aanvecht bij een hiërarchisch hoger bestuursorgaan dan het orgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen.


Administratief bezwaar
Rechtsgang in het bestuursrecht waarbij de belanghebbende een beslissing van het bestuur aanvecht bij het orgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen.


Administratieve afvoering
Besluit van een gemeente om een persoon niet langer tot haar bevolking te rekenen, nadat de gemeente heeft vastgesteld dat de verblijfplaats van deze persoon onbekend is, deze volkomen onbereikbaar is en naar verwachting geen inwoner meer is van een gemeente in Nederland.
De statistiek van administratieve afvoeringen betreft alle personen van wie in de GBA is vastgelegd dat ze zijn geëmigreerd naar een onbekend buitenland. Een administratieve afvoering is doorgaans het gevolg van het vertrek van een persoon zonder dat deze de gemeentelijke autoriteiten hiervan op de hoogte heeft gesteld.

Administratieve correctie
Iedere opneming in resp. afvoering uit de gemeentelijke basisadministratie anders dan als gevolg van geboorte, sterfte, vestiging, vertrek of gemeentegrenswijziging.


Administratieve opneming
Besluit van een gemeente om op verzoek van betrokkene een persoon tot haar bevolking te gaan rekenen, zonder dat de gemeente kennis heeft van geboorte, immigratie of vestiging van die persoon vanuit een andere gemeente in Nederland.
Een administratieve opneming is doorgaans een hervestiging van een persoon die eerder administratief is afgevoerd en die verklaart nooit uit Nederland te zijn weggeweest.

Administratieve zaak
Geschil van publiekrechtelijke aard (bestuursgeschil) tussen burger en overheidsorgaan of tussen overheidsorganen onderling.


Adoptie
Aanneming als wettig kind na uitspraak door de rechtbank op verzoek van (echt)paar of één persoon dat-die het kind wil adopteren of vanwege het Haags Adoptieverdrag 1993 met erkenning van een uitspraak van de Centrale Autoriteit van het (buiten)land van herkomst van het kind.


ADV-dagen
De op jaarbasis overeengekomen (rooster)vrije dagen die op grond van een arbeidsduurverkortingsregeling zijn verleend.


Afdoening door de rechter
In burgerlijk recht: eindbeslissing, in de regel door (deels) toewijzen dan wel afwijzen van het verzoek of de vordering.
In strafrecht: eindbeslissing, door schuldigverklaring, vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging of een van de overige einduitspraken.


Afgeleide consumentenprijsindex
Consumentenprijsindex waarin het effect van veranderingen in de tarieven van productgebonden belastingen en subsidies en van consumptiegebonden belastingen is geëlimineerd.
De afgeleide CPI geeft aan wat de prijsontwikkeling geweest zou zijn als deze belastingtarieven sinds het basisjaar niet meer veranderd zouden zijn.
De afgeleide indices worden gebruikt om voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting te corrigeren. Ook bij loonaanpassingen worden vaak afgeleide indices gebruikt.

Afgesloten cliëntsysteem
Een cliëntsysteem waarbij de hulpverlening vanuit het Algemeen Maatschappelijk Werk is beëindigd.


Afgesloten zeearm
Van de zee afgesloten inham, t.w. Haringvliet en Hollands Diep (tot aan de Moerdijkspoorbrug), Volkerak, Krammer, Grevelingenmeer, Veerse meer en Lauwersmeer.


Aflopend krediet
Kredietvorm waarbij het bedrag van de lening in zijn geheel ter beschikking komt van de kredietnemer en, vermeerderd met de kredietvergoeding (rente en kosten), in een vast aantal termijnen moet worden afgelost terwijl de afgeloste bedragen niet opnieuw kunnen worden opgenomen.
Persoonlijke leningen, financieringskredieten, huurkoop en afbetaling vallen onder aflopend krediet.

Afschrijvingen op vaste activa
De waardevermindering van duurzame productiemiddelen, zoals machines, gebouwen, vervoermiddelen en software, als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering.


Afvalstoffenbelasting
Een heffing over de afgifte van afvalstoffen ter verwijdering aan een inrichting alsmede de verwijdering van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan. Belastingplichtige is de houder van de inrichting. Grondslag voor de heffing is het gewicht van de afvalstoffen, gemeten in kilogrammen.


Afwezigheidsdag (ziekenhuis)
Een dag, niet zijnde de ontslagdag, voorafgaand aan een nacht waarop de patiënt niet in het ziekenhuis verblijft.
Het betreft een meestal geplande afwezigheid van ten hoogste drie dagen. Dergelijke dagen kunnen niet tegen het geldende verpleegtarief worden gedeclareerd. Afwezigheidsdagen volgend op een pre-operatieve screening worden niet als verpleegdag aangemerkt en kunnen op generlei wijze worden gedeclareerd.

Agrarisch terrein
Terrein in gebruik voor glastuinbouw, of als grasland, tuinland, bouwland of boomgaard.
Als het langs of midden in deze categorieën ligt, wordt tot agrarisch terrein eveneens gerekend: water smaller dan zes meter, bosstroken, alle niet-openbare wegen, alle openbare wegen van zeer plaatselijk belang en verspreide bebouwing met bijbehorende erven en tuinen.

Alfa-faculteiten
Godgeleerdheid, letteren (incl. geschiedenis) en vanaf 1983 wijsbegeerte.


Algemeen Bedrijven Register
Een systeem met een registratie met identificerende gegevens en structuurgegevens over bedrijven. Hieruit worden de statistische eenheden bedrijfseenheid, ondernemingengroep en lokale bedrijfseenheid afgeleid.


Algemeen maatschappelijk werk
Ambulante, concrete dienstverlening, advisering, bemiddeling en psychosociale hulpverlening aan personen die kampen met problemen van maatschappelijke en-of individuele aard. Daarnaast vindt signalering en preventie plaats.
Het begrip algemeen betekent in deze context: laagdrempelig, toegankelijk zonder verwijzing en niet specifiek-exclusief gericht op bepaalde groepen in de samenleving of op specifieke problemen.

Algemeen voortgezet onderwijs
Verzamelterm voor mavo (theoretische en gemengde leerweg vmbo), havo en vwo.


Algemeen vormend onderwijs
Voortgezet onderwijs niet behorend tot de beroepskolom of praktijkonderwijs.
Het omvat vwo, havo, theoretische leerweg en gemengde leerweg binnen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) én alle eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs, behalve het praktijkonderwijs.

Algemeen vruchtbaarheidscijfer
Het aantal levendgeborenen per duizend van het gemiddeld aantal vrouwen van 15 tot 50 jaar in een bepaalde periode (doorgaans: een kalenderjaar).


Algemeen ziekenhuis
Een instelling waarin gedurende dag en nacht alle vormen van medisch-specialistische hulp kunnen plaatsvinden.


Algemene bijstandswet (ABW)
Tot 1 januari 2004 bestaande wettelijke sociale voorziening die als doel heeft om financiële bijstand te verlenen aan personen die niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De ABW is per 1 januari 2004 vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB). In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel gaat het om een laatste (aanvullende) voorziening.


Algemene kinderbijslagwet (AKW)
De kinderbijslag biedt een financiële tegemoetkoming in de kosten van het onderhoud van kinderen. Voor kinderen geboren voor 1 januari 1995, is de kinderbijslag afhankelijk van zowel de gezinsgrootte als van de leeftijd van de kinderen. Voor kinderen die geboren zijn op of na 1 januari 1995 krijgen de ouders een vast bedrag, afhankelijk van de leeftijd. In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een volksverzekering.


Algemene nabestaandenwet (ANW)
Wettelijke voorziening tegen de financiële gevolgen van overlijden. In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een volksverzekering.


Algemene ouderdomswet (AOW)
Een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering die personen van 65 jaar en ouder een inkomen garandeert. In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een volksverzekering.


Alleenstaand
Persoon die alléén zichzelf particulier, d.w.z. niet-bedrijfsmatig voorziet van huisvesting en in dagelijkse levensbehoeften.
Het begrip alleenstaand refereert aan de positie in het huishouden van een persoon.

Allochtonenprognose
Verwachte ontwikkeling van de allochtone bevolking in de toekomst.


Allochtoon
Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.


Ambtelijke informatie (archieven)
Informatie door archieven verstrekt aan ministeries en andere overheidsinstellingen.


Anciënniteit
Het aantal jaren dat een werknemer in dienst is van het bedrijf of de instelling waar hij of zij werkt.


AOW-inkomen
Bruto uitkering die wordt ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet.


Apotheker
Een persoon die opgeleid, gediplomeerd en bevoegd is om geneesmiddelen te bereiden en te verkopen.


Arbeid
De inzet van menselijke capaciteit voor het produceren van goederen en diensten, zoals gedefinieerd in de Nationale rekeningen van het CBS.
De arbeid kan ten behoeve van zichzelf of ten behoeve van anderen ingezet worden, en al dan niet via de markt plaatsvinden.

Arbeidsduurverkorting
De verkorting van de arbeidsduur op week- of jaarbasis ten gevolge van arbeidsduurverkortingsregelingen.
Mutaties in het basisvakantieverlof worden hiertoe niet gerekend. ADV wordt gemeten ten opzichte van de situatie in het najaar van 1982 (toen in de Stichting van de arbeid overeenstemming werd bereikt over arbeidsduurverkorting).

Arbeidsinkomensquote
Het aandeel van de beloning voor arbeid in de netto toegevoegde waarde in de economie. De betaling voor arbeid omvat de beloning van werknemers plus de toegerekende beloning voor zelfstandigen en meewerkende gezinsleden.


Arbeidsjaar
Een maat voor het arbeidsvolume die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) in een jaar om te rekenen naar voltijdequivalenten (vte).
Zo leveren twee halve banen (elk 0,5 vte) samen een arbeidsvolume van één arbeidsjaar op.
Het voltijdequivalent van een baan van een werknemer wordt bepaald door de overeengekomen jaarlijkse arbeidsduur te delen door de overeengekomen jaarlijkse arbeidsduur die bij een voltijdbaan in de betreffende bedrijfstak behoort.
Het voltijdequivalent van een baan van een zelfstandige wordt bepaald door de gebruikelijke wekelijkse arbeidsduur behorende bij die baan te delen door de gemiddelde arbeidsduur van de banen van zelfstandigen in dezelfde bedrijfstak met een wekelijkse arbeidsduur van 37 uur of meer.

Arbeidskosten (ako)
In het arbeidskostenonderzoek (AKO) van het CBS wordt hieronder verstaan: de lonen van werknemers (incl. direct loon en bijzondere beloningen), de ten laste van de werkgevers komende sociale premies, en overige kosten in verband met werknemers.
Op de arbeidskosten zijn subsidies in mindering gebracht. De overige kosten i.v.m. werknemers omvatten: opleidingskosten, werkgeversbijdragen in kosten van kantines en van sociale, culturele en medische voorzieningen, kosten van werving en selectie van personeel, eindheffingen van de fiscus op bepaalde loonbestanddelen.

Arbeidskosten (PS)
In de productiestatistieken (PS) van het CBS wordt hieronder verstaan: de brutolonen en -salarissen van werknemers en de ten laste van de werkgevers komende sociale premies.
Tot de arbeidskosten worden niet gerekend de overige personeelskosten, t.w. betalingen i.v.m. uitzendkrachten en ingeleend personeel, opleidingskosten, kosten van werving en selectie van personeel, kosten van kantine, arbodiensten, bedrijfskleding, jubilea e.d. Op de arbeidskosten (PS) zijn subsidies niet in mindering gebracht.

Arbeidskracht (landbouw)
In de Landbouwtellingen gehanteerde benaming voor een persoon die werkzaam is op een agrarisch bedrijf.
Afhankelijk van relatie tot het bedrijfshoofd, rechtsvorm en aard arbeidsovereenkomst wordt onderscheid gemaakt in:
- gezinsarbeidskrachten,
- niet-gezinsarbeidskrachten,
- regelmatige arbeidskrachten,
- niet-regelmatige arbeidskrachten.

Arbeidsmigratie
Migratie uit (resp. naar) een ander land met als doel hier (resp. daar) te gaan werken.
Het CBS heeft alleen informatie over de motieven van (niet-Nederlandse) immigranten die naar Nederland komen. Migratiemotieven van emigranten zijn niet bekend.

Arbeidsmobiliteit
Verandering van baan of van positie op de arbeidsmarkt.


Arbeidsongeschikt
Situatie waarin iemand verkeert als hij of zij door ziekte of gebrek een belemmering ondervindt bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.
Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij of zij die te maken heeft met `verlies aan verdiencapaciteit`, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken. Hij of zij is dan niet in staat is om met arbeid evenveel te verdienen als gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring.

Arbeidsongeschiktheidsregelingen
Hiertoe worden gerekend de Ongevallenwetten 1901 en 1921 (1901-1967), de Land- en Tuinbouwongevallenwet (1922-1967), de Invaliditeitswet (vanaf 1919), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (vanaf 1967) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (vanaf 1976).


Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Periodieke uitkering op grond van arbeidsongeschiktheidswetten.


Arbeidsongeschiktheidswetten
WAO, WAZ en Wajong zijn de wettelijke regelingen tegen de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De uitkeringen worden periodiek uitgekeerd.


Arbeidsovereenkomst
Een overeenkomst, waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Men maakt onderscheid tussen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.


Arbeidsplaats
Een plaats waar arbeid kan worden verricht door één werkzame persoon. De te verrichten arbeid kan soms in brokstukken worden verdeeld over meerdere personen. Er ontstaan dan meerdere arbeidsplaatsen.


Arbeidsproductiviteit
De bruto toegevoegde waarde in basisprijzen per eenheid van arbeidsvolume.


Arbeidsproductiviteitsontwikkeling
De volumeverandering van de bruto toegevoegde waarde in basisprijzen per eenheid van arbeidsvolume.


Arbeidsrelatie
Het onderscheid tussen banen met een vaste arbeidsduur en banen waarbij de arbeidsduur flexibel is overeengekomen.
Flexibele banen zijn banen van inval-, oproep- en uitzendkrachten en andere werknemers met wie geen vaste arbeidsduur is overeengekomen. Bij de berekening van het aantal flexibele banen in een jaar wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal door ‘flexibele’ werknemers bezette arbeidsplaatsen per dag.
Alle overige banen behoren tot de banen met een vaste arbeidsduur.

Arbeidsverhouding
Het samenstel van materiële en immateriële arbeidsvoorwaarden en van arbeidsomstandigheden: aard van het werk, sociale zekerheid, status van het werk, gezagsverhoudingen, werkklimaat, informatie en communicatie.


Arbeidsvolume
De hoeveelheid arbeid die is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren of gewerkte uren.


Arbeidsvoorwaarden
Het geheel van door de werkgever en werknemer overeengekomen voorwaarden die men in acht neemt bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, hetzij individueel, hetzij collectief. Deze voorwaarden zijn bij wet geregeld bij een collectieve arbeidsovereenkomst of bij een arbeidsreglement. Uit de arbeidsovereenkomst vloeien rechten en verplichtingen voort voor werknemer en werkgever.
Er worden primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden onderscheiden.
Primaire arbeidsvoorwaarden hebben betrekking op primaire eisen waaraan bij de arbeid wettelijk moet worden voldaan, zoals loon en vakantie, en de hoofdverplichtingen van de werknemer.
Secundaire arbeidsvoorwaarden worden gewoonlijk per CAO vastgesteld en hebben betrekking op zaken als pensioenen, functiewaarderingsstelsels, bijkomende beloningen van niet essentiële aard, en nadere detaillering van werktijden en vakantiedagen.
Tertiaire arbeidsvoorwaarden gelden niet voor een gehele bedrijfstak en kunnen daarom ook moeilijk in een collectieve regeling worden neergelegd. Ze worden per onderneming, bijvoorbeeld in een reglement, vastgesteld.
Niet tot de arbeidsvoorwaarden behoren emolumenten, d.w.z. ongeregeld bijkomend voordeel boven de aan de functie verbonden beloning.

Arbodienst
Instelling die activiteiten verricht op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn van werknemers zoals genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).
Binnen een arbodienst zijn deskundigen werkzaam op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, de arbeidshygiëne, de veiligheidskunde en de arbeids- en organisatiekunde. Zo`n dienst kan zelfstandig georganiseerd zijn (externe arbodienst), of onderdeel van het bedrijf (interne arbodienst).

Arboretum
Wetenschappelijke verzameling van aangeplante boomsoorten.


Archief(dienst)
Instelling of onderdeel daarvan met een bewaarfunctie voor archiefstukken, waaronder documenten, kaarten, tekeningen, charters, verzamelingen en gegevensbestanden.


Archiefbewaarplaats
Indeling van archieven naar het soort beheerder: rijksarchieven, gemeente-archieven, streekarchieven, streekarchivariaten, waterschapsarchiefdiensten, secretarieën van gemeenten en waterschappen.


Archiefbezoek
Een bezoek van een persoon aan de studiezaal van een bepaald archief op één dag. Bezoekt iemand meer dan één keer op dezelfde dag hetzelfde archief dan wordt dit geteld als één bezoek.


Archiefbezoeker
Persoon die in het verslagjaar de studiezaal van een bepaald archief bezoekt. Per verslagjaar wordt een persoon maar één keer geteld, ook als deze in een verslagjaar hetzelfde archief meerdere keren bezocht.


Archieffunctie
Functie van een (secretarie van) een instelling-organisatie tot het bewaren van archiefstukken van de eigen instelling-organisatie.


Archiefwet
Wet die het beheer van overheidsarchieven regelt, onder meer de termijn waarna stukken naar een overheidsarchief moeten worden overgebracht.
De Archiefwet 1962 is in 1995 vervangen door de Archiefwet 1995. De Archiefwet spreekt van archiefbescheiden; in de CBS-statistiek wordt de term archiefstukken gebruikt. Met de Archiefwet 1995 is de wettelijke overbrengingstermijn met ingang van 1 januari 1996 gewijzigd van 50 jaar naar 20 jaar.

Archivistiek A (opleiding)
Opleiding in de archiefwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de Archiefschool Amsterdam.
Opvolger van de voormalige opleiding tot Hoger Archiefambtenaar.

Archivistiek B (opleiding)
Opleiding tot informatiemanager- archivaris aan de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de Archiefschool Amsterdam.
Opvolger van de voormalige opleiding tot Middelbaar Archiefambtenaar.

Armoede
De belangrijkste indicator voor armoede is het inkomen dat een huishouden kan besteden. Het CBS hanteert als maatstaven de lage-inkomensgrens en het sociaal minimum.
Omdat inkomen niet de enige indicator is voor armoede, worden ook aanvullende indicatoren gebruikt voor de beschrijving ervan. Het betreft de verblijfsduur onder de inkomensgrens, de vermogenspositie, de vaste lasten en het oordeel over de eigen financiële positie.

Arrest
Uitspraak van de Hoge Raad of een gerechtshof.


Asielmigrant
Een asielzoeker, statushouder of uitgenodigde vluchteling die is opgenomen in een gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Niet iedereen die een asielverzoek indient wordt tot Nederland toegelaten en als immigrant in de gemeentelijke bevolkingsregisters ingeschreven. Degenen die wel mogen blijven en daarmee feitelijk als asielmigrant kunnen worden beschouwd, worden meestal pas enige tijd na indiening van hun asielverzoek ingeschreven in de GBA. Inschrijving in de GBA vindt plaats op het moment dat de asielzoeker een verblijfstitel krijgt en de centrale opvang verlaat. Ook asielzoekers die langer dan een half jaar in een centrale opvangvoorziening verblijven komen in aanmerking voor inschrijving in de GBA. Degenen die buiten de centrale opvang onderdak hebben, worden ingeschreven mits zij rechtmatig in Nederland verblijven.

Asielverzoek
Een schriftelijke wens om in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 als vluchteling te worden erkend.
Inwilliging van het asielverzoek leidt tot een verblijfsrechtelijke status. Een ingewilligd verzoek kan betrekking hebben op een aanvraag uit hetzelfde jaar of een vorig jaar. Als het verzoek om toelating definitief is afgewezen, vindt verwijdering van de asielzoeker plaats. Er zijn drie soorten verwijderingen, te weten uitzetting, vertrek onder toezicht en controle adres na aanzegging.
Het aantal asielaanvragen wordt geregistreerd door het Ministerie van Justitie, de bron voor deze cijfers. In Nederland wordt één aanvraag per persoon ingediend.

Asielzoeker
Persoon die een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend.
Asielzoekers zijn mensen die om uiteenlopende redenen hun land hebben verlaten om in een ander land, bijvoorbeeld Nederland, bescherming of asiel te zoeken. Het aantal individuele asielaanvragen wordt geregistreerd door het Ministerie van Justitie, de bron voor deze cijfers. De asielzoekers in een bepaald jaar worden niet allemaal ook als immigrant in dat jaar geteld. Voor dat laatste is immers inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie vereist. Asielzoekers worden niet direct na aankomst als immigrant ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Voor degenen die in de centrale opvang zitten, gebeurt dit pas als ze `statushouder` zijn geworden, of langer dan een half jaar in een opvangcentrum verblijven. Degenen die buiten de centrale opvang onderdak hebben, worden ingeschreven mits zij rechtmatig in Nederland verblijven. Een asielzoeker wordt dus pas als immigrant geteld nadat het CBS bericht van inschrijving heeft ontvangen.

Autobeschikbaarheid
Het kunnen beschikken over een auto gelet op rijbewijsbezit en beschikbaarheid van een auto in het huishouden.
De volgende situaties worden onderscheiden:
- Geen auto beschikbaar, d.w.z. er is geen auto binnen huishouden en-of de persoon heeft geen rijbewijs.
- Soms auto beschikbaar, d.w.z. er is wel een auto binnen het huishouden en de persoon is rijbewijsbezitter, maar geen autobezitter.
- Wel auto beschikbaar, d.w.z. de persoon is rijbewijsbezitter en autobezitter.

Autobus
Motorvoertuig ingericht voor het vervoer van negen of meer passagiers (excl. de bestuurder).


Autochtoon
Persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren.


Autogebruiker (18+)
Persoon van achttien jaar of ouder die hoofdgebruiker is (geweest) van een personenauto.
Hoofdgebruiker is degene die de meeste kilometers aflegt in die auto.

Automatiseringsgraad
Het aantal geautomatiseerde bedrijven uitgedrukt als percentage van het totaal aantal bedrijven. Geautomatiseerd wil hier zeggen gebruikmakend van computers ten behoeve van de administratieve automatisering binnen het bedrijf.


Baan
Een door een werkzame persoon bezette arbeidsplaats. Een werkzame persoon kan meerdere banen naast elkaar hebben. In dat geval wordt van een hoofd- en een bijbaan gesproken.
Degene die de arbeidsplaats bezet, wordt geacht een bepaalde hoeveelheid productie te verrichten. In de regel is dat gekoppeld aan een daarvoor vastgesteld aantal arbeidsuren.

Balans
Een overzicht van de activa en de passiva van een sector of land op een bepaald moment. De activa bestaan onder meer uit machines, gebouwen, niet-geproduceerde activa (zoals grond en minerale reserves), vorderingen en aandelenbezit. De passiva kunnen worden onderscheiden in schulden en eigen vermogen.


Banken
Populaire benaming voor een aantal vennootschappen en quasi-vennootschappen behorend tot de sector financiële instellingen.
Banken zijn een ruimer begrip dan kredietinstellingen omdat de aangetrokken middelen niet noodzakelijk deposito’s of spaartegoeden hoeven te zijn. Ook is het niet strikt noodzakelijk dat banken een geldscheppende functie te hebben.

Basiseducatie
Cursussen bestemd voor volwassenen die een achterstand in genoten onderwijs hebben. Het aanleren van taal- en rekenvaardigheden en sociale vaardigheden staat hierbij centraal.


Basisonderwijs
Onderwijs dat bedoeld is voor kinderen vanaf hun vierde levensjaar tot ongeveer hun twaalfde, wanneer ze naar het voortgezet onderwijs gaan. Tot 1985 heette dit het kleuter- en lager onderwijs.


Basisprijs
De verkoopprijs exclusief handels- en vervoersmarges van derden en exclusief het saldo van productgebonden belastingen (waaronder BTW) en productgebonden subsidies.
De toegevoegde waarde kan worden uitgedrukt in basisprijzen.

Basisvakantieverlof
Het minimum aantal vakantiedagen.
Extra toegekende vakantiedagen i.v.m. leeftijd, anciënniteit etc. zijn hierin niet begrepen.


Bebouwd terrein
Terrein in gebruik voor wonen, werken, winkelen, uitgaan, cultuur en openbare voorzieningen.


Bebouwing
Alles wat gebouwd is en bestaat uit muren en een overkapping met een permanent karakter, bedoeld voor verblijf, handel, verkeer en-of arbeid. Kassen en opslagtanks zijn hierbij niet inbegrepen. De minimale grootte van gebouwen bedraagt 3 x 3 meter.
Afbakening van bebouwing gebeurt volgens opnamespecificaties van de digitale topografische kaart, schaal 1:10.000, van de Topografische Dienst Kadaster en bestaat uit de objecten `gebouwen`, `bebouwd gebied` en `hoogbouw`. De oppervlakte van bebouwing wordt berekend in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fvw).

Bebouwingsdichtheid
Oppervlakte bebouwing uitgedrukt in procenten van het landoppervlak.


Bedrijf
De feitelijke transactor in het productieproces gekenmerkt door zelfstandigheid ten aanzien van de beslissingen over dat proces en door het aanbieden van zijn producten aan derden.
Uit deze definitie en met name uit het element zelfstandigheid volgt dat een bedrijf meer dan één vestiging kan omvatten, maar ook meer dan één juridische eenheid. (Onder juridische eenheden worden zowel natuurlijke als rechtspersonen verstaan). Dit is het geval wanneer de afzonderlijke vestigingen of juridische eenheden niet zelfstandig opereren. Andersom komt het voor dat binnen een juridische eenheid verschillende onderdelen te onderscheiden zijn die wat betreft de productie zelfstandig opereren. Deze vormen dan op grond van de definitie evenzovele bedrijven. Dit laatste doet zich vooral voor bij grotere concerns met uiteenlopende activiteiten. Wanneer een aldus gedefinieerde eenheid zich uitstrekt over verschillende landen wordt terwille van de nationale statistiek het Nederlandse deel als een geheel bedrijf beschouwd.
In de officiële CBS-terminologie wordt het bedrijf zoals hier gedefinieerd ‘bedrijfseenheid’ genoemd, zodat geen verwarring kan ontstaan met de term ‘bedrijf’ uit het - in dit opzicht weinig precieze - spraakgebruik.

Bedrijfs(sub)klasse
Aanduiding voor het 4-digit resp. 5-digit niveau van de Standaard Bedrijfsindeling 1993 (SBI `93).
Op grond van de SBI `93 worden bedrijven ingedeeld naar hun voornaamste economische activiteit.

Bedrijfsafvalstoffen
De in een bedrijf vrijkomende stoffen (materialen), die voor de houder nauwelijks of geen waarde hebben en waarvan deze zich wil ontdoen (Wet Milieubeheer, Hfdst. 1, art. 1.1). Uitgezonderd zijn: (1) radioactief afval, (2) gevaarlijk afval dat is gemeld aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, (3) bouw- en sloopafval, (4) verbrandingsresten uit eigen afvalverbranding en (5) stoffen die geloosd worden met afvalwater of worden uitgestoten in de lucht.


Bedrijfscrèche
Voorziening voor kinderopvang (hele- of halvedagverblijven) onder het beheer van één of meer bedrijven of instellingen, bestemd voor kinderen van medewerkers van die bedrijven of instellingen.


Bedrijfsgebouw
Gebouw bestemd voor bedrijfsmatig gebruik.
Bedrijfsgebouwen worden verder onderverdeeld naar hallen en loodsen, kantoren, combinatie hallen met kantoor, kassen, schuren en stallen, winkels, scholen en overige gebouwen.

Bedrijfsgezondheidszorg
Het beschermen en het bevorderen van de gezondheid van de werknemers voor zover die samenhangt met de verhouding van werknemers tot hun arbeid en arbeidsmilieu.


Bedrijfsongeval
Een ongeval door of tijdens de uitoefening van betaalde arbeid, uitgezonderd ongevallen tijdens woon-werkverkeer.
Het gaat hierbij zowel om ongevallen die leiden tot arbeidsverzuim als om ongevallen zonder verzuim op het werk.

Bedrijfsopbrengsten
De opbrengsten uit de normale bedrijfsuitoefening, i.c. de verkopen van goederen en diensten, alsmede de waarde van voorraadmutaties, geactiveerde productie voor het eigen bedrijf, subsidies en schadeuitkeringen.


Bedrijfsopleiding
Elke opleiding of cursus die de werkgever initieert, faciliteert en geheel of gedeeltelijk financiert. De opleidingen van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en stagiaires worden niet tot de bedrijfsopleidingen gerekend.
De financiering kan ook indirect plaatsvinden, bijvoorbeeld door het geven van betaald studieverlof. De opleiding of cursus moet gericht zijn op de verbetering of de ontwikkeling van bestaande dan wel nieuwe kennis of vaardigheden. Hierbuiten vallen routinematige activiteiten die vallen onder training of opleiding, zoals het inwerken in nieuwe werkzaamheden, overdracht van werk of geregeld werkoverleg.