Kopie van `Assink Lyceum Haaksbergen`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Assink Lyceum Haaksbergen
Categorie: Taal en literatuur
Datum & Land: 28/02/2007, NL
Woorden: 123


ab ovo
term uit de verhaalanalyse; wanneer een verhalende tekst begint met een inleiding, een voorgeschiedenis, waarna de eigenlijke handeling op gang komt, spreekt men van een compositie ab ovo.

acconsonantie
bepaalde rijmsoort: alleen de slotmedeklinkers van de beklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar.(Zie r. 3 en 4 van het volgende fragment)

alexandrijn
een versregel die bestaat uit 6 jamben

allegorie
een het gehele gedicht (of ander literair genre) volgehouden metafoor of personificatie.

alliteratie
beginrijm: de eerste klank(en) van beklemtoonde lettergrepen van woorden die bij elkaar staan rijmen op elkaar.

allusie
een bepaalde stijlfiguur ; zinnen, woordgroepen, namen in een tekst verwijzen naar bekende (passages uit) andere teksten of naar bekende figuren en-of gebeurtenissen.

als-vergelijking
beeldspraak die berust op overeenkomst tussen beeld en dat wat met dat beeld bedoeld wordt. Bij een metafoor staat het bedoelde (het object) er niet bij, bij een als-vergelijking wel: beeld en object worden met elkaar verbonden door (zo)als.

amfibrachys
bepaalde versvoet, bestaande uit resp. een onbeklemtoonde,een beklemtoonde en weer een onbeklemtoonde lettergreep.

anapest
bepaalde versvoet,bestaande uit achtereenvolgens twee onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep.

anti-climax
bepaalde stijlfiguur: een opsomming waarbij de delen in kracht afnemen, of die aan het eind niet het verwachte hoogtepunt brengt.
Een voorbeeld van anti-climax:

antimetrie
een afwijking van het metrum, meestal van het jambisch metrum. Antimetrie komt het meeste voor (en is het opvallendst) aan het begin van een versregel, wanneer een jambe plaats maakt voor een trocheus.

antithese
bepaalde stijlfiguur: naast elkaar plaatsing van tegenstellingen.

apokoinou
bepaalde stijlfiguur: een woord(groep) aan het einde van de versregel kan op twee manieren worden gelezen: of als een zelfstandig zinsdeel of als een deel van een zinsdeel waarvan de rest in de volgende versregel staat.

assonantie
bepaald soort rijm; klinkerrijm: alleen de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar, niet de daaropvolgende medeklinker(s).Assonantie is een soort halfrijm, net als acconsonatie. Assonantie komt zowel voor aan het eind van de versregel (eindrijm met assonantie) als binnen de versregel (binnenrijm met assonantie).

asymmetrie
opsomming van ongelijkwaardige elementen;deze opsomming heeft een humoristisch effect. Als de asymmetrie onbedoeld is,voortvloeit uit slordigheid of onvermogen,dan is er uiteraard sprake van een stijlfout.

asyndetische vergelijking
beeldspraak die berust op overeenkomst; net als bij de als-vergelijking wordt niet alleen het beeld genoemd, maar ook het bedoelde,het object. Alleen worden beeld en object niet verbonden door (`zo`)`als` of een werkwoord als schijnen of lijken.

asyndeton
term die aangeeft dat er tussen de delen van een opsomming (enumeratie) geen verbindingswoord als `of` of `en` staat.

auctoriaal perspectief
term uit de verhaalanalyse; het verhaal of de roman wordt verteld vanuit het perspectief (gezichtspuntstandpunt) van een alwetende verteller die soms als `ik` in het verhaal een klein rolletje speelt, maar meestal alleen als onzichtbare `regisseur` de touwtjes in handen heeft. Enige kenmerken van de auctoriale vertelwijze:
1.de (afwezige) verteller staat boven de handeling en de optredende personages;
2.hij kan d.m.v. flashbacks en flashforwards de handeling onderbreken;
3.hij kan commentaar geven op de handelingen en de karakters van de verhaalpersonages.

ballade
1. gedicht bestaande uit 3 strofen van meestal 8 regels en een 4e strofe bestaande uit 4 regels die wat de eerste woorden betreft de herinnering bewaart aan de oude rederijkersballade,waarvan de laatste strofe altijd begint met `Prince` (de prins was de titel van de beschermheer van een rederijkerskamer.Een ander kenmerk van de (rederijkers)ballade is dat elke strofe eindigt op een (nagenoeg) gelijke regel. (zie hieronder ‘Het stenen kindje’)
2. een lang strofisch gedicht waarin op eenvoudige wijze een romantisch verhaal wordt verteld. Ze worden ook wel volksballaden genoemd.( Een bekend voorbeeld is ‘Het lied van heer Halewijn’)

beeldspraak
een stijlmiddel: het gekozen woord of de uitdrukking moet niet letterlijk genomen geworden, maar is gekozen op grond van een overeenkomst of een andere relatie met wat er `eigenlijk` bedoeld wordt. De soorten beeldspraak die berusten op overeenkomst:

binnenrijm
rijm binnen de versregel; zowel volrijm als halfrijm kunnen als binnenrijm optreden.

blanke verzen
rijmloze verzen,d.w.z. gedichten zonder eindrijm; er kunnen binnen de versregel wel allerlei soorten rijm voorkomen, zoals assonantie,alliteratie etc.

chiasme
kruisstelling; bepaalde stijlfiguur: twee bij elkaar horende zinnen of zinsdelen vormen wat de woordvolgorde betreft elkaars spiegelbeeld.

climax
bepaalde stijlfiguur: een opsomming waarvan de delen in kracht toenemen. Climax is dus stijging naar het hoogtepunt; na het hoogtepunt kan een anticlimax volgen, zoals in het onderstaande gedicht.

continue vertelwijze
term uit de verhaalanalyse; als een verhaal verteld wordt zonder grote sprongen in de tijd ( van heden naar verleden of omgekeerd) en er ook geen sprake is van opvallende perspectiefwisseling is er sprake van continu vertellen.Zijn er wel opvallende sprongen in de tijd en-of opvallende perspectiefwisselingen, dan is er sprake van discontinue vertelwijze.

cyclische compositie
cyclische vertelwijze; term uit de verhaalanalyse; de roman of het verhaal is zodanig opgebouwd, dat het begin en het eind ervan identiek zijn of elkaar a.h.w. spiegelen. Zie ook onder post rem.

dactylus
versvoet bestaande uit resp. een beklemtoonde en twee onbeklemtoonde lettergrepen. De laatste dactylus hoeft niet ‘volledig te zijn: soms komt er na de eerste beklemtoonde lettergreep slechts één onbeklemtoonde lettergreep ( zie r. 2 van het gedicht van Potgieter), soms zelfs eindigt de versregel met de beklemtoonde lettergreep.( Zie r. 1,2 en 3 van Potgieters vers.)

Distanzstellung
bepaalde stijlfiguur: woorden of woordgroepen die syntactisch bij elkaar horen (bijv. onderwerp en persoonsvorm-) worden van elkaar gescheiden. Soms wordt een zinsdeel herhaald,opdat de lezer het verband blijft zien,zoals in het eerste voorbeeld. In de voorbeelden zijn de zinsdelen die bij elkaar horen onderstreept.

distichon
strofe van 2 regels; een gedicht kan uit uitsluitend distichons bestaan.

dramatiek
hoofdgenre in de literatuur; de twee andere hoofdgenres zijn lyriek en epiek. Onder dramatiek verstaan we alle subgenres van literatuur waarvan de tekst bedoeld is om op te voeren. Enige dramatische subgenres:klassiek drama, blijspel,klucht,absurd toneel etc.

dubbelrijm
bepaald soort rijm; rijm waarbij niet één maar twee beklemtoonde lettergrepen op elkaar rijmen (met eventueel daarop volgende onbeklemtoonde lettergrepen).

dynamisch vers
(of het vrije vers) gedicht zonder vaste strofenlengte en zonder eindrijm en metrum.Ook de lengte van de versregels varieert sterk. Dynamische verzen werden veel geschreven door expressionisten als Marsman en experimentelen als Lucebert en Elburg.

eindrijm
rijm (volrijm of halfrijm) aan het eind van de versregels.

elegie
klaaglied; het hoofdmotief van de meeste klaagliederen is de dood of het einde van de vreugde der liefde. Bekende elegieën zijn Vondels Kinder-lyck (n.a.v. de dood van zijn zoontje) en het middeleeuwse Egidius-lied. Een 20ste-eeuwer die een aantal elegieën schreef is J.C. Bloem.

elisie
uitstoting van een onbeklemtoonde lettergreep ter wille van het metrum.

ellips
een stijlfiguur: een zin zonder onderwerp en persoonsvorm, vaak geplaatst aan het begin van een tekst. Meestal geeft de ellips kort en bondig de plaats en-of sfeer van de handeling.

enjambement
de ene versregel loopt zonder pauze in de volgende over. Enjambementen zijn het meest opvallend als de spanning tussen versregel en zinsbouw het grootst is; dat is het geval wanneer het laatste woord (of zinsdeel) van de ene regel syntactisch nauw aansluit bij het eerste woord (of zinsdeel) van de volgende regel.

enumeratie
(ook: opsomming) bepaalde stijlfiguur: een opsomming van een aantal inhoudelijk bij elkaar horende elementen. Deze opsomming kan al of niet met het voegwoord `en` gepaard gaan.Opsomming met `en` noemen we enumeratie met polysyndeton,opsomming zonder `en` enumeratie met ayndeton.

epenthesis
toevoeging van een onbeklemtoonde lettergreep ter wille van het metrum, bijv. onherberregzame verrukkingen (A.Roland Holst),wellekom (Geerten Gossaert)

epiek
literatuur waarin het verhaal centraal staat. Tot de bekendste epische genres behoren de roman, de novelle en het epos (=heldendicht)

epigram
puntdicht; een kort,puntig,kernachtig gedichtje. Het genre werd tijdens de Renaissance veel beoefend (Hooft,Huygens); later o.a. door de 19e-eeuwer Staring. Ook in de moderne poëzie kan men het aantreffen.

epiloog
nawoord,uitleiding; zowel een roman als een toneelstuk kan na afloop van de eigenlijke handeling een nawoord hebben; vgl. het slot van de abele spelen, het slot van De familie Kegge en het einde van de roman Vanwege een tere huid.

eufemisme
bepaalde stijlfiguur: een term of uitdrukking die in een bepaalde situatie kwetsend kan zijn of minder aangenaam om te horen, wordt vervangen door een term of uitdrukking die minder hard aankomt doordat hij vager is. Het ligt voor de hand dat er veel eufemismen zijn voor dood en ziekten en voor allerlei zaken die (nog) in de taboesfeer liggen.Politici verhullen vaak de onaangename waarheid voor hun kiezers en verzinnen telkens nieuwe eufemismen ,d.w.z. nietszeggende termen voor bijv. werkloosheid (`krapte op de arbeidsmarkt`) en bezuinigingen van de overheid (`beleidsombuigingen`) Een eufemisme lijkt op een understatement; het verschil is dat een understatement niet wordt gekozen om iets onaangenaams te verhullen; een understatement is een originele en vaak grappige `onderdrijving`. Het is juist niet de bedoeling de onaangename we rkelijkheid te maskeren; die werkelijkheid komt juist door het understatement scherp `in beeld`.

exclamatie
stijlfiguur die tot doel heeft de aandacht van de lezer of toehoorder te trekken met een emotionele uitroep.

fabel
1.een kort gedicht waarin dieren als denkende wezens worden voorgesteld en waarin aan het slot een moraal zit. Bekend is de middelnederlandse fabelbundel Esopet,een vertaling van de verzameling Latijnse fabels van Aesopus.
2. de korte inhoud van een drama of roman.

flash-back
term uit de verhaalanalyse; terugblik of retroversie.

gebroken rijm
bepaald rijmschema: a b c b of a b a c

gekruist rijm
bepaald rijmschema: a b a b

glijdend rijm
volrijm waarbij na de beklemtoonde rijmende lettergreep nog twee onbeklemtoonde lettergrepen volgen ( twijfelen:weifelen). Glijdend rijm is een van de drie soorten volrijm: de twee andere zijn: mannelijk rijm en vrouwelijk rijm.

halfrijm
bepaald soort rijm; zie onder assonantie en acconsonantie

hendiadys
bepaalde stijlfiguur: een onderschikkende betrekking ( bijv. een bijvoeglijk naamwoord met een zelfstandig naamwoord) wordt door nevenschikking ( bijv. een zelfstandig naamwoord met een zelfstandig naamwoord) uitgedrukt.

hyperbool
bepaalde stijlfiguur:een opzettelijke overdrijving. Vaak staat de hyperbool in dienst van de ironie.

ik-perspectief
term uit de verhaalanalyse; het verhaal of de roman wordt verteld door een ik-verteller die tevens de hoofdpersoon van het verhaal is.De ik-vertelsituatie verschilt duidelijk van de auctoriale vertelsituatie :bij de auctoriale vertelsituatie komt soms ook een `ik` voor, maar deze is slechts de verteller van het verhaal waar hij a.h.w. `boven` of `buiten` staat; de `ik` bij de ik-vertelsituatie staat midden in het verhaal, is de hoofdpersoon .Deze `ik` heeft niet als de auctoriale `ik` overzicht en inzicht in de handeling en de personages.

indirecte lyriek
bepaalde soort lyriek; indirecte lyriek lijkt te gaan over de personage die in het gedicht wordt beschreven (en die soms een `ik` is), maar in werkelijheid drukt de dichter via dit personage zijn eigen thematiek uit. Bekende dichters die veel indirecte lyriek hebben beoefend zijn Bloem en Slauerhoff.

inversie
bepaalde stijlfiguur: de zin begint niet wat `normaal` is met het onderwerp en dan de persoonsvorm en vervolgens de andere zinsdelen (O+P+A), maar met een bepaling, waarna de persoonsvorm volgt en daarna het onderwerp (A+P+O)

ironie
bepaalde stijlfiguur met de bedoeling op milde wijze te spotten. Vaak bedoelt de spreker of schrijver het tegenovergestelde van wat hij zegt of schrijft.

Italiaans sonnet
zie onder sonnet.

katharsis
reiniging,zuivering; de reinigende werking van literatuur en van kunst in het algemeen. Men `leert` er iets van, al is het voor iedereen moeilijk onder woorden te brengen wat hij `leert` van een prachtig stuk muziek, een aangrijpend drama of een ontroerend gedicht.

knittelverzen
gedichten die onbeholpen aandoen doordat de dichter met opzet gebruik maakt van lelijke,geforceerde rijmen, niet kloppende beeldspraak, anakoloeten,onhandige enjambementen,asymmetrieën,hyperbolen enz. Een meester in het genre was De Schoolmeester.

kruisstelling
zie chiasme

kwatrijn
strofe van vier regels. Zie ook Oosters kwatrijn.

limerick
een vijfregelig gedichtje met het rijmschema a a b b a ; de regels 1,2 en 5 zijn langer dan de regels 3 en 4; de inhoud is meestal kolderiek.

litotes
stijlfiguur waarbij men een bepaald begrip uitdrukt door het tegenovergestelde begrip te ontkennen, bijv. dat lijkt me geen verstandig plan (een idioot plan). Meestal is een litotes tevens een understatement: Ik sta als supporter van Ajax niet te juichen als ik zie hoe mijn club door Philips in de pan wordt gehakt.

lyriek
literatuur waarbij gevoelens centraal staan. De meeste poëzie behoort uiteraard tot de lyriek, al heb je ook poëzie die tot de epiek behoort (bijv.Homerus` Ilias). Wat langere gedichten kunnen soms om het verhaalelement erin episch worden genoemd en om de gevoelens die centraal staan lyrisch, bijv. Martinus Nijhoffs gedichten Het uur U en Awater.

mannelijk rijm
ook staand rijm; een bepaald soort rijm: volrijm of halfrijm waarbij na de rijmende beklemtoonde lettergreep geen onbeklemtoonde lettergreep of lettergrepen meer volgen. Gaan-staan is mannelijk rijm, evenals lust- mist (acconsonantie) en zwaar-laag (assonantie).

medias in res
term uit de verhaalanalyse; een compositie medias in res wil zeggen dat het verhaal, de roman midden in de handeling begint. Er is dus niet zoals bij een verhaal dat ab ovo begint eerst een soort inleiding waarin De personages worden voorgesteld. De tekst begint meteen met een of andere sccne, terwijl de lezer nog niet weet `waar het over gaat`.De `voorgeschiedenis` wordt in de loop van de handeling aan de lezer duidelijk.

meervoudig perspectief
een roman of verhaal kan worden verteld vanuit het perspectief van verschillende personages. We onderscheiden meervoudig ik-perspectief(bijv. De Metsiers) en meervoudig personaal perspectief (bijv. De kroongetuige van Maarten `t Hart)

metafoor
beeldspraak die berust op overeenkomst tussen het beeld en dat wat ermee wordt `bedoeld`, het object. Bij een als-vergelijking en een asyndetische vergelijking worden zowel beeld als object genoemd. Bij een metafoor wordt alleen het beeld genoemd.

metonymia
beeldpraak die niet berust op overeenkomst tussen beeld en dat wat ermee wordt `bedoeld` (het object), maar op een andere relatie, bijv. materiaal- voorwerp ( de ijzers voor de schaatsen, het leder voor de bal) of voorwerp voor de inhoud ( een glas voor bijv. wijn), of deel voor geheel. Bijv. Het was jaren geleden dat zij de ijzers onderbonden voor een lange schaatstocht. Of: Geef mij nog maar een glaasje!

metonymia
De relatie tussen beeld en object is die van deel-geheel. Voorbeelden: Even de neuzen tellen, De vloot bestond uit 14 zeilen.

metrum
regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. We onderscheiden de volgende soorten metrum: jambe,trochee,anapest,dactylus en amfibrachys.

middenrijm
In het midden van twee opeenvolgende versregels rijmen de woorden op elkaar.

motief
In een verhalende tekst van enige omvang kunnen we in de regel enkele motieven onderkennen. Onder motieven verstaan we elementen die in het verhaal verschillende keren terugkomen, in dezelfde of in iets gewijzigde vorm, en die verband houden met de hoofdthematiek in het verhaal . Deze verhaalelementen kunnen van verschillende aard zijn: gebeurtenissen, situaties, uitspraken, gevoelens, bepaalde woorden, symbolen of metaforen.
Motieven accentueren de een of andere karaktertrek van de hoofdpersoon, ze werpen een scherper licht op bepaalde situaties, ze onderstrepen de betekenis van zekere gebeurtenissen.

motto
korte tekst, boven een stuk geplaatst (of aan het begin van een boek), die er in het kort de bedoeling van aanduidt. Via het motto drukt de auteur meestal de hoofdgedachte van zijn werk uit; meestal is het motto een min of meer bekend citaat uit het werk van een andere auteur.

octaaf
de beide kwatrijnen van een sonnet

ode
bepaald genre in de lyriek: een loflied, waarbij de gene wie de lof gold,rechtstreeks wordt toegesproken.Het genre werd in de renaissance veelvuldig beoefend,o.a. door Jan van der Noot en Joost van den Vondel. In deze tijd wordt het genre nauwelijks nog beoefend,of het moest zijn om juist met iemand de draak te steken. Dan wordt de ode in feite een parodie. De stijlfiguur die zowel in de serieuze ode als in de parodistische ode opvalt is die van de hyperbool. In de onderstaande ode is uiteraard ook sprake van de stijlfiguur ironie.

omarmend rijm
Bepaald rijmschema: a b b a

oogrijm
bepaald soort rijm; er lijkt als je alleen maar kijkt naar de woorden sprake te zijn van volrijm; als je ze uitspreekt, `verdwijnt` het rijm.

Oosters kwatrijn
een vierregelig gedicht (rijmschema a a b a) met een levenswijsheid. De grote meester was de Perzische dichter Omar Khayyam (ca. 1050); zijn gedichten zijn-via het Engels- vertaald door J.H.Leopold.)

opsomming
zie enumeratie

parallellisme
bepaalde stijlfiguur: een aantal zinnen begint met hetzelfde woord of de zelfde woorden en verlopen ook verder op identieke wijze.

parodie
een grappige of venijnige nabootsing van een bepaald (bekend) persoon of van een (bekend) kunstwerk. Bekend zijn de parodieën van Frederik van Eeden op de poëzie van in zijn tijd beroemde dichters. (gebundeld in Grassprietjes, onder het pseudoniem Cornelis Paradijs.) H.H. Polzer (Drs. P.) parodieerde de beginstrofen van twee bekende gedichten van Willem Kloos:

pars pro toto
bepaald soort beeldspraak

personificatie
beeldpraak die berust op het als mens voorstellen van abstracties of voorwerpen.

perspectief
(vertelperspectief) term uit de verhaalanalyse; er zijn vier soorten vertelperspectief: auctoriaal perspectief,ik-perspectief,personaal perspectief en scènisch perspectief.

perspectiefverschuiving
elke verandering in het vertelperspectief; er bestaan bijv. romans waarvan de hoofdstukken vanuit het perspectief van verschillende personages zijn verteld. We spreken dan van meervoudig perspectief.

pleonasme
bepaalde stijlfiguur: een logisch gezien overbodig woord,omdat het begrip dat door dat woord wordt uitgedrukt al in een ander woord ligt opgesloten. Een pleonasme is een overbodige bepaling,terwijl een tautologie een overbodig synoniem is. Een pleonasme: passerende voorbijgangers; een tautologie: hollen en draven. Dit zijn geen voorbeelden van stijlfiguren, maar van stijlfouten, omdat ze geen functie hebben,voortvloeien uit slordig of ondoordacht taalgebruik. Pleonasme en tautologieën zijn stijlfiguren als ze bijdragen aan de expressie van een gedachte of gevoel. Zo staan er in het hieronder staande gedicht als je `logisch` leest nogal wat pleonasmen, maar storen doen ze niet, integendeel.

poésie parlante
poëzie die wat woordkeus en zinsbouw betreft de spreektaal benadert. Meesters van de poësie parlante zijn Martinus Nijhoff,E. du Perron,Remco Campert en Rutger Kopland.

poésie pure
Poëzie waarbij het in de allereerste plaats gaat om klank en ritme; de ‘inhoud’ wordt voornamelijk door klank en ritme gesuggereerd. Poésie pure vindt men o.a. bij Van Ostayen, Lucebert en Hanlo.

polysyndeton
term die aangeeft dat er tussen de delen van een opsomming (enumeratie) een verbindingswoord (bijv. `en`) staat. Zie ook asyndeton.

post rem
term uit de verhaalanalyse; een compositie van een roman of verhaal waarbij het begin het einde van de handeling is. Het vervolg is een lange flash-back. Wanneer we aan het slot van de roman of het verhaal weer uitkomen bij de handeling waarmee het boek was begonnen, spreken we van een cyclische compositie.

prolepsis
bepaalde stijlfiguur: het zinsdeel dat nadruk moet krijgen, wordt gedsoleerd vooropgeplaatst. Er volgt daarna géén inversie; het vooropgeplaatste zinsdeel wordt d.m.v. een voornaamwoord herhaald.

proloog
voorwoord, inleiding; zowel een roman als een toneelstuk kan worden voorafgegaan door een proloog waarin bijv.de personages worden voorgesteld en-of wordt aangekondigd waarover het zal gaan.

prospectie
term uit de verhaalanalyse; vooruitwijzing.Verhaalelementen wijzen soms vooruit naar wat later in het verhaal gebeurt. Prospecties zijn meestal spanningverwekkend.

proteron husteron
bepaalde stijlfiguur: de feiten worden niet in chronologische maar in psychologische volgorde gepresenteerd. D.w.z. dat niet wordt verteld wat eerst komt, maar wat het belangrijkste is.

rederijkersballade
zie onder ballade (1)

repetitio
bepaalde stijlfiguur: een woord of zinswending wordt ongewijzigd herhaald.

retorische vraag
bepaalde stijlfiguur: een mededeling in de vorm van een vraag.

retroversie
term uit de verhaalanalyse;flash-back of terugblik.

rondeel
gedicht bestaande uit 8 of 13 regels,waarbij bepaalde regels letterlijk worden herhaald. Bij een 8- regelig rondeel zijn r. 1,4 en 7 aan elkaar gelijk zijn, evenals de regels 2 en 8; bij een 13-regelig rondeel zijn de regels 1,7 en 13 aan elkaar gelijk,evenals de regels 2 en 8.