Kopie van `De Tuinkrant - Lexicon fruitrassen en bestuiving`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


De Tuinkrant - Lexicon fruitrassen en bestuiving
Categorie: Planten en dieren > Groente en Fruit
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 42


Aziatische peer, appelpeer, (Nashi)
Pyrus pyrifolia (synoniem Pyrus serotina) Appelpeer, meloenpeer, waterpeer en Aziatische zandpeer (Nashi). Een appelvormige peer, welke in smaak en vastheid meer op meloenen lijkt dan op peren. Vooral geschikt voor fruitsla-schotels.

Basisras
Meestal wordt een basisras (vb. `Jonagold`) niet meer aangeraden om aan te planten. De beter gekleurde mutanten `Jonagold` -Novajo (`NOVAJO`, `Jonagored` (MORREN`S JONAGORED) raadt men wel aan te planten. Een basisras is het oorspronkelijke ras.

Bestuiving
Het overbrengen van stuifmeelkorrels naar de stempel van een bloem. Dit kan op natuurlijke wijze gebeuren door de zwaartekracht, door de wind, door insecten, of op kunstmatige wijze met de hand zoals bij de Asimina triloba (Pawpaw)

Beurtjaargevoelig
Fruitrassen die slechts om de twee jaar rijkelijk vruchten dragen, noemt men beurtjaargevoelig. De tussenjaren met geen of weinig productie zijn de beurtjaren. Een draagjaar is het tegengestelde van een beurtjaar.

Bevruchting
In principe de samensmelting van een kern van een stuifmeelkorrel (mannelijk) met het onontwikkelde zaad of de zaadknop (vrouwelijk). Dit leidt tot de vorming van een zaad.

Bewaarras
Winterras. Een fruitras welke heel gemakkelijk en lang te bewaren is. Bewaarrassen bij appel zijn Malus `Jonagold`, `Schone van Boskoop`. Goede bewaarrassen bij peren zijn o.a. Pyrus `Conference`, `Concorde`, `Saint Rémy` en `Comtesse de Paris`, ..

Boom (fruitboom)
Een grote plant met een houtige stengel, met een onvertakt stamstuk of hoofdstam onder de vertakte kruin.

Chromosomen
Zeer kleine lichaampjes, ook wel kernlissen genoemd, in de kern van plantencellen. Ze dragen de erfelijke eigenschappen.

Cultivar
Een afkorting van cultuurvariëteit (ook wel aangegeven als cv.). Dit zijn planten die uit een soort, variëteit of kruising zijn ontstaan of geselecteerd en die op vegetatieve wijze wordt vermeerderd, hetgeen inhoudt dat de genetische eigenschappen van de plant behouden blijven.

Cultuurvariëteit
Zie cultivar

Diploid
(aantal chromosomen) Een term voor een plant waarvan de cellen het normale aantal chromosomen bezitten. Elke cel bezit in dat geval van overeenkomstige chromosomen twee exemplaren, waarvan er een van de vaderplant en een van de moederplant afkomstig is. Diplodde rassen hebben meestal goed stuifmeel.

Geregistreerd merk
Volgens de wetgeving in een aantal landen mag aan een product een merk worden toegevoegd. Een merk is een onderscheidingsteken. Het onderscheidt producten van het ene bedrijf, van die van een ander bedrijf. Een merk en merknaam is geen middel om de inhoud (kwaliteit) te beoordelen.

Hardheid
De stevigheid van een bepaalde vrucht. De laatste jaren streeft men naar zo stevig (hard) mogelijke vruchten. Harde vruchten hebben minder te leiden van het transport. Het uitstalleven blijft meestal ook beter. Zeer harde vruchten zijn o.a. Malus `Braeburn` en Malus `Mariri Red` (Rode Braeburn-mutant).

Herfstrassen
Fruitrassen met een beperkte koelhuisbewaring, bijv. bewaarbaar tot eind december. Bijvoorbeeld Pyrus `Beurré Hardy` en `Charneux` (syn. Légipont`).

Hybride Kruising
Een plant verkregen door kruising van bijvoorbeeld twee verschillende variëteiten, ondersoorten, soorten of, bij uitzondering, geslachten. Zulke planten kunnen in hun eigenschappen het midden houden tussen de ouderplanten.

Kruisbestuiving
Bestuiving door een ander fruitras. Een ander ras levert stuifmeel voor de bevruchting. Dit zorgt bijna altijd voor een vergroting van de vruchtbaarheid.

Kruising Hybride
Een plant verkregen door kruising van bijvoorbeeld twee verschillende variëteiten, ondersoorten, soorten of, bij uitzondering, geslachten. Zulke planten kunnen in hun eigenschappen het midden houden tussen de ouderplanten.

Merknamen
Volgens de wetgeving in een aantal landen mag aan een product een merk worden toegevoegd. Een merk is een onderscheidingsteken. Het onderscheidt producten van het ene bedrijf, van die van een ander bedrijf. Een merk is geen middel om de inhoud (kwaliteit) te beoordelen.

Mutant
Een spontaan optredende wijziging in de erfelijke samenstelling van de plant, tot uiting komend in takken met in vorm of kleur afwijkende bladeren, bloemen of vruchten. Dergelijke takken kunnen door stekken of enten worden vermeerderd.

Nabloei
(2de bloei) Bloemen welke veel later verschijnen dan de eerste bloemen aan een boom. Bij peren (Pyrus communis) kan de hoofdbloei bijvoorbeeld rond half april zijn. Bij sommige perenrassen kunnen er in de maand mei, juni en juli nog een klein aantal (ongewenste) bloemen bij komen.

Nomenclatuur
Wetenschappelijke naamgeving, in dit geval van de houtige gewassen.

Parthenocarpie
De vorming van vruchten uit het vruchtbeginsel zonder voorafgaandelijke bevruchting. Parthenocarpie komt o.a. bij Pyrus communis `Conference` en `Saint Rémy` voor.

Ras, rasnamen, cv
Rasnamen of cultivars (cultuurvariëteiten, cv`s) zijn variëteiten, ontstaan in cultuur, door selectie of kruising. Rasnamen mogen normaal niet uit Latijnse woorden bestaan. Ze zijn meestal in een internationale taal (Engels, ..)

Resistente rassen
Rassen of fruitrassen die weerstand bieden aan ziekten en- of plagen. De laatste tijd gebruikt men liever de term `tolerante rassen`. Een lichte aantasting is sommige jaren mogelijk.

Stoofpeer, keukenpeer
Perenrassen welke bijna niet geschikt zijn als eetpeer. (Hard, steencellen, ?) Meestal zijn ze goed te bewaren. Ze zijn bijzonder geschikt om in de keuken te verwerken. (Na koken vallen ze niet uit elkaar tot moes) Enkele stoofperen: Pyrus communis `Saint Rémy`, `Gieser W.` (Meer info zie perenrassen)

Synoniem
Het komt voor dat er twee of meer namen voor een ras worden gebruikt. (vb. Malus `Schone van Boskoop`, `Goudrenet`, `Goudreinette`). Volgens internationale afspraken is de eerstgegeven naam (na 1753) de enige juiste, in dit geval `Schone van Boskoop`.

Taxonomie
De systematische indeling van het planten- en dierenrijk in orden, suborden, families, geslachten en soorten, alsmede de (wetenschappelijke) benaming van deze groepen . Zie ook taxonomische indeling fruitgewassen

Teeltwijze
De techniek waarmee de planten- bomen worden vermeerderd. (Veredelen- enten) In een bredere context slaat het tevens op de wijze waarop de planten, na de vermeerdering op de kwekerij verder worden geteeld tot verhandelbaar materiaal.

Tetraploid
Term voor een plant, waarvan de cellen tweemaal het normale aantal chromosomen bezitten. Zulke planten zijn vaak in alle delen groter, maar bloeien als regel later en zijn minder vruchtbaar.

Tolerant aan bepaalde ziekten
Rassen- fruitrassen die min of meer weerstand bieden aan ziekten en- of plagen. De laatste tijd gebruikt men liever de term `tolerante rassen` dan `resistente rassen`. Een lichte aantasting is sommige jaren mogelijk.

Triploid
(aantal chromosomen) Een plant met drie stellen chromosomen. Triplodden ontstaan gewoonlijk door kruising van planten met het normale aantal chromosomen en die met het dubbele aantal; ze zijn vaak geheel of gedeeltelijk steriel. Slecht stuifmeel en dus slechte bestuivers!

Tweehuizigheid
(plant) Op de plant zitten alleen vrouwelijke bloemen (stamperbloemen) óf alleen mannelijke bloemen (meeldraadbloemen). Actinidia deliciosa (kiwi) is meestal tweehuizig.

Tweeslachtigheid
(bloemen) De bloemen bevatten zowel stampers als meeldraden en zijn dus zowel mannelijk als vrouwelijk.

Uitstalleven
De tijd dat een bepaalde vrucht in de winkel mooi en lekker blijft. Bepaalde appelrassen (vb. Malus `Granny Smith` en Malus `Pinova`) hebben een zeer lang uitstalleven. Andere appelrassen (vb. `Oogstappel` en `Lena`) hebben een zeer kort uitstalleven.

Variëteit, var
Afgekort var. Groepen van planten die op een of meerdere eigenschappen afwijken van de soort en waarvan de eigenschappen in stand blijven bij vermeerdering uit zaad.

Wetenschappelijke naam
Wetenschappelijke naamgeving (of Botanische naam) van planten. Veelal in het Grieks of Latijn. Soms ook in andere talen (Duits, Engels, Frans, ..) Nomenclatuur is de leer of het vak die wetenschappelijke namen bestudeerd. (Meer info over nomenclatuur)

Winterrassen, bewaarrassen
Fruitrassen met een lange koelhuisbewaring, bijv. tot eind mei - juni - juli.

Winterstek, houtstek
Stekken kan in een groot deel van het jaar gebeuren. Worden stekken met blad genomen, dan spreekt men van zomerstek. Kiest men echter stekken zonder bladeren, dan noemt men die winterstek. Slechts een beperkt aantal gewassen is via winterstek te vermeerderen. (Meer info)

Zelf-fertiel Zelf-vruchtbaar
Aanduiding voor een plant, speciaal een vruchtboom, die geen kruisbestuiving (bestuiving door een ander ras) nodig heeft om vruchten en zaden te vormen.

Zelfbestuiving Zelffertiel
De bestuiving waarbij geen vreemd stuifmeel nodig is voor de bevruchting.

Zelfsteriel
Fruitrassen welke hun eigen bloemen niet kunnen bestuiven. Vaak zijn deze rassen ook triplodd. Appelrassen welke zelfsteriel zijn : Malus `Schone van Boskoop`, `Mutsu`, .. (Appelbestuiving info)

Zomerrassen
Fruitrassen die direct van de boom verbruikt worden zonder koelhuisbewaring. Zomerrassen bij appel: Malus `Sunrise`, `Lena`, `Delcorf`, `Vista Bella`, `Summerred`, `James Grieve`. (Zie tabel met rasoverzicht appel)