Kopie van `WVC - JURIWEL:welzijns- gezondheids- en gezinsregelgeving`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


WVC - JURIWEL:welzijns- gezondheids- en gezinsregelgeving
Categorie: Bestuur en organisatie
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 20


Antagonist
(Gr. tegenspeler van de hoofdrolspeler (protagonist). Door de Griekse tragedieschrijver Aschylus (5e eeuw v.C.) ingevoerd. Eerst deuteragonist genoemd, ofwel tweede speler.

Anticlimax
(Gr.) Aan de enumeratie verwante stijlfiguur: opeenvolging van steeds zwakkere woorden of uitdrukkingen: schreeuwen - roepen - zeggen - fluisteren. In dramatisch werk wordt de anticlimax vaak toegepast om een zekere ontspanning te verkrijgen, waarna het hoogtepunt (de climax) des te meer indruk maakt.

Antiheld
Personage in toneelstuk (of roman) dat qua beschrijving, gedrag, opvattingen enzovoort. afwijkt van wat gebruikelijk is in deze genres. Zo noemt men bijvoorbeeld Meursault in `L`Etranger` (1942) van Albert Camus een antiheld. Ook personages uit de nouveau roman en absurde toneelstukken worden als antihelden betiteld. Maar reeds in de schelmenroman is de antiheld aanwezig.

Applaus
Lat. applausus. Handgeklap (voetgestamp) als teken van goedkeuring of bewondering. bijv: met applaus begroeten, een daverend applaus, applausmachine (tv), applauswissel, applausmeter, een warm applaus, een welverdiend applaus, papieren applaus: goede recensies maar geen financieel succes, applaudisseren.

Climax
(Gr.: ladder) Volgens het Aristotelisch model hoogtepunt in een (klassiek) toneelstuk. Wordt voorafgegaan door het motorisch moment en gevolgd door de crisis.

Clown
(Eng.) komische toneelfiguur, hansworst, voortgekomen uit de `stupidus` van het klassieke Romeinse theater, de middeleeuwse hofnar en de Arlecchino uit de commedia dell`arte. In de loop van de 18e eeuw werd de clown populair in het circus, vervolgens ook in de pantomime.

Fool
(Eng.) In de Middeleeuwen de (bij)naam voor de hofnar wiens relativerend-wijsgerige kwinkslagen soms van grote invloed waren op de houding van de vorst bij wie hij in dienst was. Vooral vanwege deze mogelijkheden was hij een geliefde figuur op het toneel en in de koningsdrama`s van Shakespeare speelt hij dan ook meestal een belangrijke rol.

Fysiek spel
Het in houding, beweging en gebaar omzetten van een rol of een begrip. Men loopt en beweegt als de rol en gaat dus niet zomaar wat staan praten, maar geeft er middels het eigen lijf vorm aan.

Klankenspel
Werkwijze waarbij de kinderen in doen-alsofspel geen taal mogen gebruiken, maar klanken moeten produceren. Klanken van dingen zoals het piepen van een denkbeeldige deur (`iiieeee`), het klopgeluid wanneer men met een denkbeeldige hamer hamert enzovoort. Klanken van mensen zoals niesen, huilen, hoesten, geluiden die verbazing, schrik, afschuw en dergelijke uitdrukken enzovoort. Spelopdrachten door mimespel en dergelijke kunnen op deze wijze worden `geïllustreerd`. De nadruk komt op het non-verbale spel te liggen, hetgeen de spelkwaliteit verhoogt.

Kleinkunst
Lichtvoetige kunst: cabaret. De term is van Jean-Louis Pisuisse (1880-1927).

Klucht
Veelal kort, koddig blijspel dat in de eerste plaats het publiek wil laten lachen. In tegenstelling tot de komedie kent de klucht meestal geen uitgewerkte karakters, maar veeleer typen. Het komische effect van de klucht berust vaak op domheden van de hoofdpersoon, visuele grappen en een snelle actie. De grillige plot is vaak opgebouwd rond een geestige situatie of anekdote. Al in Griekenland bekend en populair (Aristophanes, ca. 445-ca. 385 v.C.). De Romeinen vonden, behalve in een eigen kluchttraditie, de zgn. Atellaanse klucht, afkomstig uit het stadje Atella in Campania. Niet altijd van komedie te scheiden.

Side-coachen
Side-coachen houdt in dat de leerkracht zachtjes aanwijzingen geeft terwijl de kinderen doorspelen. Het advies is om het kind eerst gerust te stellen met een compliment en daarna een aanwijzing te geven. Side-coachen gebeurt veel bij improvisaties. Men side-coacht dan bijvoorbeeld op de handelingsgerichtheid van het spel. Ook komt side-coachen voor bij moeilijkheden in het spel, bijvoorbeeld wanneer kinderen uit hun concentratie dreigen te raken.

Sketch
(Eng.) Komisch kort toneelstukje of verhaaltje met een verrassende pointe. Vorm van de klucht: diende in de 19e en 19e eeuw soms als voor- of naspel van een ernstig toneelstuk. Vanaf 1850 vormt de sketch ook een belangrijk bestanddeel van de variétéshow (bijvoorbeeld die van het Nederlandse revueduo Snip en Snap), naast de liedjes en dansjes. Verhalende sketches vindt men bijvoorbeeld in `Ideen: das Buch le Grand` (1826) van Heinrich Heine (1797-1856): korte autobiografische sketches met gedachten over actuele zaken.

Speelvlak
Ruimte waar het spel plaatsvindt. Het ligt vlakbij de halve kring waar de kinderen op stoelen zitten om naar een verhaal te luisteren. Het speelvlak dient zo ruim te zijn, dat alle kinderen er kunnen spelen. Het beste is om daar de speelzaal voor te gebruiken. Soms is het nodig om het speelvlak bijvoorbeeld met banken af te bakenen. Dit om te voorkomen dat kinderen tijdens het spel door voorwerpen aan de kant worden afgeleid.*

Spelschakel
Omslag in het spel. Spelschakels kan men duidelijker maken door ze `groter` oftewel nadrukkelijker te spelen. Spelschakels zitten bijvoorbeeld bij het ontstaan van een idee, schrik, een emotionele reactie enzovoort. Na een spelschakel verandert de spelrichting vaak. Het advies is om de spelschakel overwegend fysiek te spelen, dus niet alleen met tekst tot stand te brengen.

Spelstroom
Situatie waarin spelers ontspannen vanuit hun rol in de gespeelde werkelijkheid reageren. Het kost even voordat een spelstroom op gang komt.

Speltechniek
Technische spelvorm, zoals acteerspel, hoorspel, maskerspel, pantomime en tableau. Deze techniek kan op zichzelf gebruikt worden, maar ook deel uitmaken van een werkvorm: levend schimmenspel (werkvorm) kan bijvoorbeeld gebruik maken van mime (speltechniek).

Speltempo
De intensiteit van het spel en het tempo waarin dit plaatsvindt. Vooral bij productgericht* drama kan er soms door gebrek aan tekstkennis of een hoge speldrempel het gevaar bestaan dat het speltempo te laag ligt, met een grotere kans op fouten en vaak minder boeiend spel. Maar bij kinderen zie je ook wel dat door enthousiasme het speltempo te hoog ligt. Wanneer je dit door een tip of regieaanwijzing wat omlaag brengt, zijn de teksten gelijk beter verstaanbaar en is er ook meer rust om tot samenspel (interactie) te komen.

Uiterlijke regie
Tot de uiterlijke regie worden gerekend: de mise-en-scène (het regelen van de opkomsten en afgangen en verdere bewegingen van de personages), het creëren van het toepasselijke handelingen, een goede uitspraak en intonatie en afwisseling in tempo. De regisseur geeft aanwijzingen aan de decorontwerper, costumier en rekwisiteur. Want decor, kostuums, toneelaankleding en ook belichting en geluidsdecor dienen zijn visie te ondersteunen. Uiteraard houdt hij bij dit alles rekening met genre, tijd en plaats van het stuk.

Vrije sector
Ongesubsidieerd toneel, zogenaamde commerciële producties die vaker gespeeld moeten worden om investering terug te verdienen. Zoals musicals.