Kopie van `WVC - JURIWEL:welzijns- gezondheids- en gezinsregelgeving`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


WVC - JURIWEL:welzijns- gezondheids- en gezinsregelgeving
Categorie: Bestuur en organisatie
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 74


Acteur
(Fr. 13e eeuw) toneelspeler.

Actiemoment
Moment in een toneelstuk dat in directe verbinding staat met een voorafgaand en volgend speelmoment. Het kan bovendien verbonden zijn met een moment in het verleden, heden of toekomst, of met de werkelijkheid buiten het toneelstuk. Ook: speelmoment.

Afschermen
Wanneer een speler het publiek het zicht ontneemt op een medespeler die de focus zou moeten hebben, spreekt men van `afschermen`. Kinderen hebben soms niet de publieksgerichtheid en het ruimtelijke inzicht om ervoor te zorgen dat de toeschouwers ook daadwerkelijk de belangrijkste informatie kunnen volgen, hebben niet door dat ze `ervoor staan`.

Afspraakspel
Spel dat `van tevoren is afgesproken`, bijvoorbeeld is voorbereid in werkvormen. Het afspreken wordt veelal gedaan om tot een presentatie te komen. Ook bij acteerspel spreekt men vaak van `afspraakspel`, maar de term is in wezen van toepassing op iedere spelvorm die via afspraken tussen spelers wordt gepresenteerd.

Antagonist
(Gr. tegenspeler van de hoofdrolspeler (protagonist). Door de Griekse tragedieschrijver Aschylus (5e eeuw v.C.) ingevoerd. Eerst deuteragonist genoemd, ofwel tweede speler.

Anticlimax
(Gr.) Aan de enumeratie verwante stijlfiguur: opeenvolging van steeds zwakkere woorden of uitdrukkingen: schreeuwen - roepen - zeggen - fluisteren. In dramatisch werk wordt de anticlimax vaak toegepast om een zekere ontspanning te verkrijgen, waarna het hoogtepunt (de climax) des te meer indruk maakt.

Antiheld
Personage in toneelstuk (of roman) dat qua beschrijving, gedrag, opvattingen enzovoort. afwijkt van wat gebruikelijk is in deze genres. Zo noemt men bijvoorbeeld Meursault in `L`Etranger` (1942) van Albert Camus een antiheld. Ook personages uit de nouveau roman en absurde toneelstukken worden als antihelden betiteld. Maar reeds in de schelmenroman is de antiheld aanwezig.

Applaus
Lat. applausus. Handgeklap (voetgestamp) als teken van goedkeuring of bewondering. bijv: met applaus begroeten, een daverend applaus, applausmachine (tv), applauswissel, applausmeter, een warm applaus, een welverdiend applaus, papieren applaus: goede recensies maar geen financieel succes, applaudisseren.

Cast(ing)
(Eng.), rolbezetting, rolverdeling: rolbezetting in een film, show of televisiestuk.

Climax
(Gr.: ladder) Volgens het Aristotelisch model hoogtepunt in een (klassiek) toneelstuk. Wordt voorafgegaan door het motorisch moment en gevolgd door de crisis.

Clown
(Eng.) komische toneelfiguur, hansworst, voortgekomen uit de `stupidus` van het klassieke Romeinse theater, de middeleeuwse hofnar en de Arlecchino uit de commedia dell`arte. In de loop van de 18e eeuw werd de clown populair in het circus, vervolgens ook in de pantomime.

Coulisse
beweegbaar zijstuk van het toneeldecor

De W`s
Wie? Wat? Waarom? Waar? Wanneer? Vijf belangrijke vragen om een spel mee op te bouwen. 1. Wie ben je? (de rol die je in het drama speelt.) 2. Wat ben je aan het doen? (de handeling, dus wat er gebeurt in het drama.) 3. Waarom gebeurt dat? (Vanwege het probleem, het conflict waarop je gefocust bent.) 4. Waar speelt zich dit af? (De plaats van handeling.) 5. Wanneer gebeurt het? (De tijd.) Dit zijn ook handige vragen waarmee kinderen een spel kunnen observeren en aan de hand waarvan geëvalueerd kan worden.

Decor
1. de gezamenlijke rekwisieten die dienen als achtergrond in films, toneelstukken, revues en dergelijke; 2. bouwsels op het toneel die de plaats van handeling voorstellen van een toneelstuk of filmopname. In Griekenland grote beschilderde doeken (katablemata) of driezijdig beschilderde, draaibare prisma`s (periaktoi). In het middeleeuwse simultaantoneel plaatste men afzonderlijke decors voor een groot aantal scènes in serie. In de Renaissance vast (met perspectief) of beweeglijk. Baroktheater coulissendecor. Vorstenhoven kenden changements à vue in spektakelstukken. Later ook toneellift, draaitoneel, simultaantoneel (bijvoorbeeld twee verdiepingen van een huis). 3. fig. omgeving waarin iets zich afspeelt: de vredesonderhandelingen vonden plaats tegen een decor van verwoeste gebouwen.

Deus ex machina
(Lat.: god uit de machine) Persoon of zaak die als reddende engel opeens op het toneel verschijnt; term uit de dramatiek, voor het eerst gebruikt door Plato. Wanneer Griekse dramaturgen de door hen opgeroepen conflicten niet zelf konden oplossen, voerden zij dikwijls een godheid ten tonele om de zaak recht te trekken. Deze godheid (deus) werd dan via een soort kraan (machina) vanuit de hoogte neergelaten. Nederlands voorbeeld: de verschijning van de engel Gabriël in Vondels `Gijsbrecht van Aemstel`. Overdrachtelijk gebruikt men de term nu voor een ontknoping van een toneelstuk die niet logisch uit de handeling of de karakters voortvloeit.

Deuteragonist
(Gr.: de tweede speler) Een van de drie typen toneelspelers van het klassieke Griekse drama. De deuteragonist is de tegenspeler van de pathosspeler of protagonist. De derde speler, de tritagonist, kan meerdere functies vervullen. De deuteragonist werd later antagonist genoemd.

Dialoog
(Gr.) Tweespraak, gesprek; discussie. In strikte zin de literaire vorm van een gesprek en als zodanig een in de klassieke Oudheid ontstaan literair genre. Vergelijk het met Plato`s Dialogen. Deze dialoogvorm werd gebruikt voor wetenschappelijke, moralistische of didactische werken en bleef zeer lang een geliefde manier om iets uit te leggen. In ruimere zin is de dialoogvorm een samenspraak, een gesprek tussen twee of meer personen in een literair werk (novelle, roman, toneelstuk). In deze vorm moet de dialoog de karakteruitbeelding bevorderen (wat gezegd wordt moet in overeenstemming zijn met alle facetten van de persoonlijkheid van de spreker) en in een toneelstuk bovendien bijdragen tot de ontwikkeling van de handeling. Een voorbeeld van een roman in dialoogvorm is Thomas Wendt (1919) van Lion Feuchtwanger (1884-1958).

Didactisch hulpmiddel
Drama als didactisch hulpmiddel betekent dat het dramavak wordt ingezet om andere lesstof te verhelderen of te ondersteunen.

Doen alsof
Het doen alsof is kenmerkend voor het spel bij drama. Dit geldt zowel voor de acteur die Hamlet speelt als de kleuter die in de speelhoek moeder speelt die thee inschenkt. Drama is fictie. Dat wil zeggen, je doet alsof je iemand anders bent op een andere plaats en in een andere tijd. Maar merkwaardig genoeg voelt dit `doen alsof` aan alsof het echt is, het is `net echt`. Dit is de kracht van drama. Want drama is een echte ervaring. En als deze ervaring wordt bewust gemaakt door middel van reflectie, kun je er van `leren`. In de zin van: tot een bepaald inzicht of verandering van inzicht komen. Zo kan het drama over de rattenvanger van Hamelen bij kinderen leiden tot een inzicht in wat betrouwbaarheid is.

Doorloop (voorstelling)
Toneelrepetitie waarbij er niet onderbroken wordt voor het maken van opmerkingen.

Dramatiek
Toneelkunst. Overeenkomstig de traditioneel geworden indeling van Aristoteles is dit uit een van de drie uitingsvormen binnen de literatuur: epiek (verhalende dichtkunst en proza), lyriek (poëzie) en dramatiek (toneel).

Dramatisch
1. op het drama, het toneel betrekking hebbend, van de aard van of op de wijze van een drama: dramatische poëzie (toneelstukken in verzen). 2. spectaculair, opzienbarend, een sterk effect hebbend.

Dramaturg
Oorspronkelijk toneelschrijver, tegenwoordig de artistieke, meestal universitair geschoolde adviseur van de toneeldirectie die ondermeer zorg draagt voor de presentatie aan pers en publiek en het repertoire mede bepaalt.

Dramaturgie
Leer van de dramatische kunst. Oorspronkelijk het schrijven en opvoeren van drama`s. Bovendien het deel van de poëtiek dat betrekking heeft op het drama. Tegenwoordig de theorie van het drama, gecombineerd met een verklaring van en een toelichting op de wetten die op de dramatiek van toepassing zijn. Belangrijke werken op dit gebied zijn onder andere Aristoteles` `Poëtica` (ca. 325 v.C.), Lope de Vega`s `Arte nuevo de harcer comedias` (1609), Boileau-Despraux` ¨l`Art poëtique¨ (1674) en Brechts `Kleines Organon für das Theater` (1948).

Enscenering
Het inrichten voor de vertoning; de aankleding van een theatervoorstelling (toneel, opera, ballet), ook wel montering genoemd. Omvat decors, kostuums, rekwisieten, belichting, filmprojectie en geluidseffecten. Ook wel: art direction (Eng.)

Exemplarisch spel
Spel waarbij één kind bij wijze van voorbeeld voor de klas een begrip uitbeeldt en de rest dat naspeelt. Exemplarisch spel komt hoofdzakelijk in de inleiding van de dramales voor, tijdens het zogenaamde kringgesprek, en het wordt veel in de onderbouw toegepast omdat het een goede structuur biedt en de kinderen op spelideeën brengt voor het vervolg van de les. De leerkracht vraagt bijvoorbeeld: `Deze les gaat over de zee. Wie kan er iets spelen dat mensen op de zee doen?` Kinderen steken hun vinger op en Ewout wordt uitgekozen, hij doet of hij de zeilen van een zeilschip hijst. De klasgenoten raden wat hij speelt. `Prima gedaan, Ewout. Zullen we nu eens kijken of we allemaal de zeilen van zo`n groot zeilschip kunnen hijsen?` Iedereen staat op en speelt zijn eigen versie van het hijsen van zeilen. NB: Wanneer de hele klas het voorbeeld (na)speelt is het gebruikelijk dat de leerkracht óók meedoet.

Expositie
1. toneelvoorstelling; 2. Uiteenzetting. Vervolgens het Aristotelisch model begint een toneelstuk met de expositie (al dan niet voorafgegaan door een gesproken proloog). Deze geeft de toeschouwer een uiteenzetting van de belangrijkste krachten in het stuk. De expositie wordt gevolgd door het motorisch moment.

Fool
(Eng.) In de Middeleeuwen de (bij)naam voor de hofnar wiens relativerend-wijsgerige kwinkslagen soms van grote invloed waren op de houding van de vorst bij wie hij in dienst was. Vooral vanwege deze mogelijkheden was hij een geliefde figuur op het toneel en in de koningsdrama`s van Shakespeare speelt hij dan ook meestal een belangrijke rol.

Fysiek spel
Het in houding, beweging en gebaar omzetten van een rol of een begrip. Men loopt en beweegt als de rol en gaat dus niet zomaar wat staan praten, maar geeft er middels het eigen lijf vorm aan.

Generale repetitie
Laatste repetitie voor de première-uitvoering. Grime (Fr.) (Materiaal voor) het veranderen van het gezicht van toneelspelers: schmink, pruik enzovoort., grimeersel.

Grimeren
Het aanbrengen van kleuren, schaduwen en lijnen op het gezicht. Harlekijn Kluchtige figuur met een bont of geruit pak en een houten sabel. Nederlandse naam van Arlecchino uit de commedia dell`arte. Ook wel: schminken.

Halve kring
De opstelling van de kinderen op stoelen bij het vertellen van een verhaal of bij het kijken naar een presentatie. De stoelen staan in een halve kring rond het spelvlak. Ook: hoefijzeropstelling.

Innerlijke regie
Het interpreteren van het stuk. Ieder (toneel)stuk telt een of meer thema`s, en het is de taak van de regisseur tot een eigen visie te komen, die aan de thematiek de grootst mogelijke zeggingskracht verleent. De visie van de regisseur is bepalend voor alle elementen van de voorstelling (spel, decor, geluid, belichting, kostumering enzovoort.) en fungeert dus als het middel dat een organische eenheid van de voorstelling maakt. De regisseur helpt de acteurs bij het opbouwen van de karakters van de personages. Aantekeningen over het stuk noteert hij in het regieboek.

Karakter
Rol, figuur, karakter in een verhaal of toneelstuk. Bijv: `flat character` (karikatuur) versus `round character` (meerzijdig, meerdimensionaal). Ook: personage.

Klankenspel
Werkwijze waarbij de kinderen in doen-alsofspel geen taal mogen gebruiken, maar klanken moeten produceren. Klanken van dingen zoals het piepen van een denkbeeldige deur (`iiieeee`), het klopgeluid wanneer men met een denkbeeldige hamer hamert enzovoort. Klanken van mensen zoals niesen, huilen, hoesten, geluiden die verbazing, schrik, afschuw en dergelijke uitdrukken enzovoort. Spelopdrachten door mimespel en dergelijke kunnen op deze wijze worden `geïllustreerd`. De nadruk komt op het non-verbale spel te liggen, hetgeen de spelkwaliteit verhoogt.

Kleinkunst
Lichtvoetige kunst: cabaret. De term is van Jean-Louis Pisuisse (1880-1927).

Klucht
Veelal kort, koddig blijspel dat in de eerste plaats het publiek wil laten lachen. In tegenstelling tot de komedie kent de klucht meestal geen uitgewerkte karakters, maar veeleer typen. Het komische effect van de klucht berust vaak op domheden van de hoofdpersoon, visuele grappen en een snelle actie. De grillige plot is vaak opgebouwd rond een geestige situatie of anekdote. Al in Griekenland bekend en populair (Aristophanes, ca. 445-ca. 385 v.C.). De Romeinen vonden, behalve in een eigen kluchttraditie, de zgn. Atellaanse klucht, afkomstig uit het stadje Atella in Campania. Niet altijd van komedie te scheiden.

Komedie
Gr. komoidia: optocht, gezang. dramatisch genre dat zich van de tragedie onderscheidt door het geven van een lachwekkende kijk op de mens en op de realiteit van alledag, door een lichtere intrige, een hoger speeltempo en een gelukkig einde. Ook farce of intermedium. Bijvoorbeeld: zwarte komedie, tragikomedie.

Koor
(Gr. choros: rei) In de Oudheid oorspronkelijk een dansruimte voor ronde- en reidans. Het cyclisch koor was een koordans rond een altaar; het dithyrambisch koor een dans bij de Dionysische feesten. Vervolgens: een groep zangers, die in de Griekse spelen en drama`s eenstemmige gezangen ten gehore brachten, doorgaans tezamen met mimische bewegingen. Het koor speelde ook mee of zorgde voor de onderbrekingen van de verschillende episoden (entr`acte); ook gaf het wel commentaar op de handeling (de mening van de dichter of de reacties van het publiek). Het koor in Griekenland bestond uit koristen (vrije burgers). In de naklassieke literatuur spreekt men eerder van reien (bijvoorbeeld bij Vondel), koren die een akte samenvatten of afsluiten.

Mimiek
(Gr. mimikos: nabootsend) 1. gelaatsexpressie. Het via gelaatsuitdrukkingen zichtbaar maken van emoties. 2. Mimekunst.

Mise-en-scène
Enscenering. Onderdeel van de uiterlijke regie: het regelen van opkomsten en afgangen en verdere bewegingen van de personages.

Monoloog
In de dramaturgie een door een van de hoofdpersonen te houden alleenspraak. Dit kan een gemoedsuiting zijn, in feite niet voor andere oren bestemd, maar kan zich ook zeer welbewust tot anderen richten. De literatuur kent vele beroemde monologen, onder andere die van Hamlet, beginnende met de klassieke woorden `To be or not to be`. De monoloog heeft vaak ook de functie het publiek in te lichten: plannen kunnen worden meegedeeld, daden gemotiveerd, de situatie uiteengezet. Een voorbeeld in de romankunst: `Grande sertáo: veredas` (1956) van de Braziliaan Guimaráes Rosa (1908-1967), geschreven in de vorm van één ononderbroken, bijna 500 pagina`s tellende monoloog. In Portnoy`s complaint (1969) van de Amerikaan Philip Roth (1933) uit Alexander Portnoy in een lange monoloog, uitgesproken bij zijn psychiater, zijn klacht.

Open doekje
Een spontaan, bewonderend applaus tijdens een voorstelling, dus bij een open doek.

Paljas
Oorspronkelijk een met stro (Lat.: palea: stro) gevulde hansworst uit het Napolitaanse volkstheater. Te vergelijken met Pierrot. Zijn kostuum was rood-blauw-wit.

Pantomime
(Gr. pantomimos: alles nabootsend). Dramatische kunstvorm waarin uitsluitend door gebaren, choreografische bewegingen en mimische uitdrukkingen datgene wordt uitgedrukt wat aan het publiek moet worden overgebracht. Pantomime werd in het oude Rome op hoog Peil beoefend, maar is later door het christendom bestreden vanwege de erotische inhoud. Leefde in de 16e en 17e eeuw onder andere voort in commedia dell`arte (lazzi: mimische intermezzo`s in de komedie; in Engeland: `Italian night scenes`) en vooral in de danskunst, In de 19e eeuw werd Pantomime een zelfstandige kunstvorm, vooral door toedoen van Jean-Baptiste Gaspard Deburau (1796-1846), die de me- lancholieke Pierrot creëerde, gekleed in een ruim wil pak met zwarte noppen en met een wit geschminkt gezicht. In de 20e eeuw legde de Fransman Etienne Decroux de basis voor de autonome mime, `l`art du silence`; bij was de leermeester van Marcel Marceau (1923), die de figuur Bip (1947) creëerde. In Nederland dient genoemd te worden: Rob van Reyn (geb. 1929), in België: M.A. Hoste. Pantomime was ook een dankbaar middel in de stomme film (Charlie Chaptin, Buster Keaton).

Pathosspeler
De eerste of hoofdrolspeler en daarmee de belangrijkste van de drie dramatische personae in het Griekse drama. Algemeen neemt men aan dat de Griekse dichter Thespis (2e helft 6e eeuw v.C.) als eerste deze rol tegenover het koor geplaatst heeft en daarmee de schepper van het toneel werd. Aeschylus voegde hier de deuteragonist of antagonist (tegenspeler) aan toe en Sophocles de tritagonist.

Première
(Fr.) de eerste vertoning of voorstelling van een op het programma genomen toneelstuk, opera, ballet enzovoort, maar ook de eerste voorstelling van een geheel nieuw artistiek werk.

Presentatie
Het vertonen voor publiek van een voorbereid spel. Uiteraard gebeurt dit bij een theatervoorstelling. Maar ook binnen drama wordt gepresenteerd, zoals een scène of een tableau vivant. Wel is het zo dat presentaties bij drama meer voorkomen bij oudere kinderen dan bij jongere. Dit vanwege het feit dat optreden voor publiek eisen stelt aan de vormkwaliteit van de presentatie. Bij drama vindt de presentatie plaats in het speelvlak, bij theater of op een toneel, duidelijk zichtbaar voor het publiek.

Procesgericht drama
Drama als schoolvak, waarbij het product (bijvoorbeeld het maken van een presentatie) enkel dient om verder te komen met de vakinhoudelijke en persoonlijkheidsvormende doelstellingen die de leerkracht formuleert. Bij procesgericht drama ligt het zwaartepunt van de beoordeling bij hoe het proces verloopt en niet bij de kwaliteit van het eindproduct. De beoordeling van het spel staat altijd ten dienste van de procesgerichte doelen en de verhoging van dramatisch inzicht, nooit van het mooie of geslaagde in productgerichte zin.

Productgericht drama
Hiervan spreken we wanneer er naar een dramatisch eindproduct wordt toegewerkt, naar een voorstelling dus.

Props
Zie: rekwisieten.

Protagonist
Hoofdrolspeler - voorvechter (hij is `pro`- voor, hij wil iets) is een personage dat meestal (dus niet altijd) aanwezig is op de scene tijdens het begin van het stuk. (de inleiding).

Regisseur
Leidende persoon bij de enscenering, opvoering of opname; spelleiding. Is de tussenpersoon tussen de auteur en de uitvoerenden; hij ziet erop toe dat de in het werk aanwezige bedoelingen op consequente wijze worden geïnterpreteerd. en helder in het spel naar voren komen. Zo bepaalt hij, in nauwe samenwerking met de - dikwijls door hem gekozen - artistieke en technische medewerkers, zoals decor-, kostuum- en lichtontwerpers, de uiteindelijke vorm van het te spelen werk. Toneelregie is, in de moderne betekenis van algemene leiding van en verantwoordelijkheid voor een toneelvoorstelling, een betrekkelijk nieuw verschijnsel. In de begintijd was het gebruikelijk dat toneelschrijver, speler, regisseur en theaterdirecteur verenigd waren in een en dezelfde persoon. Beroemde voorbeelden van zulke `all-round` theatermensen zijn onder meer Aeschylus, Sophocles, Euripides, Shakespeare, Molière, Goethe, en in de moderne tijd bijvoorbeeld Pinter. Bovendien gaf het zogenaamde `sterrensysteem`, dat eeuwenlang het theater beheerste, weinig mogelijkheden voor een overdachte regie, doordat alles erop gericht was om de steracteur zo goed mogelijk uit te laten komen. Het leren van een rol was een zaak van de speler persoonlijk, al bestonden er wel verscheidene voorschriften voor het spelen in tragedie en komedie. De voorstelling werd gegeven na een paar repetities, waarbij de toneelmeester voor de benodigde rekwisieten en voor de juiste opkomst en afgang van de acteurs zorgde. Van enig centraal principe waaruit alle theatrale elementen voortvloeiden, was geen sprake.

Rekwisiet
1 vereiste, noodzakelijke eigenschap; 2 toneel benaming voor voorwerpen, benodigd voor een toneelvoorstelling, die niet tot de decoratie of de kostuums behoren.

Repetitie
(Fr. répétition) instudering, voorbereiding en (gedeeltelijke) proef-uit- of opvoering van een toneelstuk dat ingestudeerd wordt. Rol Aandeel (in woord en gebaar) van een speler in een toneelstuk; uit te beelden personage. Rolvast zijn: (toneel)rol goed kennend.

Scène
1. Ook wel tafereel of toneel. Deel van een bedrijf. Afgerond fragment van de handeling (bijvoorbeeld 1e bedrijf, 2e scène) van een theaterstuk. In principe ontstaat er steeds een nieuwe scène wanneer het zich op het toneel bevindende aantal acteurs door opkomen of afgaan een wijziging ondergaat. Vooral in oudere stukken (Shakespeare) zijn de bedrijven uit een aantal duidelijk herkenbare scènes opgebouwd. (2. Meer algemeen verstaat men onder de scène het toneel(podium) en alles wat er zich op bevindt.) Schuiftoneel een wijze van toneel waarbij naar het voor het publiek zichtbare decor zich onzichtbaar reeds het decor voor de volgende scène bevindt. De schuifbaarheid van zowel het zichtbare als het onzichtbare decor betekent een minimum aan tijdverlies om van decor te wisselen en komt daarmee de voortgang van de handeling ten goede. Het principe van deze verschuifbare decors was in de klassieke oudheid bij de Grieken al bekend onder de naam `ekkyklèma`.

Side-coachen
Side-coachen houdt in dat de leerkracht zachtjes aanwijzingen geeft terwijl de kinderen doorspelen. Het advies is om het kind eerst gerust te stellen met een compliment en daarna een aanwijzing te geven. Side-coachen gebeurt veel bij improvisaties. Men side-coacht dan bijvoorbeeld op de handelingsgerichtheid van het spel. Ook komt side-coachen voor bij moeilijkheden in het spel, bijvoorbeeld wanneer kinderen uit hun concentratie dreigen te raken.

Sketch
(Eng.) Komisch kort toneelstukje of verhaaltje met een verrassende pointe. Vorm van de klucht: diende in de 19e en 19e eeuw soms als voor- of naspel van een ernstig toneelstuk. Vanaf 1850 vormt de sketch ook een belangrijk bestanddeel van de variétéshow (bijvoorbeeld die van het Nederlandse revueduo Snip en Snap), naast de liedjes en dansjes. Verhalende sketches vindt men bijvoorbeeld in `Ideen: das Buch le Grand` (1826) van Heinrich Heine (1797-1856): korte autobiografische sketches met gedachten over actuele zaken.

Souffleur
(m-v) (Fr.) voorzegger, iemand die toneelspelers hun rollen voorzegt, degene die tijdens een theatervoorstelling de medespelers hun tekst toefluistert wanneer er haperingen dreigen. Bevindt zich doorgaans in de coulissen of in een uitgespaarde, verzonken en overkapte ruimte vlak achter het voetlicht en in het midden van het toneel, het souffleurshokje of pit, vandaar `op de pit leunen (of spelen)`: zo slecht zijn rol kennen dat voortdurend de hulp van de souffleur nodig is. De souffleur dient van meet af aan de repetities bij te wonen.

Speelvlak
Ruimte waar het spel plaatsvindt. Het ligt vlakbij de halve kring waar de kinderen op stoelen zitten om naar een verhaal te luisteren. Het speelvlak dient zo ruim te zijn, dat alle kinderen er kunnen spelen. Het beste is om daar de speelzaal voor te gebruiken. Soms is het nodig om het speelvlak bijvoorbeeld met banken af te bakenen. Dit om te voorkomen dat kinderen tijdens het spel door voorwerpen aan de kant worden afgeleid.*

Spelschakel
Omslag in het spel. Spelschakels kan men duidelijker maken door ze `groter` oftewel nadrukkelijker te spelen. Spelschakels zitten bijvoorbeeld bij het ontstaan van een idee, schrik, een emotionele reactie enzovoort. Na een spelschakel verandert de spelrichting vaak. Het advies is om de spelschakel overwegend fysiek te spelen, dus niet alleen met tekst tot stand te brengen.

Spelstroom
Situatie waarin spelers ontspannen vanuit hun rol in de gespeelde werkelijkheid reageren. Het kost even voordat een spelstroom op gang komt.

Speltechniek
Technische spelvorm, zoals acteerspel, hoorspel, maskerspel, pantomime en tableau. Deze techniek kan op zichzelf gebruikt worden, maar ook deel uitmaken van een werkvorm: levend schimmenspel (werkvorm) kan bijvoorbeeld gebruik maken van mime (speltechniek).

Speltempo
De intensiteit van het spel en het tempo waarin dit plaatsvindt. Vooral bij productgericht* drama kan er soms door gebrek aan tekstkennis of een hoge speldrempel het gevaar bestaan dat het speltempo te laag ligt, met een grotere kans op fouten en vaak minder boeiend spel. Maar bij kinderen zie je ook wel dat door enthousiasme het speltempo te hoog ligt. Wanneer je dit door een tip of regieaanwijzing wat omlaag brengt, zijn de teksten gelijk beter verstaanbaar en is er ook meer rust om tot samenspel (interactie) te komen.

Stil spel
Non-verbaal spel waarin de spelers weergeven hoe hun rol op dat moment de gespeelde situatie ondergaat, wat dit personage van de situatie vindt. Stil spel versterkt de inhoud van het spel en maakt dit helderder.

Structuur
1. proloog (voorrede); 2. parodos (intredelied van het koor); 3. epeisodi (reeks van 3 tot 5 bedrijven); 4. stasimon (koorlied na elk bedrijf); 5. exodos (slotlied van het koor). bijvoorbeeld wraaktragedie (Engels). Later losser van structuur (opbouw).

Tableau vivant
(Fr. levend beeld). Groep personen als beeldengroep, levend schilderij. Een vorm van toneel waarbij de spelers in een fraaie of karakteristieke pose zwijgend iets uitbeelden. Dikwijls had een tableau vivant een allegorische voorstelling of een dramatische situatie uit de geschiedenis of bijbel tot thema. De wijze van uitbeelding stamt uit de tijd der rederijkers en werd in de 17e eeuw nog veelvuldig gebruikt als inlas bij de in de Amsterdamse stadsschouwburg gespeelde stukken. Bekend is de illustratie van het verhaal van de bode in Vondels Gijsbrecht van Aemstel (1637), die zich tot aan het einde van de 19e eeuw wist te handhaven. Vaak werd een tableau vivant door een gesproken tekst toegelicht, soms ook van begeleidende muziek voorzien. Hoewel deze vorm van zwijgend toneel in onze eeuw vrijwel verdwenen is, genoot ze grote populariteit bij de welgestelde burgers uit de 18e en 19e eeuw, die ook voorstellingen in huiselijke kring organiseerden.

Technische doorloop
Repetitie waarbij alleen bewegingen, standen en dergelijke worden doorgenomen. Theater (Fr. théatre, lat. theatrum, Gr. theatron) 1. schouwburg, toneelgebouw. 2. toneel(spel), opvoeringen, datgene wat er te zien is in de schouwburg. Hiertoe behoren naast het drama ook circus, goochelen, jongleren, revue, cabaret, toneel, ballet, opera, operette, musical en pantomime.

Toneel
1. dramatische kunstvorm, beoefend door toneelspelers (acteurs), die voor publiek een handeling opvoeren. 2. eenheid: deel van een bedrijf (akte), scène, tafereel. 2. podium in een theater.

Tragedie
Gr.: trago(o)idia - bokkenzang. ofwel treurspel. Een van de genres van het drama(tiek). Toneelstuk waarin de lotgevallen van een hooggeplaatst persoon op verheven wijze worden uitgebeeld. In het algemeen leidt de handeling tot de ondergang van de held, hetzij door oppermachtige krachten als het noodlot (fatum), hetzij door zijn eigen passie of overmoed. Veel belangstelling bij Grieken, minder bij Romeinen (bijvoorbeeld Seneca).

Tritagonist
(Gr.: derde speler) In het klassieke Griekse toneelstuk staat de tritagonist tussen de protagonist en de antagonist in. Hij speelt in het conflict een bemiddelende en activerende rol. Via hem lopen de draden van de intrige of verwikkelingen, d.w.z. de complicaties waarvoor de hoofdrolspeler en tegenspeler zich gesteld zien.

Try-out
(Eng.) Proefvoorstelling van een toneelstuk of cabaret en dergelijke, meestal in een kleinere stad of in de provincie, bedoeld om de reactie van het publiek te peilen en eventueel alsnog wijzigingen in de uitvoering aan te brengen. Vroeger voorpremière.

Uiterlijke regie
Tot de uiterlijke regie worden gerekend: de mise-en-scène (het regelen van de opkomsten en afgangen en verdere bewegingen van de personages), het creëren van het toepasselijke handelingen, een goede uitspraak en intonatie en afwisseling in tempo. De regisseur geeft aanwijzingen aan de decorontwerper, costumier en rekwisiteur. Want decor, kostuums, toneelaankleding en ook belichting en geluidsdecor dienen zijn visie te ondersteunen. Uiteraard houdt hij bij dit alles rekening met genre, tijd en plaats van het stuk.

Vrije sector
Ongesubsidieerd toneel, zogenaamde commerciële producties die vaker gespeeld moeten worden om investering terug te verdienen. Zoals musicals.