Kopie van `Onderzoeksgroep Zaadplanten`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Onderzoeksgroep Zaadplanten
Categorie: Planten en dieren > Zaadplanten
Datum & Land: 11/05/2007, BE
Woorden: 134


agamospermie
ontwikkeling van kiemkrachtige zaden uit niet bevruchte (ei)cellen

agar
een bepaald type galactaan (kenmerkend voor de celwand van Rhodophyta)

akinete
dikwandige overlevingssporen of akineten (Cyanobacteria)

akont
zonder flagellen

amfigasters
derde rij blaadjes aan de onderzijde van de stengeltjes (bij sommige Levermossen)

amfimixis
geslachtelijke vorm van embryo-ontwikkeling

amfitrich
met meerdere flagellen aan beide celuiteinden (= bipolair polytrich) (Bacteria)

anamorf
de conidiale vorm van een fungus

angiospermie
toestand van bedektzadigheid, zaden (of jong : ovula) ingesloten in een vrucht (of jong : ovarium)

anisofyllie
het verschijnsel bij decussate fyllotaxis waarbij de twee bladeren op een knoop (sterk) ongelijk van vorm zijn

anisotomie
dichotome vertakking met ongelijk uitgroeiende takken

annulus
ring of lijn met bijzondere, verdikte cellen in een sporangium, waarlangs het sporangium openbarst (Varens)

anthera (antherae)
zie : helmknop

antheridium
mannelijk gametangium

antherozoïde
spermatozoïde, maar dan botanisch : ontstaan in een antheridium

antipoden
drie cellen aan het chalazale einde van de embryozak (= de gametofyt bij Angiospermae)

apex
top

apicale cel
topcel (die in diverse groepen instaat voor de groei door deling)

apicale placentatie
placentatie aan de top van het ovarium

aplanospore
niet-beweeglijke spore

apogamie
het embryo ontwikkelt zich uit een andere cel dan de eicel, meestal uit een van de synergiden, opnieuw is hier dan een onderscheid te maken tussen haploïde en diploïde apogamie (cf. parthenogenese)

apomixis
niet-geslachtelijke vormen van embryo-ontwikkeling

apothecium
beker-, nap- of schijfvormige ascocarpen (bv. Peziza, Helotium) waar het hymenium volledig vrij ligt; het omringende weefsel wordt excipulum genoemd (Ascomycetes)

ascocarp
zie : ascoom

ascogonium
ééncellige structuur met vrouwelijke kernen, die zullen koppelen met de mannelijke kernen uit de spermatocyste, en dan in de ascogene hyfen overgaan (Ascomycetes)



ascoom
'vruchtlichaam' van een Ascomyceet

ascus
sporocysten met (1-4)-8-(veel) endosporen

asymmetrisch
zonder symmetrievlak (bloem)

atactostele
stele met over de gehele doorsnede van de stengel verspreide collaterale vaatbundels (meeste Monocotylen, sommige Dicotylen)

axillaire placentatie
placentatie op de centrale as van een 2- of meerhokkig ovarium

cefalodium
bij een aantal lichenen met een chlorofyt als fycobiont is soms een soort wratten (of gallen?) aanwezig (inwendig of uitwendig), waarin een cyanofyt aanwezig is (Lichenes)

cellulose
celwandbestanddeel, opgebouwd uit parallelle moleculen, elk een lineair polymeer van glucose-monomeren (2000-15000 eenheden)

cingulum
dwarsgroef in pantser (Dinophyta)

circinaat
overlangs spiralig opgerold (meestal adaxiaal, zelden abaxiaal)

cleistothecium
bolvormig, gesloten vruchtlichaam zonder bepaalde openingswijze (Ascomycetes)

cuticula
waterdicht laagje (cutine) op de buitenzijde van de epidermis

eenhuizigheid
zie : monoecie

elateren
draadvormige structuren, vaak met hygroscopische bewegingen, die zich bevinden tussen de sporen (met diverse ontogenesetypes)

embryo
zeer jonge plant-in-aanleg, gewoonlijk omgeven door reserveweefsel en een zaadhuid (Zaadplanten)

embryozak
zeer sterk gereduceerde vrouwelijke gametofyt (Bloemplanten), herleid tot de eicel en enige begeleidende cellen of kernen

epidermis
het oppervlakkige laagje cellen bij Vaatplanten (met één of meerdere cellagen), op jonge stengels en bladeren

epifyl
groeiend op bladeren

epifyt
plant, groeiend op een andere plant, zonder voedselrelatie

epilithisch
groeiend op rotsen, stenen, ...

epipleura
gebogen deel van deksel (Diatomeeën)

episoom
klein, ringvormig extrachromosomaal DNA-element (= plasmide) (Bacteria)

epitheca
dekseltje (Diatomeeën)

epivalva
vlak deel van deksel (Diatomeeën)

eucarp
slechts een deel van de thallus zet zich om tot gametangium, de rest zet de groei verder (xxx)

eusporangium
sporangium met een meerlagige wand en een groot aantal sporen (Varens, Zaadplanten)

eustele
een steletype waarbij het geheel van de individuele vaatbundels een cirkelvormige configuratie heeft aangenomen (meeste Dicotylen)

eutunicate ascus
ascus met duurzame wand (Ascomycetes)

felleem
verkurkt weefsel met meestal radiaal gerangschikte, dode cellen, centrifugaal gevormd door het fellogeen

fellodermis
een groen weefsel met meestal radiaal gerangschikte, levende cellen, centripetaal gevormd door het fellogeen

fellogeen
een cambiumlaag (secundair meristeem), meestal ontstaan in de cortex, die door perikliene delingen centrifugaal felleem en centripetaal fellodermis vormt, samen : peridermis

fototroof
als energiebron voor de levensverrichtingen wordt lichtenergie gebruikt

fucoxanthine
een soort xanthofyl (kenmerkend voor Phaeophyta en Diatomeeën)

fyco-erythrine
rode kleurstof (proteïne + fycoerythrobiline) (Cyanobacteria, Rhodophyta, Cryptophyta)

fycobiline
kleurstofcomponent (tetrapyrrolen in een open keten, met 2 types, resp. rood en blauw gekleurd) (Cyanobacteria, Rhodophyta, Cryptophyta)

fycobiont
wiercomponent in een korstmos (Lichenes)

fycocyanine
blauwe kleurstof (proteïne + fycocyanobiline) (Cyanobacteria, Rhodophyta, Cryptophyta)

fyllotaxis
wijze waarop bladeren zijn gerangschikt langs een stengel

fylogenese
afstammingsgeschiedenis

fytobenthon
kleine wieren op de bodem van kustgebieden, meren en rivieren

fytopathogeen
veroorzaakt ziekten bij planten

fytoplankton
kleine (vaak ééncellige), drijvende wiertjes in zee- en zoetwater

hyfe
draad- of buisvormige cellen, met 1, 2 of meer kernen per cel (Fungi)

hygrofyt
plant, die bij voorkeur groeit op (zeer) vochtige plaatsen

hygroscopisch
voeren bewegingen uit, die geïnduceerd worden door de opname van water(damp)

hymenium
1) de asci liggen in een aaneensluitende laag, met tussen de asci eventueel nog steriele hyfentoppen of parafysen (Ascomycetes)
2) de basidia liggen in een aaneensluitende laag, met tussen de basidia eventueel nog steriele hyfentoppen, cystiden, edm (Basidiomycetes)

hymenofoor
hymenium-drager (Basidiomycetes)

hypnozygote
onbeweeglijke zygote, die een rustperiode doormaakt

hypocotyl
stengelgedeelte tussen de cotylen en de wortelhals, vormt naar ligging en structuur een overgang tussen wortel en stengel

hypopleura
gebogen deel van doos (Diatomeeën)

hypotheca
doosje (Diatomeeën)

hypovalva
vlak deel van doos (Diatomeeën)

imbricaat
een type knopdekking, waarbij de randen van de blaadjes elkaar bedekken

isofyllie
met gelijke bladeren

isogamie
gameten alle gelijk van vorm, grootte en fysiologie

isokont
met (2 of meer) gelijke flagellen

isosporie
met gelijke sporen

isotomie
dichotome vertakking met gelijk uitgroeiende takken

isthmus
versmalling (Desmidiaceae)

nucellus
diploïd weefsel rond de gametofyt of de embryozak, omgeven door de integumenten; is homoloog met een macrosporangiumwand (Zaadplanten)

nucleoïde
het kernequivalent in het centrale nucleoplasma bij Prokaryoten (Bacteria)

organotroof
het organisme gebruikt als H-bron organische bouwstoffen

ornithochorie
verspreiding van de diasporen door vogels

orthotroop
vertikaal groeiend

ovarium (ovaria)
zie : vruchtbeginsel

ovulum (ovula)
zie : zaadknop

rhodamylon
zie : florideeënzetmeel

sepalen
kelkbladen (Bloemplanten)

septomycelium
mycelium met gesepteerde hyfen

septum (septa)
zie : tussenschot

seriale knoppen
vertikale rij knoppen in de oksel van één enkel (schut)blad
1) opstijgend : de oudste knoppen onderaan, de jongere bovenaan
2) dalend : de oudste knoppen bovenaan, de jongere onderaan

seta
steelgedeelte van de sporofyt (Mossen)

sifonale thallus
meestal draadvormige, grote cel met enkele tot talrijke kernen

sifonocladale thallus
vertakte thallus, opgebouwd uit enkele tot talrijke sifonale onderdelen

sifonogamie
bevruchting uitgevoerd door overbrengen van een mannelijke gameet in een buisvormige uitgroei (van de pollenkorrel)

sifonostele
een stele met een holle buisvormige ring geleidingsweefsel zonder blad- of takvensters