Kopie van `Onderzoeksgroep Zaadplanten`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Onderzoeksgroep Zaadplanten
Categorie: Planten en dieren > Zaadplanten
Datum & Land: 11/05/2007, BE
Woorden: 385


acrocarp
met (het éne !) sporogonium aan de top van de stengel (Mossen)

acrokont
met flagel(len) op de top ingeplant

actinostele
lijkt wat op de protostele, waarbij het centrale xyleem (op doorsnede) stervormig is uitgegroeid, en tussen de sterarmen ligt floëemweefsel

adventieve embryogenese
1 of meerdere embryo's ontwikkelen zich uit andere cellen dan die van de embryozak, vaak uit cellen van de nucellus of integumenten, in dit geval groeien vaak meerdere embryo's tegelijk uit : poly-embryonie

aflagellaat
zonder flagellen

agamospermie
ontwikkeling van kiemkrachtige zaden uit niet bevruchte (ei)cellen

agar
een bepaald type galactaan (kenmerkend voor de celwand van Rhodophyta)

akinete
dikwandige overlevingssporen of akineten (Cyanobacteria)

akont
zonder flagellen

alginaten
zouten van alginezuur (= polymeer van mannuronzuur en guluronzuur) (Phaeophyta)

amfigasters
derde rij blaadjes aan de onderzijde van de stengeltjes (bij sommige Levermossen)

amfimixis
geslachtelijke vorm van embryo-ontwikkeling

amfitrich
met meerdere flagellen aan beide celuiteinden (= bipolair polytrich) (Bacteria)

anamorf
de conidiale vorm van een fungus

angiospermie
toestand van bedektzadigheid, zaden (of jong : ovula) ingesloten in een vrucht (of jong : ovarium)

anisofyllie
het verschijnsel bij decussate fyllotaxis waarbij de twee bladeren op een knoop (sterk) ongelijk van vorm zijn

anisotomie
dichotome vertakking met ongelijk uitgroeiende takken

annulus
ring of lijn met bijzondere, verdikte cellen in een sporangium, waarlangs het sporangium openbarst (Varens)

anthera (antherae)
zie : helmknop

antheridium
mannelijk gametangium

antherozoïde
spermatozoïde, maar dan botanisch : ontstaan in een antheridium

antipoden
drie cellen aan het chalazale einde van de embryozak (= de gametofyt bij Angiospermae)

apex
top

apicale cel
topcel (die in diverse groepen instaat voor de groei door deling)

apicale placentatie
placentatie aan de top van het ovarium

aplanospore
niet-beweeglijke spore

apogamie
het embryo ontwikkelt zich uit een andere cel dan de eicel, meestal uit een van de synergiden, opnieuw is hier dan een onderscheid te maken tussen haploïde en diploïde apogamie (cf. parthenogenese)

apomixis
niet-geslachtelijke vormen van embryo-ontwikkeling

apothecium
beker-, nap- of schijfvormige ascocarpen (bv. Peziza, Helotium) waar het hymenium volledig vrij ligt; het omringende weefsel wordt excipulum genoemd (Ascomycetes)

archegonium
flesvormig vrouwelijk gametangium

arillus
zaadrok, vlezige uitgroei van de top van de funiculus

ascocarp
zie : ascoom

ascogonium
ééncellige structuur met vrouwelijke kernen, die zullen koppelen met de mannelijke kernen uit de spermatocyste, en dan in de ascogene hyfen overgaan (Ascomycetes)

ascoom
'vruchtlichaam' van een Ascomyceet

ascus
sporocysten met (1-4)-8-(veel) endosporen

asymmetrisch
zonder symmetrievlak (bloem)

atactostele
stele met over de gehele doorsnede van de stengel verspreide collaterale vaatbundels (meeste Monocotylen, sommige Dicotylen)

autoecie
verschijnsel bij parasitaire organismen, waarbij ze hun cyclus kunnen volbrengen op 1 enkele gastheer

autotrofie
het organisme leeft met gebruik van enkel anorganische bouwstoffen

auxospore
sferische spore met ditto kiezelschaal, die na kieming uitgroeit tot een individu met normale, typische vorm en grootte (Diatomeeën)

axillaire placentatie
placentatie op de centrale as van een 2- of meerhokkig ovarium

bacteriochlorofyl
een vorm van chlorofyl die bij Bacteria wordt aangetroffen (onder diverse varianten)

ballistospore
aktief weggeslingerde spore (Basidiomycetes)

basale placentatie
placentatie aan de basis van het ovarium

basidioom
vruchtlichaam van de meeste Basidiomycetes

basidium
een typische cel waarop 4 exosporen gevormd worden op dunne steeltjes, de sterigmata (Basidiomycetes)

bitunicate ascus
eutunicate ascus met tweelagige wand, meestal met strekkingsgroei (Ascomycetes)

brachyblast
zie : kortlot

calyptra
1) kapje bovenop het sporenkapsel (gevormd uit de uitgegroeide resten van het archegonium) (Mossen)
2) kapvormige groep cellen rond de worteltop (Vaatplanten)
3) een bij anthesis afvallend kapje van de bloem, gevormd door de congenitaal vergroeide sepalen (en-of petalen) (Bloemplanten)

CAM-metabolisme
fotosynthese van het CAM-type (Crassulacean Acid Metabolism), met gesloten stomata overdag en open stomata in de duisternis, met chemische fixatie van de atmosferische CO2

carotenoïden
groepsnaam voor carotenen, gele tot rode, lipofiele kleurstoffen van plantaardige oorsprong, die bij diverse wiergroepen worden omgezet tot xanthofyllen

carpomyceten
fungi die vruchtlichamen vormen

carrageen
galactaansulfaat (kenmerkend voor de celwand van Rhodophyta)

cefalodium
bij een aantal lichenen met een chlorofyt als fycobiont is soms een soort wratten (of gallen?) aanwezig (inwendig of uitwendig), waarin een cyanofyt aanwezig is (Lichenes)

cellulose
celwandbestanddeel, opgebouwd uit parallelle moleculen, elk een lineair polymeer van glucose-monomeren (2000-15000 eenheden)

chalaza
plaats waar de vaatbundel eindigt die de zaadknop van voedsel voorziet (aan de andere kant van de micropyle)

chemotaxis
aanlokking d.m.v. chemische bestanddelen

chemotroof
als energiebron voor de levensverrichtingen wordt energie uit chemische processen gebruikt

chitine
wandbestanddeel van veel Fungi en Algae (lineair polymeer van N-acetylglucosamine)

chlamydospore
dikwandige spore bij Ustilaginales

chlorofyl
groene kleurstof die in staat is om lichtenergie te capteren (porfyrinering met magnesium als centraal atoom); bekend onder verschillende vormen (a, b, c, diverse bacteriochlorofyllen, ...)

chloroplast
een groen organel (met chlorofyl) in de cel van veel planten (wordt beschouwd als een symbiotische prokaryote cel)

chrysolaminarine
reservestof (polysaccharide) (Algae)

chylotrofie
uitwendig verteringsproces, waarbij enzymen grotere moleculen (o.a. cellulose en lignine) afbreken tot opneembare stoffen (Fungi)

cingulum
dwarsgroef in pantser (Dinophyta)

circinaat
overlangs spiralig opgerold (meestal adaxiaal, zelden abaxiaal)

cleistothecium
bolvormig, gesloten vruchtlichaam zonder bepaalde openingswijze (Ascomycetes)

coccus
individuele cel van een unicellulair wier, vandaar : coccale vormen

coenobium
een samenlevingsvorm van een aantal gelijkwaardige individuele cellen (in de strikte zin zonder taakverdeling)

coenocytisch
veelkernig (deel van) organisme

collaterale knoppen
horizontale rij knoppen in de oksel van één enkel (schut)blad

collaterale vaatbundel
vaatbundel met 1 xyleempakje en 1 floëempakje, xyleem meestal centraal, floëem meestal perifeer. open : met cambiumlaag tussen xyleem en floëem. gesloten : zonder cambiumlaag

columella
1) de centrale zuil met steriel weefsel in het sporenkapsel (Mossen)
2) een deel van de calyptra van de wortel, met statocysten, waarin statolieten (Bloemplanten)

concentrische vaatbundel
vaatbundel met centraal xyleem, volledig omgeven door floëem (= perifloïsch = amficribraal), of omgekeerd (perixylisch = amfivasaal)

conidium (conidia)
ongeslachtelijke spore (Fungi), meestal gevormd in groep aan het uiteinde van bepaalde hyfen

contort
een type knopdekking, waarbij de randen van de blaadjes elkaar regelmatig en in dezelfde zin dakpansgewijs bedekken

coprofiel
groeiend op dierlijke uitwerpselen

cormus
1) plantenlichaam, gedifferentieerd in drie delen : wortel-stengel-blad
2) verdikt basaal deel van de stengel (bv. Colocasia esculenta)

cotyl
bladachtig orgaan van het embryo, aanwezig in het zaad

crozier
zie : haak

cuticula
waterdicht laagje (cutine) op de buitenzijde van de epidermis

cystide
grote, steriele, bijzonder gevormde eindcellen van hyfen, tussen de basidia in het hymenium (Basidiomycetes)

cystogamie
bevruchtingsproces waarbij gametocysten in hun geheel koppelen

decussaat
kruisgewijs tegenoverstaand (fyllotaxis)

dekschub
onderdeel van de kegel bij Gymnospermae, nl. schub van bladnatuur, die axillair een zaadschub draagt, en er vaak innig mee vergroeid

dermatofiel
groeiend op de huid van dieren

diaspore
functionele verspreidingseenheid, aseksueel (bol, knol, fragment, ...) of seksueel (zaad, vrucht, enkele vruchten samen, of delen van planten, ...)

dichotome vertakking
vertakking waarbij het topmeristeem of de topcel zich in twee gelijke delen splitst, met vorming van twee (oorspronkelijk) gelijkwaardige takken

dictyostele
stele met sterk netvormig vervlochten talrijke concentrische vaatbundels

digenetisch
met een generatiewisseling van gametofyt en sporofyt

dikaryofase
levensfase waarbij per (hyfe)cel twee haploïde kernen per cel aanwezig zijn

dioecie
mannelijke en vrouwelijke bloemen (of breder : voortplantings-organen) gescheiden, op twee verschillende planten (of : individuen)

diplont
organisme met de diploïde fase als exclusieve (of sterk dominante) fase

distich
met verspreide bladeren langs twee lijnen aan weerszijde van een stengel (fyllotaxis)
1) ortho- : op rechte lijnen
2) spiro- : op draaiende lijen

doliporie
tonporie, centrale porie in een dwarswand, met opstaande randen (Fungi)

eenhuizigheid
zie : monoecie

elateren
draadvormige structuren, vaak met hygroscopische bewegingen, die zich bevinden tussen de sporen (met diverse ontogenesetypes)

embryo
zeer jonge plant-in-aanleg, gewoonlijk omgeven door reserveweefsel en een zaadhuid (Zaadplanten)

embryozak
zeer sterk gereduceerde vrouwelijke gametofyt (Bloemplanten), herleid tot de eicel en enige begeleidende cellen of kernen

endodermis
dit is de binnenste laag van de cortex bij (vnl.) wortels en rizomen; deze cellen vertonen primaire verdikkingen (lijsten van Caspary), soms ook secundaire en tertiaire verdikkingen