Deze woordenlijst staat niet meer onlineDe woordenlijst waar dit woord in stond bestaat niet meer, of de website is niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.Pagina 0 1
Aanbodfactoren De grootheden die de omvang van de productiecapaciteit bepalen. De aanbodfactoren zijn de omvang en kwaliteit van de kapitaalgoederenvoorraad, de omvang en kwaliteit van de beroepsbevolking, de omvang en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen en de technische ontwikkeling. Accijns Een indirecte belasting. Het is in principe een instrument van de overheid om de consumptie af te remmen, aangezien het wordt geheven op goederen die een schadelijke werking hebben, maar is eveneens een belangrijke bron van inkomsten. Afgeleide productiefactor Kapitaal. Dit is oorspronkelijk niet aanwezig en moet dus eerst gemaakt worden met de oorspronkelijke productiefactoren natuur en arbeid, en met behulp van reeds eerder geproduceerde kapitaalgoederen. Afschrijvingen Waardeverminderingen van de vaste kapitaalgoederen. Macro-economisch zijn de afschrijvingen gelijk aan de vervangingsinvesteringen. Jaarlijks wordt een bedrag gereserveerd om na zekere tijd een vast kapitaalgoed te kunnen vervangen. In bepaalde gevallen (in de praktijk) kan ook worden afgeschreven op vlottende kapitaalgoederen, wanneer deze als han Alternatief aanwendbaar De middelen kunnen voor verschillende doeleinden gebruikt worden. We moeten vanwege schaarste kiezen hoe ze worden ingezet. Anti-cyclische begrotingspolitiek Overheidsbeleid dat gericht is op het dempen van de conjunctuurgolven. De overheid moet dan in tijden van hoogconjunctuur de effectieve vraag verminderen door haar uitgaven te matigen of de belastingdruk te verhogen en vice versa. Dit beleid is gebaseerd op de theorie van Keynes. Arbeid De mens als productiefactor. Het is een oorspronkelijke productiefactor, waarvan de kwaliteit door veel zaken bepaald wordt, zoals scholing. Zie ook loon. Arbeidsinkomensquote De loonsom in de ondernemingen en financiële instellingen plus het toegerekend arbeidsinkomen van de zelfstandigen als percentage van de netto toegevoegde waarde van de ondernemingen en financiële instellingen. Arbeidsproductiviteit De productie van een werknemer per tijdseenheid. Zie gemiddelde arbeidsproductiviteit. Asymmetrische informatie Houdt in dat in een economische transactie de ene partij meer informatie heeft dan de andere partij. Zie moral hazard en negatieve selectie. Automatisering De productiefactor arbeid wordt vrijwel volledig vervangen door kapitaal, zelfs op het terrein van het besturen en controleren van het productieproces. Autonoom Onafhankelijk (van het nationaal inkomen). De autonome consumptie, investeringen en overheidsbestedingen zijn onafhankelijk van het nationaal inkomen. In de vergelijking C = cY + Co is Co de autonome consumptie. Autonome grootheden zijn altijd exogene grootheden. Baisse Periode van laagconjunctuur. Zie recessie. Basisinnovaties Technologische doorbraken die breed worden toegepast. Volgens Schumpeter zijn ze een verklaring voor de lange golf. Basisjaar Grondslag bij de berekening van indexcijfers. Een grootheid wordt in het basisjaar op 100 gesteld. Doordat de koopgewoonten veranderen - bijvoorbeeld door introductie van nieuwe producten - veranderen de wegingsfactoren. Wanneer de afwijking te groot wordt, kiest men een nieuw basisjaar. Behoeften De mens streeft ernaar in deze te voorzien. Belastingen Door de overheid opgelegd aan belastingplichtigen, zonder dat er een directe tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat. Belastinglek Zie inkomenslekken. Beroepsbevolking Het deel van de totale bevolking in de leeftijd tussen de 15 en de 65 jaar, dat tenminste 12 uur per week kan en wil werken. We maken onderscheid tussen de afhankelijke beroepsbevolking, de werknemers en werklozen, en de niet-afhankelijke beroepsbevolking, de zelfstandige ondernemers. Besparingen Het gedeelte van het nationaal inkomen dat niet voor consumptie of belasting is aangewend. Bestedingenmethode Een manier om de hoogte van het nationaal inkomen te meten. Men kijkt dan naar de batenkant van de ondernemingen, waar de bestedingen van de consumenten en de ondernemingen bij de ondernemingen staan vermeld. In feite wordt gebruik gemaakt van de identiteit Y = C + I + O + E - M. Bestedingsaspect van investeringen Door een besluit om te investeringen neemt de effectieve vraag toe. De producenten van kapitaalgoederen kunnen meer machines, gebouwen of transportmiddelen verkopen en zullen, als hun capaciteit dat toelaat, meer gaan produceren. Dit bestedingsaspect van de investering gaat aan het capaciteitsaspect vooraf. Bestedingsevenwicht De effectieve vraag is zo hoog dat de productiecapaciteit precies volledig is bezet. Er is geen sprake meer van conjuncturele werkloosheid, maar er kan nog wel sprake zijn van structurele werkloosheid. Bestedingsinflatie Een stijging van het algemeen prijsniveau door overbesteding. Zie loon-prijsspiraal. Bewegingstypen in de macro-economie De seizoenbeweging, de conjunctuur, de trend en de lange golfbeweging. Bezettingsgraad Het percentage dat aangeeft in hoeverre de productiecapaciteit wordt benut. Breedte-investeringen Een ondernemer schaft machines aan van een type dat al bij de onderneming in gebruik is. De verhouding tussen kapitaal en arbeid blijft gelijk. Bruto binnenlands product (BBP) Het BBP heeft betrekking op productie binnen de landsgrenzen.Het is gelijk aan de totale bruto toegevoegde waarde van de sectoren ondernemingen en financiële instellingen en overheid. Zie bruto nationaal product (BNP), netto binnenlands product (NBP). Bruto nationaal product (BNP) Het BNP van een land heeft betrekking op de toegevoegde waarde gecreëerd door productiefactoren die eigendom zijn van de burgers en overheid van dat land. Het is gelijk aan het bruto binnenlands product (BBP) minus de primaire inkomens betaald aan buitenlanders plus de primaire inkomens van de burgers ontvangen uit het buitenland. Zie netto nationa Bruto toegevoegde waarde De marktwaarde van de productie (omzet) minus de kosten van de grond- en hulpstoffen en de diensten van derden. Zie netto toegevoegde waarde. Bruto-investeringen Alle investeringen van een onderneming, inclusief vervangingsinvesteringen. Capaciteitsaspect van investeringen Dit aspect van investeringen heeft betrekking op de aanbodzijde van de economie. Door een investering wordt de productiecapaciteit groter en neemt het aantal arbeidsplaatsen toe. Dit wordt ook het structurele aspect van investeringen genoemd. Zie bestedingsaspect van investeringen. Categoriale inkomensverdeling De verdeling van het nationaal inkomen over loon, pacht en huur, interest en winst. Zie loonquote. Commerciële economie In dit vak let men op de positie van de onderneming op inkoop- en verkoopmarkten. Het vaststellen van een reclamebudget voor de verkoop van een goed is een voorbeeld van een probleem uit de commerciële economie. Een belangrijk onderdeel van de commerciële economie is de marketing. Conjuncturele ontwikkeling De geleidelijke verandering in de tijd van de effectieve vraag. Conjuncturele werkloosheid Werkloosheid die ontstaat wanneer de productiecapaciteit niet volledig is bezet. Deze is te berekenen door het verschil te nemen tussen de werkgelegenheid bij het bestedingsevenwicht en de door de effectieve vraag bepaalde vraag naar arbeid. Of iets anders gezegd: het verschil tussen de werkgelegenheid bij het bestedingsevenwicht en het inkomenseve Conjunctuur(golf) De afwijking van de groei van het nationaal inkomen ten opzichte van de trend. Deze afwijkingen zijn vaak het gevolg van schommelingen van de effectieve vraag. De conjunctuur verloopt in de tijd meestal via een golvend verloop. Periodes van hoog- en laagconjunctuur volgen elkaar op. Een toename van de effectieve vraag leidt in eerste instantie tot Conjunctuurcyclus De periode van één conjunctuurgolfbeweging. Bijvoorbeeld de tijd tussen twee toppen. Consument Iemand die in staat is om te consumeren. Consumentenprijsindex Geeft de stijging aan van een pakket goederen en diensten door een modaal gezin gekocht in het basisjaar. Het is een samengesteld en gewogen indexcijfer, omdat het uit zeer veel verschillende goederen bestaat, en elk product meetelt naar relatieve importantie. Het samengesteld gewogen prijsindexcijfer wordt berekend door alle partiële indexcijfers Consumeren in enge zin Het kopen van goederen door de consument. Consumeren in ruime zin Het gebruiken van goederen door de consument. Consumeren Zowel consumeren in enge zin, als consumeren in ruime zin. Consumptiefunctie Deze gedragsvergelijking beschrijft het verband tussen de geplande, ex ante consumptie en het nationaal inkomen. Is de consumptiefunctie bekend, dan is de spaarfunctie daar gemakkelijk uit af te leiden. Is als consumptiefunctie gegeven: C = cY + Co , dan is de spaarfunctie S = sY - Co . Hierin is de marginale spaarquote s, en is gelijk aan (1 - c). De Nederlandsche Bank (DNB) De nationale centrale bank van Nederland. Onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken. Belangrijkste taken sinds de invoering van de euro zijn, naast deelname aan het ESCB, het houden van toezicht op financiële instellingen en het bevorderen van een goede werking van het chartale en girale betalingsverkeer. Definitiegelijkheid Zie identiteit. Depositofaciliteit Voorbeeld van een permanente faciliteit. Hiervan kunnen kredietinstellingen met een zeer kortlopend liquiditeitsoverschot gebruik maken. Depositorente Rente die banken vergoed krijgen over de depositofaciliteit. De depositorente vormt de bodem voor de geldmarktrente en is dus lager dan de refi-rente. Depressie Een langdurige periode van laagconjunctuur en onderbesteding met een negatieve groei van het nationaal inkomen gecombineerd met een hoge werkloosheid. De verlammende werking die een depressie vaak op de investeringen heeft, maakt het lastig om uit het dal te kruipen. Diensten van derden Diensten die niet door het eigen personeel zijn uitgevoerd, maar door andere bedrijven, zoals diensten van transportbedrijven en schoonmaakbedrijven. Diensten Onstoffelijke goederen. Diepte-investeringen Aankoop van kapitaalgoederen die productiever zijn dan de huidige kapitaalgoederen die een onderneming bezit. Directe belastingen Belastingen over primaire inkomens. Duurzame consumptiegoederen Zowel goederen die een consument meerdere malen kan gebruiken, als milieuvriendelijke consumptiegoederen. Econometrie Wetenschap die zich bezighoudt met het zoeken van oorzakelijke verbanden tussen economische grootheden door middel van statistische analyse. Economie Bestudeert de verschijnselen die samenhangen met de schaarste. De schaarste van de goederen dwingt ons om te kiezen. Economische en Monetaire Unie (EMU) Op 1 januari 1999 is de derde en laatste fase van de Economische en Monetaire Unie ingegaan. Landen die hieraan deelnemen, hebben hun nationale valuta ingeruild voor de euro en daarmee het monetaire beleid van de nationale centrale banken overgedragen aan de Europese Centrale Bank. Economische kringloop Geeft in een gesloten schema weer hoe de geld- en goederenstromen zich tussen de sectoren bewegen als in een bloedstroom. Het kringloop idee is afkomstig van François Quesnay. Effectieve vraag De ex ante bestedingen van consumenten en ondernemingen. Zie evenwichtsinkomen, onderbesteding, overbesteding. Endogene grootheden De hoogte van endogene grootheden vinden we door de hoogte van de bijbehorende exogene grootheden in het model in te vullen en vervolgens het model op te lossen. Enkelvoudig prijsindexcijfer Het indexcijfer van één product of van een groep producten. Het consumentenprijsindex is opgebouwd uit verschillende partiële indexcijfers. Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) Bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de centrale banken van alle vijftien lidstaten van de Europese Unie. Het belangrijkste besluitvormende orgaan van het ESCB is de Raad van Bestuur van de ECB. Europese Centrale Bank (ECB) Onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het monetaire beleid. Evenwichtsvoorwaarde De noodzakelijke voorwaarde waaronder een model in evenwicht is. In het eenvoudige keynesiaanse model is de evenwichtsvoorwaarde dat het nationaal inkomen gelijk is aan de effectieve vraag, zodat de besparingen gelijk zijn aan de investeringen. Ex ante Vooraf gepland, als in de geplande consumptie en de geplande investeringen die samen de effectieve vraag vormen. Ex post Achteraf gerealiseerd, zie ex ante, evenwichtsinkomen. Exogene grootheden De hoogte van exogene grootheden wordt buiten het model bepaald. De hoogte van endogene grootheden wordt door het model verklaard uit de hoogte van de exogene grootheden. In C = cY + Co zijn de marginale spaarquote c en de autonome consumptie Co de exogene grootheden. Externe effecten Zie positieve en negatieve externe effecten. Externe waarde van de euro De wisselkoers van de euro. De Europese Centrale Bank houdt zich niet direct bezig met de handhaving hiervan. Frictiewerkloosheid Er zal altijd enige werkloosheid zijn, omdat mensen voor het zoeken van een nieuwe baan tijd nodig hebben. Deze vorm van werkloosheid wordt kleiner door de werking van de CWI's te verbeteren. Geaggregeerde grootheden Het werken met geaggregeerde grootheden is kenmerkend voor de macro-economie. Voorbeelden zijn de som van alle inkomens in een land en de totale hoeveelheid vacatures. Gedragsvergelijking Een dergelijke vergelijking geeft weer hoe economische subjecten reageren op een verandering van een economische grootheid. De consumptiefunctie geeft bijvoorbeeld weer hoe de consumenten hun bestedingen af laten hangen van het nationaal inkomen. Gemiddelde arbeidsproductiviteit De hoeveelheid productie per werknemer per tijdseenheid. Gemiddelde consumptiequote Geeft weer welk gedeelte van het nationaal inkomen wordt geconsumeerd. Gemiddelde spaarquote Geeft weer welk gedeelte van het nationaal inkomen wordt gespaard. Gesloten economie Een economie of economisch model zonder transacties met het buitenland. Geïmporteerde inflatie Hier spreekt men van indien de bron van de prijsstijgingen in het buitenland zit, doordat ingevoerde grondstoffen of eindproducten duurder zijn geworden. Geïnduceerd Afhankelijk (van het nationaal inkomen). In de vergelijking C = cY + Co is de term cY de geïnduceerde consumptie. Hausse Periode van hoogconjunctuur. Herfinancieringstransacties Belangrijkste vorm van open markttransacties. Hoogconjunctuur De economische activiteit is zodanig dat de economische groei boven de trendmatige groei zit. Als er echter overbesteding optreedt, kan dit weer nadelige gevolgen hebben voor de groei. Huishouden Een economische eenheid, zoals een gezin, een onderneming of de overheid. Human capital Menselijk kapitaal". Door ontwikkelingen in het onderwijs volgen meer mensen een gespecialiseerde opleiding, zodat de kwaliteit van de arbeid toeneemt. De uitgaven voor onderwijs beschouwt men tegenwoordig als een investering in human capital. Men gebruikt hier het woord 'kapitaal', omdat de productiefactor arbeid als het ware wordt geproduceerd do Huur De beloning voor het ter beschikking stellen van gebouwen. Identiteit Een noodzakelijke gelijkheid: een vergelijking die per definitie waar is en daarom ook definitiegelijkheid wordt genoemd, zoals Y= C + I + O + E - M. Importlek Zie inkomenslekken. Indexcijfer Verhoudingsgetal waarmee een grootheid ten opzichte van het basisjaar wordt vergeleken. Indirecte belastingen Belastingen die verband houden met bestedingen, zoals de BTW en accijnzen. Ze worden ook kostprijsverhogende belastingen genoemd. Inflatie (prijs) Stijging van het gemiddelde prijspeil. Met de losse term inflatie wordt vrijwel altijd prijsinflatie bedoeld. Verschillende vormen van inflatie zijn monetaire inflatie, bestedingsinflatie, kosteninflatie, stagflatie en geïmporteerde inflatie. Informatiegoederen Onderscheiden zich van 'gewone' goederen doordat de waarde voor de consument ervan pas te bepalen is nadat de informatie is geconsumeerd. Ze worden daarom ook wel ervaringsgoederen genoemd. Daarnaast onderscheiden informatiegoederen zich van gewone goederen door hun kostenstructuur. Het produceren van het eerste exemplaar van een informatiegoed is Inkomensevenwicht Zie keynesiaans evenwicht. Inkomenslekken Geld dat niet als besteding terugkeert in de economische kringloop van een land, waardoor de werking van de multiplier verzwakt wordt. Een exogene vergroting van overheidsuitgaven heeft derhalve een minder sterk effect op het nationaal inkomen dan Keynes voorspelt. De inkomenslekken zijn de besparingen, de belastingen en de import. Interest De beloning voor het ter beschikking stellen van geld. Interne waarde van de euro De koopkracht van de euro. Handhaving van de interne waarde van de euro is de primaire doelstelling van de Europese Centrale Bank. Investeringen De aanschaf van kapitaalgoederen door de producent. Deze investeringen kunnen plaatsvinden ter vervanging van afgeschreven kapitaal en voor uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad. Zie bruto-investeringen. en netto-investeringen, alsmede breedte- en diepte-investeringen. Kapitaal In de algemene economie meestal opgevat als reëel kapitaal, d.w.z. goederen als productiefactor, in tegenstelling tot geldkapitaal dat een som geld is. Kapitaal is een afgeleide productiefactor. Kapitaalgoederen Alle goederen die door een producent zijn aangekocht, die tezamen de productiefactor kapitaal vormen. Men spreekt ook wel van reëel kapitaal, in tegenstelling tot geldkapitaal. Men onderscheidt vaste en vlottende kapitaalgoederen. Keynesiaans evenwicht De ex ante effectieve vraag is gelijk aan het ex post nationaal inkomen. Deze hoogte van het nationaal inkomen wordt ook het evenwichtsinkomen genoemd. Er is sprake van inkomensevenwicht. Keynesianen De aanhangers van de econoom Keynes leggen de nadruk op de vraagkant van de economie en de korte termijn. Zij gaan uit van de starheid van prijzen en vooral van de lonen. Volgens Keynes zijn in een situatie van onderbesteding de lonen star naar beneden, maar zou bij een daling van het loon de starheid van de prijzen ervoor zorgen dat de koopkracht Klassieken (Neo) De neoklassieken leggen de nadruk op de aanbodkant van de economie en de lange termijn. Zij vertrouwen op het gemakkelijk aanpassen van de prijzen op de markten. Volgens hen is er altijd sprake van bestedingsevenwicht, omdat de soepele aanpassing van de prijzen en lonen garandeert dat de productiecapaciteit op elk moment volledig bezet is. Kondratieff-golf Een lange golfbeweging, vernoemd naar de Russische econoom Kondratieff, waarvan één cyclus een periode van 50 à 60 jaar betreft. De golf kan opgevat worden als een schommeling in de trendbeweging. Men neemt aan dat belangrijke uitvindingen, zoals de serie uitvindingen die de industriële revolutie op gang bracht of de uitvindingen in de informatie- Kosteninflatie Bij kosteninflatie stijgen de prijzen doordat de productiekosten omhoog gaan. Dat gebeurt als de prijzen van grondstoffen en energie stijgen, of als de loonstijging hoger is dan de groei van de arbeidsproductiviteit. Ondernemers berekenen de stijging van de kosten door in de prijzen die zij voor hun goederen en diensten vragen. Ook de overheid kan Kostprijsverhogende belastingen Zie indirecte belastingen. Kwalitatieve structurele werkloosheid Deze vorm van structurele werkloosheid hangt samen met de technische ontwikkeling. Door het invoeren van nieuwe productiemethoden kunnen arbeidsplaatsen verdwijnen. Dit is het geval als door de nieuwe techniek dezelfde hoeveelheid goederen met minder arbeid wordt geproduceerd. In dat geval stijgt de arbeidsproductiviteit. Kwantitatieve structurele werkloosheid Van deze vorm van structurele werkloosheid is sprake als het aantal arbeidsplaatsen te klein is voor de beroepsbevolking. Laagconjunctuur De economische groei ligt onder de trendmatige groei. Zie baisse, recessie, depressie. Lange golf Zie kondratieff-golf. Lombard-rente Rente die banken moeten betalen voor de marginale beleningsfaciliteit. De Lombard-rente is hoger dan de refi-rente en vormt de bovengrens van de geldmarktrente. Loon-prijsspiraal Wanneer de prijzen stijgen als gevolg van overbesteding of monetaire inflatie, zullen werknemers op de overspannen arbeidsmarkt een hoger loon eisen. Deze loonstijging wordt in de prijzen van producten doorberekend en heeft derhalve nog hogere looneisen tot gevolg. Deze vicieuze cirkel wordt de loon-prijsspiraal genoemd. Loon De beloning voor het beschikbaar stellen van de productiefactor arbeid. Hier vallen alle andere namen onder die beloningen inhouden voor arbeid, zoals salaris, vakantiegeld, bonus, 13e maand, gratificatie, honorarium. Loonquote De totale loonsom gedeeld door het nationaal inkomen. Loonsom De hoeveelheid loon, inclusief sociale lasten, in het nationaal inkomen. Maatschappelijke baten Zie positieve externe effecten. Maatschappelijke kosten Zie negatieve externe effecten. Macro-economie Kenmerkend voor de macro-economie is het werken met geaggregeerde grootheden. Voorbeelden van dergelijke grootheden zijn: het totaal van alle inkomens of alle werkgelegenheid in een land. De macro-economie probeert de hoogte en de verandering van het nationaal inkomen, de werkgelegenheid en het loon- en prijspeil te verklaren. Marginale beleningsfaciliteit Voorbeeld van een permanente faciliteit. Hierop kunnen kredietinstellingen met een zeer kortlopend liquiditeitstekort een beroep doen. Marginale consumptiequote Geeft weer welk deel van een stijging van het nationaal inkomen geconsumeerd zal worden. Het is de richtingscoëfficiënt in de consumptiefunctie. De som van de marginale consumptiequote en marginale spaarquote is per definitie samen één. Marginale spaarquote Geeft weer welk deel van een stijging van het nationaal inkomen gespaard zal worden. Het is de richtingscoëfficiënt in de spaarfunctie. Meso-economie Bestudeert de economische processen op bedrijfstakniveau. Micro-economie Leidt algemeen geldend gedrag af voor consumenten en producenten en neemt daarbij individuele consumenten en individuele ondernemers als uitgangspunt. Prijsvorming van afzonderlijke goederen staat centraal. De vraag die de consumenten uitoefenen en de kosten die de producenten moeten maken, spelen bij de prijsvorming een belangrijke rol, evenals de Model Een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid, waarbij je relaties tussen grootheden eenvoudiger voorstelt dan ze in werkelijkheid zijn. Een model heeft als doel inzicht te verkrijgen in de werkingen van een economisch systeem zonder daarvoor een onoverzichtelijke hoeveelheid data te moeten gebruiken. Een model maakt gebruik van exogene en endog Monetaire inflatie Bij monetaire inflatie is het saldo van geldschepping en de ontpotting groter dan dat van de geldvernietiging en de oppotting. Door de toename van de geldhoeveelheid zal de effectieve vraag stijgen, wat tot prijsinflatie kan leiden. Moral hazard Een term die veel gebruikt wordt als het over verzekeringen gaat. Bedoeld wordt dat iemand zich risicovoller gaat gedragen, zodra hij verzekerd is. Denk aan iemand die een reisverzekering heeft en daardoor op vakantie minder goed op zijn digitale camera let dan hij zonder verzekering zou hebben gedaan. Het probleem voor de verzekeraars is dat ze zu Multiplier Het verschijnsel dat de uiteindelijke groei van het nationaal inkomen hoger kan zijn dan de aanvankelijke, autonome stijging van de effectieve vraag. Een besluit van de ondernemingen om meer te gaan investeren, betekent concreet dat zij bij andere ondernemingen meer kapitaalgoederen, zoals machines en transportmiddelen, gaan kopen. Omdat er in een Nationaal inkomen De som van de primaire inkomens van de burgers en overheid van een land verdiend in een bepaald jaar. Nationale rekeningen Boekhoudkundige beschrijving van de geldstromen in een land in een bepaald jaar. Nationale spaaroverschot Het saldo van de particuliere sector plus het saldo van de overheidssector. Dit spaaroverschot - positief of negatief - moet gelijk zijn aan het saldo van de sector buitenland. Natuur Oorspronkelijke productiefactor die alle natuurlijke hulpbronnen, zoals grond, bossen en delfstoffen omvat. De delfstoffen, die reeds gewonnen zijn, behoren tot het vlottend kapitaal. Negatieve externe effecten Een onderneming die afvalstoffen in een rivier loost, veroorzaakt nadelen die niet in de kostprijs van het product worden verwerkt. Dit zijn maatschappelijke nadelen. De mensen die hierdoor minder welvaart genieten, zijn meestal niet de afnemers van het product. Zulke bijverschijnselen noemen we negatieve externe effecten. Hiervan is sprake als nad Negatieve selectie Een term die veel gebruikt wordt als het over verzekeringen gaat. Neem als voorbeeld een ziektekostenverzekering. Stel dat alle Nederlanders hetzelfde ziektekostenpakket hebben en dezelfde premie betalen. Voor gezonde mensen is die premie dan relatief duur, en voor mensen die veel kans lopen ziek te worden, is die premie relatief goedkoop. Voor gez Netto binnenlands product (NBP) Gelijk aan het bruto binnenlands product (BBP) minus de afschrijvingen Netto nationaal product (NNP) Gelijk aan het bruto nationaal product (BNP) minus de afschrijvingen. Het NNP moet gelijk zijn aan het nationaal inkomen. Netto toegevoegde waarde van de overheid Omdat er voor de productie van de overheid geen verkoopprijzen op markten tot stand komen, meten we de bijdrage van de overheid door de netto toegevoegde waarde van de overheid gelijk te stellen aan de ambtenarensalarissen. Netto toegevoegde waarde Gelijk aan de bruto toegevoegde waarde minus de afschrijvingen. Netto-investeringen De investeringen die de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad in een land veranderen. De netto-investeringen zijn te bereken door van de bruto-investeringen de afschrijvingen af te trekken. De netto-investeringen bestaan uit de uitbreidingsinvesteringen plus de voorraadmutatie. Netwerkeffecten Treden vaak op in de ICT-sector, maar ook in traditionelere sectoren zoals openbaar vervoer en telefonie. Als voorbeeld het vaste telefonienetwerk. Als je als consument een aansluiting hebt op dit netwerk, neemt de waarde van jouw aansluiting toe naarmate er meer andere consumenten op dat netwerk zijn aangesloten. Je kunt dan immers meer mensen ber Niet-duurzame consumptiegoederen Zowel consumptiegoederen die slechts één keer te gebruiken zijn, als milieuonvriendelijke consumptiegoederen. Nominaal nationaal inkomen Het nationaal inkomen in geld uitgedrukt, waarbij geen rekening is gehouden met de inflatie. Nut Wordt ontleend aan het consumeren van goederen. Zie ook welvaart. Objectieve methode Het nationaal inkomen wordt gemeten door de netto toegevoegde waarde van de productie van alle ondernemingen op te tellen bij de netto toegevoegde waarde van de overheid. Omzet Het aantal in een bepaalde periode verkochte producten maal de verkoopprijs per stuk. Onderbesteding De effectieve vraag is kleiner dan de productiecapaciteit. De bestedingen schieten tekort om voldoende werkgelegenheid te bieden voor het gegeven arbeidsaanbod. Er is sprake van conjuncturele werkloosheid. Ondernemer Combineert de drie productiefactoren. Ontvangsten van de overheid Deze bestaan uit directe belastingen, indirecte belastingen, niet-belastingmiddelen - bijvoorbeeld winstuitkeringen door overheidsondernemingen en retributies - alsmede premies voor de sociale verzekeringen. Oorspronkelijke productiefactoren Natuur en arbeid. Kapitaal noemt men de afgeleide productiefactor . Open economie Een economiemodel met een sector buitenland. Met open economie kan ook bedoeld worden dat het land intensieve handelsrelaties heeft met het buitenland. Open markttransacties Zijn bedoeld voor het sturen van de rente, het beheersen van de liquiditeitsverhoudingen en het afgeven van signalen over de koers van het monetaire beleid. De belangrijkste vorm van open markttransacties zijn herfinancieringstransacties. Overbesteding De effectieve vraag is groter de productiecapaciteit. Er is sprake van bestedingsinflatie en een overspannen arbeidsmarkt. Zie loon-prijsspiraal. Overdrachtsuitgaven Inkomensoverdrachten van de overheid naar burgers toe. De overheid verwacht hiervoor geen tegenprestatie, zoals de bijstandsuitkeringen en de inkomensondersteunende subsidies. Overheidsbestedingen Het gedeelte van de overheidsuitgaven waar de overheid wel een tegenprestatie voor verlangt, in tegenstelling tot bij de overdrachtsuitgaven. De overheidsbestedingen zijn te verdelen in overheidsinvesteringen en overheidsconsumptie. Overheidsconsumptie De uitgaven van de overheid aan andere productiefactoren dan vast kapitaal. Hieronder vallen naast kantoorbenodigdheden en dergelijke ook de ambtenarensalarissen. Overheidsinvesteringen De aanschaf van vaste kapitaalgoederen door de overheid, zoals voor spoorlijnen, wegen, bruggen, gebouwen en dijken. Overheidsproductie Zie netto toegevoegde waarde van de overheid. Overheidsuitgaven De overheidsbestedingen plus de overdrachtsuitgaven. Overspannen arbeidsmarkt De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid. De effectieve vraag is groter dan de productiecapaciteit. Door de schaarste aan arbeidskrachten leidt deze situatie tot een stijging van de lonen. Pacht De beloning voor het beschikbaar stellen van grond. Participatiegraad De omvang van de beroepsbevolking uitgedrukt in procenten van de potentiële beroepsbevolking. Permanente faciliteiten Permanente faciliteiten zijn ervoor om zeer kortlopende liquiditeiten te verschaffen of te onttrekken en signalen af te geven over de algemene koers van het monetaire beleid. Het gaat hierbij om leningen van maximaal één dag. Vallen uiteen in marginale beleningsfaciliteiten en depositofaciliteiten. Positieve externe effecten Goederen met positieve externe effecten herken je veelal aan het feit dat de overheid het gebruik ervan door subsidies stimuleert. Je kunt denken aan huizen met mooi aangelegde tuinen, die ook voor de mensen in de omgeving bijdragen tot de welvaart. Ook openbaar vervoer heeft een positief extern effect. Het gebruik ervan dringt de vervuiling door h Potentiële beroepsbevolking Alle personen tussen de 15 en 65 jaar. Ook mensen in de WAO behoren tot hiertoe, omdat zij in principe aangepast werk zouden kunnen doen. Primaire inkomens De inkomens die men ontvangt als beloning voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren. Zie loon, pacht en huur, interest en winst. Prisoner's dilemma Spel waarin strategieën die van tevoren optimaal zijn tot een uitkomst leiden die voor beide spelers niet optimaal is. Het oorspronkelijke prisoner's dilemma gaat als volgt: twee dieven worden betrapt door de politie. De politie neemt beide dieven naar een aparte kamer op het politiebureau en geeft ze het volgende aanbod: 'als jij bekent, maar je p Producent Zie ondernemer. Produceren Het combineren van productiefactoren, waarbij goederen en diensten voor consumptie geschikt gemaakt worden. Productiecapaciteit De maximale hoeveelheid goederen en diensten die geproduceerd kan worden. Deze is afhankelijk van de aanbodfactoren. Productiefactor Een middel waarmee geproduceerd kan worden. Er worden drie productiefactoren onderscheiden: natuur, arbeid en kapitaal. De eerste twee noemt men oorspronkelijk en kapitaal noemt men de afgeleide productiefactor. Raad van Bestuur van de ECB Belangrijkste besluitvormende orgaan van het Europees Stelsel van Centrale Banken, dat bestaat uit de zes directieleden van de ECB en de centrale bankpresidenten van de twaalf aan de EMU deelnemende EU-lidstaten. Recessie In het dagelijks spraakgebruik betekent dit een periode van laagconjunctuur, maar officieel is er sprake van een recessie als het bruto binnenlands product twee kwartalen achter elkaar is gedaald. Refi-rente Rente die vergoed wordt op reserveverplichtingen en herfinancieringstransacties. Rente Zie interest. Reserveverplichtingen Dienen om een structureel tekort op de geldmarkt tot stand te brengen. Kredietinstellingen zijn steeds voor een maand verplicht gemiddeld 2% van bepaalde passivaposten van hun balans aan te houden bij één van de nationale centrale banken. Retributies Heffingen voor diensten die de overheid aan burgers verleent, zoals de afgifte van paspoorten. Behoort bij het gedeelte van de ontvangsten van de overheid dat komt uit niet-belastingmiddelen. Reëel kapitaal Zie kapitaalgoederen. Reëel nationaal inkomen Het nationaal inkomen gecorrigeerd voor de inflatie. Zo is te zien in hoeverre de koopkracht is veranderd. Saldo van de overheidssector De ontvangsten van de overheid minus de overheidsconsumptie en de overheidsinvesteringen. (B - O) Saldo van de particuliere sector De besparingen minus de investeringen. (S - I) Saldo van de sector buitenland De waarde van de export minus de waarde van de import. (E - M) Schaars Iets is schaars als er productiefactoren voor moeten worden opgeofferd. Schaarste Schaarste bestaat omdat onze tijd beperkt is. Hierdoor zijn we gedwongen te kiezen. We kiezen daarom voor een bepaalde studieduur, een bepaalde werktijd, aantal uren vrije tijd en een tijdstip van pensionering. Hierdoor is ons inkomen ook beperkt en moeten we kiezen welke goederen we consumeren. Sectoren Men onderscheidt in de macro-economie de volgende vijf sectoren: consumptiehuishoudingen, ondernemingen, de collectieve sector, de financiële instellingen en het buitenland. Seizoenbeweging De jaarlijkse, regelmatig terugkerende schommelingen in de bedrijvigheid, die hun oorzaak vinden in de wisselende omstandigheden van de seizoenen. Spaarfunctie Deze gedragsvergelijking beschrijft het verband tussen de geplande besparingen en het nationaal inkomen. De spaarfunctie is af te leiden uit de consumptiefunctie. Spaarquote Het deel van het nationaal inkomen dat niet wordt geconsumeerd. Zie marginale spaarquote. Staat van middelen en bestedingen Een schematische weergave van de identiteit:.Y + M = C + I + O + E. De som van het nationaal inkomen en de invoer aan de linkerkant van de staat moet gelijk zijn aan de som van de totale bestedingen aan de rechterkant. Stabiliteitspact Pact waaraan landen zich na toetreding tot de Economische en Monetaire Unie moeten houden. Bepaalt onder andere dat de begroting op middellange termijn vrijwel in evenwicht moet zijn of een klein overschot moet vertonen. Stagflatie Combinatie van inflatie en werkloosheid. Het woord is een samentrekking van inflatie en stagnatie en heeft zich eind zeventiger jaren voorgedaan. De oorzaken van stagflatie liggen vooral bij de aanbodzijde (structureel). Stroomgrootheid Een grootheid die over een bepaalde periode (bijvoorbeeld één jaar) wordt gemeten. Voorbeelden van stroomgrootheden zijn: nationaal inkomen, omzet en kosten. Voorbeelden voor voorraadgrootheden zijn de maatschappelijke geldhoeveelheid, de kapitaalgoederenvoorraad en de beroepsbevolking. Structurele aspect van investeringen Zie capaciteitseffect van investeringen. Structurele ontwikkeling De geleidelijke verandering van de productiecapaciteit door veranderingen in de aanbodfactoren. Structurele werkloosheid Deze vorm van werkloosheid heeft zijn oorzaak bij de aanbodzijde van de economie. Een deel van de beroepsbevolking zou zelfs bij een volledige bezetting van de productiecapaciteit werkloos blijven. We maken onderscheid tussen kwantitatieve en kwalitatieve structurele werkloosheid. Structuurtoezicht Toezichtstaak van De Nederlandsche Bank, bedoeld om ongewenste machtsposities te voorkomen die door fusies van banken kunnen ontstaan. Subjectieve methode De hoogte van het nationaal inkomen wordt gemeten door alle primaire inkomens van de burgers van een land bij elkaar op te tellen. Technische ontwikkeling Technische ontwikkeling vindt plaats via uitvindingen of inventions, geleidelijke vernieuwingen of innovations en verspreiding of diffusie van technische kennis. We spreken van kapitaalbesparende en arbeidsbesparende technische ontwikkeling. Zie basisinnovaties. Toegerekend arbeidsinkomen Het deel van de winst van ondernemingen van zelfstandigen, dat als fictief loon voor zelfstandigen wordt gezien bij de berekening van de arbeidsinkomensquote. Zelfstandigen zetten hun eigen arbeid in gedurende het productieproces, maar dit komt in de statistieken slechts tot uitdrukking in de winst. Toegevoegde waarde tegen factorkosten Wanneer we de toegevoegde waarde berekenen door de kostprijsverhogende belastingen en de prijsverlagende subsidies weg te laten uit de verkoopprijzen. Toegevoegde waarde tegen marktprijzen Wanneer we de toegevoegde waarde berekenen door uit te gaan van verkoopprijzen. Toegevoegde waarde Gelijk aan het verschil tussen de marktwaarde van de productie en de gebruikte grond- en hulpstoffen en diensten van derden. Zie netto en bruto toegevoegde waarde, alsmede toegevoegde waarde tegen factorkosten en toegevoegde waarde tegen marktprijzen. Toezicht op de beleggingsinstellingen Toezichtstaak van De Nederlandsche Bank; doelstellingen zijn een goede werking van de financiële markten en bescherming van potentiële beleggers op de markten. Toezicht op de wisselkantoren Toezichtstaak van De Nederlandsche Bank; met name gericht op de handhaving van de integriteit van wisselkantoren. Toezicht op het bankwezen Toezichtstaak van De Nederlandsche Bank; valt uiteen in het bedrijfseconomisch toezicht en het structuurtoezicht. | ZoekTyp een term en klik op `Zoek`.Online taaltestDe NTR, de VPRO, de Universiteit Gent en Canvas hebben een wetenschappelijk onderzoek naar Taal opgezet en doen dit door middel van een online taaltest. Hoeveel woorden ken jij?
Recent gezochtDe laatste zoekopdrachten. Tussen haakjes staan resp. de resultaten en verwante resultaten.• doornat (2/0) • Sociolect (3/0) • plannen (9/6) • insult (13/6) • disinhibitie (2/0) • facet (13/20) • Braden (17/6) • jongstleden (3/0) • gerandomiseerd (2/0) • kopie (9/25) • Primordialisme (1/0) • privaten (1/0) • VN (5/25) • bestuursregeling (1/0) • perinatale sterfte (6/1) • psp (14/5) • lijzen (1/0) • befaamd (5/1) • urbanisatie (24/3) • hartstochten (1/0) • Braden (17/6) • middelland (2/19) • Pianosonate nr. 23 (1/0) • initieren (6/3) |
|||||||||||||||||||||
| © Encyclo MMXII | Contact | Privacy | Woorden toevoegen | ||||||||||||||||||||||