Kopie van `De Kern van de Economie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


De Kern van de Economie
Categorie: Economie en financiën > Economische begrippen
Datum & Land: Ec/on/omie, NL
Woorden: 37


Anti-cyclische begrotingspolitiek
Overheidsbeleid dat gericht is op het dempen van de conjunctuurgolven. De overheid moet dan in tijden van hoogconjunctuur de effectieve vraag verminderen door haar uitgaven te matigen of de belastingdruk te verhogen en vice versa. Dit beleid is gebaseerd op de theorie van Keynes.

Asymmetrische informatie
Houdt in dat in een economische transactie de ene partij meer informatie heeft dan de andere partij. Zie moral hazard en negatieve selectie.

Effectieve vraag
De ex ante bestedingen van consumenten en ondernemingen. Zie evenwichtsinkomen, onderbesteding, overbesteding.

Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB)
Bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de centrale banken van alle vijftien lidstaten van de Europese Unie. Het belangrijkste besluitvormende orgaan van het ESCB is de Raad van Bestuur van de ECB.

Europese Centrale Bank (ECB)
Onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het monetaire beleid.

Evenwichtsvoorwaarde
De noodzakelijke voorwaarde waaronder een model in evenwicht is. In het eenvoudige keynesiaanse model is de evenwichtsvoorwaarde dat het nationaal inkomen gelijk is aan de effectieve vraag, zodat de besparingen gelijk zijn aan de investeringen.

Identiteit
Een noodzakelijke gelijkheid: een vergelijking die per definitie waar is en daarom ook definitiegelijkheid wordt genoemd, zoals Y= C + I + O + E - M.

Importlek
Zie inkomenslekken.

Klassieken (Neo)
De neoklassieken leggen de nadruk op de aanbodkant van de economie en de lange termijn. Zij vertrouwen op het gemakkelijk aanpassen van de prijzen op de markten. Volgens hen is er altijd sprake van bestedingsevenwicht, omdat de soepele aanpassing van de prijzen en lonen garandeert dat de productiecapaciteit op elk moment volledig bezet is.

Niet-duurzame consumptiegoederen
Zowel consumptiegoederen die slechts één keer te gebruiken zijn, als milieuonvriendelijke consumptiegoederen.

Nut
Wordt ontleend aan het consumeren van goederen. Zie ook welvaart.

Objectieve methode
Het nationaal inkomen wordt gemeten door de netto toegevoegde waarde van de productie van alle ondernemingen op te tellen bij de netto toegevoegde waarde van de overheid.

Omzet
Het aantal in een bepaalde periode verkochte producten maal de verkoopprijs per stuk.

Oorspronkelijke productiefactoren
Natuur en arbeid. Kapitaal noemt men de afgeleide productiefactor .

Overbesteding
De effectieve vraag is groter de productiecapaciteit. Er is sprake van bestedingsinflatie en een overspannen arbeidsmarkt. Zie loon-prijsspiraal.

Overdrachtsuitgaven
Inkomensoverdrachten van de overheid naar burgers toe. De overheid verwacht hiervoor geen tegenprestatie, zoals de bijstandsuitkeringen en de inkomensondersteunende subsidies.

Overheidsbestedingen
Het gedeelte van de overheidsuitgaven waar de overheid wel een tegenprestatie voor verlangt, in tegenstelling tot bij de overdrachtsuitgaven. De overheidsbestedingen zijn te verdelen in overheidsinvesteringen en overheidsconsumptie.

Overheidsconsumptie
De uitgaven van de overheid aan andere productiefactoren dan vast kapitaal. Hieronder vallen naast kantoorbenodigdheden en dergelijke ook de ambtenarensalarissen.

Overheidsinvesteringen
De aanschaf van vaste kapitaalgoederen door de overheid, zoals voor spoorlijnen, wegen, bruggen, gebouwen en dijken.

Overheidsproductie
Zie netto toegevoegde waarde van de overheid.

Overheidsuitgaven
De overheidsbestedingen plus de overdrachtsuitgaven.

Overspannen arbeidsmarkt
De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid. De effectieve vraag is groter dan de productiecapaciteit. Door de schaarste aan arbeidskrachten leidt deze situatie tot een stijging van de lonen.

Sectoren
Men onderscheidt in de macro-economie de volgende vijf sectoren: consumptiehuishoudingen, ondernemingen, de collectieve sector, de financiële instellingen en het buitenland.

Seizoenbeweging
De jaarlijkse, regelmatig terugkerende schommelingen in de bedrijvigheid, die hun oorzaak vinden in de wisselende omstandigheden van de seizoenen.

Spaarfunctie
Deze gedragsvergelijking beschrijft het verband tussen de geplande besparingen en het nationaal inkomen. De spaarfunctie is af te leiden uit de consumptiefunctie.

Spaarquote
Het deel van het nationaal inkomen dat niet wordt geconsumeerd. Zie marginale spaarquote.

Subjectieve methode
De hoogte van het nationaal inkomen wordt gemeten door alle primaire inkomens van de burgers van een land bij elkaar op te tellen.

Uitbreidingsinvesteringen
De investeringen die de vaste kapitaalgoederenvoorraad doen toenemen. Deze zijn te berekenen door van de vaste kapitaalgoederen de vervangingsinvesteringen af te trekken.

Voorraadgrootheid
Een grootheid waarvan de omvang op een bepaald moment vaststaat, in tegenstelling tot een stroomgrootheid waarvan de omvang over een bepaalde periode wordt gemeten.

Voorraadmutatie
De verandering van de omvang van het vlottende kapitaalgoederenvoorraad gedurende een bepaalde periode. Zie netto-investeringen.

Vraagfactoren
De componenten van de effectieve vraag. De vraagfactoren zijn de consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en het saldo van de buitenlandse vraag.

Vrijwilligerswerk
Alle werkzaamheden die niet gericht zijn op het verwerven van een inkomen.

Wegingsfactor
De relatieve belangrijkheid aan van een goed in een pakket goederen in het basisjaar. Een wegingsfactor van een bepaald goed in het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie geeft aan welk deel van het inkomen een modaal gezin aan dat goed uitgeeft.

Welvaart
De mate van behoeftebevrediging, voor zover deze afhankelijk is van het omgaan met schaarse middelen.

Welvaart in enge zin
Eén van de manieren waarop het begrip welvaart geïnterpreteerd wordt. Hoewel het de meeste gebruikte interpretatie is, is het niet de correcte. De reden hiervoor is dat niet alle schaarse middelen meegeteld worden, maar alleen die schaarse middelen die in het nationaal inkomen zijn opgenomen. De kwaliteit van het milieu telt bijvoorbeeld niet mee.

Welvaart in ruime zin
Eén van de manieren waarop het begrip welvaart geïnterpreteerd wordt. Dit is de correcte interpretatie, omdat het - in tegenstelling tot welvaart in enge zin - wel rekening met alle schaarse middelen houdt, dus ook de kwaliteit van het milieu.

Zelfstandigen
Personen die niet in loondienst zijn maar een eigen onderneming hebben.