Zoek op

Bruijen

Let op: Spelling (deels) uit 1864: (B. BRUIEN), [bedrijvend werkwoord] en ow. [gelijkvloeiend] (ik bruide, heb of ben gebruid), werpen, slaan, kloppen; vallen, smakken; als hij weer komt, brui ik hem van de trappen; brui maar toe, sla er maar op los; [figuurlijk] wat bruit het mij, wat geef ik er om; gij moet mij niet zoo -, niet zoo malen o...
Gevonden op http://www.dbnl.org/tekst/cali003nieu01/cali003nieu01_0005.htm

Bruijen

woord uit 1812, uitleg bij teksten van E.J. Potgieter (1808 - 1875) schelen.
Gevonden op http://www.encyclo.nl/lokaal/10859
Geen exacte overeenkomst gevonden.