ik pronoun Uitspraak: [ ɪk ] <je gebruikt dit woord als je over jezelf praat en je onderwerp van de zin bent> Voorbeeld: 'Ik kom zo!' Synoniemen: ego Spreekwoorden en zegswijzen • wat ik je brom (=wat ik je zeg!) • wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? (=wat gebeurt er nu ... Gevonden op https://woorden.org/woord/ik
[filosofie] De uitdrukking waarmee de denkende mens de eenheid van lichaam, denken en voelen aanduidt en die aldus scheidt van zijn omgeving en andere subjecten. Het vermogen om 'ik' te zeggen staat of valt met het bestaan van ononderbroken geheugen. Geheugenverlies betekent onvermijdelijk ik-verlies. Door de voorstelling va... Gevonden op https://cultureelwoordenboek.nl/filosofie/ik
Instantie die in Freuds tweede theorie van het psychische apparaat onderscheiden wordt van Es en Boven-Ik . Het Ik bemiddelt tussen de aanspraken van het Es, de bevelen van het Boven-Ik en de eisen der realiteit. ‘Waar Es was, moet Ik worden. Het is cultuurarbeid, ongeveer als de drooglegging van de Zuiderzee’ (Freud, 1933a; 10: 144). Het Ik vo... Gevonden op https://psychoanalytischwoordenboek.nl/lemmas/ik/