talmend, treuzelend, druilend - Voorbeeld: ‘In zijn travestie-costuum en met zijn volrond, blozend gelaat, heeft Jan iets in 't voorkomen zijner tronie van een schuchtere bloderik, een truntelachtige loebedoes’ Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0022.php