uiteengaan, scheiden - Voorbeeld: ‘De twee partijen waren uiteengescheiden’ - Voorbeeld: ‘Ze duwden een laatste ferme greep ten afscheid en wensten elkaar zalige Kerstdag. Dan scheidden ze uiteen’ Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0023.php