de Curaçaoënaar zelfst.naamw. (m.) Verbuigingen: Curaçaoënaren Curaçaoënaars (meerv.) Verbuigingen: Curaçaoënaartje (verkleinwoord) inwoner van Curaçao Voorbeeld: 'De Curaçaoënaars gingen naar de stembus.' ... Gevonden op https://www.woorden.org/woord/Curaçaoënaar