
de baas op een werf waar men nieuwe schepen bouwt. De term stamt nog uit de gildentijd. Zie ook scheepsbouwer en meesterknecht . Bron o.a.: Johan Hendrik van Dale, Van Dale`s groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl ¦ Dirk Huizinga, Scheepsbouw in Stavoren, 1846-1920, Uitg. PDF eigen beheer.
Gevonden op
https://www.binnenvaarttaal.nl/zoek.php?woord=scheepsbouwmeester
Geen exacte overeenkomst gevonden.