Zoek op

Tijen

Let op: Spelling (deels) uit 1864: Tijgen, ow. [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] [onregelmatig] (ik tijde, heb getijd; of teeg of toog, heb en ben getogen), voorwaarts gaan, trekken; beginnen aan (den arbeid enz.).
*...GEN, [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] betigten, beschuldigen.
Gevonden op http://www.dbnl.org/tekst/cali003nieu01/cali003nieu01_0023.htm
Geen exacte overeenkomst gevonden.