Kopie van `Verkiezingsaffiches politiek ABC`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Verkiezingsaffiches politiek ABC
Categorie: Politiek > Verkiezingen
Datum & Land: 28/02/2007, NL
Woorden: 91


Actief kiesrecht
Het recht om te stemmen tijdens verkiezingen voor Tweede Kamer, Provinciale Staten, (deel)gemeenteraden en het Europees Parlement. Een recht dat alle Nederlanders van achttien jaar en ouder hebben. Bij verkiezingen voor gemeenteraden, deelraden en het Europees Parlement mag bovendien een deel van de in Nederland wonende buitenlanders stemmen. Uitgezonderd zijn mensen die `handelingsonbekwaam` zijn verklaard, onder wie mensen met een ernstige verstandelijke handicap. Ook kan ontzetting uit het kiesrecht onderdeel van een (gevangenis-)straf zijn. Dat is alleen zo als de rechter ontzetting uit het kiesrecht in zijn vonnis opneemt. Een bij velen bestaand misverstand is dat van alle gevangenen het kiesrecht zou zijn opgeschort.

Afgevaardigde
Lid van een vertegenwoordigend orgaan (bijvoorbeeld Tweede Kamer of Provinciale Staten) namens een politieke partij of groepering.

Algemeen kiesrecht
Tot het begin van de twintigste eeuw was het kiesrecht voorbehouden aan een beperkte groep. Alleen een kleine groep rijke mannen mocht toen meedoen aan verkiezingen, op grond van de hoeveelheid belasting die ze betaalden (censuskiesrecht). Later werd deze groep geleidelijk uitgebreid naar de gehele mannelijke bevolking (1917). Pas in 1919 werd het actief kiesrecht ook aan vrouwen toegekend. Van `algemeen kiesrecht` is dus sprake sinds 1919. De eerste verkiezingen op basis van algemeen kiesrecht vonden plaats in 1922.

Beginselpartij
Partij die zich in haar politiek sterk laat leiden door beginselen. Tegenover een beginselpartij staat een programpartij: die richt zich alleen op het geldende verkiezingsprogramma. In ons land is meestal sprake van een mengvorm van beide typen partijen. De orthodoxe protestants-christelijke partijen operen sterk vanuit hun beginselen.

Beginselprogramma
Basisprogramma van een politieke groepering of partij. Algemene beginselen of uitgangspunten worden hierin verwoord en toegepast op maatschappelijke en politieke vraagstukken.

Blanco stemmen
Sinds de afschaffing van de opkomstplicht is blanco stemmen minder populair geworden. Het uitbrengen van een blanco stem (door niets in te vullen op het stembiljet) heeft uitsluitend symbolische betekenis. Invloed op de zetelverdeling heeft de blancostemmer niet. Ook bij veel blanco stemmen blijven er geen Kamerzetels onbezet. In de tijd dat er nog opkomstplicht bestond bij verkiezingen was blanco of ongeldig stemmen de enige manier om, bijvoorbeeld uit protest, op een legale manier niet op één van de deelnemende partijen te stemmen.

Buitenland
Als alle Nederlanders die in het buitenland wonen van hun stemrecht gebruik zouden maken, zou dat goed zijn voor tussen de vijf en tien zetels. De praktijk is anders. Omdat een adresregister van in het buitenland wonende Nederlanders niet bestaat, ontvangen zij niet automatisch een oproepingskaart voor de verkiezingen. Velen nemen niet de moeite zich bij de ambassade als kiezer te registreren of zijn niet bekend met de procedure. Slechts een klein percentage neemt dan ook daadwerkelijk deel aan de verkiezingen.

Buitenlanders
Na ten minste vijf jaar legaal in Nederland te hebben gewoond, krijgen buitenlanders van achttien jaar en ouder stemrecht voor de verkiezingen van gemeenteraden en deelraden (in grote steden). Ook kunnen zij zich verkiesbaar stellen. Onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben na vestiging in Nederland onmiddellijk actief en passief stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en voor het Europees Parlement. De discussie over uitbreiding van het kiesrecht voor buitenlanders is nog altijd gaande.

Censuskiesrecht
In de negentiende eeuw was het stemrecht gekoppeld aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde. Dit systeem wordt censuskiesrecht genoemd. Door geleidelijke verlaging van het bedrag aan belasting waarboven men stemrecht kreeg, werd het aantal kiezers uitgebreid.

Centraal stembureau
Bij elke verkiezing wordt de uitslag vastgesteld door een centraal stembureau, dat de uitslagen van alle stembureaus verzamelt. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. Het centraal stembureau zorgt voorafgaand aan de verkiezingen ook voor de registratie van politieke partijen in het zogenaamde `register van politieke groeperingen`.

Coalitie
Omdat geen enkele politieke partij in Nederland over een meerderheid in de Tweede Kamer beschikt, is voor het vormen van een regering altijd een coalitie van twee of meer partijen nodig. Na de verkiezingen van 1998 waren drie partijen nodig om een meerderheid in de Kamer te vormen.

Confessionele partij
Een confessionele partij is een partij die zijn politieke doelstellingen baseert op een religie.

Demissionair
Na de verkiezingen wordt begonnen aan de formatie van een nieuw kabinet. In afwachting van het aantreden van hun opvolgers blijven ministers en staatssecretarissen op hun post om lopende zaken waar te nemen. Het kabinet heet in deze periode `demissionair` te zijn. De ongeschreven regel is dat de regering in deze periode geen omstreden maatregelen meer neemt. Alle voorstellen die niet op brede steun in de Kamer kunnen rekenen worden uitgesteld tot na het aantreden van de nieuwe ministersploeg.

Democratie
Staatsvorm waarin een vertegenwoordiging van het volk de hoogste macht heeft en een overwegende invloed heeft op het regeringsbeleid.

Directe democratie
Hiervan is sprake als alle leden van een samenleving direct, zonder tussenkomst van vertegenwoordigers, regeren volgens het principe ‘de meeste stemmen gelden’. Dit kan alleen in zeer kleine gemeenschappen. Indien besluitvorming plaatsvindt door gekozen vertegenwoordigers, spreken we van indirecte of representatieve democratie. Tegenwoordig proberen sommige gemeenten naast verkiezingen ook varianten van directe democratie te introduceren, zoals het referendum.

Districtenstelsel
In bijvoorbeeld Groot-Brittannië vertegenwoordigt elk parlementslid een bepaald district, waar hij gekozen is. In zo`n districtenstelsel is in elk district één parlementszetel te vergeven, die toevalt aan de kandidaat met de meeste stemmen. Stemmen op de overige partijen in dat district gaan verloren. Voor kleine partijen is het moeilijk om binnen dit systeem zetels te veroveren. In de meeste landen met een districtenstelsel wordt de politiek dan ook beheerst door twee grote partijen, die afwisselend de meerderheid hebben. Er bestaan ook varianten van het districtenstelsel waarin per district meer dan één zetel verdeeld wordt. Kleinere partijen hebben binnen die variant iets meer kans om in het parlement te komen. Het belangrijkste voordeel van het districtenstelsel is volgens voorstanders dat parlementsleden dichter bij hun kiezers staan.

Dualisme
Scheiding van verantwoordelijkheid tussen volksvertegenwoordiging enerzijds en regering anderzijds, respectievelijk tussen een fractie in het parlement en de ministers van diezelfde partij in de regering. Hierdoor ontstaat een soort machtsevenwicht. Het tegenovergestelde van dualisme is monisme. Deze begrippen zijn ook van toepassing op lagere overheden.

Eerste Kamer
Een van beide Kamers der Staten-Generaal, ook wel Senaat genoemd. De Eerste Kamer moet in de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerpen in hun geheel beoordelen, want zij mist het recht van amendement. De 75 leden van de Eerste Kamer worden niet rechtstreeks gekozen door de burgers, maar door de leden van Provinciale Staten, en wel om de vier jaar.

Electoraat
Alle kiezers tezamen.

Evenredige vertegenwoordiging
Landen die geen districtenstelsel kennen, hebben doorgaans een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dat geldt ook voor Nederland. Partijen krijgen Kamerzetels op grond van het percentage van de stemmen in het hele land. Een kwart van de stemmen is goed voor (ongeveer) een kwart van de zetels. Kleine partijen hebben aanzienlijk betere kansen dan in een districtenstelsel. In veel landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging haalt geen enkele partij de meerderheid en moet door onderhandelingen een regering van meerdere partijen worden gevormd. Een vaak genoemd nadeel is dat de kiezers hierdoor geen rechtstreekse invloed hebben op de samenstelling van de regering.

Exit-polls
Op de dag van de verkiezingen wordt bij de uitgang van een aantal speciaal geselecteerde stembureaus aan de kiezers gevraagd wat ze gestemd hebben. Deze zogenaamde `exit-polls` (uitgangspeilingen) leveren doorgaans een goed beeld op van de einduitslag. De resultaten van deze opiniepeiling worden op televisie direct na sluiting van de stembussen (20.00 uur) bekendgemaakt. Als in de loop van de avond de echte uitslagen binnenkomen worden de verwachtingen bijgesteld.

Formateur
Wanneer tijdens de kabinetsformatie de informateur heeft uitgevonden welke partijen samen een regering willen vormen, wordt door de koningin een formateur aangesteld. De formateur krijgt opdracht een regeerakkoord op te stellen en ministers en staatssecretarissen bij elkaar te zoeken. Normaal gesproken is het uiteindelijk ook de formateur die het kabinet gaat leiden en minister-president wordt.

Fractie
Alle leden van één partij in een vertegenwoordigend lichaam. Een fractie wordt geleid door een fractievoorzitter.

Fractievoorzitter
De leider van een fractie. De fractievoorzitter is vaak ook de politieke leider van een partij. Hij voert bij belangrijke kwesties en bij de algemene beschouwingen het woord en hij is de onderhandelaar bij de kabinetsformatie.

Gedoogsteun
De toezegging van (leden van) een politieke partij in het parlement dat men een regering niet ten val zal brengen, zonder overigens het beleid van die regering te steunen.

Grondwet
De belangrijkste Nederlandse wet. In de Grondwet zijn onder meer de bevoegdheden van koning, regering en parlement geregeld. Ook zijn in de Grondwet de belangrijkste rechten en plichten van de burgers vastgelegd. Voor wijziging van de Grondwet is een tweederde meerderheid in het parlement nodig. Bovendien moeten wijzigingen twee keer worden goedgekeurd, in zogenaamde eerste en tweede lezing. Voorafgaand aan die tweede lezing moeten er verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn geweest. Zodoende zijn de kiezers (indirect) in de gelegenheid een ongewenste wijziging van de Grondwet tegen te houden.

Grootste partij
De partij die bij de verkiezingen als grootste uit de bus komt heeft bepaalde -ongeschreven- voorrechten. Zo krijgt de grootste partij het initiatief bij de kabinetsformatie. De (eerste) informateur is meestal een lid van de grootste partij en mag proberen met andere partijen een coalitie te sluiten. Als het de grootste partij inderdaad lukt een regering te vormen, levert die partij bovendien de minister-president. Ook wil het gebruik dat de voorzitter van de Tweede Kamer lid is van de grootste partij. Van deze laatste regel wordt echter regelmatig afgeweken. Een goed functionerende Kamervoorzitter mag na de verkiezingen meestal blijven, ook al is zijn partij niet langer de grootste.

Handelingen
Woordelijke verslagen van de openbare beraadslagingen in Eerste en Tweede Kamer.

Hoofdelijke stemming
Stemming waarbij ieder afzonderlijk zich voor of tegen een voorstel moet uitspreken.

Informateur
Een dag na de verkiezingen ontvangt de koningin de nieuw gekozen fractievoorzitters en een aantal adviseurs. Op basis van de zo ingewonnen adviezen benoemt zij een informateur. Deze krijgt de opdracht te onderzoeken welke coalitie gevormd kan worden. Na afronding van zijn opdracht brengt de informateur verslag uit aan de koningin. Zij benoemt vervolgens een formateur of, wanneer het de informateur niet gelukt is een meerderheidscoalitie te vinden, opnieuw een informateur. Informateurs zijn in het algemeen politici die op enige afstand van het dagelijkse politieke strijdgewoel staan.

Kabinet
Een kabinet bestaat uit de ministers en de staatssecretarissen. Een kabinet draagt vrijwel altijd de naam van de premier: Kabinet-Kok, Kabinet-Lubbers enzovoort.

Kamervoorzitter
De Kamervoorzitter leidt de werkzaamheden van de Eerste respectievelijk Tweede Kamer. De voorzitter wordt door de Kamer zelf uit haar midden gekozen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat Kamerleden rechtstreeks tot elkaar of tot de regering spreken. Ze voeren het woord altijd via de voorzitter. Vandaar dat men in debatten of interpellaties regelmatig ‘mijnheer de voorzitter’ of ‘mevrouw de voorzitter’ hoort. De huidige voorzitter van de Tweede Kamer is de eerste vrouw in dit ambt en is lid van de PvdA, de voorzitter van de Eerste Kamer is momenteel van CDA-huize.

Kandidatenlijst
Politieke partijen bepalen grotendeels zelf wie namens de partij in de Tweede Kamer terechtkomt. Door het congres of de leden van een partij wordt daartoe een kandidatenlijst opgesteld, meestal op voordracht van het partijbestuur of een commissie. De kandidatenlijst wordt door de partij ingediend bij het centraal stembureau, de Kiesraad. In de volgorde waarin de kandidaten op de lijst staan komen ze vervolgens in de Kamer terecht. De enige manier om als laag geplaatste kandidaat toch verkozen te worden is het verzamelen van voldoende voorkeurstemmen.

Kiesdeler
Het aantal stemmen dat nodig is voor het behalen van een zetel heet de kiesdeler. Bij de Kamerverkiezingen is dat het aantal geldige stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels, 150. Gemiddeld is de kiesdeler ongeveer 60.000 stemmen. Zetels worden verdeeld door het aantal stemmen op een partij door de kiesdeler te delen. Omdat daarna een aantal zetels overblijft is er ook een model voor verdeling van de zogenaamde restzetels.

Kiesdistrict
In een districtenstelsel, zoals bijvoorbeeld Groot-Brittannië dat kent, is het land verdeeld in kiesdistricten. Per district is één zetel (in sommige landen enkele zetels) te verdelen, die terechtkomt bij de partij die in dat district de meeste stemmen haalt.

Kiesdrempel
In Duitsland moet een partij ten minste vijf procent van de stemmen halen om zetels in het parlement te krijgen. Deze kiesdrempel is opgeworpen om te voorkomen dat veel kleine partijen in het parlement terechtkomen. Achtergrond van deze regel is dat in Duitsland voor de oorlog een groot aantal kleinere partijen tot grote politieke verdeeldheid leidde. In deze periode van politieke versplintering wisten de nationaal-socialisten van Hitler met een minderheid in het parlement toch aan de macht te komen. Hoewel er in Nederland ook wel eens stemmen opgaan voor invoering van een kiesdrempel, is het verzet ertegen groot. Kiesdrempels belemmeren immers (kleine) minderheden om hun politieke geluid te laten horen.

Kieskringen
Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer is Nederland verdeeld in negentien kieskringen, die een provincie of een gedeelte daarvan beslaan. De kieskringen hebben een voornamelijk administratieve betekenis. In elke kieskring dient een partij een aparte kandidatenlijst in te dienen. Een kieskring is dus iets anders dan een kiesdistrict.

Kiesraad
Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. In dit verband wordt een register van politieke groeperingen bijgehouden. Nieuwe landelijke politieke partijen dienen zich bij de Kiesraad te registreren alvorens ze kunnen deelnemen aan de verkiezingen. Verder adviseert de Kiesraad de minister van Binnenlandse Zaken bij wijziging van of over vraagstukken betreffende de Kieswet. De Kiesraad is gevestigd in het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Kiesrecht
Zie actief kiesrecht en passief kiesrecht.

Kieswet
In de Kieswet zijn alle praktische en formele zaken rondom verkiezingen geregeld; van het verzenden van oproepingskaarten tot het tellen van de stemmen. In 2001 is de Kieswet op een aantal punten herzien. Zo blijven de stembureaus tot 21.00 uur open en is het gemakkelijker geworden om met voorkeurstemmen te worden gekozen.

Kiezerspas
Wie niet in de gelegenheid is te stemmen op het stembureau dat op de oproepingskaart staat vermeld, kan bij de gemeente een kiezerspas aanvragen. Daarmee is het mogelijk op een ander stembureau, bij de Tweede-Kamerverkiezingen ook in een andere plaats, te stemmen.

Koning(in)
Het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. De koning(in) vormt samen met de ministers de regering (‘de Kroon’), maar heeft daarin geen verantwoordelijkheid. De traditie wil dat de koningin niet gaat stemmen. Zij behoort immers boven de partijen te staan. Direct na de verkiezingen wordt haar onafhankelijke positie opnieuw op de proef gesteld. Tijdens de kabinetsformatie speelt zij enkele malen een centrale rol. De dag na de verkiezingen ontvangt ze alle nieuw gekozen fractievoorzitters, de voorzitters van beide Kamers, de vice-voorzitters van de Raad van State (en soms enkele ministers van Staat). Op basis van de gegeven adviezen verstrekt de koningin vervolgens een opdracht aan een informateur. Bij het opstellen van deze opdracht heeft het staatshoofd enige speelruimte. Zo kan de informateur gevraagd worden onderzoek te doen naar een regering die kan rekenen op `een meerderheid`, maar ook kan de opdracht bijvoorbeeld zijn te zoeken naar `een zo groot mogelijke meerderheid`. Afhankelijk van de situatie kan achter dit soort nuances een bepaalde voorkeur van de koningin schuilgaan. Later benoemt de koningin de formateur en uiteindelijk vindt ook de beëdiging van de ministers en staatssecretarissen door haar plaats. De beëdiging van de ministers wordt gevolgd door het bekende poseren op de trappen van Huis ten Bosch.

Leeftijd
Sinds 1971 is de stemgerechtigde leeftijd verlaagd naar achttien jaar. Tot 1971 mocht pas vanaf de 21e verjaardag worden gestemd, voor 1965 was de leeftijdsgrens 23 jaar. Pas in 1983 werd ook de leeftijd waarop iemand gekozen kon worden naar achttien jaar verlaagd.

Lijstduwer
Lijsttrekkers vinden we boven aan de kandidatenlijsten, lijstduwers dientengevolge onderaan. Bekende Nederlanders en oud-politici vervullen deze functie weleens. De bedoeling is dat ze extra stemmen trekken, zonder dat ze zelf gekozen worden. Niet alle partijen en lijsten kennen dit verschijnsel en officieel bestaat de lijstduwer zelfs niet.

Lijstkiesdeler
Het aantal stemmen uitgebracht op een partij gedeeld door het aantal behaalde zetels levert de lijstkiesdeler op. Slechts enkele kandidaten halen overigens persoonlijk meer stemmen dan de lijstkiesdeler. Anderen worden verkozen door overheveling van het overschot aan stemmen dat de lijsttrekker doorgaans haalt naar lager geplaatste kandidaten. Wie te laag op de lijst staat om op deze manier gekozen te worden heeft nog wel de mogelijkheid op voorkeurstemmen te worden gekozen.

Lijstnummer
Het is met name de uitslag van de vorige verkiezingen die de volgorde van de lijstnummers bepaalt. De grootste partij krijgt lijstnummer 1. Aan partijen die nog niet in de Tweede Kamer zaten wordt bij loting een nummer toegekend. Het lijstnummer bepaalt waar de kandidatenlijst van een partij op het stembiljet of de stemmachine terechtkomt. Lijst 1 staat aan de linkerkant. De lijstnummers worden vaak gebruikt op verkiezingsaffiches.

Lijsttrekker
De nummer één op de kandidatenlijst treedt in de verkiezingscampagne op als leider en belangrijkste woordvoerder van de partij. Wat de lijsttrekker na de verkiezingen gaat doen staat bepaald niet vast. In eerste instantie wordt de lijsttrekker Kamerlid en zal vermoedelijk tot fractievoorzitter worden gekozen. Van partijen die tot de regering toetreden worden veel lijsttrekkers minister-president of vice-minister-president. Uitzonderingen zijn er ook: in 1994 bleef VVD-lijsttrekker Frits Bolkestein in de Kamer zitten als fractievoorzitter. Ook kan de verkiezingsuitslag aanleiding zijn voor het vertrek van een juist gekozen fractieleider.

Lijsttrekkersdebat
Kort voor de verkiezingen verschijnen de lijsttrekkers van de grote partijen op televisie voor één of meer grote debatten. Wie daarbij aan mogen schuiven is altijd een punt van discussie vooraf. Waar ligt immers de grens tussen grote en kleine partijen? Op de grens van groot en klein zit meestal GroenLinks. Grote invloed op de uitslag hebben de lijsttrekkersdebatten zelden, maar wanneer de verkiezingen een nek-aan-nekrace zijn telt iedere zetel winst of verlies. En een paar zetels kan een blunderende lijsttrekker in een tv-debat wel verspelen.

Lijstverbinding
De Kieswet biedt kleine partijen de mogelijkheid hun kansen op een restzetel te vergroten door een lijstverbinding aan te gaan. Bij de verdeling van de restzetels worden de partijen die onderling hun lijsten verbonden hebben als één partij beschouwd. Samen zijn de partijen zo in staat meer restzetels binnen te halen dan zonder lijstverbinding. Wie van de deelnemende partijen binnen de lijstverbinding de extra restzetel(s) krijgt is afhankelijk van de uitslag. Van de regeling wordt gebruik gemaakt door partijen die zich min of meer verwant met elkaar voelen.

Mandaat
Opdracht of bevoegdheid om namens en onder verantwoordelijkheid van een ander zaken af te handelen. Gekozen vertegenwoordigers hebben ook een mandaat, namelijk van de kiezer.

Migranten
Terwijl voor buitenlanders deelname aan de politiek beperkt blijft tot de gemeentepolitiek, zijn die beperkingen er uiteraard niet voor Nederlanders van buitenlandse afkomst. De afgelopen jaren is het aantal migranten in de Tweede Kamer geleidelijk toegenomen.

Monisme
Situatie waarin de regeringsfracties een verlengstuk zijn van het kabinet of andersom. Er is dus geen sprake van een zeker machtsevenwicht, zoals bij dualisme wel het geval is.

Nationaal Kiezers Onderzoek
Voor en na de verkiezingen vragen onderzoekers aan een groep kiezers onder meer wat ze willen gaan stemmen en feitelijk gestemd hebben. Deze en andere gegevens maken deel uit van het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO), dat enige tijd na de verkiezingen gepubliceerd wordt. Het is de belangrijkste bron van gegevens over verschillen in stemgedrag naar factoren als leeftijd, opleiding en geslacht.

Nieuwe partijen
Bij alle verkiezingen voor de Tweede Kamer wordt ook deelgenomen door een aantal nieuwe partijen en al langer bestaande partijen die nog niet in de Kamer zitten. Om deel te nemen aan de Kamerverkiezingen moeten partijen een waarborgsom van 11.250 euro storten, die ze alleen terugkrijgen als ten minste 75% van de kiesdeler wordt gehaald. Ook moet in alle negentien kieskringen de kandidatenlijst door dertig mensen worden ondertekend. Bedoeling van de regeling is dat alleen serieuze partijen meedoen aan de verkiezingen.

Ongeldige stem
Op een stembiljet mag zoals bekend maar één hokje rood worden gemaakt. Wie daarvan afwijkt stemt blanco (door geen hokje rood te maken) of ongeldig. Een stem is ongeldig wanneer meer dan één hokje rood is of wanneer het biljet bijvoorbeeld van tekst is voorzien, bij wijze van protest. Deze laatste mogelijkheid om een proteststem uit te brengen wordt steeds verder beperkt: bij het stemmen met een stemmachine wordt geen rood potlood meer uitgereikt.

Onverkiesbaar
Laag op de lijst geplaatste kandidaten heten vaak `onverkiesbaar` te zijn. Partijen maken een inschatting van het aantal zetels dat gehaald gaat worden (meestal wordt gehoopt op iets meer dan de vorige keer). Ongeveer dat aantal plaatsen op de lijst krijgt het predikaat `verkiesbare plaats`. Uiteraard kan het aantal zetels nog hoger uitvallen. Ook kunnen laag geplaatste kandidaten met voorkeurstemmen worden verkozen. Echt onverkiesbaar zijn de onverkiesbaren dan ook niet, hooguit `kansarm`, om het in politiek jargon uit te drukken.

Opiniepeilingen
Neem een representatieve steekproef van ongeveer duizend mensen, vraag ze wat ze denken te gaan stemmen bij de komende verkiezingen en je hebt nieuws. In de maanden voorafgaand aan de verkiezingen worden ten minste één keer per week de opinies gepeild. Kranten en televisie houden nauwkeurig bij of de aanhang van partijen groeit of afneemt en verklaren waarom dat gebeurt.

Opkomst
Het aantal personen dat bij verkiezingen opkomt om te stemmen. Van een duidelijke trend in de richting van toename of afname van de opkomst is geen sprake. Welke partijen baat hebben bij een hoge of juist lage opkomst is moeilijk vast te stellen. Voor de grote partijen lopen de meningen daarover uiteen. Wel staat vast dat de kleine christelijke partijen gebaat zijn bij een lage opkomst. Hun achterban bestaat uit trouwe stembusgangers. Dus hoe lager de opkomst, hoe beter hun uitkomst.

Opkomstplicht
Bij de Kamerverkiezingen gold in 1967 voor de laatste keer de opkomstplicht. Deze is in 1970 in Nederland afgeschaft. Bij de eerste vrijwillige Kamerverkiezingen, in 1971, liet 21,5% van de kiezers verstek gaan. In België bestaat nog steeds opkomstplicht.

Oppositie
De partijen in het parlement die zich verzetten tegen het regeringsbeleid vormen tezamen de oppositie.

Oproepingskaart
De oproep om te gaan stemmen wordt door de gemeente ten minste twee weken voor de verkiezingen verspreid. Gegevens daarvoor worden ontleend aan de Gemeentelijke Basisadministratie. Vanaf een maand voor de verkiezingen kunnen mensen die menen kiesgerechtigd te zijn bij de gemeente navragen of ze ook werkelijk als kiezer in de administratie zijn opgenomen.

Partij
Vereniging van burgers die bepaalde uitgangspunten en opvattingen delen. Al ruim een eeuw kent Nederland politieke partijen. De eerste partij was de Anti-Revolutionaire Partij, opgericht in 1879, later opgegaan in het CDA. Wettelijk is er niet veel geregeld rond politieke partijen. Wel bepaalt de Kieswet (die overigens spreekt van `politieke groeperingen`) dat een partij een vereniging moet zijn die bij notariële akte is opgericht. De officiële taak van politieke partijen is uitsluitend het stellen van kandidaten voor verkiezingen. In het verlengde daarvan stellen de meeste partijen uiteraard een verkiezingsprogramma op en organiseren ze allerlei activiteiten voor hun leden en in het kader van de verkiezingscampagne. Daartoe zijn partijen dus weliswaar niet verplicht, maar voor het behalen van stemmen lijkt het wel verstandig het te doen.

Partijcongres
Het beleid van de meeste partijen wordt bepaald door een partijcongres. Zo`n congres stelt bijvoorbeeld de kandidatenlijst op, keurt het verkiezingsprogramma goed en benoemt een partijbestuur. Per partij verschilt de samenstelling van het partijcongres sterk. In sommige partijen hebben alle leden tijdens het congres het recht te spreken en te stemmen, andere partijen kennen een congres van afgevaardigden. Die afgevaardigden worden vaak benoemd door plaatselijke partijafdelingen.

Passief kiesrecht
Het recht om gekozen te worden in een bepaalde vertegenwoordigende functie. In het algemeen kan gesteld worden dat het passief kiesrecht geldt voor die mensen die ook actief kiesrecht hebben.

Politiek leider
De belangrijkste politicus van een partij. De politiek leider bepaalt meestal het gezicht van een partij.

Proteststemmen
Kiezers die ontevreden zijn over gevestigde partijen stemmen soms vooral om die reden op een bepaalde partij. Veelal zijn dat partijen die geheel ter linker- of ter rechter zijde van het politieke spectrum opereren.

Quorum
Minimum aantal leden dat aanwezig moet zijn om in een vergadering besluiten te kunnen nemen.

Referendum
In veel landen bestaat de mogelijkheid om over bepaalde belangrijke onderwerpen een volksraadpleging te houden, een referendum. Nederland kent sinds 2001 ook deze mogelijkheid. Het gaat dan om een raadgevend correctief referendum op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Zo`n referendum kan alleen gaan over wetten of besluiten die al door een volksvertegenwoordiging zijn goedgekeurd, om die zodoende te ‘corrigeren’.

Regeerakkoord
Bij de vorming van een regeringscoalitie tijdens de kabinetsformatie worden afspraken tussen de samenwerkende partijen vastgelegd in een regeerakkoord. Een dergelijk akkoord is nodig om de verschillen tussen de verkiezingsprogramma`s van de partijen te overbruggen.

Restzetels
Bij vaststelling van de verkiezingsuitslag wordt het stemmenaantal van alle partijen gedeeld door de kiesdeler. Dat levert de partijen een bepaald aantal zetels op, voor het aantal keren dat ze de kiesdeler hebben gehaald. Omdat nooit alle partijen een exact aantal malen de kiesdeler hebben gehaald, blijven er in eerste instantie zetels over, de zogenaamde restzetels. Die worden verdeeld volgens het systeem van de `grootste gemiddelden`. Van alle partijen wordt berekend hoeveel stemmen ze gemiddeld per zetel zouden hebben als ze één zetel meer zouden krijgen. De restzetels worden vervolgens toegekend aan partijen met het hoogste gemiddelde. Bedoeling van dit systeem is dat uiteindelijk het gemiddeld aantal kiezers per Kamerzetel zo hoog mogelijk ligt. Kleine partijen hebben daardoor minder kans op restzetels; een probleem dat gedeeltelijk ondervangen kan worden door het aangaan van een lijstverbinding.

Staatscourant
Officieel dagblad van het Koninkrijk der Nederlanden, waarin allerlei overheidsmededelingen worden gepubliceerd.

Staten-Generaal
Eerste en Tweede Kamer samen heten officieel de Staten-Generaal. Het is een oude aanduiding die verwijst naar de tijd dat het `parlement` nog bestond uit afvaardigingen van de Provinciale Staten.

Stembiljet
Het formulier waarop een stem moet worden uitgebracht. Door de komst van de stemmachine is het ouderwetse stembiljet al bijna verdwenen. Desondanks is het bijbehorende rode potlood nog altijd een bekend symbool voor verkiezingen.

Stembureau
Scholen, buurthuizen en andere (semi-)overheidsgebouwen doen bij de verkiezingen dienst als stembureau. In elk stembureau zorgen drie personen voor de goede gang van zaken. Zij houden bij wie gestemd heeft en zien toe op een eerlijk verloop. In of in de omgeving van stembureaus is het maken van reclame voor een politieke partij strikt verboden.

Stembus
Met het verdwijnen van het stembiljet is ook de stembus bijna verleden tijd. Wel wordt ‘de gang naar de stembus’ nog vaak gebruikt als synoniem voor (het deelnemen aan) verkiezingen.

Stemdistrict
Gemeenten worden bij verkiezingen verdeeld in stemdistricten, ieder met een eigen stembureau.

Stemmachine
Officieel omschreven als `elektronische stemmachine`. Steeds meer gemeenten kiezen voor het gebruik van dit apparaat ter vervanging van stembiljet en stembus. Tijdwinst is er vooral bij het tellen van de stemmen. Vrijwel direct na het sluiten van het stembureau kan de uitslag berekend worden.

Tweede Kamer
Een van de Kamers der Staten-Generaal. De Tweede Kamer maakt samen met de regering wetten en controleert de regering. De 150 leden worden voor vier jaar rechtstreeks door de bevolking gekozen. Uit haar midden wordt een voorzitter benoemd.

Verkiesbaar
Van kandidaten wordt wel gezegd dat ze wel of niet verkiesbaar zijn. Officieel bestaat dit onderscheid uiteraard niet. Alle kandidaten op lijsten van partijen zijn verkiesbaar. Wel is het zo dat kandidaten hoger op de lijst meer kans maken verkozen te worden. Doorgaans wordt op basis van het verwachte aantal zetels van een partij een aantal kandidaten als `verkiesbaar` omschreven. Lager geplaatste kandidaten kunnen alleen op basis van voorkeurstemmen gekozen worden.

Verkiezingscampagne
De periode voorafgaand aan de verkiezingen wordt wel aangeduid als de verkiezingscampagne. De datum waarop partijen starten met hun campagne wisselt per partij. Vaak markeert een grote bijeenkomst van een partij de campagnestart. Tijdens de campagne gaan partijleden de straat op met folders, treden politici door het hele land op met spreekbeurten en is er veel aandacht voor politiek in de media. Maar al maanden voor de verkiezingen beginnen politici in hun optreden rekening te houden met het naderen van de verkiezingen. Vaak valt dan ook maanden voor de verkiezingen te horen dat de campagne is begonnen.

Verkiezingsprogramma
Vrijwel alle partijen stellen voorafgaand aan de verkiezingen een verkiezingsprogramma op. Doorgaans zijn het vrij uitvoerige teksten waarin de plannen en ideeën van een partij worden opgesomd. Steeds meer partijen produceren daarnaast een verkorte versie van het programma, geschreven voor een breder lezerspubliek.

Vervroegde verkiezingen
Verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn er om de vier jaar, tenzij het kabinet binnen die tijd ten val komt. Dan vinden vervroegde verkiezingen plaats, binnen een bepaalde periode na het aftreden van het kabinet. De regering kan zonder kabinetscrisis niet besluiten de verkiezingen te vervroegen, zoals bijvoorbeeld in Groot-Brittannië mogelijk is. Daar kan de regering bij gunstige opiniepeilingen proberen een verkiezingswinst zeker te stellen door de verkiezingen te vervroegen.

Volmachtstem
Wie op vakantie is of om een andere reden niet in staat is om te stemmen, kan bij volmacht stemmen. Een andere stemgerechtigde kan namens de afwezige kiezer stemmen. Instructies voor het verlenen van een volmacht staan achter op de oproepingskaart.

Voorkeursdrempel
Wie met voorkeurstemmen gekozen wil worden, hoeft niet persoonlijk het aantal stemmen nodig voor een zetel (de kiesdeler) te halen. Al wanneer een kandidaat 25% van de kiesdeler heeft gehaald komt hij in aanmerking voor een zetel. De partij moet dan in totaal wel voldoende zetels hebben behaald om de kandidaten met de meeste voorkeurstemmen een zetel te bezorgen. Deze voorkeursdrempel van 25% van de kiesdeler komt in de praktijk neer op ruim 15.000 stemmen.

Voorkeurstem
Bij de verkiezingen wordt niet op een partij, maar op een kandidaat gestemd. Veel mensen kiezen eenvoudigweg voor de hoogste op de lijst, de lijsttrekker. Toch geven ook veel mensen de voorkeur aan een lager geplaatste kandidaat en brengen een zogenaamde voorkeurstem uit. Kandidaten die te laag op de lijst staan om automatisch één van de zetels van de partij in de wacht te slepen, kunnen een zetel halen door meer voorkeurstemmen dan de zogenaamde voorkeursdrempel te halen.

Vrouwenkiesrecht
Lange tijd was deelname aan de politiek voorbehouden aan mannen. Pas in 1919 is aan vrouwen het actief kiesrecht toegekend. Passief kiesrecht bestond voor vrouwen weliswaar iets eerder, maar ook daarvan is pas (geruime tijd) na 1919 op grote schaal gebruik gemaakt. Nog altijd ligt het aantal vrouwelijke politici aanmerkelijk lager dan het aantal mannen in de politiek.

Waarborgsom
Voor deelname aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer moet een waarborgsom van 11.250 euro betaald worden. Die wordt alleen terugbetaald als een partij ten minste 75% van de kiesdeler heeft gehaald (circa 45.000 stemmen). De regeling is bedoeld om minder serieuze partijen ervan te weerhouden deel te nemen aan de verkiezingen.

Waarnemers
In berichten over verkiezingen elders in de wereld duiken regelmatig waarnemers op. Mensen die toezien op het eerlijke verloop van de verkiezingen. Ze verschijnen alleen in die landen waar kennelijk aan de eerlijkheid van de verkiezingen getwijfeld wordt. Incidenteel verschijnen ook in Nederland waarnemers. Het is een ander soort waarnemers: meestal gaat het om `studiereizen` uit landen die minder lang ervaring met de organisatie van verkiezingen hebben.

Zendtijd
Wanneer een partij deelneemt aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer levert dat gratis zendtijd op radio en tv op. In het kader van de zendtijd voor politieke partijen mogen alle deelnemende partijen zich aan de kijkers en luisteraars presenteren. Dit systeem garandeert voor alle partijen een (minimale) toegang tot de media. De uitzendingen zijn echter kort en worden door een beperkt publiek bekeken en beluisterd.

Zondag
In veel landen vinden verkiezingen op zondag plaats. Het is met name de protestantse traditie die ervoor gezorgd heeft dat Nederland altijd op een werkdag stemt, op woensdag.

Zwevende kiezer
De verkiezingsstrijd richt zich met name op de kiezers die het nog niet weten: de zwevende kiezers. Met het langzaam verdwijnen van de verzuiling verbinden steeds minder mensen zich levenslang aan dezelfde partij.