Kopie van `Toneelwoordenboek`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Toneelwoordenboek
Categorie: Kunst, muziek en cultuur > Toneel
Datum & Land: 04/01/2010, NL
Woorden: 74


Absurdistische structuur
Dit zijn stukken waarbij men bewust de klassieke verhaallijn loslaat om met ongerijmdheden van de structuur te laten zien hoe ongerijmd men de samenleving vindt. Sommige absurdistische stukken kennen een cyclische (cyclus: tijdskring) structuur: het eindigt net zoals het begonnen is waarmee aangetoond wordt dat er niets wez...

abele spelen
(abel betekent 'edel') moet beschouwd worden als het tegenovergestelde van 'religieus'. De abele spelen zijn inderdaad de oudst bekende nederlandstalige toneelstukken van wereldlijke (niet religueuze) aard. Ze gaan namelijk allemaal over de Liefde. De vier nog bewaarde stukken zijn: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken, Vanden Winter ende v...

akoestiek
De geluidskwaliteit van een zaal. Als de spelers niet overal hoorbaar zijn of het galmt erg, is de akoestiek slecht.

akte
(=)bedrijf

amfitheater
Een soort theater dat is uitgevonden door de Romeinen. Het lijkt wat op een stadion: beneden in het midden wordt gespeeld en de zitplaatsen eromheen lopen trapsgewijs op.

amateurtoneel
toneelspel door liefhebbers van toneelspelen. 't Speeltoneel beoefent amateurtoneel met professionele insteek.

amateurs
liefhebbers, mensen die graag toneelspelen zonder er geld voor te krijgen.

antiheld
Personage in toneelstuk (of roman) dat qua beschrijving, gedrag, opvattingen enz. afwijkt van wat gebruikelijk is in deze genres. Personages uit absurde toneelstukken worden vaak als antihelden betiteld.

anticlimax
opeenvolging van steeds zwakkere woorden of uitdrukkingen: schreeuwen - roepen - zeggen - fluisteren. In dramatisch werk wordt de anticlimax vaak toegepast om een zekere ontspanning te verkrijgen, waarna het hoogtepunt (de climax) des te meer indruk maakt.

antagonist
een tegenspeler op toneel, tegenspeler van de hoofdrolspeler (protagonist). Door de Griekse tragedieschrijver Aschylus (5e eeuw v.C.) ingevoerd. Eerst deuteragonist genoemd, oftewel tweede speler.

applaus melken
De spelers komen weer naar voren als het publiek net wil ophouden met klappen. Zo zorgen ze ervoor dat het applaus langer duurt.

applaus halen
Als het publiek klapt, komen de spelers op het podium en buigen nederig als dank voor de spontane, of beleefde waardering van getoond spel.

avant-première
voorstelling die plaatsvindt voor de eerste publieke voorstelling, vaak voor insiders.

burleske
(of: burlesque) een kluchtig gedicht of blijspel, dat door het - met opzet aangebrachte - grote verschil tussen onderwerp en stijl karikaturaal en onnatuurlijk overkomt. Meestal wordt een hoogdravend onderwerp (goden, helden, geliefden) in zeer platte taal behandeld.De burleske is in de zestiende eeuw ontstaan in Italië. Het...

buiging
als dank voor het applaus nemen de toneelspelers deze nederige houding aan.

clown
(Eng.) komische toneelfiguur, hansworst, voortgekomen uit de ´stupidus´ van het klassieke Romeinse theater, de middeleeuwse hofnar en de Arlecchino uit de commedia dell´arte. In de loop van de 18e eeuw werd de clown populair in het circus, vervolgens ook in de pantomime.

climax
hoogtepunt wanner de spanning tussen publiek en spel het hoogst is.

claus
passage (één woord of meerdere volzinnen) in een stuk voor een acteur na elkaar gesproken.

clacque
groepje mensen die speciaal komen om voor iemand te klappen. Soms worden ze ervoor betaald.

cue
(kjoe) de wacht Het woord van je tegenspeler waarop je rekent om zelf te kunnen spreken. (Helaas is dit niet een betrouwbaar middel)

edelfigurant
zie figurant, maar met tekst.

eenakter
een toneelstuk in één bedrijf dat niet zo lang duurt.

emotie-geheugen
een deel van ons geheugen waarin emotionele ervaringen uit het verleden liggen opgeslagen.

emotie
laten zien wat je voelt, zoals angst, jaloezie, haat, liefde, enz.

Epische structuur
In de 20e eeuw is naast de aristotelische structuur ook de open structuur van het episch drama gekomen. Het "epische" betekent dat het toneel verhalender wordt. De Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht (1898-1956) is de theatermaker geweest die ieder meebeleven wilde voorkomen omdat volgens hem het gesloten systeem zou hinderen goed na te...



epiloog
naspel, afsluiting. In een Grieks treurspel de slotrede. Vaak gebruikt om een samenvatting te geven van wat je gezien en gehoord hebt.

festival
feestelijk veel verschillende voorstellingen achter elkaar.

fond
achterdoek

fysiek spel
Het in houding, beweging en gebaar omzetten van een rol of een begrip. Men loopt en beweegt als de rol en gaat dus niet zomaar wat staan praten, maar geeft er middels het eigen lijf vorm aan.

gobo
een dun stukje lood, waarin bijv. een hartje uitgesneden is en gestopt in de gleuven van een schijnwerper.

ijsberen
heen en weer lopen van het kast naar de muur en van de muur naar het kastje. Als je, je bijvoorbeeld wil concentreren voordat je opkomt kun je gaan ijsberen.

improvisatie
gaan spelen zonder van te voren wat af te spreken. (Zie ook Theatersportoefeningen)

imitatie
nadoen van een persoon

impresario
iemand die theatervoorstellingen verkoopt aan theaters.

italiaantje
tekstrepetitie door alle teksten zonder pauze, intonatie en schijnbaar zonder er verder bij te hoeven nadenken op te zeggen

jeune premier
jonge mannelijke hoofdrol

jeugdtoneel
toneel voor de jeugd, Bij 't Speeltoneel te Pijnacker vanaf 9 jaar. (Helaas wordt er gewerkt met wachtlijsten, dus..)

jeugdtheater
theater voor iedereen vanaf ongeveer vier jaar.

kijkkasttoneel
zie lijsttoneel

kluitenwagen
waar je de kluiten in stopt als contra gewicht voor de trek

kluiten
(=kloten) zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Een contra gewicht voor de trekkenwand)

klucht
toneelgenre bedoeld om leuk te zijn. Meestal persoonsverwisselingen, verwarringen en vele problemen die gedurende het stuk toenemen. Loopt positief af. Al in Griekenland bekend en populair (Aristophanes, ca. 445-ca. 385 v.C.). De Romeinen vonden, behalve in een eigen kluchttraditie, de zgn. Atellaanse klucht, afkomstig uit het stadje Atella in Camp...

kloten
(=) zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Contragewicht voor de trekkenwand

kleurfilter
gekleurd stuk glas of plastic dat voor de lens van een schijnwerper gezet kan worden om de kleur van het licht te veranderen.

klassiek
de Griekse of Romeinse Oudheid betreffend.

nulpunt
vast punt op het toneel, nuttig om te weten waar het midden is voor het zetten van decorstukken.

overacting
overdreven spel, te grote gebaren, teveel emoties, te .... enz.

ovationeel, ovationele
het karakter dragend van een ovatie: een ovationeel applaus.

ovatie
slotapplaus van grote omvang van een kennelijk zeer tevreden publiek.

oyama
(of onnagata) is een man die een vrouwenrol speelt. Dit gebruik komt uit Japan. Het gebruik stamt uit 1629 toen onder het shogunaat van Tokugawa besloten werd dat vrouwen niet meer mochten meespelen in de kabuki toneelvorm. Toendertijd werden de vrouwenrollen hoofdzakelijk waargenomen door prostituee's, hetgeen door dit shogunaat als slecht voor de...

set
toneelopbouw

sketch
kort toneelstuk, meestal luchtig van karakter

spelstroom
Er is sprake van een spelstroom wanneer de spelers ontspannen vanuit hun rol in de gespeelde werkelijkheid reageren. Het kost even voordat een spelstroom op gang komt

speelvlak
de plek waarop toneel gespeeld wordt.

spelschakel
een omslag in het spel. Spelschakels zitten bijvoorbeeld bij het ontstaan van een idee, schrik, een emotionele reactie, enzovoort. Na een spelschakel verandert de spelrichting vaak. Het advies is om de spelschakel overwegend fysiek te spelen, dus niet alleen met tekst tot stand te brengen

synopsis
korte beschrijving van de inhoud van het stuk, samenvatting.

thriller
toneelgenre; een spannend verhaal. Een groep mensen wordt geconfronteerd met een probleem dat bedreigend is voor het voortbestaan van dat groepje mensen.

theatraal
behorend tot, betrekking hebbend op het toneelspel, bijv. het theatraal effect, ook: op onnatuurlijke wijze indrukwekkend, op effect berekend. bijv. theatraal optreden (met zeer veel vertoon).

theaterwetenschap
studie van het de dramatiek, de toneelkunst. Het centrale object van de huidige theaterwetenschap is de voorstelling, in ruime zin opgevat als de presentatie van speelbare gegevens voor een publiek door middel van lichamelijke handelingen en overige scènische en filmische expressiemiddelen. Binnen dit complexe geheel zijn het theatrale gegev...

theatersport
theatersport is een improvisatievoorstelling in de vorm van een wedstrijd.

theatercoup
onverwachte wending in het verloop van de handeling

theater
schouwburg, toneelgebouw, ook: toneel(spel), opvoeringen, datgene wat er te zien is in de schouwburg. Hiertoe behoren naast het drama ook circus, goochelen, jongleren, revue, cabaret, toneel, ballet, opera, operette, musical en pantomime.

uitvoering
hoort niet bij het toneel maar bij andere gezelschappen die iets aan het publiek willen laten zien. Vaak verward met voorstelling.

uit de rol vallen
tijdens het spelen iets zeggen of doen wat niet bij de rol hoort

uiterlijke regie
de mise-en-scène (het regelen van de opkomsten en afgangen en verdere bewegingen van de personages), het creëren van het toepasselijke handelingen, een goede uitspraak en intonatie en afwisseling in tempo. De regisseur geeft aanwijzingen aan de decorontwerper, costumier en rekwisiteur. Het decor, kostuums, toneelaankleding en ook belich...

volgspot
een schijnwerper die een persoon op toneel volgt.

voorstelling
vertoning van toneel/theaterkunsten aan het publiek.

voetlicht
lichtbakken vooraan op de podiumvloer.

vrijkaartjes
gratis kaartjes.

vrije secor
ongesubsidieerd toneel, zogenaamde commerciële producties die vaker gespeeld moeten worden om investering terug te verdienen. Zoals musicals.

werklicht
licht dat boven het podium brandt als de spots niet aan zijn, vaak tijdens de opbouw

zetstuk
een los décorstuk, decorelementen die meestal bestaan uit een frame waarover doek gespannen is. De vakken kunnen met elkaar verbonden worden door fitsen (een soort scharnieren) en krommers die in de plaats komen van de scharnierassen. Ze worden in evenwicht gehouden door schoren en verzwaard met kluiten (gewichten) ook toneelbroden genoemd

zichtlijn
de plek in de zaal waar net nog goed/slecht zicht is op het podium

zug-um-zug
de te nemen stappen van het toneelspelen, je rolfiguur reageert volgens de vijf stappen, te weten observeren, incasseren, overwegen, besluiten/schakelen en reageren.