helder (weer) klinkend, galmend - Voorbeeld: ‘Als hij daar lang gezeten had, versmolten de klanken en 't werd een helderketterend lied, zo zot spokend in de nachtijlte’ (Zomerland II 172) Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0011.php