de plant zelfst.naamw. (m./v.) Uitspraak: [ plɑnt ] Verbuigingen: planten (meerv.) organisme dat meestal wortels in de grond en groene bladeren erboven heeft Voorbeelden: 'planten en dieren' , 'sierplant' , 'vaste planten' Synoniemen: basilicum bloem gewas veredelen Spreekwoorden en zegswijzen • Ga patatten plant... Gevonden op https://woorden.org/woord/plant
een stengel die groeit, met wortels en bladeren vb: voor het raam staat een plant een teer plantje [iemand die weinig verduren kan] Gevonden op https://mowb.muiswerken.nl/
Snookerterm; een bal tegen een andere bal aanspelen en die op zijn beurt potten. In de meeste gevallen liggen daarbij twee rode ballen tegen elkaar, in een rechte lijn naar een pocket. In zo'n geval kan de bal zonder veel moeite gepot worden. Komt van het Engelse werkwoord 'to plant' = in het Nederlands 'geschut opstellen'
Gevonden op https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_snookerjargon
Organisme, waarvan alle cellen zijn voorzien van een celwand en celkern. Sommige cellen bezitten bladgroenkorrels. Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10078
In het algemeen een levend organisme dat door fotosynthese in staat is uit anorganische stoffen organische op te bouwen. (v. Lat. planta = stek, ent) Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10200