uitbreken werkw. Uitspraak: [ˈœydbrekə(n)] Vervoegingen: brak uit (verl.tijd enkelv.) 1)(een ruimte) groter maken door een muur weg te halen Vervoegingen: heeft uitgebroken (volt.deelw.) Voorbeeld: `We hebben de keuken uitgebrok... Gevonden op https://www.woorden.org/woord/uitbreken
er niet door getroffen worden, niet gepakt worden vb: hij is uitgebroken uit de gevangenis er even uitbreken [even iets anders gaan doen] Gevonden op http://www.muiswerk.nl/mowb/?word=uitbreken
onverwachtse en onbedoelde beweging van iets. Bij ankers: het uit de bodem loskomen. Bij lieren: het over elkaar heen springen van de tanden van de tandwielen, soms het uitwippen van de pal op een kamrad Gevonden op https://www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal/index.php