bokken werkw. Uitspraak: [ ˈbÉ”kÉ™(n) ] Afbreekpatroon: bok·ken Vervoegingen: bokte (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gebokt (volt.deelw.) stug/nors zijn omdat je boos bent Zie ook: bok Synoniemen: pruilen steigeren Spreekwoorden en zegswijzen • oude bokken hebben stijve horens (=oude mensen hebben vaa... Gevonden op https://woorden.org/woord/bokken
Pogingen van een rijpaard om de ruiter, of zelfs alleen het zadel, af te werpen. Het paard doet dit door zijn rug te krommen en, gelijktijdig, te springen en plotselinge bewegingen te maken. Het paard bokt ook uit blijdschap als hij wordt losgelaten in de wei of bak. Gevonden op https://angelfire.com/ak5/ruitershof/Coolstuff/begripterm.php
1.botsen, stoten (DB, Te) Voorbeeld: ‘Mote zet het nog eens en nu bokte ze tegen malkanders kop dat 't dreunde’ 2.uitdr.: Voorbeeld: ‘het kunnen bokken tegen iemand’: het kunnen halen (DB) Voorbeeld: ‘Blomme weet het: tegen die kerel kan hij het niet bokken - in 't praten is hij hem de sterkste en haalt immer gelijkâ... Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0005.php
• [inerg] mokken omdat men zich verongelijkt voelt. • [inerg] (van paarden) de achterhand in de lucht gooien. •(gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken. Gevonden op https://nl.wiktionary.org/wiki/bokken