de ficus zelfst.naamw. (m.) Uitspraak: [ 'fikʏs ] Afbreekpatroon: fi·cus Verbuigingen: ficussen (meerv.) boom met talloze verschillende soorten Voorbeelden: 'In Nederland wordt een ficus vaak als kamerplant gebruikt.' , 'De vijg is ook een ficus.' Gevonden op https://www.woorden.org/woord/ficus
uitheemse plant met verschillende variëteiten die om hun glimmende, leerachtige bladeren vaak als groene kamerplant worden gehouden en tot hetzelfde geslacht als de vijgenboom behoren plantensoort die ficus wordt genoemd; plantensoort van de ficussen Gevonden op https://anw.ivdnt.org/article/ficus
'Ficus' is de botanische naam van een geslacht uit de moerbeifamilie ('Moraceae'). Biologisch is het genus zeer boeiend vanwege de bestuivingsecologie, waarbij elke soort zijn eigen vijgenwesp heeft. Gevonden op https://nl.wikipedia.org/wiki/Ficus