
1.glanzen, schitteren (DB) Voorbeeld: ‘
Wat een glans van blijheid gletst de zon over heel die vlakte van geperkt groen’ Voorbeeld: ‘
Nu doorzag zij de verschalker en heel zijn bedriegelijke pomperij: de innemende glimlach op de rode lippen en de gletsende vlam die zinnelijkheid uitstraalt in de ogen’ 2.glijden, glibberen (DB, ...
Gevonden op
https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0010.php
Geen exacte overeenkomst gevonden.